HOMEILIE OP HET HOOGFEEST VAN DE
HH. WIRO, PLECHELMUS EN OTGERUS
Kerkpatronen van de basiliek in Sint Odiliënberg (8 mei 2026)
Ter voorbereiding van het hoogfeest van vandaag las ik twee
bijdragen van professor Linssen over de geschiedenis van de patroonheiligen
Wiro, Plechelmus en Otgerus. En ondanks alle geleerdheid en speurzin van de
professor is de conclusie na dertig pagina’s dat er historisch eigenlijk niets
met zekerheid te zeggen valt.
Om die leegte in te vullen heeft de traditie zwerfstenen uit
het verleden opgeraapt en daarmee verhalen gecreëerd. Zo horen wij over
bisschop Balderik van Utrecht die in het jaar 966 door een visioen de
vindplaats kreeg aangewezen van relieken, waaronder die van Wiro, Plechelmus en
Otgerus. Mogelijk zijn ze al kort daarna hier in Berg in het reliekengraf geplaatst.
Zo werden ze bewakers van deze plek, en bevestigden met hun aanwezigheid ook de
rechten van de bisschop van Utrecht hier.
De traditie verhaalt dat het Schotse peregrini,
rondtrekkende monniken waren, zonder vaste woonplaats en dat Wiro en Plechelmus
bisschoppen zouden zijn geweest en Otgerus diaken. Misschien waren het
tijdgenoten van Willibrord en Adelbert of waren ze zelfs nog voor hen naar deze
streken gekomen. Eén ding is zeker, de eeuwen door zij de namen bewaard
gebleven van de drie rondtrekkende boden van het evangelie Dat mag op zich al
een wonder heten. Dat doet vermoeden dat ze een indruk hebben gemaakt en mensen
door hen zijn geraakt. Dat wij over hun persoonlijk leven, hun uiterlijk en hun
daden niets of nauwelijks iets weten kan teleurstellen, maar je zou het ook
kunnen lezen als een heel evangelisch getuigenis. In onze tijd wordt door
artiesten om het hardst geschreeuwd om in de publiciteit te komen, maar dat
past niet bij de ware evangelieverkondigers. Die horen immers niet zichzelf op
de voorgrond te plaatsen, integendeel, zij dienen in woord en daad getuigen te
zijn van de verrezen Heer, die niet eigen eer en aanzien heeft gezocht, maar
beeld en gelijkenis is geweest van de Vader, die ons leven wil geven en wel in
overvloed. En in dat voetspoor zijn onze patroonheiligen Jezus gevolgd.
Maar wie toch verlegen zit om een duidelijker profiel, wordt
door de liturgie van deze feestdag op zijn wenken bediend. De lezingen van deze
dag tekenen immers een beeld van de authentieke getuige van het evangelie.
Wiro, Plechelmus en Otgerus hebben die teksten zelf vele malen gehoord en
gelezen en zij hebben er hun roeping in herkend.
De eerste lezing uit het boek Jezus Sirach spreekt de lof
van vrome mannen die met hun leven getuigenis hebben afgelegd van Gods verbond
met ons mensen. Hun wijsheid is niet vergeten en wij zijn er nog steeds
dankbaar voor en hun namen worden nog steeds met ere vermeld. Zij hebben er
zelf niet mee staan pronken, maar door hun zorg voor mensen en hun getuigenis
van Gods liefde voor heel de schepping zijn zij geen naamloze en kleurloze
figuren geweest, maar mensen met en eigen naam en gezicht, mensen die het evangelie
van de vrede handen en voeten hebben gegeven en een uitnodigend gezicht. Zij
verkondigden een blijde boodschap.
In de tweede lezing hoorden wij de woorden die Paulus bij
zijn afscheid tot de oudsten heeft gesproken. Hij wijst niet alleen de oudsten
op hun verantwoordelijkheid in Gods gemeente, maar wij horen er ook de zorg en
liefde, de onvermoeide inzet van de apostel in klinken. Boodschapper van het
evangelie is geen parttime betrekking, maar een leven dat zich geeft van de
vroege morgen tot de late avond. Dat is geen pleidooi voor een burn-out, maar
het laat zien dat een apostel geen functionaris is maar een leven dat het gaat
om een manier van zíjn. Met heel je wezen, met al je gaven van hoofd en hart de
kerk dienen, opdat Christus in ons geboren wordt. Dat is geen mensen werk, maar
werk van de Geest, maar het kan niet zonder de beschikbaarheid en de inzet van
ons mensen. In de laatste regel van de apostellezing hoorden wij hoe Paulus met
hen allen neerknielt en bidt. Een mooier beeld van apostolaat is moeilijker
voorstelbaar. Het leven van een apostel begint met bidden en eindigt met bidden
voor en met wie aan hem zijn toevertrouwd.
Tot slot het evangelie. Daar ontmoeten wij Jezus zelfs als
de goede herder. Allen die geroepen worden om het evangelie te verkondigen,
zullen zich aan deze Herder moeten
spiegelen en in Zijn voetstappen moeten treden. Opvallend is dat die tekst
begint met te zeggen wat een goede herder niet is. Hij is geen huurling, geen
wolf en geen rover. Die hebben allemaal geen hart voor de schapen, maar zijn
hoe dan ook, uit op eigen voordeel en gewin. Voordat wij de goede herder kunnen
volgen, dienen wij dus korte metten te maken met een houding die eigen voordeel
en eigen glorie in het vaandel heeft staan. Dat is een houding die haaks staat
op Jezus’ gaan en staan.
Na die negatieve beschrijving volgt dan het positief
getekende portret van de goede herder. En daar valt op dat Jezus begint met het
opnoemen van een aantal activiteiten, maar, als ik het zo zeggen mag, met een
liefdesverklaring: ‘Ik ken de Mijnen en de Mijnen kennen Mij.’ Herder zijn
zoals Jezus, dat is allereerst een relatie hebben met alle schapen die je zijn
toevertrouwd. Dan kun je een gemeenschap opbouwen waar herder en schapen weten
wat ze aan elkaar hebben. Zoals wij de namen kennen van Wiro, Plechelmus en
Otgerus, zo kent Jezus al zijn schapen bij name. Ieder met een eigen gezicht en
een eigen naam, met een eigen verhaal en vader Benedictus zou zeggen, elk ook
met zijn eigen tempo.
Wij vieren vandaag drie herders die door de Heer zijn
geroepen om in Zijn voetstappen te treden en wij zijn dankbaar dat zij daar met
inzet van heel hun leven ja op hebben gezegd. Laat hun voorbeeld ons er toe
aanzetten op de plak waar wij staan eenzelfde herderlijke zorg te tonen voor
wie aan ons zijn toevertrouwd.
Amen

