donderdag 7 oktober 2021
Jan van Abroek - onze stichter. Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 1
donderdag 1 juli 2021
Voor de historische spoorzoekers onder U - Wat we weten over Clementia van Abroek en enkele vragen over haar waarop we graag het antwoord zouden weten. Veel dank!
CLEMENTIA VAN ABROEK op het spoor
Zuster van Jan van Abroek (ca 1440 - 1510 te Hoogcruts), hervormer van de Heilig-Graforde in Neder-Germanië
en stichter van de vrouwenkloosters van het Heilig-Graf in West-Europa
__________________________________________________________________________________
à Geboren vóór of in de 2de helft XVe eeuw, ws te Beek bij
Bree (B)
Hoe was het leven daar in die tijd? Is haar doop aangetekend in de boeken? Welke priesters bedreven daar in dit tijd de zielzorg? Waar ging zij op school?
à Vóór 1480 ingetreden in klooster broodboomgaard Roermond
Waarom koos zij vanuit Beek juist voor dit klooster? Zijn de archieven van dat klooster bewaard. Hoe was het leven daar?
à 1480 Vorming in Sint-Odiliënberg
à 1480 Kinrooi Waar zijn de archieven van het klooster?
à 1490 Mater (overste) in Gartzen Sint-Antonii (vanaf hier is Clementia van
Abroek niet meer te traceren) Wat gebeurde er met Clementia? Waar zijn de archieven van het klooster?
à 1507 Convent Gartzen naar Henegouw Is Clementia hier geweest? Waar zijn de archieven van het klooster?
à 1507 Convent Gartzen (Henegouw) sluit aan bij Ste Elisabeth des Bons Enfants te Luik Is Clementia hier geweest? Waar zijn de archieven van het klooster?
p. [18] (284)
(…)
Van Abroeks opzet was: ook een vrouwelijke tak van de Orde te vestigen in de
Nederlanden, en hij bestemde de gebouwen te Kinrooi (door Kanunniken van het
Heilig Graf recent verlaten) als klooster voor Kanunnikessen van het Heilig
Graf.
(…)
De eerste kandidate voor zijn onderneming te Kinrooi vond van Abroek in het
Roermonds klooster “Den Bongart” nl. bij de faliezusters – ziekenverpleegsters
van de regel van Sint Augustinus (4).
(4) Klooster Godsboomgaard of Broodboomgaard,
gelegen in de Schoolstraat; ziekenverzorging. Ca. 1425 namen twee meisjes de
regel van Sint Augustinus aan, onder de leiding van de Kruisheren. In 1462 door
de stadsmagistraat erkend, op voorwaarde niet meer dan zeven zusters te
aanvaarden men noemde ze broet-, zwart-, celle-, falie- (=gewijlde) zusters. J.
HABETS, Geschiedenis van het tegenwoordig
Bisdom Roermond en van de bisdommen die het in deze gewesten zijn vooraf gegaan,
3 dln., Roermond 1892, dl. III, 685. –Z.M. HERESWITHA, De Vrouwenklooster,… 25, tekst en vn.2. – In 1605 was er slechts
één zuster nog in leven. J.B. SIVRÉ, Inventaris van het oud archief der gemeente
Roermond in BVGR, (Bijdragen tot het Verslag van de toestand der Gemeente
(Roermond), Roermond.) II 1871-1873, 1605, aug. – sept., 276-279.
Het waren Zuster Clementia van Abroek, zuster van de prior
van Odiliënberg, Zuster Catherina van Bruggen en Zuster Catharina van Wert. Met
toestemming van hun overste trokken deze drie geprofeste faliezusters naar
Odiliënberg, waar ze hoogstwaarschijnlijk hun intrek namen in het gasthuis voor
vrouwen. Het zou hun dienen tot noviciaatshuis (5).
(5)
Over de ligging van dit gasthuis voor vrouwen.
Bij de eerste drie kandidaten voegden zich nog drie andere
postulanten. De zes toekomstige Sepulcrinessen volgenden in het bruikbare
gedeelte van de Sint-Petruskerk, de conventsmis en de uren van het goddelijk officie.
Ze hadden een dagregeling analoog aan die der kanunniken. Op zondag 8 oktober
1480 legden de drie eerstgenoemden hun kloostergeloften af voor prior Jan van
Abroek. Als vertegenwoordiger der Orde, en werden de drie anderen ingekleed (6).
(6)
Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…,
23-25.
Op maandag 9 oktober reisde het zestal per huifkar naar Kinrooi, en ging wonen in het voormalige
kanunnikenklooster “O.L. Vrouw van Jeruzalem. Daarmee was de oprichting van het eerste Heilig-Grafs Vrouwenklooster
in de Nederlanden voltrokken (7).
(7) Ibid., 22, 25, 27.
(…)
p. [21] (287)
(…)
Reeds in 1486 trad van Abroek [als provinciaal] op om tegemoet te
komen aan het verlangen der inwoners van Nieuwstad bij Sittard. Hij bereikte
daartoe eerst een akkoord met Jan van Horn, bisschop van Luik (1482-1505), en
met Willem van Vlodrop, erfvoogd van Roermond, begever van het
Sint-Sebastiaansaltaar in de Sint-Jan Baptistkerk te Nieuwstad en weldoener van
de priorij te Odiliënberg. Hij zond vier of vijf zusters uit Kinrooi naar
Nieuwstad (16).
(16) Willem van Vlodrop, Leuth en Dalenbroek,
en zijn echtgenote Alfrida van Herff schenken het klooster Sint-Odiliënberg op
3 okt. 1488, een vierde deel van het hof In Gen Ouwen (leengoed), gelegen in
het Kerspel van Sint-Odiliënberg. Codex
dipl. Berg., in: PSHAL, nr. 75, 205, 207. Willem van Vlodrop erfvoogd van
Roermond en Cecilia van Hamel verkopen dan eveneens een vierde deel van dat hof
in Gen Ouwen aan hetzelfde klooster. Ibid.,
nr. 76, 207-209. – Zr. M. HERESWITHA, De
Vrouwenkloosters…, 37.
onder wie Catharina van Wert als “mater”. Tot geestelijke
vader van het nieuw opgerichte vrouwenklooster benoemde hij een zekere Petrus,
ordekanunnik te Sint-Odiliënberg (17).
(17)
Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…,
37-38.
(…)
p. [23] (289)
(…)
Omstreeks dezelfde tijd (1486) ook vroeg Wijnand van Gartzen voor het
zusterklooster gelegen op zijn domein naast de Sint-Antoniuskapel in de
gemeente Entzen (bij Euskirchen, hertogdom Gulik) aan de provinciaal van
Abroek, zusters te zenden en dat klooster tot Heilig-Graf klooster op te
richten. Na lange tijd, pas in 1490 namelijk ging van Abroek op dat verzoek in.
De zusters van het convent te Gartzen
legden dat jaar geloften af als Heilig-Grafkanunnikessen.
Vier of vijf zusters vanuit Kinrooi voegden zich bij hun communiteit als
overste stelde de provinciaal er aan Clementia van Abroek, en als rector Frank
van der Borcht die hij deed overkomen uit Kinrooi (24).
(24) In 1352 was door Emmerich van Gartzen
naast de kapel een kloostertje gesticht voor drie zusters . In 1474 wilde
Hubert van Gartzen dat kloostertje bestemmen voor monniken. Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 24, 32, 43. –
Chronijk der Landen van Overmaas…, in
PSHAL, VII, 1870, 172-175.
Heilwych van Sotterbeyck werd te Kinrooi als overste aangesteld. En
frater Ludovicus van Bocholt, uit de priorij Odiliënberg als geestelijke vader
(25).
(25)
Ibid., 174. - Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 32-34.
(…)
De afpersingen der plunderzieke soldaten en de willekeur van roversbenden
maakte het platteland onveilig. Om die reden vestigde zich het convent van
Kinrooi, met toestemming van de provinciaal, van de prinsbisschop en van het
gemeentebestuur te Maaseik in de Pelsersstraat (1496).
p. [24] (290)
Een kwart eeuw later, in 1520 nl., is dat klooster overgegaan naar het kapittel
van Venlo der Congregatie van Windesheim (26).
(26) Ibid., 34, 35. – De aansluiting van het
klooster (O.L. Vrouw van Jerusalem) te Kinrooi – Maaseik, bij het kapittel van
Venlo, werd door Rome erkend in 1522. Dit kapittel van Venlo, opgericht in
1455-1456, behoorde in feite tot de Congregatie van Windesheim. Id., Reguliere Kanunnikessen, in: Catholica, II kol. 1402. Zr. M.
HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…,
37-42. – Id., De Franciscanessen (1493) en de Sepulcrinessen (1496) in het klooster des Bons Enfants te Luik, in: Franciscana, XXI, 1966, 39-43. – P.
HARSIN, La principauté de Liège à la fin du règne de Louis de Bourbon et sous
celui de Jean de Hornes, 1477-1505, Luik, 1957, 67-80.
Het klooster van Nieuwstad, leed geweldig onder de open strijd
gevoerd met steun van Frankrijk, door Karel van Egmont tegen de Habsburgers en
hun bondgenoten: Jan II, hertog van Kleef en Willem IV van Gulik. Daarom zocht
de priorin van dat convent, Johanna Schaetz, binnen de stad Luik een veiliger
verblijf; het kocht daar met toestemming van de prinsbisschop en van de
provinciaal, het huis tot 18 december 1496 bewoond door de Cellebroeders. De
Nieuwstadse communiteit betrok het enige dagen nadat de Cellebroeders het
hadden verlaten (27).
(27) Vroeger nog Franciscanes zijnde had
Johanna Schaetz dit huis gekocht (1493) en bewoond, en had het enkele weken
later verkocht aan de Cellebroeders. Op 6 december 1496 stond prinsbisschop Jan
van Horn toe aan Jan van Abroek, provinciaal der Nedergermaanse
Heilig-Grafprovincie, het kanunnikessenklooster “Bethlehem” over te plaatsen
naar het klooster des Bons Enfants te Luik). Het moest een besloten klooster
zijn met maximum 25 zusters. De koop werd gesloten op 18 december 1496. Het
klooster, gelegen op de huidige “Place des Bons Enfants”, werd toegewijd aan
O.L. Vrouw, aan Sint Elisabeth, en allereerst aan het Heilig-Graf van
Jeruzalem. Aanvankelijk telde de Luikse communiteit 14 leden. Maar de 15 leden
van de kloostergemeente van Gartzen- St.-Antonii, die in 1507 voorlopig een
onderkomen hadden gevonden in een leegstaand gedeelte van het
Kanunnikenklooster te Henegouw werd nog datzelfde jaar (1507) opgenomen in
Ste-Elisabeth des Bons Enfants, al werd het vooraf bepaalde getal toen
overschreden.
(Omdat voetnoot 27 ontbrak werd de tekst aangevuld uit Zr. M. HERESWITHA, Inleiding tot de Geschiedenis van het
Kloosterwezen in de Nederlanden. A. Orden ontstaan in de Middeleeuwen. II.
1. f. Orde van het Heilig-Graf.
Brussel 1975 p. 131-132.
Dat klooster te Luik zou de naam dragen van Ste-Elisabeth
des Bons-Enfants.
Te Gartzen werd tengevolge van de eisen van de plaatselijke
heer, het leven voor de zusters als kloosterlingen van de Heilig-Graforde.
Provinciaal van Abroek liet daarom de zusters naar de priorij Henegouw trekken
en er wonen in een leegstaand gedeelte van de gebouwen. De drie of vier
kanunniken die de priorij Henegouw nog telde, bleven het ander gedeelte
betrekken. Doch toen het er ging om het zusterconvent definitief het goed
Henegouw in zijn geheel als verblijf af te staan, rees er een geschil tussen de
kanunniken van Henegouw – in 1505 was Goswyn van Bueren er prior – en het
zusterconvent dat 13 of 14 leden telde (28).
(28) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 43-44. – Supra,
288, vn. 22. – De communiteit van Gartzen telde 13 of 14 leden. Of de prior een
van de drie kanunniken was, is onzeker. Op 12 juli 1506, bij de leenverheffing,
word de naam van de prior niet vernoemd, maar wel die van de “mamburnus”:
Hermannus Tybst. RAH, Zaal Curingen, verheffingsregisters, Evrard de la Marck,
1506 – 1509, fol. 60. Waarschijnlijk is dat de priorij Henegouw met haar
onafhankelijke kapellen te Bierbeek en te Oetsloven in 1485/1486 met
Odiliënberg verenigd werd, zoals gebeurde met Sint-Leonhard. Supra, 289, vn. 23. Want het is Jan van
Abroek die het klooster van Gartzen naar Henegouw deed verhuizen. Vóór 1506
zijn er minstens twee priors van Henegouw gekend die door van Abroek werden
erkend. Maar bij de verkiezing van de nieuwe provinciaal-prior, op 28 oktober
1510, komt op de lijst van de kiesgerechtigden geen prior van Henegouw voor. (De Heilig-Graforde in de Nedergerm. prov., in BCRH, 1965,
340-341). In december 1514 was er ook geen prior te Henegouw (RAH, Gichten
Loons Recht, nr. 174, fol. 210v. 15 dec. 1514). Van 1531 tot 1558 heeft Henegouw
een eigen prior. Maar na 1558 is de provinciaal, prior én van Henegouw én van
Odiliënberg. Die toestand blijft behouden tot in 1606, jaartal van het
verdwijnen van het provincialaat. Zie dl. 2, hfst. 1 tekst en vn. 29-38, in:
Vervolg (afl. 3-4). In werkelijkheid was voorzeker door Jan van Abroek in
1506-1507 de priorij Henegouw gegeven aan de zusters van Gartzen. In het
verslag van het provinciaal kapittel (gehouden jaarlijks vanaf 1486 tot 1521 (Supra, 287 tekst en vn. 15)) wordt
vermeld dat er in Henegouw een onvoldoend getal kanunniken was om er het leven
der Orde als zelfstandige priorij te beleven. Er moeten alleszins documenten
bestaan hebben waarop de Sepulcrinessen van Ste Elisabeth des Bons Enfants te
Luik zich beriepen om hun recht te staven op het bezit van Henegouw. In 1594
deed Rome definitief uitspraak ten gunste van de Bonnefanten van Luik.
De kanunniken kochten voor de zustercommuniteit een huis te Hasselt,
maar deze verkoos zich te voegen bij de zusters van Ste Elisabeth des Bons Enfants
te Luik, - die waren toen vijftien in getal. Door de vereniging van de twee
kloostergemeenschappen overschreed het Luikse klooster het getal van 25 leden
dat bij de oprichting als maximum was vastgesteld (29).
(29) Chronijk
der Landen van Overmaas…, in: PSHAL, VII, 1870, 182-183, 191. – Zr. M.
HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…,
43-44, 49, 326. – L. VAN ELSRACK, Cort
Verhael van het clooster tot Henegauwe, in: L’ancien Pays de Looz, VI, 1902, nr. 1, 4-9.
Bij de overgang van het klooster Kinrooi-Maaseik tot de Windesheimer
Congregatie in 1520, bleef de priorij Ste Elisabeth des Bons Enfants – vanwaar
de naam Bonnefanten aan de Sepulcrinessen in het Luikse gegeven – dus alleen
over. Het werd het stamklooster van al de Heilig-Grafse vrouwenkloosters die na
die datum werden gesticht. Door het opnemen van de communiteit van Gartzen, die
tijdelijk te Henegouw woonde, bekwam het klooster “Ste Elisabeth des Bons Enfants”
recht op de priorij Henegouw. Het verwierf het domein ervan in 1594 en nam de
gebouwen als verblijf in gebruik na 1606 (30).
(30) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 47; Aanhangsel XIII, 421- 422. – De Heilig-Graforde in de Nedergerm. prov., in BCRH, CXXXI,
1965, nr. 32, 356, 360, speciaal 358-359.
woensdag 14 oktober 2020
Roepingen / vocations Light of Love - "This is the life for me!
woensdag 8 januari 2020
Geschiedenis van ons klooster - vogelvlucht Blijven bidden - in uitvoering!
Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.
Tussen 1058 en 1131 moet het klooster zijn omgezet in een collegiaal kapittel. De proost van dit kapittel, die er overigens niet resideerde, werd door de bisschop van Utrecht benoemd uit de kanunniken van de Utrechtse Dom. De omzetting maakte om liturgische redenen verbouwing van de kerk noodzakelijk. Vanaf de 11e eeuw werd de huidige romaanse kerk gebouwd. Het nieuwe veelhoekige priesterkoor, dat thans nog bestaat, dateert van omstreeks 1200.
- In 1360 of 1361 verzochten de kanunniken aan de bisschop van Luik toestemming het kapittel naar Roermond te verplaatsen. Het bestuur van de stad had de H. Geestkapel als vestigingsplaats aangeboden. Achtergrond van het verzoek waren de woelingen waar het Gelderse Over-kwartier zeer van te lijden had. Men verkreeg de vereiste toestemming, ook van de bisschop van Utrecht, die het recht behield de proost te benoemen. In 1361 werd het kapittel in Roermond gevestigd.
In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwen-klooster op te richten”.
In 1436-1437 kwam de proosdij Denkendorf in Württemberg, die behoorde tot de Orde van het Heilig Graf, in bezit van de Petruskerk. Het H. Geestkapittel van Roermond schonk de kerk aan de proosdij op voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen zou worden gesticht.
Een eerste poging tot stichting van een kanunnikessen-klooster van het Heilig Graf in de Nederlanden op de kerkberg in Sint Odilienberg in 1443 bleek onvoldoende levensvatbaar en hield desondanks ca 20 jaar stand.
In 1465 kreeg de uit Beek bij Bree (B) afkomstige sepulcrijn (sepulcrum = graf) Jan van Abroek toestemming van het H. Geestkapittel op de heuvel een klooster van kanunniken van het Heilig Graf op te richten. Twee jaar later werd hij priester gewijd en in 1471 werd hij prior van de nieuwe stichting. Pas in 1478 werd de priorij definitief opgenomen in de Orde van het Heilig Graf. In de jaren daarna vond een restauratie van de sterk vervallen kerk en kloostergebouwen plaats.
Jan van Abroek ondernam een tweede poging om een zelfstandig Kanunnikessen-klooster te stichten dat wel wel levensvatbaar bleek. In Sint Odiliënberg legde de priester-kanunnik Jan van Abroek, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwen-kloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.
Het vicariaat van de parochie Sint Odiliënberg werd in 1482 door het kapittel van de H. Geest aan het klooster overgedragen. Sedertdien bedienden de kanunniken ook de parochiekerk.
- In 1485 werd Jan van Abroek benoemd tot provinciaal van het Orde van het Heilig Graf in Neder-Germanië. Een jaar later werd deze benoeming door de paus bekrachtigd. Sint Odiliënberg werd daardoor het centrum van deze provincie. Sedertdien kwam hier jaarlijks het provinciaal kapittel van de orde bijeen. Verschillende vrouwen- en mannenkloosters zijn in de jaren daarna van hieruit gesticht. Jan van Abroek overleed in 1510 en werd als prior en provinciaal opgevolgd door Hiëronymus van Brogel (1510-1540).
Tengevolge van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) en alle daarmee samenhangende implicaties hield de priorij te Sint-Odiliënberg in 1639 definitief op te bestaan. Het Bisdom Roermond nam hetgeen restte van de gebouwen inclusief schulden en lasten over en benoemde voortaan diocesane priesters tot pastoor van de kerk.
Ten tijde van de contrareformatie bloeiden kerk en parochie op en werd het oude Petruspatrocinium bij de restauratie van de kerk in 1686 vervangen door dat van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus.
In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904), die zijn pastorie boven op de kerkberg ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H.Grafklooster van het Belgische Bilzen.
In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/1966 was het H. Grafklooster van Sint Odilienberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster in 1966 opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.
Als naam voor de nieuwe zelfstandige priorij werd gekozen voor Priorij Thabor, verwijzend naar en geïdentificeerd met de berg waar Christus vóór zijn lijden voor de ogen van zijn Apostelen van Gedaante veranderde.
De naam wortelt sterk in de plaatselijke traditie: 12e eeuwse zandstenen reliefs van de Thabor-apostelen op de kerkberg in 1879 opgegraven getuigen van de vroege associatie van de solitair gelegen kerkberg langs de Roer met de Berg van de Gedaanteverandering in het Heilige Land.
Tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg
woensdag 9 januari 2019
In lumine tuo videbimus lumen - kleine kloostergeschiedenis
Van uur tot uur, van dag tot dag, van jaar tot jaar en zelfs van eeuw tot eeuw wordt in grote trouw in de priorij Thabor door de zusters Kanunnikessen van het Heilig Graf van de priorij Thabor de liturgie van R.K. Kerk in het Latijn levend bewaard als bron en hoogtepunt van alle christelijk leven. Het devies van het klooster: "In lumine tuo videbimus lumen" is ontleend aan psalm 36, 9-10: "(want bij U is de bron van het leven), in Uw licht aanschouwen wij licht" (Canisiusvertaling).
Zie ook: http://www.priorijthabor.nl/.
Uit de kloostergeschiedenis:
Sint Odilienberg werd in de 8e eeuw door een van de Frankische Pippijnen, het voorgeslacht van Karel de Grote (768-814) geschonken aan de Angelsaksische, later heilig verklaarde, monniken Wiro, Plechelmus en Otger als thuisbasis voor hun missioneringswerk in de streken tussen Maas en Rijn. Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.
In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwenklooster op te richten”. Hier legde de priester-kanunnik Jan van Abroeck, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwenkloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.
In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht en tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg aan de Roer in een klooster, dat de naam Priorij Thabor draagt.
De Orde der Reguliere Kanunnikessen van het H. Graf onderscheidt zich door haar grote betrokkenheid bij het H. Graf des Heren in de Verrijzenisbasiliek te Jeruzalem, waarmee zij zich door historische en spirituele banden nauw verbonden weet. De kanunnikessen zijn namelijk de geestelijke erfgenamen van het Latijnse Kanunniken-Kapittel dat in 1099, na de inneming van Jeruzalem door Godfried van Bouillon ten tijde van de Eerste Kruistocht, de bediening van de H. Grafkerk kreeg toegewezen om er de liturgische plechtigheden te verzorgen: de H. Eucharistie te vieren en als bijzondere opdracht de Getijden te zingen volgens de Latijnse ritus. Dit kapittel nam in 1114, onder invloed van de kerkelijke hernieuwingsbeweging, bekend als Gregoriaanse hervorming, de Regel van de H. Augustinus aan, om voortaan als kloostergemeenschap in gemeenschap van goederen te gaan leven. Zij stippelden hun leefregel verder uit volgens eigen Constituties. In 1122 werd de Sepulcrijnerorde door Paus Callixtus II erkend als Orde van de Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf te Jeruzalem. De kanunniken herstelden de bouwvallige kerk van het H Graf en droegen zorg voor het bewaren van de H. Plaatsen in het H. Land. Ook onderrichtten zij kinderen in godsdienstige en liturgische gebruiken, namen pelgrims op, stonden de armen bij en onderwezen hen in de waarheden van het geloof.
De oude spiritualiteit van het H. Graf is in Sint Odiliënberg levend gebleven tot op de dag van vandaag. Door de dagelijkse viering van de kerkelijke Getijden (lauden, lezingendienst, terts, sext, noon, vespers en completen) beantwoorden de kanunnikessen aan het eerste doel van hun Orde: God loven voor de weldaad van de verlossing en de glorie van de Verrijzenis van de Heer bezingen. Door dit kloosterideaal worden het apostolisch leven, de activiteiten en de dienst aan de medemens gedragen.
woensdag 3 augustus 2016
Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 2
zaterdag 22 november 2014
Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 3
In de inleiding voor de catalogus van de allereerste expositie in het Heemkundemuseum 1967 schreef ze bescheiden maar met de filosofisch-theologische bevlogenheid die haar eigen is waarom zij de heemkunde zo hoog schat: “Elke prehistorische vondst is de stille getuige van het mysterie ‘mens’ in lang vervlogen tijden. … Ze vertellen ons van de moeizame, maar heerlijke tocht van de mensheid naar haar Voltooiing”. … Moge deze Expositie de grote menselijke rijkdom van de streek helpen beseffen en tevens een steeds groeiende solidariteit bewerken, die tijd en ruimte overkoepelt”.
Wat zij voor de Orde van het H. Graf betekend heeft, kan een buitenstaander moeilijk beschrijven. Het gaat daarbij immers niet alleen om bronnen, getuigenissen en om informatie. Een religieuze Orde is zelf een inspiratiebron vanwaaruit naar binnen en buiten toe leven bevestigd wordt en nieuw leven kan ontspruiten. Het is niet de weg van de natuur zelf, maar bovennatuur en menselijke cultuur die ‘geesteskinderen’ voortbrengt waaruit ieder die dat wil verder kan putten. Moeder Matthea besefte dat ten diepste, en sprak daarover later ook in haar geestelijk testament dat ze haar medezusters naliet. Enkele citaten werden bij haar uitvaart voorgelezen. Zij schreef, dat ze dankbaar was voor de “vorming en spiritualiteit” die ze ontvangen had van de Orde van het H. Graf, met name in Turnhout. Diezelfde vorming en spiritualiteit wilde ze ook doorgeven aan allen om haar heen en naar de toekomst. Allereerst binnen de orde en haar medezusters. Maar ook aan allen die in aanraking zouden komen met de Thabor en de Basiliek. Zij wilde immers haar roeping volgen en o.a. “een steeds groeiende solidariteit bewerken” onder mensen, een solidariteit, een toegroeien naar elkaar, die tijd en ruimte zou overstijgen. Historie en toekomst horen bij elkaar in het nu.
uit: Gerard Sars, Jaarboek Roerstreek 2014, p. 7-13
vrijdag 21 november 2014
Preek Dr. L.J.M. Hendriks pr. bij onze Conventsmis vanmorgen bij de hernieuwing van de kloostergeloften
Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 2
woensdag 19 november 2014
Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 1
Haar komst naar de Roerstreek was om na het plotselinge overlijden van Moeder Victoire op 15 april 1963 de levensvatbaarheid van het kleine kanunnikessenklooster aan de kerkberg te bezien. Met historica en medezuster Hereswitha was zij ervan overtuigd dat het klooster weliswaar bescheiden oogde maar een grootse geschiedenis met zich meedroeg. Samen gingen ze de geschiedenis van hun geestelijke voorouders na, die op dezelfde Roerheuvel op Romeinse fundamenten een eerste christelijke nederzetting stichtten in de achtste eeuw. De inspirerende verkondiging vanuit deze streken tot in Noord-Nederland en Münsterland, de wijkplaats voor de Utrechtse bisschoppen voor de
Noormannen en het kapittel dat in 1361 vanuit ‘Mons Petri’ naar Roermond verhuisde, gaven deze plaats een eerste kerkelijke waardigheid, waarvan voor velen een aantrekkingskracht is blijven uitgaan.
Een tweede spoor was het ontstaan van de Orde van het Heilig Graf te Jeruzalem in 1099, die zich snel over Noord- en West-Europa verspreidde en in de 15de eeuw in het bezit kwam van de kerk en berg te Sint Odiliënberg. Bleek het eerste vrouwenklooster (1444-1460) onvoldoende levensvatbaar, in 1480 werden alsnog drie H. Grafzusters geprofest en drie postulanten ingekleed. Dankzij de bezielende leiding van Jan van Abroek stond dit schamele groepje aan de wieg van alle vrouwenkloosters van deze orde in West-Europa. “Ging na de Franse Revolutie die [mannelijke] tak ten onder, de vrouwelijke tak zou in de 19de en 20ste eeuw in de Nederlanden aan de Orde een nieuwe bloei verzekeren”, schrijft zuster Hereswitha.
In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904) die zijn pastorie boven op de kerkberg
ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H. Grafklooster van het Belgische Bilzen. In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/66 was het H. Grafklooster van Sint Odiliënberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.
uit: Gerard Sars, Jaarboek Roerstreek 2014, p. 7-13









