Posts tonen met het label kloosterleven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kloosterleven. Alle posts tonen

zondag 24 november 2024

Conventsmis Priorij Thabor: Preek op de 34e en laatste zondag van de Tijd door het jaar 2018 - Hij zal komen oordelen levenden en doden.


Hoogfeest van Christus,  Koning van het heelal

Het koningschap is voor veel mensen van onze tijd een achterhaald  instituut. Heeft menigeen nog wel wat sympathie voor de romantiek, die soms hangt rond een koninklijke familie; bemoeit de koning zich echter ergens mee, dan zijn de negatieve reacties niet van de lucht. Het koningschap staat dan ook haaks op onze tijd van inspraak en democratie.
Het mag dan niet verwonderen, dat ook de Kerk, vanwege haar bestuurlijke structuur door steeds meer mensen met argusogen wordt bekeken. De Kerk kent namelijk nog altijd een wijze van bestuur, die meer lijkt op de koninkrijken van vroeger dan op de democratieën van tegenwoordig. En tot verbazing van velen past de Kerk haar structuren niet aan de democratiseringstendensen van onze tijd aan. Waarom niet?
Het antwoord is in feite eenvoudig. De Katholieke Kerk ziet zichzelf  in zekere zin als een voorgegeven. Dit wil zeggen: het waren niet zozeer mensen, die haar opbouwden. Nee, zij werd (zoals Johannes het in zijn evangelie getuigt) geboren uit Christus’ doorstoken zijde.
De Kerk is dus niet allereerst een optelsom van gelovige mensen. Nee, de Kerk ziet zich allereerst als het Lichaam van Christus. Christus is het Hoofd van de Kerk, onze Koning. En wij vormen als gedoopte mensen Zijn ledematen.
Dit betekent in het concrete leven, dat wij niet allereerst aan elkaar maar aan Christus als ons Hoofd verantwoording verschuldigd zijn. En ook een meerderheid van gelovigen kan hieraan niets veranderen.
 Velen hebben door hun onwetendheid een vreemde opvatting over Christus Koning en zijn Kerk. Bij koningschap denken zij aan de koningen van vroegere eeuwen die vaak hun macht misbruikten. En de Kerk had in sommige tijden de beschikking over veel wereldlijke macht. Of die macht echter altijd veel van doen had met de koningskracht waarover het feest van vandaag spreekt.. De Kerkgemeenschap wordt dan ook vaak afgerekend op het gebruik, of beter gezegd het misbruik van haar invloed op het wereldtoneel.
‘Hij zal komen om te oordelen levenden en doden’. Dit zinnetje uit de geloofsbelijdenis heeft in onze tijd van inspraak en democratie dan ook onder niet weinig gelovigen een bijsmaak gekregen.
En dat is op zich vreemd. Nog nooit hebben zoveel mensen een advocaat in de arm genomen om juist medemensen veroordeeld te krijgen.  Of het nu gaat om burenruzies of erfenissen, het ouderschap of de media; het gaat er vaak hard aan toe.
Vandaag viert de Kerk de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Het einde van het kerkelijk jaar draagt ook altijd het thema van het einde mee: Hij zal komen oordelen levenden en doden. Het feest van Christus Koningschap met het recht oordeel te vellen. Heeft de democratie werkelijk een eind gemaakt aan het gezag van de een over de ander? Kan een maatschappij leven zonder gezagsstructuren?
De Kerk houdt in ieder geval vast aan de structuur van gezag en het afleggen van verantwoordelijkheid. Maar nu komt het: elk gezag binnen de Kerk berust op het gezag van Jezus Christus. Wie binnen de Kerk dus iets te zeggen heeft, dient zich te spiegelen aan Christus Koning. Elk gezag in de Kerk ontleent  haar waarde dan ook uitsluitend aan zijn koningschap. Hoe oefent Jezus als koning Zijn gezag uit?  Op het eerste gezicht lijkt zijn heerschappij hardvochtig en streng: “Gaat weg van Mij, vervloekten”. Dit verhaal is echter een parabel. En een parabel is allereerst bedoeld als een waarschuwing. Mens, hoe leef jij? Durf jij koninklijk te leven door het Koningschap van Jezus tastbaar te maken in jouw leven?
En hoe wordt het koningschap van Jezus zichtbaar? In dienstbaarheid. “Meen niet, dat Ik gekomen ben om gediend te worden, maar om te dienen en Mijn leven te geven als losprijs voor velen”. Wie durft deze Koning nog ervaren als een bedreiging? Betekent Zijn heerschappij niet veeleer een bevrijding?
Indien wij opkomen voor de zwakken en de kleinen en in deze mensen Christus herkennen als onze Koning, dan zal Zijn oordeel over ons mild zijn. Maken wij echter onszelf tot koning, en dit gaat meestal ten koste van anderen…

Christus Koning, een achterhaald feest of juist de bevrijdende viering van onze diepste menselijke werkelijkheid. De moderne democratieën laten immer voldoende zien, dat zij evenals de koninkrijken van vroeger een goddelijke Koning nodig hebben die de diepste gevoelens van eerbied, medemenselijkheid en verantwoordelijkheid in ons losmaakt. Bovendien reikt zijn bevrijdende macht zover, dat Paulus durft uit te roepen: ik wil roemen op mijn zwakheden, want juist die maken Gods kracht in mij zichtbaar. Wij mogen Gods kracht zichtbaar maken in het navolgen van de dienstbaarheid van Christus Koning. 

maandag 25 december 2023

Kerstwens Kanunnikessen van het H. Graf Priorij Thabor

Gaudet exercitus Angelorum
quia salus æterna
humano generi apparuit!

De Engelenheerschaar juicht
Want het eeuwige Heil
is aan de mensen verschenen!

Zalig Kerstfeest! 
In Nativitate Domini

Responsorium ad Officium lectionis

woensdag 27 april 2022

De heilige Petrus Canisius [1521-1597] over de kloostergeloften 1 de waarde van de kloostergeloften


Bij de gedachtenis van de H. Petrus Canisius is het goed om eens te kijken wat deze kerkleraar van Nederlandse bodem zegt over de waarde van de religieuze geloften.
Wat zijn kloostergeloften?
Het zijn de hoogst noodzakelijke middelen om het doel van de kloosterroeping te bereiken, nl. het met grote ijver verlangen en streven naar eigen zaligheid en volmaaktheid, en die van anderen.

Het zijn wapenen tegen de drie vijanden die ons het meest de weg trachten te versperren om tot de volmaakte, ons met God verenigende liefde te komen. Die vijanden zijn: de liefde en de zorg voor tijdelijke goederen, het vlees [zinnelijkheid]  en de eigen wil of geest van hoogmoed.
Door de gelofte van armoede strijden wij tegen de eerste vijand: de begeerlijkheid van de ogen; door de gelofte van zuiverheid tegen het vlees; door de gelofte van gehoorzaamheid tegen de hoogmoed en de geest van hoovaardij, de duivel.

Door deze drie geloften dragen wij aan God op:
Het volledige en uitstekende offer van alle uitwendige bezit, van ons lichaam en van onze ziel.
Het zijn drie gaven, die wij aan de arme, kuise en gehoorzame Christus aanbieden, om het voorbeeld te volgen van de Wijzen in Bethlehem, die aan de kleine Christus met grote godsvrucht goud, wierook en myrrhe offerden.
Dit zijn koninklijke gaven! Ze zijn Christus aangenaam, en maken de offeraars tot koningen, overwinnaars, priesters, wijzen. Zij onttrekken hen aan Herodes’ macht; maken hen aan Christus gelijkvormig en volmaken hen in de liefde.
 
Deze geloften worden ons symbolisch betekend door de drie spijkers van het kruis (1). Want zij, die kloostergeloften afleggen, maken zich gelijkvormig aan de gekruisigde Christus.
Iedere kloosterling is door zijn/haar geloften als met drie spijkers tezamen met Christus aan het kruis gehecht. En evenals Christus geen acht sloeg op de woorden van de Farizeeën, die Hem honend toeriepen: “Als Gij de Zoon van God zijt, kom dan af van het kruis,“  en “Als Hij de koning van Israel is, laat Hij dan van het kruis afkomen, dan geloven we in Hem”, zó ook moet de kloosterling geen acht slaan op de bekoringen, die hem verleiden zich van zijn kruis los te maken, maar met Christus daarop volharden tot in de dood.(Exhortatio 133)atje 2

Kloostergeloften afleggen is een waarlijk geestelijk en zeer kostbaar offer in de ogen van God en van alle heiligen. Mij dunkt, wij kunnen dit offer vergelijken met die éérste offerande, waarvan het Evangelie spreekt, nl. die door de Wijzen werd gebracht.
Een nieuwe ster straalde voor hen uit het Oosten, en wekte hen op, om Christus te gaan zoeken. De geslepen Herodes met zijn handlangers konden hen niet weerhouden! Zij verlieten hun vaderland en haardsteden; zochten met veel moeite en wederwaardigheden de arme Christus; huldigden, om oprecht getuigenis te geven van hun geloof en godsvrucht, Christus vol eerbied met hun drievoudig geschenk, en verdienden zodoende bescherming tegen hun vijanden en een veilige terugkeer naar hun land.

Ja, de drie geloften zijn een onvergelijkelijke offergave! We lezen wel: dat de gelovigen God ook andere offers brachten, en dat zij daarom in de H. Schrift geprezen worden en door God gezegend zijn.
Abel offerde het beste van zijn kudde en God zag goedgunstig neer op Abel en zijn gaven.
Noë bracht een altaaroffer zowel van reine als onreine dieren, en de Heer aanvaardde die geur van zoetheid en deed de offeraar heerlijke beloften. Melchisedech offerde brood en wijn, en Christus heeft priester willen zijn volgens de offerritus van Melchisedech.
Salomon offerde in de oude Tempel zéér vele gaven, en God antwoordde en toonde ook, dat dit Hem hoogst welgevallig was.
Maar véél meer behaagt God deze offerande [van de kloostergeloften], waardoor ieder van ons God méér aanbiedt, dan wanneer hij ál het goud van Salomon en van héél Israel zou offeren.


Hij/Zij offert Hem immers héél de wereld, en ál wat hij daar zonder zonde als eigendom zou kunnen bezitten.
Hij offert Hem geen kalveren, runderen of het vlees van anderen, maar zichzelf, zijn eigen lichaam; en dat niet slechts ten dele, maar door een besnijdenis van ál zijn zinnen en ledematen; en daar bovenuit zijn ziel met héél zijn geest, verstand en wil. En hij verlangt niets anders dan God alléén geheel en al te zijn toegewijd en eeuwig toegeheiligd te blijven.

Wat zullen we er nog meer van zeggen?
Géén offer is God aangenamer, maakt ons méér gelijkvormig aan Christus, is moeilijker voor de natuur. Door géén ander offer kan de mens zich naar ziel en lichaam volmaakter wegschenken. Want hier wordt niet alleen de boom geofferd met zijn bladeren en vruchten, maar óók met zijn wortel, dat wil zeggen met de volmaakte en volkomen bereidvaardigheid van de wil. (Exhortatio 391)

(1) Hier vinden we een volgende invloed van de spiritualiteit van de Jezuïeten op die van de Kanunnikessen van het H. Graf in de 17e eeuw: naast het Christus-trigram IHS zijn ook deze drie spijkers in de ring, die bij de eeuwige professie wordt overgereikt, gegraveerd.

De heilige Petrus Canisius [1521-1597] over de kloostergeloften 2





Betekenis van de kloostergeloften

Een gelofte bestaat hierin: dat we God iets beloven en dat dan ook volbrengen.
Er zijn evenwel verschillende geloften. – De een legt de gelofte af: een werk van boetvaardigheid te zullen verrichten; de ander belooft een bedevaart, of de boom van zijn wezen of werk, of slechts de vruchten ervan; en dat wel voor een bepaalde tijd.
Maar wij doen geloften omtrent dit alles te samen, n.l. van een boetewerk: dat echter niet één jaar, doch altijd zal duren, en bestaat in ’t om Christus’ wil voortdurend versterven van onszelf.
Wij beloven een bedevaart: niet echter naar Jeruzalem of naar de berg Horeb, zoals de grote Elias deed, maar een pelgrimstocht naar de Hemelse Stad, langs de smalle weg van de Evangelische Raden.
Wij beloven krijg te zullen voeren: niet slechts tegen de vijanden van het Kruis, maar óók tegen onszelf en tegen de Satan; en ook dát weer niet voor één jaar, maar voor héél ons leven.
Wij beloven niet alleen de boom van onszelf of ons werk en de nieuwe vruchten daarvan, maar álles tegelijkertijd wat we bezitten of ooit zouden kunnen bezitten.
Hoe dit?
Wij offeren God de tienden van alles wat bestaat! Wat wij ter wereld slechts zouden kunnen bezitten: offeren we door de gelofte van armoede.
Het zinnelijk leven, dat ons met de dieren gemeen is: offeren we door de gelofte van zuiverheid.
Ja, wat wij met de Engelen gemeen hebben, n.l. ons verstond, onze wil, ons oordeel en ons inzicht: brengen wij door de gelofte van gehoorzaamheid ten offer.
Is het derhalve niet waar, dat wij God de tienden offeren van alles wat bestaat?
En niet alleen het uitwendige offeren we, maar ook het inwendige.
Zo bijvoorbeeld door de gelofte van armoede: óók de begeerte naar alles wat onze ogen kan aantrekken. En wanneer wij het tijdelijke zien: dan verachten we dat en doven de inwendige begeerte daardoor om Gods wil in ons uit.
Wanneer ons vlees oneerbare lusten en gedachten in ons opwekt, en door de verbeelding aan het verstand schandelijke voorstellingen opdringt: dan onderdrukt de gedachte aan onze gelofte van zuiverheid ook de inwendige slechte begeerten; en wij hernieuwen het offer van ons lichaam en ons hart aan God, om te voorkomen dat onze wil zou toestemmen in de voorgestelde aanlokkingen.
Wanneer onze Overste zegt: “Doe dit,” dan wekt de eens beloofde gehoorzaamheid ons aanstond weer op, en overtuigt ons: dat wij er geen oordeel over mogen vellen, of het gegeven bevel inderdaad nuttig is, doch aanstonds offert de gehoorzaamheid ons met grote bereidwilligheid aan God op: daar we beloofd hebben niet slechts ten dele, maar geheel en al omwille van God aan onze Oversten onderworpen te zijn, - en omdat we nu toebehoren aan de gehoorzaamheid, waaraan we ons geheel hebben toegewijd.
Wie dus God iets ontrooft van wat Hém toebehoort, en dit tot het zijne maakt: hij zondigt.
Beschouw hierbij ook Gods goedheid, die bij onze geloften zo treffend tot uiting komt!
God namelijk heeft onze goederen niet nodig! en tóch – mits we het slechts met oprechtheid brengen – neemt Hij zelfs het geringste offer van ons aan als ware het van hoge waarde. En Hij vergeldt het ruimschoots met goederen, die eeuwig zijn! en belooft ons het honderdvoud terug te zullen schenken. Ja, óók in dit leven hier op aarde vergeldt Hij het op wonderbare wijze: zodat aan zijn armen niets ontbreekt, en ze het dikwijls zelfs beter hebben dan de rijken deze wereld.
(Exhortatio  395)

zaterdag 29 januari 2022

Waarom bidden wij in het Latijn ?- 1 Omdat wij daardoor zijn verbonden met honderden miljoen gelovigen in bijna 2 millennia en ontelbare plaatsen.

Dagelijks bidden wij zeven keer per dag de getijden in het Latijn en we zingen doorgaans in de basiliek de gezangen van de H. Mis in het Latijn. Waarom bidden wij in het Latijn?

Het Latijn is universeel in die zin dat wij daardoor zijn verbonden met andere gelovigen, los van de beperkingen van onze eigen tijd en plaats. Een volledig Latijnse H. Mis is in Nederland exact gelijk aan die bijvoorbeeld iedere zondagochtend in de Sint Pieter in Rome plaats vindt. Vanaf vroege christentijden werd voorts al over de gehele (bekende) wereld de liturgie in het Latijn gevierd. Die universaliteit geeft ons een bijzondere verbondenheid met al die andere gelovigen die op dezelfde manier als wij hetzelfde geloof hebben beleden en gevierd, ook al doen zij dat op andere plaatsen en deden zij dat (en zullen zij dat doen) in andere tijden van de geschiedenis van de wereld en de Kerk.

Dat het Latijn een dode taal is, kan ook positief worden geïnterpreteerd; het Latijn namelijk is in de lading van zijn woorden onveranderlijk en geeft daardoor een nauw omschreven weergave van onze geloofsinhoud. In een moderne, levende taal kan de lading van begrippen  geleidelijk verandering ondergaan en uitslijten; werd bijvoorbeeld vroeger het woord 'communiceren' alleen gebruikt voor het te communie gaan in de H. Eucharistie, dat is de daadwerkelijke vereniging met Christus, nu gebruiken wij dat woord voor iedere manier waarop wij met elkaar in contact treden; het woord is geseculariseerd, dat wil zeggen in de wereld, in het gewone leven opgenomen waardoor de oorspronkelijke betekenis op de achtergrond geraakt is. Theologisch geeft het Latijn een waarborg voor onveranderlijke geloofswaarheid; daarom worden ook alle liturgische teksten in volkstalen ontleend aan de Latijnse basistekst Zo bewaren wij de band met de Ene, Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk, het mystiek Lichaam van Christus op aarde.

Liturgische taal in het algemeen wijkt af van ons gewone spraakgebruik. Toen in de Anglicaanse Kerk het zogenaamde 'Book of Common Prayer' de basis van het gebedsleven en de liturgische viering werd, was het Engels dat daarin door de samensteller/schrijver Thomas Cramner gebruikt werd, geen 'colloquial speech' -de taal van de straat, van de boodschappen, de gewone woordenwisselingen en ruzies-, maar een verheven woordgebruik dat aan de vierende gemeenschap duidelijk maakte: "Let op, hier richten wij ons op de hogere waarden in ons bestaan, de diepere werkelijkheid, waarbij wij ons willen vrijmaken voor de daadwerkelijke ontmoeting met de Allerhoogste". Of het Latijn echt zo dood is, valt trouwens ook nog te betwijfelen; in Rome worden voortdurend door de stichting Latinitas nieuwe woorden ontwikkeld voor moderne begrippen, die worden gebruikt in kerkelijke documenten, de stripboeken van Asterix en Obelix zijn in het Latijn vertaald, en in Finland is een radiozender die onder meer nieuwsberichten in het Latijn uitzendt.

zondag 23 januari 2022

Franciscus van Sales - "Wáár we ons ook bevinden, kunnen en moeten we ons op de volmaaktheid toeleggen!”


Sint Franciscus van Sales:

“Ubicumque locorum sumus, ad vitam perfectam aspirare et debemus et possumus!”

"Wáár we ons ook bevinden, kunnen en moeten we ons op de volmaaktheid toeleggen!”

Uit de Inleiding tot het godvruchtig leven van de H.Franciscus van Sales (Dl 1, hfdst. 3)

vrijdag 21 januari 2022

21 januari H. AGNES “Virgo permansit et martyrium obtulit” Zij bleef maagd en werd martelares


21 januari H. Agnes

“Virgo permansit et martyrium obtulit”
Zij bleef maagd en werd martelares

Martyrologium Romanum:
De gedachtenis van de heilige Agnes, maagd en martelares, die nog als meisje te Rome het hoogste getuigenis aflegde van het geloof en de roem van haar zuiverheid met de marteldood heiligde. Door immers niet alleen haar leeftijd, maar ook haar vervolger te overwinnen oogstte zij bij de mensen de grootste bewondering en verwierf zij nog meer heerlijkheid bij God. Op deze dag wordt de bijzetting van haar lichaam gevierd.

“Meisjes van die leeftijd kunnen zelfs niet de boze blikken van haar ouders verdragen en schreien gewoonlijk al bij het prikken met een naald alsof het over grote wonden ging, maar zij [Agnes] bleef onverschrokken in de bloedige handen van de beulen, onbewogen toen er hard getrokken werd aan de knarsende ketenen. (…)
Nog niet geschikt voor de straf en reeds rijp voor de overwinning; moeilijk kon zij strijden, gemakkelijk kon zij gekroond worden. (…)
Allen weenden, maar zij zelf weende niet. De meesten stonden verwonderd over het feit dat zij zo gemakkelijk de rijkdommen van haar leven wegschonk als had zij die reeds ten volle genoten, terwijl ze zij nog niet geproefd had.
Allen stonden er verbaasd over, dat zij nu al als getuige voor God optrad, terwijl zij om haar leeftijd nog niet eens over zichzelf kon beschikken. Tenslotte bewerkte zij, dat men haar getuigenis over God geloofde, terwijl zij zelf in haar menselijke verschijning nog niet geloofwaardig was: omdat hetgeen boven de natuur is, van de Schepping der natuur afkomstig is. (…)
Een tweevoudig martelaarschap: één om de kuisheid en één om het geloof. Zij bleef maagd en werd martelares”.          

(Ex  Tract. S. Ambrosii ep. De viriginibus” Lib. I, c.7-9; PL [ed. 1845] 190-191)

De naam van de H. Agnes wordt in verband gebracht met het Latijnse agnus (lam) en is vermeld in de oudste martelarenlijst van Rome (354).
De Kerk heeft haar geëerd door haar naam op te nemen in de canon van het Misoffer, de onbloedige vernieuwing van het offer van het Lam Gods dat de zonden  van de wereld wegneemt. Haar naam verwijst ook naar het Griekse agnè, dat is: de kuise.
En met een plechtigheid, subliem van eenvoud, was men tot voor kort gewoon in Rome haar feestdag, 21 januari, te gedenken: ter herinnering aan de zachtmoedigheid van het goddelijk Lam en de lieflijkheid van Agnes  werden op haar altaar in de basiliek aan de via Nomentana twee lammeren geplaatst en gezegend; het vorig jaar werden de lammeren gezegend in de hal van het Domus S. Marthæ. Uit de wol van deze dieren weeft men later de pallia, door de paus aan de aartsbisschoppen verleend als wezenlijk teken van hun rechtsmacht.

In Europa tot aan WO II en ook nog even daarna was Agnes een bekende doopnaam. Ook in de middeleeuwse vrouwenkloosters waren er altijd religieuzen met deze naam. De H. Agnes was om haar dubbel getuigenis van godgewijde maagdelijkheid en stoer martelaarschap een voorbeeldfiguur bij de opgang tot het religieuze leven.

In de Nederlanden en daarbuiten was de H. Agnes een bekende volksheilige en met haar dies natalis waren een aantal vrome gebruiken verbonden. 

Binnen de Congregatie van Windesheim voortgekomen uit de geestelijke vernieuwingsbeweging van de Moderne Devotie was zij een geliefde heilige.
 “In 1395 werd Agnes patrones van een huis van de broeders van de Moderne Devotie, dat al in 1384 was opgericht op de zogenoemde Nemelerberg nabij Zwolle; zowel het huis als de locatie stonden sindsdien bekend als “Agnietenberg” (mons sanctæ Agnetis). Uit de door Thomas van Kempen (+1471) geschreven kroniek van dit broederhuis en van het regulierenklooster dat hier in 1398 voor in de plaats kwam en tot 1561 zou blijven bestaan’, wordt duidelijk dat aan Agnes zowel een belangrijke liturgische gedachtenis als een bijzondere devotie als voorspreekster toekwam”. (1)

(1) Uit:  Charles Caspers, Sint Agnes als katalysator. Een jonge Romeinse martelares vertelt over de spiritualiteit van de zusters van Diepenveen. Trajecta 11(2002)I,18-40, p.23


zondag 16 januari 2022

H. Antonius Abt over de hoofddeugden van de monnik I

17 januari
Abt Antonius over de hoofddeugden van de monnik I: 
Abt Antonius zei: Ik zag alle strikken van de vijand uitgespannen
over de aarde en zuchtend sprak ik: “Wie komt daar nog langs?”
En ik hoorde een stem tot me zeggen: “De nederige”.

Op zekere dag heeft Antonius een pessimistisch visioen over het
lot van de mensen: over de hele aarde zijn netten gespannen die
in het geniep zijn opgesteld. Ongetwijfeld zijn het hinderlagen van
de duivel, maar het is ook een kluwen van aardse beslommeringen
die ons gevangen houden en overheersen tengevolge van onze
eindigheid.

Het antwoord op Antonius’ zuchten komt van de hemel, lichtend,
versterkend. Alleen de nederigheid (humilitas) maakt het mogelijk
aan deze hinderlagen te ontsnappen omdat zij ons lager doet
neerdalen dan de strikken die op de grond zijn uitgezet, zij doet ons
wegzinken in de ‘humus’ van schepsel- en zondaar-zijn. “Evenmin
als de aardboden ooit omlaag valt, valt hij die zichzelf vernedert” (1).

Het beeld van de netten waarmee de vogelaar vogels vangt als symbool
voor de listen van de vijand, komt regelmatig terug in de Psalmen.
Maar om de nederigheid te beschrijven komt er bij de psalmist nog een
ander beeld op, namelijk dat van de vredige overgave van de kleintjes:
“Heer, mijn hart is niet trots, niet hoovaardig mijn ogen. Ik begeef mij
niet in wat te groot, te wonderbaarlijk is voor mij. Neen, bedaren liet ik,
verstillen mijn ziel als een kind bij zijn moeder geborgen, als dat kind
 zo voel ik mijn ziel” (Ps 131).
Die zo nederig zijn voelen de levende God aan en schenken Hem  hun
vertrouwen. Onverschillig en als het ware vreemd aan zichzelf laten ze
Hem zijn heerlijkheid openbaren.

In onze tijd zijn pogingen waar te nemen om het individuele “ik” te
overstijgen. Als men de nederigheid zoekt langs uitwendige manieren,
gaat men helaas voorbij aan de kern van het mysterie, de “kenosis”
van de Zoon van God, zijn neerdalen tot op het kruis,
zijn totale ontlediging.

(1) Spreuken van hen die vergrijsd zijn in de deugd, 28.
Uitgave Vaderspreuken III (Bonheiden) nr. 108, blz. 66

Met dank en toestemming ontleend aan Monastieke Cahiers nr. 10,

uitgegeven door de Benedictinessen van Bonheiden 1981

woensdag 22 december 2021

Donaties Priorij Thabor & ANBI Wij zijn U zeer dankbaar als U aan ons denkt! Dag in dag uit bidden wij voor en namens U! Ook ons klooster ziet tijdens pandemie de inkomsten teruglopen.

Donaties

De gemeenschap is voor het onderhoud van de gebouwen (Rijksmonumenten), het levensonderhoud van de zusters en het apostolaat (Bezinningscentrum, catechese en caritas) mede afhankelijk van donaties. Dag in, dag uit bidden wij voor U en namensu!
Wilt u het klooster steunen, dan kunt u uw bijdrage overmaken naar
NL41INGB 0001 0361 15.
Indien u een gift overmaakt vanuit het buitenland is het kenmerk van de bank:
BIC INGBNL2A
De Priorij Thabor heeft de ANBI status, waardoor uw gift aftrekbaar kan zijn bij uw belastingaangifte. Zie de Belastingdienst: Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) voor actuele informatie.

Instellingen met een ANBI status zijn vermeld in het ANBI-register. Met het Programma ANBI opzoeken kunt u de registratie van de REGULIERE KANUNNIKESSEN VAN HET H. GRAF (CRSS) PRIORIJ THABOR met vestigingsplaats Sint Odiliënberg (gemeente Roerdalen) vinden onder kenmerk: RSIN 822571389.
ANBI
De Priorij Thabor bezit rechtspersoonlijkheid naar kerkelijk recht en is als geloofsgemeenschap een zelfstandig onderdeel van het Rooms Katholieke Kerkgenootschap Nederland in de zin van artikel VI van het Reglement voor het Rooms Katholieke Kerkgenootschap Nederland.
De Rooms Katholieke Kerk heeft op 30 november 2007 van de Belastingdienst een ANBI-groepsbeschikking ontvangen. Dat wil zeggen dat de afzonderlijke religieuze instituten die tot de Rooms Katholieke Kerk behoren, zijn aangewezen als Algemeen Nut Beogende Instelling. Ook op de Priorij Thabor is deze groepsbeschikking van toepassing.
Voor donaties aan instellingen met een ANBI status, is belastingaftrek mogelijk. Zie de Belastingdienst: Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) voor actuele informatie.
Vanwege de ANBI status hebben wij een publicatieplicht om een aantal gegevens openbaar te maken. Het meest recente verslag vindt u hier. Hoe wij leven en wat wij doen kunt U van nabij volgens op onze website www.priorijthabor.nl, ons weblog www.priorijthabor.blogsot.com, het twitteraccount Pthabor. 

vrijdag 10 december 2021

Kloosterleven: statio houden - even nadenken waar je mee bezig bent - stilhouden om het hart te zuiveren

foto van de statio in een klooster van het Heilig Graf
Wij doen het iedere dag minstens acht keer

Binnen de traditie van het monastieke leven is het begrip en de praktijk van het ‘statio houden’ eveneens bekend. In de praktijk is dit het moment tussen andere momenten, of pauze tussen bepaalde tijden van de dagorde. Het is een soort mini-transitio, een moment van stilte bij het overgaan van het ene naar het andere onderdeel van de dagorde. Een communiteit houdt bijvoorbeeld statio wanneer men een gebedsuur heeft beëindigd, de kerk, kapel of bidplaats verlaat en zich in stilte “hergroepeert” alvorens bijvoorbeeld de refter te betreden, of ook komt men in de statio bijeen na het luiden van de klok om geordend het koor voor Getijdengebed of H.Mis te betreden. Het is een intentioneel te benutten moment, waarin men zich bewust vrijmaakt en voorbereidt op de volgende geestelijke oefening en God vraagt om het hart te zuiveren “ab omnibus vanis, perversis et alienis cogitationibus” – van alle ijdele, perverse en vreemde gedachten - en bidt om geest en verstand te verlichten en het gevoel te ontvlammen. Met deze gedachten kan rust in het nu-moment samengaan.

In de priorijen van de Orde van het Heilig Graf is eeuwenlang het liturgisch gebruik bewaard van het houden van processies en staties naar het voorbeeld van de H. Grafkerk in Jeruzalem. Ter herinnering aan de oude statieplaatsen van het Heilig Land en om de woorden en werken van Jezus Christus te gedenken die Hij op deze plaatsen heeft verricht alsook de uitmuntende deugden die Hij er beoefend heeft, werden deze statieplaatsen  voorgesteld in de kloosterpanden. Deze statieplaatsen zijn: het Heilig Graf, het Dal van Josaphat, Betlehem, Bethanië, de Calvarieberg, de Berg Sion, de Berg van Olijven, de Berg Thabor, de Tempel Gods. Elke zondag en op de hoogfeesten bezocht de communiteit in processie een van deze plaatsen om er het mysterie van de dag te bezingen en te bemediteren, volgens de aanduidingen in het Processionale. In het formulier van de gezangen voor elke zondag door het jaar,was altijd een  commemoratie of hymne opgenomen met betrekking tot de Verrijzenis. Binnen de Orde van het H. Graf werd de tijd tussen Pinksteren en de Advent immers als een verlengde Paastijd gevierd, iedere zondag was in feite een klein Pasen. Afgesloten werd de processie met een van de vier oude Maria-antifonen waarna men zich naar het koor begaf om de Terts te zingen, waarna de Conventsmis volgde. Zo doen wij het nog altijd!

maandag 22 november 2021

Uit de Brief van de heilige paus Clemens I

23 november - H. Clemens, paus en martelaar

"Dit is de weg waarop wij ons heil vinden, Jezus Christus, de Hogepriester van onze offergaven, de beschermer en helper van onze zwakheid. Door Hem zien wij op naar de hoogten der hemelen, door Hem aanschouwen wij als in een spiegel het zuivere en verheven gelaat van de Vader, door Hem zijn de ogen van ons hart geopend, door Hem bloeit onze onverstandige en duistere geest weer op naar het licht. Door Hem wilde de Heer ons de onsterfelijke kennis doen smaken, Hij, die de afstraling is van Gods heerlijkheid, ver verheven boven de engelen, zoals Hij hen ook overtreft in de naam die Hem is verleend (Hebr 1,3.4).

Strijden we dan met alle kracht volgens zijn onberispelijke voorschriften. De meerderen kunnen niet bestaan zonder de minderen, en de minderen niet zonder de meerderen; in alles is er een soort vermenging en daarin ligt het voordeel. Laat eenieder in Christus Jezus zijn naaste onderdanig zijn overeenkomstig de hem verleende genadegaven".

Uit de Brief van de heilige paus Clemens I  († 101) aan de Korintiërs

vrijdag 19 november 2021

Overweging: Eerbied voor het huis van God - gericht zijn op God en tegelijk een uitdrukking van Hem zijn!

 

Domus mea domus orationis vocabitur / Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd - zo luidt de eerste antifoon van de Lauden in het Officie van Kerkwijding (Commune dedicationis ecclesiæ [CDE] ), een tekst uit Jes 56, 7 die door Jezus bij de tempelreiniging wordt geciteerd (Mt 21, 13).

Andere teksten uit hetzelfde getijdenformulier werken dit thema nader uit, zoals: 

Qui habitant in domo tua, Domine, in perpetuum laudabunt te / Zij die wonen in uw huis, Heer, zullen U eeuwig loven (Ps 83, 5; Responsorium 2 CDE).

Benedictus es, Domine, in templo sancto tuo / Gezegend zijt Gij, Heer in uw heilige tempel (Dan 3, 53; Ant 2 Lauden CDE).

Domum tuam, Domine, decet sanctitudo, in longitudinem dierum / Uw, huis, Heer, zij heilig in lengte van dagen (Ps 92 (93), 5; Ant. bij de Sext CDE).

God die “woont in het ongenaakbare licht” (1 Tim 6, 16) heeft als Mens onder de mensen willen wonen: “Verbum caro factum est et habitavit in nobis” (Jo 1, 14) bidden wij driemaal daags in het Angelusgebed. 

Hij openbaarde dit verlangen aan de aartsvader Jacob die na een nachtelijk visioen uitriep: “Waarlijk, Jahweh is op deze plaats en ik wist het niet. Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel” (cf Gen 28, 16-17). En ook aan Mozes, toen Hij hem riep vanuit de brandende doornstruik: “Kom niet dichterbij, Mozes, want de plaats waar gij staat is heilige grond” (cf Ex 3, 4). 

Onderweg naar het beloofde land verscheen de heerlijkheid van Jahweh boven de verbondstent, waar de Ark stond en waar alleen Mozes zich met Jahweh mocht onderhouden.

Salomon bouwde op aanwijzing van Jahwe de eerste tempel in Jeruzalem, als huis voor Jahweh waaraan Jahweh de belofte verbond te midden van de Israëlieten te blijven wonen en Zijn volk niet te verlaten, mits het volk Zijn geboden, wetten en voorschriften zou onderhouden en er naar leven 1 Kon 6, 12-13.

Christus is gekomen, de Hogepriester van het waarachtige heil. De tent van zijn priesterschap is groter dan de vorige; zij is niet gemaakt door mensenhand en behoort niet tot onze geschapen wereld (cf Heb 9, 11).

De H. Kerk, door Christus gegrondvest op de rots, die Petrus is, viert haar liturgie, met name de H. Eucharistie op geëigende tijden en plaatsen. De plaats, dit grote Mysterie waardig, is gewoonlijk het kerkgebouw, het huis van God, waar de gelovigen in gemeenschap samenkomen. 

Sanctificavit Dominus tabernaculum suum: hæc est domus Dei, in qua invocetur nomen eius, de qua scriptum est: Erit nomen meum ibi, dicit Dominus / De Heer heeft zijn woontent geheiligd. Dit is het huis van God, waar zijn Naam wordt aangeroepen, waarvan geschreven staat: mijn Naam zal daar wonen, zegt de Heer (Ant. ad Magnificat ad II Vespers CDE).

Heiligheid behoort tot het huis van God. De pausen Johannes-Paulus II en Benedictus XVI hebben in verschillende documenten met betrekking tot de H. Eucharistie helder uiteengezet wat dit van de gelovigen vraagt.

Als wij over het heil van onze ziel dieper nadenken, dan zien wij dat wij een werkelijke, levende tempel van God zijn. God woont niet alleen in wat door mensenhand gemaakt is (vgl. Hand. 7, 48) en evenmin in een huis van hout of steen, maar Hij woont vooral in een ziel die naar Gods beeld gemaakt en door de hand van de Kunstenaar zelf geschapen is. Zo heeft immers de heilige apostel Paulus gezegd: ‘De tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij’ (1 Kor 3, 17). 

(Uit Preek 229 H. Cæsarius, bisschop van Arles (+ 542), CCL 104, 906 in Getijdenboek , 9 nov., Kerkwijding van de basiliek van Lateranen. 

Het intreden in een klooster is in feite een binnengaan in het Huis van God. Het binnengaan in dit huis heeft een materieel én een geestelijk aspect. Hieraan gaat vooraf een zich persoonlijk uit de wereld terugtrekken met de intentie zich aan te sluiten bij de communiteit, waarvan de zusters, één van ziel en één van hart op weg zijn naar het hemelse Jeruzalem, naar God. Dit is een smalle en moeilijke weg, een pad waarop men zich moet toeleggen op heiligheid, vallen en opstaan met het vaste voornemen, beeld van God te worden. 

Vele concrete hulpmiddelen staan ons daarbij ter beschikking:

• het bewaren van de stilte en de stilzwijgendheid

• het bewaren van een waardige religieuze houding 

• voorkomendheid. Voorkomendheid is een religieuze grondhouding. De liefde voorkomt! “Ik heb u een voorbeeld gegeven” (Jo 13,15), zegt Jezus. Het gaat er om in kleine zaken trouw en attent te zijn: zo steunen wij en stichten elkaar.

Deze praktische hulpmiddelen zijn alleen doeltreffend als zij gedragen worden door onze innerlijke gesteldheid, ons gericht zijn op God en onze wens tegelijk van Hem een uitdrukking zijn.

Het overwegen van de Naam van Jezus bewerkt vrede en vreugde in onze ziel. 

Laten wij in hart en geheugen niet alleen de liefde voor de Naam van Jezus  bewaren, maar ook de vrees en huiver die daarmee samengaan. Sluit die eerbiedige vrees, dit authentieke ontzag, voor Hem "die groter is dan ons hart en alles weet" (1 Joh, 3-17) niet uit.

Laat het licht van goede gedachten en goede werken in ons oplichten, zodat God verheerlijkt wordt.

Zó wil God onze ziel binnengaan, zoals Hij zelf heeft beloofd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan.