Posts tonen met het label Postcommunio. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Postcommunio. Alle posts tonen

zondag 21 september 2025

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXV per annum Vijfentwintigste zondag door het jaar De genade van de verlossing ontvangen in de viering van het mysterie en in het leven van elke dag.



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

De genade van de verlossing ontvangen in de viering van het mysterie en in het leven van elke dag.

I n l e i d i n g
Na het ontvangen van de H. Communie voelt de gelovige zich verkwikt en gesterkt. Bij het hervatten van de alledaagse bezigheden heeft hij de voortdurende hulp van de genade nodig wil het werk van de voortgaande verlossing zich ten volle ontplooien. Niet alleen het meevieren van het H. Misoffer, bewust en actief, - vooral ook het ontvangen van de H. Communie – maar ook een levenswijze die de H. Eucharistie waardig is, dragen daartoe van onze kant bij.
Deelname aan de H. Mis - bidden en leven -, vormen, zoals geloof en goede werken, het christelijk levensprogram. Deze elementen zijn nauw met elkaar verbonden. Het ernstig nemen en trouw vervullen van onze religieuze plichten heeft grote invloed op de kwaliteit van ons leven, en vice versa, als we goed leven als christen en tijd aan het gebed besteden, ervaren we de hulp van God. Mysteria en mores, trouw aan het gebed en consequent in leven, ora et labora, al deze concepten  geven in verschillende termen de boodschap van de Postcommunio van deze zondag weer: niet alleen gebed, niet alleen werk, maar een harmonisch samengaan van beide! 

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Quos tuis, Domine, reficis sacramentis,
continuis attolle benignus auxiliis,
ut redemptionis effectum et mysteriis capiamus et moribus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, door uw Sacrament geeft Gij ons nieuwe kracht.
Blijf ons in uw goedheid omringen met uw zorg,
zodat wij de genade van de verlossing ontvangen in de viering van dit mysterie en in het leven van elke dag.

Werkvertaling
Verhef, Heer, hen, die Gij door uw sacramenten verkwikt,
in uw goedheid met [uw] voortdurende hulp,
opdat wij de uitwerking van de verlossing zowel in de viering van de Sacramenten als in ons leven ondervinden / ontvangen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 161, eerste helft achtste eeuw, die als volgt luidt:
Hos quos reficis, Domine, sacramentis adtolle benignus auxiliis, et tuæ redemptionis effectum et mysteriis capiamus et moribus.
Rubriek in MR 1962, 958: Postcommunio van het misformulier ‘In collatione sacruum Ordinum’ (Bij het toedienen van de HH. Wijdingen)
T e x t u e l e  a n a l y s e
1. Quos tuis, Domine, reficis sacramentis,
2. continuis attolle benignus auxiliis,
3. ut redemptionis effectum et mysteriis capiamus et moribus.

De Postcommunio bestaat uit een enkele volzin, te onderscheiden in een relatieve bijzin in de openingsregel met prædicaat reficis in de indicativus, gevolgd door de hoofdzin met de imperativusvorm attolle (r. 2) en een finale/consecutieve bijzin in de coniunctivusvorm, bepaald door het voegwoord ut (r. 3).
Zoals boven reeds gezegd is de strekking van de oratie dat wij door middel van het mysterie (de H. Eucharistie) dat wij vieren en de manier waarop wij leven het effect van onze verlossing mogen ontvangen.

Ad 1
Relatieve bijzin met het prædicaat reficis in de indicativusvorm van het præsens, omdat er een werkelijkheid wordt uitgedrukt: de Heer verkwikt in de H. Communie de gelovigen met zijn sacramenten, met zijn eigen Lichaam en Bloed.
Reficis bevat het ingesloten subject ‘Gij’, onderstreept door de vocativusvorm Domine.
Quos, zij/hen – pronomen relativum waarvan het antecedent hos resp. eos is verzwegen: object in de accusativusvorm meervoud van qui. Met quos aan de spits van de oratie zijn dezelfde personen bedoeld die als subject zijn opgesloten in capiamus in r. 3.
Tuis sacramentis, met/door uw sacramenten – bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen (ablativus instrumentalis, het middel waarmee/-door.
Hyperbaton: tuis […] sacramentis.
Ad 2
Attolle/hef /beur/til op – prædicaat in de imperativusvorm.
Benignus, welwillend, in uw godheid – prædicatieve bepaling in de adiectivusvorm.
Continuis auxiliis, door [uw] voortdurende hulp – bijwoordelijke bepaling gevormd door twee congruerende ablativusvormen (ablativus instrumentalis).
Ad 3 
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm van het præsens met capiamus, [op-/zodat wij grijpen, ontvangen, verwerven, als prædicaat.
Redemptionis effectum, de uitwerking / het effect van de verlossing, object bij capiamus, samengesteld uit de accusativusvorm effectum van effectus- us en de bijvoeglijke bepaling redemptionis in de genitivusvorm: genitivus explicativus.
Et mysteriis […] et moribus, zowel in [het vieren van] de sacramenten als in onze manier van leven – bijwoordelijke bepaling van gesteldheid bestaande uit de twee elementen mysteriis en moribus: ablativusvormen die een gesteldheid uitdrukken. De herhaling van de coniunctie et .. et onderstreept de samenhang tussen gebed en werk.

S t i j l f i g u r e n
Sterke aanwezigheid van de slotlettergreep op –is:
tuis, reficis, sacramentis (regel 1), continuis, auxiliis (r. 2), redemptionis en mysteriis (r.3).
Hyperbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende elementen):
tuis […] sacramentis (r. 1), continuis […] auxiliis (r.2).
Repetitio: et … et (r.3).

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Attollo, 3.
1. omhoog heffen, - houden, opheffen, heffen, oprichten/optrekken (van gebouwen); stijgen (water)
Bijvoorbeeld: umeris regem attollere: de koning op de schouders tillen; attollitur unda, een golf verheft zich / komt op; manus/oculos ad cælum attollere: handen/ogen ten hemel heffen; parvum natum attollere, een pasgeborene omhoog tillen.2. opbeuren, verheffen, verhogen, met iets vereren
Naast de bovengenoemde rubriek onder Liturgische antecedenten komt het verbum attollere (ook als imperativusvorm)  in MR 1962 slechts in de Postcommunio van donderdag na de 1e zondag van de Vasten voor.
In MR 1970 heb ik dit verbum nog niet aangetroffen.

Continuus, -, -um
Adiectivum heeft betekenissen met betrekking tot ruimte en tijd.
Qua ruimte: met iets of in zijn delen samenhangend, verbonden, doorlopend, aangrenzend, aan elkaar gelegen.
Qua tijd: onafgebroken, onmiddellijk daarop, terstond, dadelijk.
Continuare, - avi, -atum:
Qua ruimte: bijeen voegen, verbinden, samenvoegen, verenigen.
Qua tijd: onafgebroken voortzetten, onmiddellijk op elkaar laten volgen.
Continuo (adverbium), terstond, dadelijk, onmiddellijk daarop.
Continuatio, - onis: onafgebroken voortzetting, verlenging, het aanhouden, het voortduren, samenhang.

Auxilium, -i, onz.
1. hulp, bijstand, en in het meervoud hulpmiddelen, redmiddelen
2. (milit.) hulptroepen, strijdkrachten.
Auxiliari, dep. 1, helpen, bijstaan.
Auxiliaris, -e: helpend.
Auxiliator, -oris, helper; auxiliatrix, -cis, helpster.
Auxiliatrix christianorum, Hulp der Christenen: titel waarmee de H. Maagd wordt aangeroepen in de Litanie van Loreto.
De toewijding aan Maria als de Hulp der Christenen werd populair ten tijde van paus Pius V, die de overwinning van de christelijke Heilige Liga op de islamitische Ottomanen in de Zeeslag van Lepanto (7 oktober 1571) toeschreef aan haar hemelse bijstand. Het was een van de grootste zeeslagen uit de wereldgeschiedenis en ook de laatste grote zeeslag waar gebruik werd gemaakt van galeischepen. Lepanto (de vroegere Italiaanse naam van de Griekse havenstad Návpaktos) ligt aan de nauwe ingang van de Golf van Korinthe.
De gedachtenisviering van Maria Hulp der Christenen werd in 1814 door paus Pius VII op 24 mei geplaatst. In 1808 was deze paus op last van Napoleon gearresteerd en moest in ballingschap leven, aanvankelijk in Savona, later in Fontainebleau. Na de Slag bij Leipzig, in januari 1814, werd de paus vanuit Frankrijk teruggestuurd naar Savona. Hier herkreeg hij in maart zijn vrijheid. Zijn terugkeer naar Rome op 24 mei 1814 werd een ware triomftocht. Kort daarna bepaalde hij dat de dag van zijn terugkeer voortaan gewijd moest worden aan Maria Hulp der Christenen.
In de 19e eeuw kreeg de devotie een bijzondere impuls door de toewijding van Don Bosco aan Maria Hulp der Christenen. De oorsprong van deze titel gaat terug op de heilige Johannes Chrysostomus (4e eeuw na Chr.). In een homilie noemde hij Maria boeteia (βοετεια), dat 'hulp' betekent. Na hem gebruikten ook andere Kerkvaders deze term voor de Moeder Gods.

O v e r w e g i n g
‘Ora et labora’: een gevleugelde Latijnse spreuk in de vorm van twee imperatieven die letterlijk betekenen bid en werk. Het is een christelijk gezegde dat in verband wordt gebracht met de kloosterregel van de H. Benedictus, maar daarin niet letterlijk terug te vinden is, niettemin aan de H. Benedictus wordt toegeschreven. Het is een bondige samenvatting van de taken die een monnik volgens Benedictus had. Het werk was in het geval van de monniken eenvoudig handwerk, tamelijk revolutionair voor monniken uit zijn tijd die uit hogere maatschappelijke geledingen kwamen.
Benedictus zag bidden en werken als één geheel, hij geloofde dat het van belang was om beide dingen te combineren. Met deze uitspraak wilde hij een balans creëren tussen bidden en werken voor de monniken. Deze visie werd ook door andere kloosterfamilies overgenomen en tenslotte wereldwijd bekend, schriftelijk doorgegeven en praktisch beleefd. Ook in ons klooster is het zo ingericht.
‘Ora et labora’, bidden en werken kan betekenen nu eens bidden, dan weer werken, maar ook bidden ook als werken zien en werkend altijd bidden.
Jezus zelf heeft gebeden en zijn Apostelen bidden geleerd. Hij heeft zijn Kerk de opdracht tot bidden meegegeven die trouw het gebed van Christus voortzet. Middels het gebed met zijn vele facetten wordt God lof en dank gebracht en aangeroepen in velerlei nood.
De menselijke arbeid is rechtstreeks verbonden met de mensen die naar Gods beeld zijn geschapen en de opdracht hebben de aarde met en voor elkaar te bewerken en zo het scheppingswerk van God voort te zetten. Werken is een plicht; “Als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten” (2 Tess 3,10). Door de talenten die wij – om niet - hebben ontvangen te gebruiken en onze bekwaamheden te ontplooien, brengen we God lof en zijn dankbaar voor zijn gaven.
Werk in vereniging met Christus  gedaan heeft verlossende waarde : het is de navolging van Christus door zijn kruis op zich te nemen en Hem achterna te gaan. Het werk heeft ook een heiligend aspect door de lasten van de dag, van het leven op zich te nemen en andermans lasten te dragen.
De arbeid wordt dus zelfs tot gebed, wanneer ik mijn werk verricht in Gods tegenwoordigheid. Wanneer ik in Gods tegenwoordigheid werk, dan antwoord ik God met wat ik doe, ik kan mij dan helemaal aan mijn werk geven, zonder in mijn gedachten verdeeld te zijn. Ik geef mij immers helemaal aan mijn werk uit gehoorzaamheid aan God en als antwoord op Zijn tegenwoordigheid. De tegenwoordigheid van God drukt zo een stempel op de manier waarop ik werk.
Het vervullen van Jezus’ opdracht ‘semper orare’, altijd te bidden, is zo niet alleen de heiliging van de tijd, van de dag en van heel het menselijk handelen, maar ook de arbeid heiligt het menselijk leven mits gedragen op de vleugels van de geest van gebed. Het is een zich thuis voelen bij God, het met God van hart tot hart omgaan, Hem in het eigen leven toelaten net ontzag voor zijn Majesteit.
De H. Schrift geeft ons daartoe houvast: Zo sprak de profeet Jesaja tot God: “ Gij komt hen tegemoet, die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij al wat ze doen aan U denken” (Jes 64,4) en in het Nieuwe Testament lezen we bij de H. Paulus: “Of gij nu eet of drinkt, of wat ge ook doet, doet alles ter ere Gods” (1 Kor 10,31). “Al wat ge doet in woord of werk, doet alles in naam van Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem…De Heer die gij dient is Christus” (Kol 3, 17-21).
Jezus zelf zei: “Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven….weest dus volmaakt en bidt” (Lc 21, 34-35).
Hoe redt men dat?
Uit het oog uit het hart, wordt gezegd van menselijke verhoudingen.als men elkaar niet voldoende ontmoet. God is onzichtbaar. God ontmoeten betekent Hem op tijd met de ogen van ons hart en onze geest  zien en ontmoeten, voldoende vaak bidden in liefdevolle gesprekken met God, soms zo maar stil en onopgemerkt, soms gesteund door een daarbij passende houding van hoofd, handen en heel ons lichaam. Wie groeien willen in geest van gebed, voortdurend nauw verbonden met Hem willen leven, veel aan Hem denken, kunnen uitdrukkelijk bidden niet missen. We dienen God niet uit het oog te verliezen bij alles wat we doen.  Het is praktisch op vaste momenten per dag, per week en per jaar tijd voor aandachtig gebed te nemen. Bidden en leven -, vormen, zoals geloof en goede werken, het christelijk levensprogram. Niet alleen gebed, niet alleen werk, maar een harmonisch samengaan van beide! 


zaterdag 9 juli 2022

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima quinta per annum Vijftiende zondag door het jaar Laat in ons de genade van de Verlossing toenemen telkens als wij dit Mysterie vieren.



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Laat in ons de genade van de Verlossing toenemen telkens als wij dit Mysterie vieren.

I n l e i d i n g
Het Mysterie van de H. Eucharistie bewerkt in ons eeuwig heil.
De Kerk heeft de H. Eucharistie ontvangen van Christus, niet als een willekeurige gave, hoe kostbaar ook, maar als zijn meest sublieme gave, want het is zijn zelfgave, de gave van zijn Persoon in zijn heilige mensheid, die voor alle tijden en plaatsen geldt. Als de Kerk de H. Eucharistie viert, de gedachtenis aan de Dood en de Verrijzenis van haar Heer, vindt deze centrale gebeurtenis werkelijk plaats en “wordt het werk van onze verlossing voltrokken” (vgl. Lumen Gentium, 3) Omdat dit Offer zo essentieel is voor de redding van de mensen, heeft Christus ons bij zijn Laatste Avondmaal de gelegenheid gegeven er in te delen, alvorens Hij naar de Vader terugkeerde. Iedere gelovige kan er dus aan deelnemen en er de onuitputtelijke vruchten voor ons heil  (nostræ salutis effectus) van plukken (vgl. Joh.-Paulus II, Enc. Ecclesia de Eucharistia, 17 apr. 2003, 11).

De liturgische teksten benadrukken dikwijls dat God zelf dit heils- of verlossende effect bewerkt. Het Sacrament van de H. Eucharistie werkt vooral –ofschoon niet uitsluitend – door het ontvangen van de H. Communie, waarop de Postcommunio van vandaag doelt (sumptis muneribus). De tekst van de oratie doet denken aan een aansporing van de H. Paus Pius X (1903-1914) tot een veelvuldiger ontvangen van de H. Communie wanneer deze vraagt dat het frequenter ontvangen van de H. Communie in ons de genade, die wij nodig hebben om de zaligheid te verwerven, mag doen toenemen. Opvallend is dat dit gebed minstens tot in de achtste eeuw teruggaat.
God is dichtbij als wij - in de juiste gesteltenis  - Hem verwelkomen in de H. Communie. Hij is werkelijk een God-met-ons, zeker voor ons, christenen, in wie Christus sinds ons Doopsel  leeft. Dit goddelijk leven in ons is echter even teer als sterk. Het verzwakt gemakkelijk bij een onvoorzichtig en al te dicht contact met de zonde. Maar het goddelijk leven kan steeds opnieuw in ons geboren worden én groeien door het dikwijls vieren en het deelnemen aan de H. Eucharistie en het ontvangen van Christus in de H. Communie.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970 & 2002
Sumptis muneribus, quæsumus, Domine,
ut, cum frequentatione mysterii,
crescat nostræ salutis effectus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, uw gaven hebben wij ontvangen.
Wij bidden U: laat in ons de genade van de verlossing toenemen,
telkens als wij dit mysterie vieren. 
Werkvertaling
Nu wij uw gaven genuttigd hebben, vragen wij U, Heer,
dat door de herhaalde deelneming aan/viering van dit sacramenteel Mysterie,
de werkelijkheid van onze verlossing toeneemt.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 590, eerste helft achtste eeuw, en in een 45-tal andere codices (A), verspreid over het continent en de Angelsaksische eilanden en daarnaast in een 40-tal manuscripten met kleine tekstvarianten (B).
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IX, S-V, Brepols, Turnhout 1996, p. 51-52, nr. 5641).
Rubrieken: PC Vierde zondag van de Advent en PC Tweede zondag na Pinksteren en op andere plaatsen in MR 1962.
T e x t u e l e  a n a l y s e 
1. Sumptis muneribus, quæsumus, Domine,
2. ut, cum frequentatione mysterii,
crescat nostræ salutis effectus.
De oratie is opgebouwd uit één enkele volzin, onder te verdelen in een hoofdzin met het prædicaat “quæsumus” (r. 1), het adres “Domine” en een ablativus absolutus “sumptis muneribus” als incipit, gevolgd door een finale / consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut in de coniunctivusvorm  (crescat) die de eigenlijke bede bevat . Het zinsdeel “cum frequentatione mysterii” , een bijwoordelijke bepaling,  drukt een omstandigheid uit waarvan de toename van de heilseffecten afhankelijk is.
Ad 1
Quæsumus, wij bidden/vragen, vaste gebedsformule, hier in de functie van prædicaat.
Domine, Heer – vocativusvorm van Dominus
Sumptis muneribus, na de gaven te hebben genuttigd – bijwoordelijke bepaling die een omstandigheid uitdrukt, een ablativus absolutus van twee congruerende ablativusvormen.
Ad 2
Ut crescat, op-/zodat moge groeien – finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/ gevolgaanduidende bijzin, ingeleid door het voegwoord ut, in de coniunctivusvorm: coniunctivus optativus omdat deze een bede uitdrukt. Crescat, coniunctivus præsentis, 3e persoon enkelvoud van het verbum crescere, crevi, cretum, 3, met betekenissen: 1. groeien 2. wassen 3. toenemen.
Nostræ salutis effectus, het effect, de uitwerking van onze verlossing, - subject bij het prædicaat crescat, samengesteld uit de nominativusvorm effectus (van effectus, -us) vergezeld door de bijvoeglijke bepaling nostræ salutis in twee congruerende genitivusvormen als nadere toelichting van de gevraagde uitwerking , genitivus explicativus.
Cum frequentatione mysterii,  door/met (behulp van)  herhaalde deelneming – bijwoordelijke bepaling gevormd door de ablativusvorm frequentatione (ablativus instrumentalis)  vergezeld door de genitivus explicativus en voorafgegaan door de præpositio cum.
De præpositie cum + albativus bij een zaak is eigen aan laat-, resp. liturgisch Latijn.
In het Middeleeuws Latijn ziet men vaak dat een præpositie wordt gebruikt daar waar in het klassieke Latijn de voorkeur wordt gegeven aan een ablativus. Dit werd in de Middeleeuwen zo gedaan om het lezen van het Latijn te vergemakkelijken. Bij een klassieke ablativus moet je bij het lezen namelijk altijd even nadenken welke præpositie hier in vertaling passend zou kunnen zijn. De præpositie cum wordt in het klassieke Latijn alleen gebruikt in combinatie met een persoon, uitgedrukt door een pronomen personale, door een eigennaam of door een substantivum dat overduidelijk een persoon aanduidt.

S t i j l f i g u r e n
Ablativus absolutus: sumptis muneribus (regel 1)
Gewone congruentieregel: sumptis muneribus (r. 1) en nostræ salutis (r. 2)
Domine aan het eind van regel 1 is een benadrukking van de Heer tot wie wij onze toevlucht nemen. Bij het zingen is dat voelbaar. Met de laatste adem die we aan het eind van de regel hebben, wordt de Heer aangeroepen. Symbolisch; dit zou ieders laatste woord moeten zijn.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Augustinus van Hippo  (354-430)
“Ik denk aan mijn belofte. Aan u, die gedoopt zijt, beloofde ik immers een preek waarin ik u een uiteenzetting zou geven over het Sacrament van de dis des Heren, Sacrament dat gij hier nu aanschouwt en waaraan gij afgelopen nacht deelachtig zijt gworden. Gij moet wéten wat ge ontvangen hebt, wat gij zúlt ontvangen en wat gij dagelijks móet ontvangen”.
Uit Sermo 227, In die Paschæ IV

“Christus is gestorven; laten wij dood zijn voor de zonde. Christus is verrezen; laten wij leven voor God. Christus ging vanuit deze wereld naar de Vader; dat ons hart niet hier blijve hangen, maar Hem volge. Christus heeft op het kruishout gehangen; laten we onze vleselijke eigenliefde kruisigen. Hij heeft in het graf gelegen; laten wij – met hem begraven - vergeten wat achter ons ligt. Heel de opbouw van onze vrede ligt bij Hem door wiens striemen wij genezen zijn (Jes 53, 5).
Daarom, geliefden, moet de dagelijkse viering van Pasen voor ons een volgehouden bezinning op dit alles zijn. (…) Niet voor niets hebben wij zijn Lichaam en Bloed als onze dagelijkse spijs”.
Uit Sermo Wilmart 9, 1-2

“Het eucharistisch  Brood zal ons dagelijks Brood zijn, dat nodig is voor dit leven. Wanneer we bij Christus zelf gekomen zijn, is het niet langer nodig de H. Eucharistie te ontvangen… De Eucharistie is dus voor ons Brood voor elke dag.Maar dan moeten wij haar ook zó ontvangen, dat wij daardoor niet alleen lichamelijk weer op krachten komen, maar ook geestelijk. Want de kracht die door de Eucharistie  te verstaan wordt gegeven is de eenheid; dat wil zeggen, nadat we in het Lichaam van Christus opgenomen zijn en zijn ledematen geworden zijn, zijn wij wat we ontvangen. Slechts dan zal de Eucharistie werkelijk Brood voor ons zijn. Wat ik u preek, is ook uw dagelijks brood. En de lezingen die gij elke dag in de kerk hoort, zijn ook uw dagelijks brood. En de hymnen die gij hoort en zegt, zijn eveneens dagelijks brood voor u. Al deze dingen zijn noodzakelijk voor onze huidige tocht door het leven. Maar wanneer wij het einddoel bereikt hebben, hoeven we toch niet meer te luisteren naar een boek, dat voorgelezen wordt? Wij zullen het Woord zelf zien, en horen, en eten, en drinken…de Waarheid zelf.”
Sermo 57,  7, 7.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Zelfs voor beginnende studenten in het Latijn is de woordenschat van deze oratie goed te overzien. Niettemin kunnen we nog eens kijken naar enkele woorden met behulp van onze onmisbare reeks woordenboeken, die we al zo vaak hebben genoemd dat we het nu niet doen!.

Frequentatio, onis, vr.
heeft betekenissen als  frequentie, frequent gebruik, frequente samenkomst. Als stijlfiguur in de retorica is het een beknopte recapitulatie van reeds apart aangevoerde argumenten, een samenvatting of résumé. 
Dit zelfstandig naamwoord komt van het verbum ‘frequentare” dat betekent “dikwijls doen/maken, dikwijls bezoeken, een rituele viering voltrekken, een liturgisch feest vieren of bijwonen in grote getale.
Dit werkwoord heeft sinds het oud-Latijn van de Numidische schrijver, filosoof en redenaar L. Apuleius Madaurensis ca. 123/125-ca. 170/180) (noordwestelijk van Algerije) zijn iteratieve betekenis praktisch verloren. Zijn schelmenroman De Gouden Ezel is de enige Latijnse roman die in zijn geheel de tijd heeft kunnen trotseren, grote invloed als dit werk had op de Westerse literatuur.
In het Latijn van de Romeinse heidense religie en in het Christelijk Latijn had het begrip “frequentatio” een cultische betekenis. De H. Augustinus was bijvoorbeeld dol op dit begrip, dat men frequent vindt in zijn grote werk “De Civitate Dei”, en daar, toegepast op individuele personen, “vieren, in acht nemen, in stand houden”, betekent.
In de grammatica beschrijft een “frequentatief werkwoord” een herhaalde handeling, door bijvoorbeeld aan de uitgang – are van de 1e conjugatie der verba “–it” in te lassen: palpare (betasten, strelen, aaien) naast palpitare (trekken van de oogleden, kloppen van het hart, spartelen), cogere (3) en cogitare, latere en latitare, enz. In het Nederlands kennen we hinken/hinkelen, schudden/schuddelen, trommen/trommelen, kruimen/kruimelen, enz.

Effectus, - us m. –
De Postcommunio van de Zevende zondag door het jaar vraagt, zoals we bij de bespreking ervan eerder zagen, “ut salutis capiamus effectum” om de uitwerking van onze verlossing te kunnen grijpen, maar daar vanuit het perspectief van het reeds ontvangen sacramentele onderpand, dat Christus Zelf is.
Effectus betekent een handeling, bewerking, maar met het oog op het resultaat van een handeling betekent het: resultaat, uitwerking, effect, strekking, doel. Het verwante verbum efficere, effeci, effectus 3, heeft betekenissen als voortbrengen, veroorzaken, bewerken, maken, tot stand brengen. Afleidingen in het Nederlands: effect, effectief en ook efficiënt (ontleend aan efficientis, genitief van het participium præsens efficiens).
Lette men er op dat de vorm effectus kan zijn: 1. het substantivum met bovengenoemde betekenissen en 2. effectus, -a, - um, het participium perfecti passivi van efficere met betekenis bewerkt [zijnde] enz. 
Herinner u tenslotte dat de begrippen “mysteria” en “sacramenta”  onderling frequent uitwisselbaar zijn. 
T o e l i c h t i n g
In de H. Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat.  Dat geestelijk goed van de Kerk is Christus zelf, ons Paaslam en het levend Brood dat het door zijn Vlees, in de Heilige Geest tot leven gewekt en zelf tot leven wekkende leven, aan de mensen schenkt.
In de liturgie worden wij uitgenodigd en ertoe gebracht, om in het H. Misoffer het Lam Gods, goddelijke Offergave bij uitstek, aan God de Vader op te dragen, en daarmee verenigd het offer van ons eigen leven, onszelf, onze arbeid en al het geschapene samen met Hem. Daardoor worden de banden van liefde met de andere aanwezige gelovigen en met hen die op weg zijn naar Christus versterkt en verdiept. Deze liefde moet oprecht, dienend en werkzaam zijn en leiden tot de vrijheid waartoe Christus ons heeft bevrijd. Evenzo worden wij uitgenodigd zó aan de Eucharistieviering deel te nemen, dat wij daarin ook komen tot een oprecht gebed en tot een steeds volmaaktere geest van gebed gedurende heel ons leven, van lof en dank voor alles in de Naam van onze Heer Jezus Christus, jegens onze God en Vader. Het is het antwoord op de gave van Hem die door zijn mensheid voortdurend het goddelijk leven doet uitstromen naar de ledematen van zijn Lichaam, de Kerk (vgl. Decr. over het ambt en het leven van de priesters, 2e Vaticaans Concilie, 7 dec. 1965, nr. 5).
We hebben het begrip “frequentare mysteria”  in de Oratio super munera van de Tweede zondag door het jaar gezien en het mooie alliteratieve “frequentata mysteria” in the Postcommunio van de Eerste zondag van de Advent. De betekenis “een liturgisch feest vieren” in het kader van de goddelijke erdienst, de H. Eucharistie, vinden we bijvoorbeeld verwoord in de Postcommunio van de Nachtmis van Kerstmis (MR 1970): “(…) ut, qui Nativitatem Redemptoris nostri frequentare gaudeumus”, dat wij die de Geboorte van onze Verlosser met vreugde vieren.
“Frequentatio” is een complex begrip en betekent in de liturgische context “frequent bijwonen of deelnemen/vieren”; het begrip heeft bovendien de lading van “viering waaraan talrijke personen deelnemen met dezelfde intentie”.   
Wanneer je het begrip “frequentatio” in het perspectief van de retorica beschouwt en stelt dat de viering van de H. Mis de bron en het hoogtepunt van ons christelijk leven is, betekent dit dat het ontvangen van de H. Communie in de context van de H. Mis werkelijk de volheid is van wat de Kerk benoemt als “volledige, bewuste en active deelname” aan de H. Liturgie  (die is “bron en hoogtepunt”). Is het moment van de H. Communie, zoals beschreven in deze oratie, niet in zekere zin de samenvatting van onze hele christelijke identiteit en leven? Het is het Woord van alle eeuwigheid, dat onder ons kwam wonen om ons te verlossen van onze zonden, om ons aan onszelf meer duidelijk te maken en inzicht te geven in onze zeer hoge roeping (vgl. Gaudium et Spes, 22).
Van alle Sacramenten die Christus ons gaf is het Allerheiligste Sacrament (nomen est omen!) het enige dat actueel is wat het betekent: Christus werkelijk en waarachtig aanwezig. Christus, die het Woord is van alle eeuwigheid gesproken door de Vader, is de “frequentatio” die op het einde der tijden alles aan zijn macht zal onderwerpen en het al aan de Vader zal onderwerpen  opdat God alles in allen zal zijn (vgl. 1 Kor 15, 28). Christus is onze frequentatio.   
De terminologie “frequentatio mysterii is evocatief en roept bij ons beelden op van de zichtbare en onzichtbare dimensies van de H. Mis, het Eucharistisch Offer (mysterium). In de kerken hier op aarde waar de H. Mis wordt gevierd zijn veel mensen samen gekomen. Idealiter zou de kerk  vol moeten stromen (frequentatio) met overtuigde katholieken, goed voorbereid en in de juiste gesteldheid om optimaal deel te nemen aan de H. Eucharistie door het ontvangen van de H. Communie. Ze komen hier dikwijls (frequentatio), elke zondag en dikwijls ook op weekdagen.
Stel u nu de onzichtbare participanten aan deze H. Mis voor: myriaden heilige Engelen en andere leden van de Kerk, die reeds zijn overleden en voor ons uit zijn gegaan. Dit is een glimp van de hemel op voorhand, iedere keer als wij de H. Eucharistie vieren!


zaterdag 25 juni 2022

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima tertia per annum Dertiende zondag door het jaar Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave  

I n l e i d i n g
Zoals de Oratio super munera  (het Gebed over de Gaven) van deze zondag spreekt over de offergaven: ut sacris apta muneribus fiant nostra servitia, dat onze eredienst mag beantwoorden aan uw heilige gaven, spreekt ook de Postcommunio van deze zondag over de offergave (hier ‘divina hostia’, goddelijk gave genoemd), waarover de woorden van de Consecratie reeds zijn uitgesproken. We hebben de gave aangeboden (obtulimus) én ontvangen (sumpsimus) en wij vragen God, dat haar verheven bestemming vervuld mag worden zodat zij het Brood voor het eeuwige leven wordt en ons nieuw leven schenkt (vivificet). Dit leven komt voort uit de liefde, waarin wij met God zijn verbonden. Door Christus is deze vereniging met God mogelijk gemaakt. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt , blijft in Mij en Ik in hem, Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij” (Jo 6, 56-57).
Wij vragen steeds overvloediger deelachtig te mogen worden aan het leven van God zelf.
Het Brood uit de hemel verenigt ons, als ranken met Christus, de ware wijnstok, die ons een bovennatuurlijke vruchtbaarheid schenkt. In de bede klinkt ook enige bezorgdheid door, vanwege onze onbestendigheid. Onze vruchtbaarheid moet immers duurzaam zijn. Vandaar dat de oratie niet alleen om de vrucht bidt, maar ook dat zij in ons blijvend mag zijn.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
ut, perpetua tibi caritate coniuncti,
fructum qui semper maneat afferamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, geef ons nieuwe levenskracht door de heilige offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd.
Laat ons altijd met U verenigd zijn in liefde
om vruchten voort te brengen die blijvend zijn.

Werkvertaling
Moge, vragen wij [U], Heer, de goddelijke offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd, ons nieuw leven schenken,
opdat wij, in een eeuwige liefde met U verbonden,
de vrucht voortbrengen die altijd blijven zal.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst van de Postcommunio van vandaag is dezelfde als die van de Postcommunio in MR 1962 van de Votiefmis ter ere van O.H. Jezus-Christus, de Allerhoogste en Eeeuwige Priester, welk misformulier op een ‘vrije’ donderdag  ter gedachtenis aan de Instelling van de H. Eucharistie genomen kon worden.

B i j b e l s e   r e f e r e n t i e s   
Jer 31, 3
Jo 15, 4-5.16
T e x t u e l e  a n a l y s e
1.Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
2a. ut, 2b. perpetua tibi caritate coniuncti,
2a. fructum qui semper maneat afferamus.
Ad 1
De oratie bestaat uit één doorlopende volzin, samengesteld uit de hoofdzin (r. 1) met aan de spits het prædicaat vivificet, in de coniunctivusvorm, 3e persoon enkelv. præsentis (coniunctivus optativus) vanwege de wens, bede. De plaats van het prædicaat aan de kop van de oratie geeft extra nadruk aan de bede van r. 1.
Nos, object van vivificet, accusativusvorm van het pronomen personale nos.
Onmiddellijk na het incipit Vivificet nos volgt de tussenzin quæsumus, zoals ook in talrijke andere oraties hier geplaatst om zowel de bede te onderstrepen als omwille van een goed lopende ritme.
Domine, aanspreekvorm van God, in de vocativusvorm van Dominus.
Divina quam obtulimus et sumpsimus hostia: subject van het prædicaat bestaande uit de twee congruerende nominativusvormen divina en hostia waartussen een relatieve bijzin is geplaatst in de indicativusvorm als toelichting bij het subject: de goddelijke gave die wij hebben geofferd en genuttigd. Obtulimus en sumpsimus: 1e persoon pluralis van het perfectum activi van de verba Offerre, obtuli, oblatum en sumere, sumpsi, sumptum, 3.
Ad 2a
Na de hoofdzin die op zichzelf reeds een volledige bede vormt, volgt eeen finale/doelaanwijzende resp. consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut en met prædicaat afferamus in de coniunctivusvorm præsantis van het verbum afferre (zie beneden).
Het object bij genoemd prædicaat is fructum in de accusativusvorm van fructus, -us.
Ook in de bijzin is een relatieve bijzin ingebouwd: qui semper maneat, wederom als toelichting op het meest dichtbij staande antecedent, maar nu in de coniunctivusvorm præsentis, welke modus hier de mening van de bidder weergeeft: namelijk hoop dat deze vrucht blijvend moge zijn.
Ad 2b
Verwijzend naar het in het prædicaat opgesloten subject “wij” (r. 2a) als ‘postcedent’, is de bijstelling  “perpetua tibi caritate coniuncti” geplaatst als toelichting van de conditio van de bidders welke grammaticaal gevormd wordt door de nominativusvorm pluralis van het perfectum passivi van coniungere verbonden met een bijwoordelijke bepaling perpetua tibi caritate welke bestaat uit de congruerende ablativusvormen perpetua en caritate en de dativusvorm tibi  (dativus commodi). De positie van tibi (God) temidden van perpetua (eeuwig) en caritate (liefde) benadrukken deze twee eigenschappen van God.

De oratie bevat naast de ut-bijzin in de coniunctivusvorm die het doel of het gevolg van de bede uitdrukt, drie relatieve bijzinnen die achtereenvolgens  de offergave (divina hostia), de conditie van de bidder (perpetua tibi caritate coniuncti) en de vruchtbaarheid van de ontvangen  Communie (qui semper maneat) nader illustreren.

S t i j l f i g u r e n
Chiasme (kruisstelling) in regel 1: begrippen worden zodanig geplaatst dat zij een “X” vormen: AB=BA. Wanneer de twee woordparen boven elkaar worden geplaatst vormen zij een X, zoals de Griekse letter chi die de vorm heeft van een “X”.  De AB-BA schikking in “in divina quam obtulimus et sumpsimus hostia” plaatst de vrouwelijke vormen divina… hostia  bij het begin en het einde van de relatieve bijzin en bedt aldus de twee verba obtulimus en sumnpsimus  daar tussen in. Elegant. 
Hyperbaton; met betrekking tot “divina en hostia” (r. 1)  kan men ook spreken van een hyperbaton: een uiteenplaatsing van begrippen die bij elkaar horen.
Tweede hyperbaton: perpetua [tibi]  caritate  (r. 2b)
Sterk aanwezige u-klank: quaesumus, obtulimus, sumpsimus, ut, coniuncti, fructum en afferamus.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Vivificare, - avi, atum, 1
heeft de volgende betekenissen 1. levend maken, weer tot leven komen 2. in het leven bewaren 3. beschermen  4. gezond maken en 5. gelukkig maken.
Dit verbum, eindigend op – ficare werd bijna altijd door de christelijke auteurs gebruikt in spirituele zin. Ook in de oraties heeft het vooral de geestelijke betekenis van “nieuw geestelijk leven geven” en het refereert altijd aan het effect dat de door deelname aan de H. Communie wordt bewerkt: “(…) ut his muneribus…et te placemus exhibitis, et nos vivificemur acceptis”, opdat wij door deze offergaven U mogen verzoeken door ze U aan te bieden en zelf er nieuw leven door verkrijgen wanneer wij ze nuttigen (Secreta, 28 juli, HH. Nazarius en Celus etc., MR 1962).
“Oblatum tibi … sacrificium vivificet nos semper et muniat”, moge het offer dat wij U opdragen, Heer, ons steeds verlevendigen en versterken (Secreta, Dom. 1 post Epiph. MR 1962).
“Sancta tua nos …sumpta vivificent”, mogen uw heilige Geheimen die wij genuttigd hebben ons nieuw leven schenken (Postcomm. Dom. 3 post Pentec., MR 1962).
“Vivificet nos …participatio sancta mysterii”, moge de heilige deelname aan dit Geheim ons nieuw leven schenken Postcomm. Dom.12 post Pentec. MR 1962).
(Verg. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the acient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p.60-61)
Verwante begrippen afgeleid van dit verbum zijn we reeds tegengekomen, b.v. Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de verlevendiging: een begrip dat door de  kerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden: vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van de  genade wanneer men met Christus is verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse gaven waardoor wij werkelijk leven.

Affero (ad-ferr), attuli, allatum
betekent basaal aan-, bij, -toebrengen, aandragen, verschaffen, leveren, iets naar een plaats brengen (van draagbare zaken terwijl adduco betekent mensen of dieren met zich ergens heen voeren, - brengen, begeleiden). Het wordt ook gebruikt met betekenissen als: een zaak brengen, dragen bijvoorbeeld nieuws, rapporteren, aankondigen, melden, overbrengen, boodschappen, informeren, openbaar maken en in concepten als “een product voortbrengen”, oogsten, dragen, produceren, zoals ‘vruchten dragen’  waarvan de Postcommunio van de 5e zondag van Pasen een voorbeeld is: “(…) da nobis, quaesumus, ita vivere, ut, unum in Christo effecti, fructum afferamus pro mundi salute gaudentes”: Wij bidden U: laat ons zó leven dat wij één worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
In de verzen 15 en 16 van Psalm 44 (Bruiloftsgedicht voor een koning) komen de begrippen afferentur en adducentur beide voor:
“Afferentur regi virgines proximæ eius, afferentur tibi in lætitia et exsultatione; adducentur in templo regi Domino” – Meisjes worden naar de koning geleid, gezellinnen in haar gevolg, ook zij worden voortgeleid onder vreugde en jubel tot bij de koning in zijn troonzaal.
Afferre heeft ook de betekenis van het aandragen van een geestelijke of mentale gesteltenis: “Ad mensam cælestis convivii fac nos, Domine, eam mentis et corporis puritatem afferre, qui…” / letterl.: Maak, Heer, dat wij zuiverheid van lichaam en geest naar de tafel van het hemels gastmaal brengen…(Secreta misformulier H. Antonius Maria Zaccaria, 5 juli [MR 1962])

Coniugo, -unxi, - unctum, 3
betekent verbinden, samenbinden, aaneensluiten, verenigen, een huwelijksband met elkaar aangaan.
Bijvoorbeeld: “Quod ergo Deus coniunxit, homo non separet” (Mt 19,6), wat God verbonden heeft, scheide de mens niet.
Coniugalis: het huwelijk, de echt betreffend, huwelijks-, echtelijk
Een mooi voorbeeld geeft ons de Collecta van de Huwelijksmis (MR 1970): “Deus, qui tam excellenti mysterio coniugale vinvulum consecrati, ut Christi et Ecclesiæ peæsignaris in fœdere nuptiarum (…), God, Gij hebt het verbond tussen man en vrouw gemaakt tot een Heilig geheim, zo groot als de liefde van Christus voor zijn bruid, de Kerk.
Coniux en coniunx, gade, gemaal, gemalin
Coniuges, (pl),  echtgenoten, echtpaar .
De beeldspraak van de oratie betreft een verbintenis vergelijkbaar met een huwelijksverbintenis.

P a u s e l i j k  o n d e r r i c h t
Johannes-Paulus II en Benedictus XVI over de eenheid met Christus in de H. Eucharistie
“Inlijving in Christus, bewerkstelligd door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt, maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan: “Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt op verheven wijze tot stand dat Christus  in zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u” (Jo 15, 4)”.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).

“Wij weten dat uit de dood van Jezus het leven voortkomt, omdat Hij in een geste van volledige overgave en belangeloosheid aan de Vader de dood tot een act van liefde heeft gemaakt en daardoor de dood ten diepste heeft veranderd: de liefde van Christus heeft de dood overwonnen. In de H. Eucharistie trekt Hij ons allen, vanaf het Kruis, tot zich (Joh 12,32) en maakt ons tot levende ranken van de ware Wijnstok die Hij zelf is. Wanneer wij met Hem verenigd blijven, zullen ook wij vrucht voortbrengen, niet langer de bittere azijn van de zelfgenoegzaamheid, van de ontevredenheid over God en zijn schepping, maar de goede wijn van de vreugde aan God en aan de liefde tot de naasten’.
(Paus Benedictus XVI, Uit de homilie bij de opening van de Bisschoppensynode, 2 oktober 2005)

O v e r w e g i n g
Als u gewend bent de H. Schrift of liturgische teksten in het Latijn te lezen, zullen uw oren zeer zeker onmiddellijk bij het horen van de klanken: “fructum qui semper maneat afferamus”, de toespeling oppikken op de verzen 16 en 17 van Johannes hoofdstuk  15: “Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven  op tocht te gaan en vruchten voor te brengen die blijvend mogen zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt”.
Dat is wat het zinsdeel “perpetua tibi caritate coniuncti” ook bedoelt te zeggen: het in liefde met Hem verbonden zijn is de conditio quod non om geestelijke vruchten voor te brengen. Traditioneel zijn dat de twaalf vruchten van de H. Geest die Sint Paulus opsomt in zijn Brief aan de Galaten, hoofstuk 5. Het komt erop neer dat van ons, christenen, verwacht mag worden, dat wij deze deugden praktiseren! Wat van ons wordt verwacht, is niet gering: zachtmoedigheid, lankmoedigheid, getrouwheid, bescheidenheid, zelfbeheersing, kuisheid, liefde, blijdschap, vrede, geduld, rechtschapenheid en welwillendheid.
Donderdag zongen we de Ie Vespers in de basiliek van het hoogfeest van het H. Hart van Jezus; de eerste antifoon luidde: “In caritate perpetua dilexit nos Deus, ideo, exaltatus a terra, attraxit nos ad cor suum, miserans”, Met een eeuwige liefde (een bij uitstek goddelijke eigenschap) heeft God ons bemind, daarom heeft Hij, van de aarde omhoog geheven ons vol medelijden tot zijn Hart getrokken. “Rijk aan barmhartigheid vanwege zijn overgrote liefde waarmee God ons heeft bemnind, heeft Hij ons, toen wij nog zondaars waren “convivificavit Christo” met Christus ten leven gewekt en ons de deur naar de eeuwige heerlijkheid ontsloten.
Christus en de gemeenschap met Hem is de bron van ons christen-zijn. We luisteren naar zijn stem als Hij zegt: “Zonder Mij kunt gij niets” (Jo 15,5). Met andere woorden: als Christus niet leeft in ons, kunnen we niets, helemaal niets. Het zijn Jezus’afscheidswoorden, voordat Hij wordt overgeleverd om te sterven voor onze zonden. Heel veel heeft Hij dan nog te zeggen in zijn hogepriesterlijk gebed tot de Vader zoals we kunnen lezen in hoofdstuk 17 van Johannes.
Door de symboliek van de wijnstok betekenen Jezus’woorden dat zijn leven uitstroomt in zijn leerlingen. Het leven dat Christuys leeft, leeft Hij ook in de gelovigen zoals we reeds zagen bij de bespreking van het Mystieke Lichaam van Christus waarvan Hij het Hoofd, wij de ledematen vormen.
Christenen hebben in zich dus het leven van Christus. De apostel Paulus gaat nog een stapje verder: “Niet ik leef, maar Christus leeft in mij” (Gal 2,20). De christen die een echte rank is aan de wijnstok Christus, kan zeggen: Christus leeft in mij! Ik leef mijn leven in Christus.
En toch moeten we tegelijkertijd ook zeggen: de oude mens leeft in mij, die telkens opnieuw de kop opsteekt; dat is de realiteit in ons leven, de zonde die in ons woont, de neiging tot het kwade die zich niet zomaar laat wegdrukken. Maar Christus heeft ons ook de kracht gegeven daaruit op te staan: door het geloof in Hem. Dat had Hij ook al eens eerder gezegd (Mt 17, 20b): 'Voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.'.
“Niets zal u onmogelijk zijn”, anders gezegd: “Alles zal u mogelijk zijn”. Dit woord van hoop is een onwrikbaar anker  voor heel ons leven
Als we als levende ranken verbonden blijven met Christus, de ware Wijnstok, schenkt Hij ons duurzame levenskracht.  Als het gaat om heilig leven, om leven als christen dus, zegt Christus tegen ons: Zonder Mij kun je niets, met Mij kun je alles! In iedere H.Mis schenkt hij ons door de heilige offergave, door en in Hemzelf,  nieuwe levenskracht! Deze kans moeten we niet laten lopen maar met beide handen aangrijpen. Veel devotie!