woensdag 1 september 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXI per annum feria V Tu es, Deus, omnia nostra.Gij, o God, zijt alles



Lectio altera

Ex Instructiónibus sancti Columbáni abbátis
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3: Opera, Dublin 1957, 118-120)
Fratres, vocatiónem sequámur, qua ad vitæ fontem vocámur a vita, qui est fons non solum aquæ vivæ, sed et fons ætérnæ vitæ, fons lucis idem et fons lúminis; ab illo enim hæc ómnia sunt, sapiéntia et vita, lux ætérna. Auctor vitæ fons vitæ est, lucis creátor fons lúminis est; et ídeo contémptis his quæ vidéntur, transcénso sæculo in superióribus cælórum, fontem lúminis, fontem vitæ, fontem aquæ vivæ ut rationábiles et sagacíssimi pisces quærámus, ut ibi bibámus aquam vivam et saliéntem in vitam ætérnam.
Utinam me illuc dignáres adscíscere ad illum fontem, Deus miséricors, pie Dómine, ut ibi et ego cum sitiéntibus tuis vivam undam vivi fontis aquæ vivæ bíberem, cuius nímia dulcédine delectátus sursum semper ei hærérem et dícerem: «Quam dulcis est fons aquæ vivæ, cuius non déficit aqua sáliens in vitam ætérnam!».
O Dómine, tu es ipse iste fons semper et semper desiderándus, semper licet et semper hauriéndus. Nobis semper da, Dómine Christe, hanc aquam, ut sit in nobis quoque fons aquæ vivæ et saliéntis in vitam ætérnam. Magna quidem posco, quis nésciat? Sed tu, rex glóriæ, magna donáre nosti et magna promisísti; nihil te maius, et te nobis donásti, te pro nobis dedísti.
Unde te rogámus, ut sciámus quod amámus, quia nihil áliud præter te nobis dari postulámus; tu es enim ómnia nostra, vita nostra, lux nostra, salus nostra, cibus noster, potus noster, Deus noster. Inspíra corda nostra, rogo, Iesu noster, illa tui Spíritus aura, et vúlnera nostras tua caritáte ánimas, ut possit uniuscuiúsque nostrum ánima in veritáte dícere: Indica mihi quem diléxit ánima mea, quóniam vulneráta caritáte ego sum.
Opto illa vúlnera in me sint, Dómine. Beáta talis ánima, quæ caritáte sic vulnerátur; talis fontem quærit, talis bibit, semper tamen sitit bibéndo, semper haurit desiderándo, quæ semper bibit sitiéndo; sic semper quærit amándo, quæ sanátur vulnerándo; quo salutári vúlnere ánimæ nostræ interióra Deus et Dóminus noster Iesus Christus, pius ille salutarísque médicus, vulneráre dignétur, cui cum Patre et cum Spíritu Sancto únitas est in sæcula sæculórum. Amen.

Tweede lezing
Uit de instructies van de H. Columbanus, abt
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3: Opera, Dublin 1957, 118-120)

Gij, o God, zijt alles

Broeders, laten wij de roeping volgen waarmee wij door het leven tot de bron des levens worden geroepen, die niet alleen de bron is van het levend water, maar ook van het eeuwig leven, de bron van het licht en tegelijk ook de bron van de verlichting. Door Hem toch bestaat dit alles: wijsheid en leven, het eeuwig licht. De bewerker van het leven is ook de bron van het leven, de schepper van het licht ook de bron van de verlichting. Laten wij daarom met verwaarlozing van hetgeen wij zien en de wereld overstijgend, als verstandelijke en slimme vissen, naar de hoge hemelen, de bron van het licht zoeken, de bron van het leven, de bron van het levend water, om daar te drinken het levend water dat ontspringt ten eeuwig leven.

Barmhartige God, liefdevolle Heer, mocht Gij ook mij bij die bron brengen om daar ook met uw anderen, die dorsten, aan de levende stroom te drinken van de levende bron met levend water en dat ik daar door die overheerlijke smaak verkwikt er steeds opnieuw naar kan terugkeren en zeggen: ‘Hoe fijn is de bron van levend water waaraan nooit ontbreekt het water, dat ontspringt ten eeuwige leven!
O Heer, Gij zijt Zelf die bron, waarnaar men altijd en altijd moet terugverlangen, waaruit men altijd en altijd mag putten. Heer Christus geef ons altijd dit water opdat het ook in ons kan worden tot een bron van levend water dat ontspringt ten eeuwige leven. Ik vraag wel grote gunsten, nietwaar? Maar Gij, Koning der glorie, Gij weet grote gaven te schenken en hebt ook grote beloofd. Niets is groter dan Gij en Gij hebt Uzelf aan ons gegeven, U voor ons overgeleverd.

Daarom vragen wij U dat wij mogen beseffen wat wij beminnen, omdat wij niets anders vragen dan dat Gij aan ons geschonken wordt: Gij toch zijt ons alles, ons leven, ons licht, ons heil, ons voedsel, onze dank, onze God. Ik vraag U, onze Jezus, beziel onze harten met die uitstraling van uw Geest en verwond onze zielen met uw liefde, zodat de ziel van ieder van ons in waarheid kan zeggen: Verklaar mij aan wie mijn ziel haar liefde gegeven heeft, want ik ben gewond door de liefde. Ik verlang, dat die wonden in mij blijven, Heer. Want zalig de ziel die zo door de liefde wordt gewond. Zulk een ziel zoekt de bron, zo een drinkt maar blijft al drinkende toch dorsten. Zij put voortdurend door te verlangen wat zij door te dorsten steeds blijft drinken. Zo zoekt zij die door wonden op te lopen wordt genezen, altijd door te beminnen. Door die heilzame verwonding gewaardige Zich ons God en Heer Jezus Christus, die liefdevolle en heilzame geneesheer, het innerlijk van onze ziel te verwonden, Hij die met de Vader en de Heilige Geest een eenheid is in de eeuwen der eeuwen, Amen.