Posts tonen met het label kloostergeschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kloostergeschiedenis. Alle posts tonen

donderdag 7 oktober 2021

Jan van Abroek - onze stichter. Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 1

Een opstel uit 1931 van zuster M. Henrica Fieten CRSS (Turnhout)

Jan van Abroek en zijn werk

Jan van Abroek, is de stichter van de kanunnikessen-kloosters van het H. Graf; we noemen hem zelfs eerbiedwaardig en beschouwen hem, omwille van zijn werk, als een grote persoonlijkheid.
Zijn naam ‘van Abroek’ wijst op de geboorteplaats en zegt ons meer dan het dorpje Beek, bij Bree in de Limburgse Kempen, dat gewoonlijk als zijn geboorteplaats wordt opgegeven in de historische documenten over de Orde.
Jan van Abroek werd geboren rond 1440, ontving het lager onderwijs in de school van Bree deed zijn humaniora in het beroemde Fratershuis te ’s Hertogenbosch en volgde de leergangen van filosofie en theologie aan de universiteit van Keulen. In de 15e eeuw bestonden er immers nog geen seminaries en moesten degenen die zich voorbereidden op het priesterschap bovengenoemde studies volgen aan de hogescholen van Leuven of elders. Volgens een overlevering in de Orde bewaard, studeerde Jan van Abroek te Keulen.
Op zekere dag van het jaar 1465, na zijn studies te hebben voltooid en zijn zuster Clementia in het klooster te Roermond bezocht te hebben, bracht hij ook een bezoek aan St. Odiliënberg, en zag daar de prachtige kerk, met kloosterpanden, vervallen en verlaten. In een oude kronijk lezen we hoe de vrome student zeer getroffen was toen hij het Huis Gods “ijdel en ledig” vond. Deuren en vensters waren weggedragen of gesloten. Het vee zocht een schuilplaats in de kloosterpanden; vogels van allerlei soort nestelden in de hoeken en spleten, zodat het “ser te jammeren was ofte beklagen”.
Onder aandrang van de genade besloot Jan van Abroek een einde te maken aan deze toestand, de gebouwen tot Gods eer te herstellen en er zo mogelijk kloosterlingen te doen komen, die opnieuw de eredienst zouden waarnemen, de parochie bedienen, en verder de gehele streek in de geest der eerste missionarissen, nl. de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus opleiden tot een hogere beschaving en verdieping van het christelijk leven.
Om zijn plan, of liever Gods plan, te kunnen uitwerken, moest Jan van Abroek op verdere inlichtingen uit. Hij vernam van het Kapittel van Roermond dat volgens een oude schikking, de kerk en het klooster van St. Odiliënberg behoorden aan het klooster van het H. Graf te Denckendorf, in het bidsom Constanz, daar gesticht  door kanunniken van het H. Graf te Jeruzalem rond de jaren 1130-1140. Volgens de schikking moest het verlaten klooster dienen voor de stichting van een klooster van het H. Graf.
Na zijn bezoek in Roermond besloot Jan van Abroek tot intrede in de Orde van het H. Graf. Zijn opleiding zocht hij in het klooster “Henegouw” onder Wimmertingen bij Hasselt, dat eveneens onder Denckendorf stond. Na zijn noviciaat en priesterwijding keerde hij, vergezeld van een medebroeder, naar St. Odiliënberg terug, en begon moedig  en vertrouwvol met het herstel der gebouwen en de inrichting van het klooster. Zij leefden er “in duchtden enden in goeden discipline”. Nieuwe leden boden zich aan, ook kregen zij giften en hulp voor de herstelling van de kerk en klooster, en zo ontstond in het jaar 1467 te St. Odiliënberg die merkwaardige priorij welke nieuw leven zou brengen in de oude Orde, en wier geest vooral zou opbloeien in een nieuwe twijg: de vrouwelijk tak der Sepulcrienen.
Jan van Abroek als hersteller van het oude, vervallen klooster was de eerste prior te St. Odiliënberg. “De godsdienst werd er eerlich gedaan”. De getijden dag en nacht gezongen of gelezen volgens de regels der orde. Een eerste bloei was er te bespeuren in het geestelijke en het tijdelijke. De jonge prior zorgde ervoor dat de leken die hij aannam tot het priesterschap werden verheven.


 J.A. van der Drift, Kerk van Sint Odiliënberg, 1858.
Bij de restauratie onder pastoor Willem van Basel 1680-1686 kon slechts één van
 de twee torens heropgebouwd worden.
De ijver van de vurige prior bepaalde zich echter niet tot het klooster van St. Odiliënberg alleen. Met de goedkeuring van paus Innocentius VIII en na de verheffing tot vicaris-generaal en later tot aartsprior en algemeen overste van de Orde van het H. Graf in de Nederlanden, zou hij als hervormer optreden, en nieuw leven brengen in de volgende stichtingen vanuit Jeruzalem:
Henegouw bij Hasselt, Culemborg (Utrecht) 1492, Bierbeek bij Leuven, Oetsloven bij Looz (België) en Aken. Aangespoord door de pauselijke volmacht sticht hij de kanunnikenkloosters van Kinrooi (B) in 1474, La Xhavée bij Luik in 1486, Udhem bij Kleef (Dld) 1501, Hoogcruts onder Slenaken in 1495, Venlo (Trancedron) in 1497, Kirchain (Dld) 1502 en Arnemuiden (Zuid-Beveland) 1509.


 Handtekening: Frater Jo Aabrock humilis prior monte Sancte Odilie
Over het algemeen hadden deze kanunnikenkloosters weinig voorspoed. De 16e, q7e en 18e eeuw waren tijden van strooptochten en oorlogen. De kloosters  in Zuid-Holland en Zeeland gingen verloren in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Hoogcruts werd door de hertog van Parma in brand gestoken, het klooster van Sint Odiliënberg werd geplunderd en half in de as gelegd, de laatste prior gevangen genomen. Zodat het op het einde der 18e eeuw jammerlijk genoeg, voorgoed gedaan was met de mannelijke tak van de Orde.
Niettegenstaande verdrukking en vervolging werkten sommige der nieuwe stichtingen, en vooral het klooster van Hoogcruts allerprachtigst. Dit klooster kon bogen op een [Latijnse] kostschool van eerste rang; en van de kanunniken zelf werden er sommigen naar de Hogeschool van Leuven gezonden om academische graden te verwerven. Ongelukkig werd het door de Franse overheersing afgeschaft en verkocht in het jaar 1797.
(Bovenstaand artikel enigszins aangepast)
Het voormalige kanunnikenklooster Hoogruts is recent gerestaureerd door de inspanningen van restauratie-architect Karl Pesch-Konopka (Stadsherstel  en Stichting Het Limburgse Landschap. Zie de link Hoogcruts en klik op de foto’s. Of kijk onder Karl Pesch, Ruine Hoogcruts enz. Wordt vriend of ambassadeur van Hoogcruts!


donderdag 1 juli 2021

Voor de historische spoorzoekers onder U - Wat we weten over Clementia van Abroek en enkele vragen over haar waarop we graag het antwoord zouden weten. Veel dank!

 


CLEMENTIA VAN ABROEK op het spoor
Zuster van Jan van Abroek (ca 1440 - 1510 te Hoogcruts), hervormer van de Heilig-Graforde in Neder-Germanië en stichter van de vrouwenkloosters van het Heilig-Graf in West-Europa

__________________________________________________________________________________


à Geboren vóór of in de 2de helft XVe eeuw, ws te Beek bij Bree (B) 

Hoe was het leven daar in die tijd? Is haar doop aangetekend in de boeken? Welke priesters bedreven daar in dit tijd de zielzorg? Waar ging zij op school?

à Vóór 1480 ingetreden in klooster broodboomgaard Roermond

Waarom koos zij vanuit Beek juist voor dit klooster? Zijn de archieven van dat klooster bewaard. Hoe was het leven daar?

à 1480 Vorming in Sint-Odiliënberg

à 1480 Kinrooi Waar zijn de archieven van het klooster?


à 1490 Mater (overste) in Gartzen Sint-Antonii (vanaf hier is Clementia van Abroek niet meer te traceren) Wat gebeurde er met Clementia? Waar zijn de archieven van het klooster?

à 1507 Convent Gartzen naar Henegouw Is Clementia hier geweest? Waar zijn de archieven van het klooster?

à 1507 Convent Gartzen (Henegouw) sluit aan bij Ste Elisabeth des Bons Enfants te Luik  Is Clementia hier geweest? Waar zijn de archieven van het klooster?

 Zr. M. HERESWITHA, De priorij van de Reguliere Kanunniken ven het Heilig Graf te Sint-Odiliënberg (1467-1639), Overdruk uit: Augustiniana, XXI, 1971, blz. 267-320, 725-769. B-3030, Heverlee-Leuven.

p. [18] (284)
(…)
Van Abroeks opzet was: ook een vrouwelijke tak van de Orde te vestigen in de Nederlanden, en hij bestemde de gebouwen te Kinrooi (door Kanunniken van het Heilig Graf recent verlaten) als klooster voor Kanunnikessen van het Heilig Graf.
(…)
De eerste kandidate voor zijn onderneming te Kinrooi vond van Abroek in het Roermonds klooster “Den Bongart” nl. bij de faliezusters – ziekenverpleegsters van de regel van Sint Augustinus (4).

(4) Klooster Godsboomgaard of Broodboomgaard, gelegen in de Schoolstraat; ziekenverzorging. Ca. 1425 namen twee meisjes de regel van Sint Augustinus aan, onder de leiding van de Kruisheren. In 1462 door de stadsmagistraat erkend, op voorwaarde niet meer dan zeven zusters te aanvaarden men noemde ze broet-, zwart-, celle-, falie- (=gewijlde) zusters. J. HABETS, Geschiedenis van het tegenwoordig Bisdom Roermond en van de bisdommen die het in deze gewesten zijn vooraf gegaan, 3 dln., Roermond 1892, dl. III, 685. –Z.M. HERESWITHA, De Vrouwenklooster,… 25, tekst en vn.2. – In 1605 was er slechts één zuster nog in leven. J.B. SIVRÉ, Inventaris van het oud archief der gemeente Roermond in BVGR, (Bijdragen tot het Verslag van de toestand der Gemeente (Roermond), Roermond.) II 1871-1873, 1605, aug. – sept., 276-279.

Het waren Zuster Clementia van Abroek, zuster van de prior van Odiliënberg, Zuster Catherina van Bruggen en Zuster Catharina van Wert. Met toestemming van hun overste trokken deze drie geprofeste faliezusters naar Odiliënberg, waar ze hoogstwaarschijnlijk hun intrek namen in het gasthuis voor vrouwen. Het zou hun dienen tot noviciaatshuis (5).

                (5) Over de ligging van dit gasthuis voor vrouwen.

Bij de eerste drie kandidaten voegden zich nog drie andere postulanten. De zes toekomstige Sepulcrinessen volgenden in het bruikbare gedeelte van de Sint-Petruskerk, de conventsmis en de uren van het goddelijk officie. Ze hadden een dagregeling analoog aan die der kanunniken. Op zondag 8 oktober 1480 legden de drie eerstgenoemden hun kloostergeloften af voor prior Jan van Abroek. Als vertegenwoordiger der Orde, en werden de drie anderen ingekleed (6).

                (6) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 23-25.

Op maandag 9 oktober reisde het zestal per huifkar naar Kinrooi, en ging wonen in het voormalige kanunnikenklooster “O.L. Vrouw van Jeruzalem. Daarmee was de oprichting van het eerste Heilig-Grafs Vrouwenklooster in de Nederlanden voltrokken (7).

(7) Ibid., 22, 25, 27.

(…)
p. [21] (287)
(…)

Reeds in 1486 trad van Abroek [als provinciaal] op om tegemoet te komen aan het verlangen der inwoners van Nieuwstad bij Sittard. Hij bereikte daartoe eerst een akkoord met Jan van Horn, bisschop van Luik (1482-1505), en met Willem van Vlodrop, erfvoogd van Roermond, begever van het Sint-Sebastiaansaltaar in de Sint-Jan Baptistkerk te Nieuwstad en weldoener van de priorij te Odiliënberg. Hij zond vier of vijf zusters uit Kinrooi naar Nieuwstad (16).

(16) Willem van Vlodrop, Leuth en Dalenbroek, en zijn echtgenote Alfrida van Herff schenken het klooster Sint-Odiliënberg op 3 okt. 1488, een vierde deel van het hof In Gen Ouwen (leengoed), gelegen in het Kerspel van Sint-Odiliënberg. Codex dipl. Berg., in: PSHAL, nr. 75, 205, 207. Willem van Vlodrop erfvoogd van Roermond en Cecilia van Hamel verkopen dan eveneens een vierde deel van dat hof in Gen Ouwen aan hetzelfde klooster. Ibid., nr. 76, 207-209. – Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 37.

onder wie Catharina van Wert als “mater”. Tot geestelijke vader van het nieuw opgerichte vrouwenklooster benoemde hij een zekere Petrus, ordekanunnik te Sint-Odiliënberg (17).

                (17) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 37-38.

(…)
p. [23] (289)
(…)
Omstreeks dezelfde tijd (1486) ook vroeg Wijnand van Gartzen voor het zusterklooster gelegen op zijn domein naast de Sint-Antoniuskapel in de gemeente Entzen (bij Euskirchen, hertogdom Gulik) aan de provinciaal van Abroek, zusters te zenden en dat klooster tot Heilig-Graf klooster op te richten. Na lange tijd, pas in 1490 namelijk ging van Abroek op dat verzoek in. De zusters van het convent te Gartzen legden dat jaar geloften af als Heilig-Grafkanunnikessen. Vier of vijf zusters vanuit Kinrooi voegden zich bij hun communiteit als overste stelde de provinciaal er aan Clementia van Abroek, en als rector Frank van der Borcht die hij deed overkomen uit Kinrooi (24).

(24) In 1352 was door Emmerich van Gartzen naast de kapel een kloostertje gesticht voor drie zusters . In 1474 wilde Hubert van Gartzen dat kloostertje bestemmen voor monniken. Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 24, 32, 43. – Chronijk der Landen van Overmaas…, in PSHAL, VII, 1870, 172-175.

Heilwych van Sotterbeyck werd te Kinrooi als overste aangesteld. En frater Ludovicus van Bocholt, uit de priorij Odiliënberg als geestelijke vader (25).

                (25) Ibid., 174. - Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 32-34.

(…)
De afpersingen der plunderzieke soldaten en de willekeur van roversbenden maakte het platteland onveilig. Om die reden vestigde zich het convent van Kinrooi, met toestemming van de provinciaal, van de prinsbisschop en van het gemeentebestuur te Maaseik in de Pelsersstraat (1496).

p. [24] (290)
Een kwart eeuw later, in 1520 nl., is dat klooster overgegaan naar het kapittel van Venlo der Congregatie van Windesheim (26).

(26) Ibid., 34, 35. – De aansluiting van het klooster (O.L. Vrouw van Jerusalem) te Kinrooi – Maaseik, bij het kapittel van Venlo, werd door Rome erkend in 1522. Dit kapittel van Venlo, opgericht in 1455-1456, behoorde in feite tot de Congregatie van Windesheim. Id., Reguliere Kanunnikessen, in: Catholica, II kol. 1402. Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 37-42. – Id., De Franciscanessen (1493) en de Sepulcrinessen (1496) in het klooster des Bons Enfants te Luik, in: Franciscana, XXI, 1966, 39-43. – P. HARSIN, La principauté de Liège à la fin du règne de Louis de Bourbon et sous celui de Jean de Hornes, 1477-1505, Luik, 1957, 67-80.

Het klooster van Nieuwstad, leed geweldig onder de open strijd gevoerd met steun van Frankrijk, door Karel van Egmont tegen de Habsburgers en hun bondgenoten: Jan II, hertog van Kleef en Willem IV van Gulik. Daarom zocht de priorin van dat convent, Johanna Schaetz, binnen de stad Luik een veiliger verblijf; het kocht daar met toestemming van de prinsbisschop en van de provinciaal, het huis tot 18 december 1496 bewoond door de Cellebroeders. De Nieuwstadse communiteit betrok het enige dagen nadat de Cellebroeders het hadden verlaten (27).

(27) Vroeger nog Franciscanes zijnde had Johanna Schaetz dit huis gekocht (1493) en bewoond, en had het enkele weken later verkocht aan de Cellebroeders. Op 6 december 1496 stond prinsbisschop Jan van Horn toe aan Jan van Abroek, provinciaal der Nedergermaanse Heilig-Grafprovincie, het kanunnikessenklooster “Bethlehem” over te plaatsen naar het klooster des Bons Enfants te Luik). Het moest een besloten klooster zijn met maximum 25 zusters. De koop werd gesloten op 18 december 1496. Het klooster, gelegen op de huidige “Place des Bons Enfants”, werd toegewijd aan O.L. Vrouw, aan Sint Elisabeth, en allereerst aan het Heilig-Graf van Jeruzalem. Aanvankelijk telde de Luikse communiteit 14 leden. Maar de 15 leden van de kloostergemeente van Gartzen- St.-Antonii, die in 1507 voorlopig een onderkomen hadden gevonden in een leegstaand gedeelte van het Kanunnikenklooster te Henegouw werd nog datzelfde jaar (1507) opgenomen in Ste-Elisabeth des Bons Enfants, al werd het vooraf bepaalde getal toen overschreden.
(Omdat voetnoot 27 ontbrak werd de tekst aangevuld uit Zr. M. HERESWITHA, Inleiding tot de Geschiedenis van het Kloosterwezen in de Nederlanden. A. Orden ontstaan in de Middeleeuwen. II. 1. f. Orde van het Heilig-Graf. Brussel 1975 p. 131-132.

Dat klooster te Luik zou de naam dragen van Ste-Elisabeth des Bons-Enfants.

Te Gartzen werd tengevolge van de eisen van de plaatselijke heer, het leven voor de zusters als kloosterlingen van de Heilig-Graforde. Provinciaal van Abroek liet daarom de zusters naar de priorij Henegouw trekken en er wonen in een leegstaand gedeelte van de gebouwen. De drie of vier kanunniken die de priorij Henegouw nog telde, bleven het ander gedeelte betrekken. Doch toen het er ging om het zusterconvent definitief het goed Henegouw in zijn geheel als verblijf af te staan, rees er een geschil tussen de kanunniken van Henegouw – in 1505 was Goswyn van Bueren er prior – en het zusterconvent dat 13 of 14 leden telde (28).

(28) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 43-44. – Supra, 288, vn. 22. – De communiteit van Gartzen telde 13 of 14 leden. Of de prior een van de drie kanunniken was, is onzeker. Op 12 juli 1506, bij de leenverheffing, word de naam van de prior niet vernoemd, maar wel die van de “mamburnus”: Hermannus Tybst. RAH, Zaal Curingen, verheffingsregisters, Evrard de la Marck, 1506 – 1509, fol. 60. Waarschijnlijk is dat de priorij Henegouw met haar onafhankelijke kapellen te Bierbeek en te Oetsloven in 1485/1486 met Odiliënberg verenigd werd, zoals gebeurde met Sint-Leonhard. Supra, 289, vn. 23. Want het is Jan van Abroek die het klooster van Gartzen naar Henegouw deed verhuizen. Vóór 1506 zijn er minstens twee priors van Henegouw gekend die door van Abroek werden erkend. Maar bij de verkiezing van de nieuwe provinciaal-prior, op 28 oktober 1510, komt op de lijst van de kiesgerechtigden geen prior van Henegouw voor. (De Heilig-Graforde  in de Nedergerm. prov., in BCRH, 1965, 340-341). In december 1514 was er ook geen prior te Henegouw (RAH, Gichten Loons Recht, nr. 174, fol. 210v. 15 dec. 1514). Van 1531 tot 1558 heeft Henegouw een eigen prior. Maar na 1558 is de provinciaal, prior én van Henegouw én van Odiliënberg. Die toestand blijft behouden tot in 1606, jaartal van het verdwijnen van het provincialaat. Zie dl. 2, hfst. 1 tekst en vn. 29-38, in: Vervolg (afl. 3-4). In werkelijkheid was voorzeker door Jan van Abroek in 1506-1507 de priorij Henegouw gegeven aan de zusters van Gartzen. In het verslag van het provinciaal kapittel (gehouden jaarlijks vanaf 1486 tot 1521 (Supra, 287 tekst en vn. 15)) wordt vermeld dat er in Henegouw een onvoldoend getal kanunniken was om er het leven der Orde als zelfstandige priorij te beleven. Er moeten alleszins documenten bestaan hebben waarop de Sepulcrinessen van Ste Elisabeth des Bons Enfants te Luik zich beriepen om hun recht te staven op het bezit van Henegouw. In 1594 deed Rome definitief uitspraak ten gunste van de Bonnefanten van Luik.

De kanunniken kochten voor de zustercommuniteit een huis te Hasselt, maar deze verkoos zich te voegen bij de zusters van Ste Elisabeth des Bons Enfants te Luik, - die waren toen vijftien in getal. Door de vereniging van de twee kloostergemeenschappen overschreed het Luikse klooster het getal van 25 leden dat bij de oprichting als maximum was vastgesteld (29).

(29) Chronijk der Landen van Overmaas…, in: PSHAL, VII, 1870, 182-183, 191. – Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 43-44, 49, 326. – L. VAN ELSRACK, Cort Verhael van het clooster tot Henegauwe, in: L’ancien Pays de Looz, VI, 1902, nr. 1, 4-9.

Bij de overgang van het klooster Kinrooi-Maaseik tot de Windesheimer Congregatie in 1520, bleef de priorij Ste Elisabeth des Bons Enfants – vanwaar de naam Bonnefanten aan de Sepulcrinessen in het Luikse gegeven – dus alleen over. Het werd het stamklooster van al de Heilig-Grafse vrouwenkloosters die na die datum werden gesticht. Door het opnemen van de communiteit van Gartzen, die tijdelijk te Henegouw woonde, bekwam het klooster “Ste Elisabeth des Bons Enfants” recht op de priorij Henegouw. Het verwierf het domein ervan in 1594 en nam de gebouwen als verblijf in gebruik na 1606 (30).

(30) Zr. M. HERESWITHA, De Vrouwenkloosters…, 47; Aanhangsel XIII, 421- 422. – De Heilig-Graforde  in de Nedergerm. prov., in BCRH, CXXXI, 1965, nr. 32, 356, 360, speciaal 358-359.

woensdag 14 oktober 2020

Roepingen / vocations Light of Love - "This is the life for me!

]

Vraag je je ook wel eens af of het klooster iets voor jou zo kunnen zijn of wil je meer weten over onze manier van leven, neem dan eens contact op via contact@kerkberg.nl of spreek in op de voicemail van 06 58 77 07 45. Wij bellen je dan graag terug doorgaans tussen 19 en 20u!

woensdag 8 januari 2020

Geschiedenis van ons klooster - vogelvlucht Blijven bidden - in uitvoering!

Sint-Odilienberg - toen Mons Sancti Petri geheten - werd in de 8e eeuw door een van de Frankische Pippijnen, het voorgeslacht van Karel de Grote (768-814) geschonken aan drie Angelsaksische monniken, de HH. Wiro, Plechelmus en Otger als thuisbasis voor hun missioneringswerk in de streken tussen Maas en Rijn.

Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.

Tussen 1058 en 1131 moet het klooster zijn omgezet in een collegiaal kapittel. De proost van dit kapittel, die er overigens niet resideerde, werd door de bisschop van Utrecht benoemd uit de kanunniken van de Utrechtse Dom. De omzetting maakte om liturgische redenen verbouwing  van de kerk noodzakelijk. Vanaf de 11e eeuw werd de huidige romaanse kerk gebouwd. Het nieuwe veelhoekige priesterkoor, dat thans nog bestaat, dateert van omstreeks 1200.

- In 1360 of 1361 verzochten de kanunniken aan de bisschop van Luik toestemming het kapittel naar Roermond te verplaatsen. Het bestuur van de stad had de H. Geestkapel als vestigingsplaats aangeboden. Achtergrond van het verzoek waren de woelingen waar het Gelderse Over-kwartier zeer van te lijden had. Men verkreeg de vereiste toestemming, ook van de bisschop van Utrecht, die het recht behield de proost te benoemen. In 1361 werd het kapittel in Roermond gevestigd.

In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwen-klooster op te richten”.

In 1436-1437 kwam de proosdij Denkendorf in Württemberg, die behoorde tot de Orde van het Heilig Graf, in bezit van de Petruskerk. Het H. Geestkapittel van Roermond schonk de kerk aan de proosdij op voorwaarde dat er een klooster van reguliere sepulcrinessen zou worden gesticht.

Een eerste poging tot stichting van een kanunnikessen-klooster van het Heilig Graf in de Nederlanden op de kerkberg in Sint Odilienberg in 1443 bleek onvoldoende levensvatbaar en hield desondanks ca 20 jaar stand.

In 1465 kreeg de uit Beek bij Bree (B) afkomstige sepulcrijn (sepulcrum = graf) Jan van Abroek toestemming van het H. Geestkapittel op de heuvel een klooster van kanunniken van het Heilig Graf op te richten. Twee jaar later werd hij priester gewijd en in 1471 werd hij prior van de nieuwe stichting. Pas in 1478 werd de priorij definitief opgenomen in de Orde van het Heilig Graf. In de jaren daarna vond een restauratie van de sterk vervallen kerk en kloostergebouwen plaats.

Jan van Abroek ondernam een tweede poging om een zelfstandig Kanunnikessen-klooster te stichten dat wel wel levensvatbaar bleek. In Sint Odiliënberg legde de priester-kanunnik Jan van Abroek, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwen-kloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.

Het vicariaat van de parochie Sint Odiliënberg werd in 1482 door het kapittel van de H. Geest aan het klooster overgedragen. Sedertdien bedienden de kanunniken ook de parochiekerk.
- In 1485 werd Jan van Abroek benoemd tot provinciaal van het Orde van het Heilig Graf in Neder-Germanië. Een jaar later werd deze benoeming door de paus bekrachtigd. Sint Odiliënberg werd daardoor het centrum van deze provincie. Sedertdien kwam hier jaarlijks het provinciaal kapittel van de orde bijeen. Verschillende vrouwen- en mannenkloosters zijn in de jaren daarna van hieruit gesticht. Jan van Abroek overleed in 1510 en werd als prior en provinciaal opgevolgd door Hiëronymus van Brogel (1510-1540).

Tengevolge van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) en alle daarmee samenhangende implicaties hield de priorij te Sint-Odiliënberg in 1639 definitief op te bestaan. Het Bisdom Roermond nam hetgeen restte van de gebouwen inclusief schulden en lasten over en benoemde voortaan diocesane priesters tot pastoor van de kerk.

Ten tijde van de contrareformatie bloeiden kerk en parochie  op en werd het oude Petruspatrocinium bij de restauratie van de kerk in 1686 vervangen door dat van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus.

In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904), die zijn pastorie boven op de kerkberg ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H.Grafklooster van het Belgische Bilzen.

In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/1966 was het H. Grafklooster van Sint Odilienberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster in 1966 opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.

Als naam voor de nieuwe zelfstandige priorij werd gekozen voor Priorij Thabor, verwijzend naar en geïdentificeerd met de berg waar Christus vóór zijn lijden voor de ogen van zijn Apostelen van Gedaante veranderde.

De naam wortelt sterk in de plaatselijke traditie: 12e eeuwse zandstenen reliefs van de Thabor-apostelen op de kerkberg in 1879 opgegraven getuigen van de vroege associatie van de solitair gelegen kerkberg langs de Roer met de Berg van de Gedaanteverandering in het Heilige Land.

Tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg

woensdag 9 januari 2019

In lumine tuo videbimus lumen - kleine kloostergeschiedenis


Van uur tot uur, van dag tot dag, van jaar tot jaar en zelfs van eeuw tot eeuw wordt in grote trouw in de priorij Thabor door de zusters Kanunnikessen van het Heilig Graf van de priorij Thabor de liturgie van R.K. Kerk in het Latijn levend bewaard als bron en hoogtepunt van alle christelijk leven. Het devies van het klooster: "In lumine tuo videbimus lumen" is ontleend aan psalm 36, 9-10: "(want bij U is de bron van het leven), in Uw licht aanschouwen wij licht" (Canisiusvertaling).

Zie ook: http://www.priorijthabor.nl/.

Uit de kloostergeschiedenis:
Sint Odilienberg werd in de 8e eeuw door een van de Frankische Pippijnen, het voorgeslacht van Karel de Grote (768-814) geschonken aan de Angelsaksische, later heilig verklaarde, monniken Wiro, Plechelmus en Otger als thuisbasis voor hun missioneringswerk in de streken tussen Maas en Rijn. Hier vond ook in de 9e eeuw de bisschop van Utrecht met zijn kanunnikenkapittel een veilig oord op de vlucht voor de Noormannen.

In de 15e eeuw werd deze Berg aan de Kanonikale Orde van het H. Graf geschonken “om er een regulier vrouwenklooster op te richten”. Hier legde de priester-kanunnik Jan van Abroeck, die zich wars van alle comfort en wereldse praal met hart en ziel inzette voor de idealen van de Orde van het H. Graf, de basis voor de vrouwenkloosters van het H. Graf die zich in de komende eeuwen over West-Europa zouden verspreiden. Zijn leuze was: Gods wil en eer.

In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht en tot op heden woont en leeft een kleine communiteit van kanunnikessen van de Orde van het H. Graf op de kerkberg aan de Roer in een klooster, dat de naam Priorij Thabor draagt.

De Orde der Reguliere Kanunnikessen van het H. Graf onderscheidt zich door haar grote betrokkenheid bij het H. Graf des Heren in de Verrijzenisbasiliek te Jeruzalem, waarmee zij zich door historische en spirituele banden nauw verbonden weet. De kanunnikessen zijn namelijk de geestelijke erfgenamen van het Latijnse Kanunniken-Kapittel dat in 1099, na de inneming van Jeruzalem door Godfried van Bouillon ten tijde van de Eerste Kruistocht, de bediening van de H. Grafkerk kreeg toegewezen om er de liturgische plechtigheden te verzorgen: de H. Eucharistie te vieren en als bijzondere opdracht de Getijden te zingen volgens de Latijnse ritus. Dit kapittel nam in 1114, onder invloed van de kerkelijke hernieuwingsbeweging, bekend als Gregoriaanse hervorming, de Regel van de H. Augustinus aan, om voortaan als kloostergemeenschap in gemeenschap van goederen te gaan leven. Zij stippelden hun leefregel verder uit volgens eigen Constituties. In 1122 werd de Sepulcrijnerorde door Paus Callixtus II erkend als Orde van de Reguliere Kanunniken van het Heilig Graf te Jeruzalem. De kanunniken herstelden de bouwvallige kerk van het H Graf en droegen zorg voor het bewaren van de H. Plaatsen in het H. Land. Ook onderrichtten zij kinderen in godsdienstige en liturgische gebruiken, namen pelgrims op, stonden de armen bij en onderwezen hen in de waarheden van het geloof.

De oude spiritualiteit van het H. Graf is in Sint Odiliënberg levend gebleven tot op de dag van vandaag. Door de dagelijkse viering van de kerkelijke Getijden (lauden, lezingendienst, terts, sext, noon, vespers en completen) beantwoorden de kanunnikessen aan het eerste doel van hun Orde: God loven voor de weldaad van de verlossing en de glorie van de Verrijzenis van de Heer bezingen. Door dit kloosterideaal worden het apostolisch leven, de activiteiten en de dienst aan de medemens gedragen.

woensdag 3 augustus 2016

Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 2


Een opstel uit 1931 van zuster M. Henrica Fieten CRSS (Turnhout)
Het vorige artikeltje stelde dat het in 1797, dus bij de Franse Omwenteling, voor goed gedaan was met de mannelijke tak der Orde van het H. Graf. We wisten toen niet dat er een brief van onze zusters uit Saragossa (Spanje) op weg was die ons meldde dat de Collegiale Kerk van Calatayud tegenwoordig nog bediend wordt door kanunniken van de Orde van het H. Graf, want, schreef de zuster heel naïef: «Wij maken voor hen nog ieder jaar heel zusterlijk de dubbele rood zijden kruisen».


Dit nieuws was ons natuurlijk een blijde verassing. Over die kanunniken kunnen we dan het volgende mededelen. Door het concordaat van 1851 tussen Paus Pius IX en Koningin Isabella II werden deze reguliere kanunniken, die als dusdanig in gemeenschap leefden in hun klooster van Calatayud, niet meer in Spanje geduld (zoals nu de Paters (Jezuïeten). We zien dan ook dit kanunnikenklooster opgeheven in 1852.

San Sepulcro, Calatayud
Bij breve van Paus Leo XIII worden ze weer hersteld in 1901, onder de titel van «Canonici Sancti Sepulchri ad honorem». Zij bedienen weer de kerk van Calatayud dragen titel en het habijt der Orde en genieten van alle voorrechten, doch hebben niet de lasten ervan, n.l. die verbonden zijn aan een leven in gemeenschap. Van een kanunnikenklooster der Orde kan er dus toch feitelijk geen sprake zijn.

Muurfresco Santa Maria de Tobed
Gaan we nu ook even in de geest naar ons zusterklooster te Saragossa. Zoals de meeste kloosterlingen in Spanje hebben ook onze zusters angstvolle dagen gekend dit jaar en te lijden gehad van de opstandelingen [Aanloop naar de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939]. Bezorgd over haar lot, bood onze zeer eerw. Moeder Priorin haar bescherming en onderkomen aan in onze kloosters. Na dit zusterlijk aanbod, gedaan in het begin der maand Juli, ontvingen wij op het eind van Augustus bericht. Een brief opgesteld in gebrekkig Frans, waaruit we het volgende aanhalen. We zullen proberen zo letterlijk mogelijk weer te geven. «Mijn zeer lieve eerwaarde Priorin en Medezusters, wij hebben angstvolle dagen doorleefd. Daarom zijn al onze medezusters zeer gevoelig geweest voor uwe goedheid, ons uwe bescherming aan te bieden… U zegt in uw brief dat U nieuws verlangt over onze ongelukkige toestand. Ik zal U zeggen, mijn goede Zusters, dat de 12de Mei om 3 u. ’s morgens de vier deuren van ons klooster in brand zijn gestoken, alsook de deur van de vertrekken van onze dienstboden. Goddank, het is niet verder gegaan, omdat de nachtwaker, de dienstboden en enkele buren, die daags te voren gelezen hadden dat men te Madrid  kloosters in brand had gestoken, de hele nacht waakten. De kwaden, een ogenblik afwezigheid van de bewaker benuttend, staken al de poorten van ons klooster in brand, maar op dit aansteken volgde dadelijk het blussen der goeden.
Daar de burgerlijke gezagvoerders (die allen zeer slecht zijn) ons geen zekerheid gaven van rustig in ons klooster te kunnen blijven, en ook geen bewakers om ons te behoeden, heeft onze prelaat (waarschijnlijk de Bisschop) ons gevraagd, liever uit ons klooster te gaan, dan dat we er door de kwaden zouden moeten uitgaan. Want in Madrid en vele andere plaatsen zijn de arme kloosterlingen moeten vluchten met de massa, zonder te weten waar te schuilen. Het volk zag op sommige plaatsen heel rustig toe hoe men de kloosters verbrandde, in sommige andere drongen de kwaden binnen om al het mogelijke te nemen en deze daarna in brand te steken. Al deze zaken gebeurden en nog veel slechtere, men ontheiligt de afbeeldingen en gewijde versierselen; het stoffelijk overschot van de H. Franciscus Borgia hebben ze verbrand. In sommige kloosters hebben ze de lijken uit de graven gehaald, op sommige andere plaatsen hebben ze deze beledigd en nog veel slechter zaken die ik niet eens zeggen kan – enfin – de grootste woestheid die eens gekend zal zijn (ik heb nooit zo’n zaken gelezen) behalve de vervolgingen in de eerste tijden van het christendom».
Verder vertelt de zuster over de miljoenen schade geleden door de vernieling van kunstwerken, verbranden van kerken en kloosters enz. en zegt nog:
Alle katholieken zijn zeer verontwaardigd over de gedragswijze van de voornaamste gezagvoerders, want ze hebben (met groot verdriet) gezien al wat er gebeurd is, en dit alles is verricht in opdracht van het bestuur; wij bevinden ons in een heel droevige toestand, omdat het bestuur anti-katholiek is. Zij willen een einde maken aan ons Heilig Geloof, maar de goede en machtige God vermag meer dan al de bozen te samen. Hij zal ons helpen, Hij heeft immers gezegd dat de H. Kerk wel vervolgd, maar niet overwonnen zal worden.
Alle dagen zijn er woelingen, enkele opstanden dragen zelfs het karakter van echte gevechten.
Geliefden, bidt veel voor ons, wij hopen dat de goede God ons zal beschermen en dat Hij niet zal toelaten dat we uit zijn huis verdreven worden… enz…
Sedert augustus kregen we geen antwoord meer op ons herhaald schrijven en weten dus niet wat er verder van onze zusters geworden is.
Als naschrift gaf de zuster het volgende: «Ik geloof dat ik een volle aflaat verdiend heb (!) met in het Frans te schrijven, want ik kan er maar weinig van, maar daar ik al mijn medezusters heel hartelijk bemin heb ik mijn uiterste best gedaan, opdat zij begrijpen, wat ze gevraagd hebben. Uw genegen (get.) Zuster Resurrección».
Door een vroeger schrijven werden we ingelicht omtrent de stichting doel en werkzaamheden van dit klooster. Het kwam tot stand in 1276, onder de titel van «Koninklijk Klooster der Dames Commandeurs der Orde van het H. Graf». De stichteres was Markiezin Gil de Rada, dochter van Theobaldo II, koning van Navarra. Het paleis dat zij van haar vader erfde zou tot kloosterhuis dienen voor haar en hare volgelingen uit de adelstand. Zij leefden volgens de regel van de H. Augustinus, leidden een ingetogen en teruggetrokken leven, waren rijk, zegt ons de brief, doch leefden arm en gaven veel aalmoezen. In 1574 deden ze pas kloostergeloften, onderhielden het kloosterslot en stonden onder het gezag van de Prior van Calatayud.

Antieke kapittelzaal, Monasterio de la Resurrección, Zaragoza
Naast haar gebedsleven hielden zij zich bezig met de opvoeding «Des filles des messieurs» (de opvoeding van "kinderen van adellijken bloede")


Gevel del Monasterio de San Sepulcro, Zaragoza, gebouwd op de Romeinse muren van de stad. 

zaterdag 22 november 2014

Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 3

Van alles wat Moeder Matthea heeft nagelaten – maar door haar zelf allerminst gezocht – denk ik dat haar  geestelijke nalatenschap de belangrijkste is. De geestelijke bronnen tijdens haar leven hebben haar geïnspireerd om ook alle hier eerder opgesomde delen van wat nu ‘haar erfenis’ genoemd mag worden tot stand te brengen.

In de inleiding voor de catalogus van de allereerste  expositie in het Heemkundemuseum 1967 schreef ze bescheiden maar met de filosofisch-theologische bevlogenheid die haar eigen is waarom zij de heemkunde zo hoog schat: “Elke prehistorische vondst is de stille getuige van het mysterie ‘mens’ in lang vervlogen tijden. … Ze vertellen ons van de moeizame, maar heerlijke tocht van de mensheid naar haar Voltooiing”. … Moge deze Expositie de grote menselijke rijkdom van de streek helpen beseffen en tevens een steeds groeiende solidariteit bewerken, die tijd en ruimte overkoepelt”.

Wat zij voor de Orde van het H. Graf betekend heeft, kan een buitenstaander moeilijk beschrijven. Het gaat daarbij immers niet alleen om bronnen, getuigenissen en om informatie. Een religieuze Orde is zelf een inspiratiebron vanwaaruit naar binnen en buiten toe leven bevestigd wordt en nieuw leven kan ontspruiten. Het is niet de weg van de natuur zelf, maar bovennatuur en menselijke cultuur die ‘geesteskinderen’ voortbrengt waaruit ieder die dat wil verder kan putten. Moeder Matthea besefte dat ten diepste, en sprak daarover later ook in haar  geestelijk testament dat ze haar medezusters naliet. Enkele citaten werden bij haar uitvaart voorgelezen. Zij schreef, dat ze dankbaar was voor de “vorming en spiritualiteit” die ze ontvangen had van de Orde van het H. Graf, met name in Turnhout. Diezelfde vorming en spiritualiteit wilde ze ook doorgeven aan allen om haar heen en naar de toekomst. Allereerst binnen de orde en haar medezusters. Maar ook aan allen die in aanraking zouden komen met de Thabor en de Basiliek. Zij wilde immers haar roeping volgen en o.a. “een steeds groeiende solidariteit bewerken” onder mensen, een solidariteit, een toegroeien naar elkaar, die tijd en ruimte zou overstijgen. Historie en toekomst horen bij elkaar in het nu.

uit: Gerard Sars, Jaarboek Roerstreek 2014, p. 7-13

vrijdag 21 november 2014

Preek Dr. L.J.M. Hendriks pr. bij onze Conventsmis vanmorgen bij de hernieuwing van de kloostergeloften

Sommige regelmatig terugkerende gebeurtenissen blijven toch altijd een bijzonder karakter houden, omdat ze verwijzen naar iets dat een diepe indruk in ons leven heeft gemaakt. Zonder twijfel hoort de hernieuwing van dit moment waarop we in ons leven definitief voor een bepaalde staat hebben gekozen, bij die bijzondere momenten. Voor mensen die getrouwd zijn, is de herinnering aan hun huwelijksdag ieder jaar bijzonder. Maar voor de mensen die in een religieuze staat zijn getreden, is dit moment nog veel intenser. Want hoe ingrijpend is het, om de stap uit de wereld te zetten, in een zo nabije navolging van Christus dat iemand tot “bruid van Christus” wordt.

Vandaag zijn die geloften hernieuwd, waarmee u deze grote stap hebt gezet, die voor u zo’n grote reden tot vreugde was – en is – en God geve het: ook altijd zal zijn. Bij het allereerste begin zijn de geloften om in armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid trouw te zijn aan Christus en de Kerk nog tijdelijk. Een belangrijke, maar overzichtelijke stap op weg naar een leven dat helemaal aan God weggeschonken wordt. Dan, na een tijdje werden het ‘eeuwige geloften’. Een tijd die een mens niet kan overzien, en die we dan ook blijven volgen door keer op keer die geloften te hernieuwen. In de hernieuwing van de geloften komen als het ware de twee werelden samen: die van de eeuwigheid, waarmee trouw beloofd is aan de Heer. En die van de menselijke maat, waarmee die geloften keer op keer in alle oprechtheid en eerlijkheid, maar in het besef van menselijke zwakheid, hernieuwd worden.

We kunnen ons afvragen hoe een mens ertoe komt om überhaupt geloften af te leggen. Dat is weliswaar een vraag die typisch is voor onze tijd, waarin er bijna niets meer “voor altijd” bestaat, maar het is daarmee tegelijkertijd ook een heel realistische. Kan een mens een dergelijke gelofte waarmaken? En zoals u zich herinnert van de dag van uw professie: ja, dat kan een mens. Een gelofte is daarom zo bijzonder, omdat het een gave van zichzelf is aan God. En de kracht om die gave te kunnen waarmaken, is de grote liefde die een mens in zijn hart kan ervaren. Natuurlijk is ook dát een geschenk van God en niet van ons, maar het stelt de mens in staat om boven zijn normale kunnen en zijn normale beperkte kader uit te kunnen stijgen. Met Gods eigen liefde, kunnen we God beminnen.
Het is die liefde, die erom vraagt om voor altijd te zijn. Het is die liefde die vraagt om trouw: een trouw die onvoorwaardelijk en zonder tijd is. Liefde en trouw zijn termen die ieder mens in het diepst van zijn vezels aanvoelt als de mooie idealen die horen bij een menselijk leven. Het zijn ook de idealen waarmee mensen trouwen, om zich zo helemaal aan de andere weg te schenken. Op dezelfde wijze bent u bruid van Christus geworden. Op dezelfde manier hebt u vanuit een grote liefde trouw beloofd aan Christus en de Kerk. Trouw vraagt erom om ‘voor altijd’ te zijn – dat is het wezen van de trouw en dat is het wezen van de liefde.

Iedere keer bij het hernieuwen van de geloften realiseert u zich dat u die liefde voor de Heer en zijn Kerk nog steeds in het hart draagt. Het is die liefde die ernaar doet verlangen om de geloften te vernieuwen. En zo mag vandaag een dag van grote vreugde zijn. Vreugde omdat het vuur voor God opnieuw oplaait en de trouw hernieuwd wordt.

Vandaag vieren we de gedachtenis van Maria, die in de tempel aan God wordt opgedragen. Zij is het voorbeeld bij uitstek voor de trouwe, liefdevolle en nederige dienstmaagd van de Heer. Als we kijken naar haar voorbeeld – in het bijzonder op deze dag – dan kunnen we dat helemaal samenvatten in het ene woord ‘ja’. In het ene woord ‘ja’ om aan Gods wil en roeping te gehoorzamen en te beantwoorden. Moge de liefde, de trouw en het geloof van Maria de harten van ons allen vervullen. Op die manier wordt onze roeping keer op keer tot een van de mooiste momenten van ons leven.
Moge de goede God, op voorspraak van Maria, volharding schenken om deze weg naar het geluk die God geeft, ook met ijver, trouw en liefde te blijven gaan.


L. Hendriks, pr.

Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 2

Moeder Matthea had dus al met al ‘goede papieren’ om het kleine klooster voor opheffing te bewaren. Ook was er interesse voor behoud van het klooster in Sint Odiliënberg, zodat getalsmatig overleefd kon worden: er waren zusters van andere H. Grafkloosters die in de periode rond het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) geestelijke verwantschap zochten en het aloude kloosterbestaan wilden vernieuwen door terug te keren naar enkele oorspronkelijke uitgangspunten, en tegelijk de verworvenheden van het Concilie wilden benutten. Zo werden alle zusters koorzusters’, het getijdengebed werd herzien en het ‘klein pauselijke slot’ hersteld, d.w.z. er werd opnieuw gekozen om in zekere afzondering te leven als monialen (monos = enkel, een, alleen). Tegelijk bleven de Thabor-zusters op velerlei manieren dienstbaar aan de lokale gemeenschap.

Het ideaal van Moeder Matthea, als je het zo zou mogen samenvatten, was om naast het behoud van de kloostertraditie, de dialoog aan te gaan met de moderne tijd in het hier en nu; een profetische visie gestalte geven om op alle terreinen van het leven een groter, overkoepelend kader te ontdekken en vanuit christelijk perspectief de dialoog met de wereld gaande te houden. Ze deed dat vooral door de vele contacten die ze had opgebouwd (ook met oog voor  het strikt individuele) trouw te onderhouden en belangstellend de ontwikkelingen in kerk en wereld te volgen. Maar daarnaast heeft ze zich vanaf het begin van haar aanwezigheid hier in de regio, concreet ingezet voor cultuur, sociaal werk en recreatie en daar met haar medezusters inspiratie en daadwerkelijke steun aan gegeven. In verschillende publicaties zijn de nodige activiteiten al genoemd en wij volstaan hier met enkele lange lijnen.4,5 Sommige memorabele initiatieven zijn intussen al bijna vergeten: denken we aan de eerste jaren, toen jeugd uit de regio ontvangen werd voor bezinningswerk, later gevolgd door decennialang georganiseerde ontvangst van gasten van allerlei soort uit binnen- en buitenland. En in de Abdijengids van 1979 wordt vermeld dat de kloostergemeenschap van Sint Odiliënberg bezinningsdagen en retraites organiseert, maar ook individuele gasten en gezinnen de mogelijkheid biedt om uit te rusten en vakantie te vieren.

De Priorij heeft sinds het aantreden van Moeder Matthea direct en indirect bijgedragen aan het tot stand komen van de nodige publicaties: een van de manieren om zich zowel actueel als voor de lange duur aanwezig te weten. Voor de lange termijn was het wel nodig zeker te zijn van degelijkheid en kwaliteit, en daarover waakte zij en liet zich adviseren. Daarnaast bewaarde ze genoeg ‘eigen wijsheid’ en volgde haar intuïtie als ze meende toch anders te moeten beslissen. Publicaties betroffen Kerk en de geschiedenis van het H. Graf en de orde. Maar onder leiding van Moeder Matthea ondersteunden de zusters ook initiatieven op het gebied van liturgie, Gregoriaans en kerkmuziek, catechese en kerkelijke cultuur. Ook de lokale geschiedenis, steunend op de historie van de Basiliek, kwam voor en na in al zijn facetten aan bod.

uit: Gerard Sars, Jaarboek Roerstreek 2014, p. 7-13

woensdag 19 november 2014

Moeder M. Matthea Raeymakers (1914 - 2013) - 1

Decennialang – vanaf begin jaren 60 van de vorige eeuw – is de naam van Moeder Maria Matthea, priorin van Priorij Thabor, een begrip in de Roerstreek. Ook buiten deze regio had ze in heel Nederland en België intensieve, persoonlijke contacten en wist met velen wederzijdse interesses en zorgen te delen. Voor kerk, cultuur en sociale werken was ze geestelijke moeder van menig initiatief. Samen met haar medezusters zette ze de mogelijkheden van de Priorij in, om mensen bij elkaar te brengen met wie en voor wie ze samen werkten. Haar overlijden op 28 augustus 2013 maakt ons er opnieuw van bewust wat ze voor velen betekend heeft. Velen zullen haar missen. Velen zullen haar dankbaar zijn. Velen zullen haar met alle hoogachting in herinnering houden.

Geschiedenis in vogelvlucht
Haar komst naar de Roerstreek was om na het plotselinge overlijden van Moeder Victoire op 15 april 1963 de levensvatbaarheid van het kleine kanunnikessenklooster aan de kerkberg te bezien. Met historica en medezuster Hereswitha was zij ervan overtuigd dat het klooster weliswaar bescheiden oogde maar een grootse geschiedenis met zich meedroeg. Samen gingen ze de geschiedenis van hun geestelijke voorouders na, die op dezelfde Roerheuvel op Romeinse fundamenten een eerste christelijke nederzetting stichtten in de achtste eeuw. De inspirerende verkondiging vanuit deze streken tot in Noord-Nederland en Münsterland, de wijkplaats voor de Utrechtse bisschoppen voor de
Noormannen en het kapittel dat in 1361 vanuit ‘Mons Petri’ naar Roermond verhuisde, gaven deze plaats een eerste kerkelijke waardigheid, waarvan voor velen een aantrekkingskracht is blijven uitgaan.

Een tweede spoor was het ontstaan van de Orde van het Heilig Graf te Jeruzalem in 1099, die zich snel over Noord- en West-Europa verspreidde en in de 15de eeuw in het bezit kwam van de kerk en berg te Sint Odiliënberg. Bleek het eerste vrouwenklooster (1444-1460) onvoldoende levensvatbaar, in 1480 werden alsnog drie H. Grafzusters geprofest en drie postulanten ingekleed. Dankzij de bezielende leiding van Jan van Abroek stond dit schamele groepje aan de wieg van alle vrouwenkloosters van deze orde in West-Europa. “Ging na de Franse Revolutie die [mannelijke] tak ten onder, de vrouwelijke tak zou in de 19de en 20ste eeuw in de Nederlanden aan de Orde een nieuwe bloei verzekeren”, schrijft zuster Hereswitha.

In 1888 werd de oude monastieke traditie op de Berg tot nieuw leven gebracht door de inspanning van de plaatselijke pastoor Michael Willemsen (1831-1904) die zijn pastorie boven op de kerkberg
ter beschikking stelde van een kleine communiteit afkomstig uit het H. Grafklooster van het Belgische Bilzen. In 1903 verkreeg het kleine klooster autonomie welke echter in 1911/12 niet houdbaar bleek. Van 1911/12 tot 1965/66 was het H. Grafklooster van Sint Odiliënberg filiaal van het H. Grafklooster van Turnhout. Onder Moeder M. Matthea Raeymakers verwierf het klooster opnieuw autonomie, die tot op heden voortduurt.

uit: Gerard Sars, Jaarboek Roerstreek 2014, p. 7-13