maandag 22 juni 2026

22 juni - Uit een Brief van de heilige Thomas More aan zijn dochter Margaretha, in de gevangenis geschreven.

Uit het Getijdengebed:
22 juni Heilige John Fisher, Bisschop en Thomas More, Martelaren

John Fisher werd in 1469 geboren. Na zijn theologische studies te Cambridge werd hij priester gewijd. Als bisschop van Rochester leidde hij een verstorven leven en toonde zich een goede herder die zijn kudde dikwijls bezocht. Hij schreef verschillende werken tegen de dwalingen van zijn tijd.
Thomas More werd in 1477 geboren en maakte zijn studies te Oxford. Uit zijn huwelijk werden drie dochters en een zoon geboren. Hij bekleedde de post van kanselier aan het koninklijk hof. Bekend zijn zijn geschriften die betrekking hebben op het staatsbestuur en op de verdediging van het katholiek geloof.
Omdat zij zich tegen Hendrik VIII verzet hadden inzake de ontbinding van zijn huwelijk, werden beiden op last van de koning onthoofd. John Fisher op 22 juni 1535, Thomas More op 6 juli daaropvolgend. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis werd John Fisher door Paus Paulus III tot kardinaal verheven.

Uit een Brief van de heilige Thomas More aan zijn dochter Margaretha, in de gevangenis geschreven.

(The English Works of Sir Thomas More, Londen 1557, p. 1454)

Met alle hoop en vertrouwen vertrouw ik me geheel aan God toe

Ofschoon ik mij, mijn beste Margaretha, wèl bewust ben dat de slechtheid van mijn voorgaande leven zó is geweest, dat ik volkomen verdien door God te worden verlaten, zal ik toch niet ophouden voortdurend op zijn onmetelijke goedheid te vertrouwen en wel zeer sterk te hopen, dat, zoals tot nu toe zijn allerheiligste genade mij de krachten schonk om alles in de geest gering te schatten, Hij mij ook de goederen, de teruggave van eigendom en het leven zèlf zal schenken, liever dan met een knagend geweten de eed af te leggen; en aan de koning zelf heeft Hij in zijn goedheid ingegeven dat hij mij tot nu toe alleen maar van mijn vrijheid beroofde, waardoor zijne majesteit tenminste zeer zeker in één opzicht de grootste weldaad heeft bewezen aan mij, namelijk vanwege de geestelijke vooruitgang van mijn ziel die ik nu hoop te bereiken, een grotere weldaad dan al die eerbetuigingen en goederen die hij vroeger zo zeer voor mij opstapelde, hetzij God door dezelfde genade ofwel het gemoed van de koning zó zal leiden, dat hij niets zwaarders voor mij bepaalt, òf dat God mij voor altijd die kracht zal geven dat ik de zware dingen, in welke mate die mij ook zullen overkomen, geduldig (sterk en graag) kan dragen.

Wanneer deze dingen door het geduld van mijn kant verbonden zijn met de verdiensten van het zeer bittere lijden van de Heer (dat zeer zeker heel mijn lijdzaamheid in oneindige mate geheel en al terecht te boven gaat), zal Hij de straffen die mij toekomen in het vagevuur milderen, en zal Hij door zijn vrijgevige goddelijke goedheid zelfs iets meer loon in de hemel geven.

De Goedheid van God wantrouwen, mijn beste Margaretha, wil ik niet, hoe gebrekkig en zwak ik me ook voel. Ja, zelfs als ik daarbij schrik en onrust zou bemerken dat ik schijn te zullen vallen, zal ik tòch de heilige Petrus mij voor de geest roepen die bij die ene windvlaag als gevolg van zijn klein geloof begon te zinken en zal ik doen wat hij heeft gedaan. Christus zal ik met aandrang toeroepen: “Heer, red mij!” Want ik vertrouw er op dat Hij zijn hand toesteekt en mij vast zal grijpen en niet zal dulden dat ik onderga.

Ja, als Hij mij nog verder de rol van Petrus toestaat te spelen en mij volkomen op de grond vallen, zweren en vals zweren laat (wat God omwille van zijn barmhartigheid allerverst van mij moge houden en liever voor mij nadeel dan voordeel uit die val zou laten volgen - als het zou gebeuren -) en zèlfs dàn nog vertrouw ik er op dat Hij met ogen vol barmhartigheid op mij zal neerzien zoals Hij genadig neerzag op Petrus en dat Hij mij tenslotte zal oprichten, opdat ik opnieuw de waarheid kan belijden en mijn geweten kan ontlasten; en de straf en de schande van de eerste verloochening zal ik dan moedig dragen.

Tenslotte, mijn Margaretha, weet ik zeer zeker, dat God mij zonder schuld niet in de steek zal laten. Mer alle hoop en vertrouwen dus vertrouw ik me geheel aan Hem toe. Als Hij mij vanwege mijn zonden verloren laat gaan, zal zijn rechtvaardigheid tenminste in mij geprezen worden. Toch hoop ik vast en zeker dat zijn allermildste goedheid mijn ziel veilig zal bewaren, en dat Hij maakt dat zijn barmhartigheid eerder dan zijn rechtvaardigheid in mij bevonden wordt.

Heb dus goede moed, mijn dochter, en wees niet in het minst bekommerd om mij, wat mij ook in deze wereld overkomt. Niets kan mij treffen, wat God niet wil. Wat Hij echter wil, hoe slecht het ons ook toeschijnt, is toch werkelijk het beste.

Saints John Fisher and Thomas More


zaterdag 20 juni 2026

Lezingen H. Mis 12e zondag door het jaar A Weest niet bevreesd voor hen die het lichaam kunnen doden

Eerste lezing: Jer. 20, 10-13
Jeremia sprak:
“Ik hoor velen fluisteren:
Daar heb je ‘Ontzetting-overal’.
Breng hem aan.
Ja, we brengen hem aan.
Al mijn vrienden willen niets liever
dan mij ten val brengen.
Ze zeggen:
Misschien laat hij zich misleiden;
dan overmeesteren we hem
en kunnen we ons op hem wreken.
De Heer is bij mij als een machtig strijder.
Mijn achtervolgers vallen neer,
ze zullen niet overwinnen.
Ze worden diep beschaamd,
nooit bereiken ze iets.
Hun schande duurt eeuwig,
ze wordt nooit vergeten!.

“Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt,
die hart en nieren doorgrondt,
laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt.
Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

Zingt een lied, een loflied voor de Heer,
want Hij heeft het leven van de arme
uit de macht van de boosdoeners gered.”

Tweede lezing: Rom. 5, 12-15
Broeders en zusters,
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen
en met de zonde de dood;
en zo is de dood over alle mensen gekomen,
aangezien allen gezondigd hebben.
Er was immers reeds zonde in de wereld,
vóór de wet er was.
Maar zonde wordt niet aangerekend,
waar geen wet is.
Toch heeft de dood als koning geheerst
in de tijd van Adam tot Mozes,
dus ook over hen,
die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt
aan de overtreding van een gebod.
Adam nu is het beeld van Hem, die komen moest.
Maar de genade van God
laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam.
De fout van één mens bracht allen de dood,
maar God schonk allen rijke vergoeding
door de grote gave van zijn genade:
de ene mens, Jezus Christus.

Evangelie: Mt. 10, 26-33
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.
In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen:
“Weest niet bang voor de mensen.
Niets is bedekt of het zal onthuld,
niets verborgen of het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht,
en wat ge u in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.
Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam kunnen doden
maar niet de ziel;
vreest veeleer Hem,
die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel.
Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver?
En toch zal buiten de wil van uw Vader
niet één mus op de grond vallen.
Bij u echter is zelfs iedere haar van uw hoofd geteld.
Weest dus niet bevreesd;
gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen.
Ieder die Mij bij de mensen belijdt,
zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader, die in de hemel is.
Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen,
zal ook Ik verloochenen
tegenover mijn Vader die in de hemel is.”


Lectio divina Lezingendienst 12e zondag door het jaar - Men moet niet alleen met woorden bidden, maar ook met daden.


Uit de verhandeling van de heilige martelaar Cyprianus, bisschop van Carthago (†258), over het gebed des Heren

Men moet niet alleen met woorden bidden, maar ook met daden.

Vindt u het verwonderlijk, geliefde broeders en zusters, dat het onze vader zo kort is? En dan heeft onze Meester ook nog alles wat wij kunnen bidden, in deze korte maar heilzame zinnen samengebracht! De profeet Jesaja heeft hierover al gesproken toen hij, vervuld van de heilige Geest, over de majesteit en de goedheid van God zei: dit is een volmaakt woord dat in het kort alle gerechtigheid bevat; op de gehele aarde zal God dit korte woord tot vervulling brengen (vgl. Jes. 10, 22b. 23). En inderdaad, toen het woord van God in onze Heer Jezus Christus voor alle mensen is gekomen - voor beide geslachten, alle generaties, geleerden en ongeletterden - heeft Hij al zijn leringen en geboden in weinig woorden samengevat, opdat het geheugen van de geloofsleerlingen niet te zeer zou worden belast en zij zouden kunnen leren wat voor een eenvoudig geloof nodig is.

Op deze wijze heeft hij in het kort uitgesproken wat het geheim van het eeuwig leven is: ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus’ (Joh. 17, 3). En zo heeft Hij ook de eerste en grootste geboden uit de wet en de profeten bijeengebracht: ‘Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer’ (Mc. 12, 29), en: ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de wet en de profeten’ (Mt. 22, 37-40); en tenslotte: ‘Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is de wet en de profeten’ (Mt. 7, 12).

God heeft ons niet alleen met zijn woord maar ook met zijn voorbeeld geleerd hoe te bidden. Hij bad zeer dikwijls, zoals er geschreven staat: ‘Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden’ (Lc. 5, 16), en: ‘Hij ging naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God’ (Lc. 6, 12). Daarmee toonde Hij ons wat ook wij moeten doen.

De Heer bad niet voor zichzelf - wat zou Hij, zondeloze, voor zich moeten vragen? - maar voor onze zonden, zoals Hij tot Petrus heeft gezegd: ‘De satan heeft geëist u te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken’ (Lc. 22, 31-32). En later heeft Hij voor alle mensen tot de Vader gebeden: ‘Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn, zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons mogen zijn’ (Joh. 17, 20-21).

Hoe goed en barmhartig is God! Niet alleen verlost Hij ons door zijn bloed, maar Hij bidt bovendien ook voor ons heil. Ziet toch hoezeer Hij verlangt dat, evenals de Vader en de Zoon één zijn, ook wij in hun eenheid blijven.

Introitus Dominica XII per annum : Dominus fortitudo plebis

vrijdag 5 juni 2026

De Aanbidding van het Lam Gods


Het mysterie van de EUCHARISTIE staat deze dagen centraal











Bone pastor, panis vere,
Jesu, nostri miserere:
Tu nos pasce, nos tuere,
Tu nos bona fac videre
In terra viventium.

Goede Herder, ware Brood,
Jezus, ontferm U over ons:
Voed ons, bescherm ons,
laat ons het goede aanschouwen
in het land der levenden.

Uit: de sequentie “Lauda Sion Salvatorem” Thomas van Aquino


De sequentie Lauda Sion Salvatorem en het wereldberoemde altaarstuk “De Aanbidding van het Lam Gods” van de gebroeders Hubert en Jan van Eyck (1432, Baafskathedraal in Gent)
- hier afgebeeld - hebben een diepe theologische, thematische en visuele band. Beide meesterwerken zijn gecreëerd om exact het zelfde mysterie te verheerlijken.

In het altaarstuk staat het geslachtofferde Lam centraal. Eveneens in de sequentie:
Bone Pastor (Goede Herder) en het Panis Vere (Ware Brood). Hij is tegelijk de Herder die zijn kudde voedt én het Lam dat zichzelf opoffert.