donderdag 30 september 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Die 1 octobris S. TERESIÆ A IESU INFANTE, VIRGINIS H. Theresia van het Kind Jezus In corde Ecclesiæ ego amor ero. In het hart van de Kerk.



Lectio altera

Ex narratióne vitæ sanctæ Terésiæ a Iesu Infánte, vírginis, ab ipsa exaráta
(Manuscrits autobiographiques, Lisieux 1957, 227-229)

Tweede lezing

Uit het levensverhaal van de heilige Teresia van het Kind Jezus (+1897)
(Manuscrits autobiographiques, Lisieux, 1957, blz. 227-229)
In het hart van de Kerk.
Omdat tijdens de meditatie mijn verlangens mij een echte marteling waren, deed ik de brieven van de heilige Paulus open om een antwoord te vinden. Mijn oog viel op het twaalfde en dertiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korintiërs. In het eerstgenoemde hoofdstuk las ik dat niet allen apostelen, profeten of leraars kunnen zijn... dat de Kerk uit verschillende leden bestaat, en dat het oog niet ter zelfder tijd hand kan zijn. Het antwoord was duidelijk, maar stilde mijn verlangens niet, het gaf me geen vrede.

Zonder de moed te verliezen las ik verder, en deze zin vertroostte mij: ‘Gij moet naar de hoogste gaven streven. Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles’ (1 Kor. 12, 31). En dan legt de Apostel uit hoe zelfs de volmaaktste gaven niets zijn zonder de liefde, en dat de liefde de verheven weg is die zeker leidt naar God.

Eindelijk had ik rust gevonden. Bij het beschouwen van het mystieke lichaam, de Kerk, had ik mij in geen van de ledematen die de heilige Paulus beschrijft, herkend, of liever, ik wilde me in alle ledematen herkennen. De liefde gaf mij de sleutel van mijn roeping. Ik begreep dat, als de Kerk een lichaam is dat uit verschillende ledematen is samengesteld, het noodzakelijkste en edelste lid haar niet kan ontbreken; ik begreep dat de Kerk een hart bezat, en dat dit hart brandde van liefde. Ik begreep dat alleen de liefde de leden van de Kerk tot handelen aanzette, en dat, als het vuur van de liefde gedoofd zou worden, de apostelen zouden ophouden het evangelie te verkondigen, de martelaren zouden weigeren hun bloed te vergieten. Ik begreep dat de liefde alle roepingen insloot, dat de liefde alles was, dat zij alle tijden en alle plaatsen omvatte, in één woord: dat zij eeuwig is!

Toen heb ik in de overmaat van mijn uitzinnige vreugde uitgeroepen: O Jezus, mijn Liefde, eindelijk heb ik mijn roeping gevonden: mijn roeping is liefde! Ja, ik heb mijn plaats in de Kerk gevonden, en deze plaats, mijn God, hebt Gij mij gegeven: in het hart van de Kerk, mijn moeder, zal ik de liefde zijn. Zo zal ik alles zijn. Zo wordt mijn droom werkelijkheid!