Posts tonen met het label lezingenofficie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lezingenofficie. Alle posts tonen

zondag 25 mei 2025

Lezingenofficie Zesde zondag van Pasen Liturgia Horarum Het Woord des levens en het licht van God


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Eerste brief van de Apostel Johannes 1,1-10

Het Woord des levens en het licht van God

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. et leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken. Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis.
Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.
Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad. Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

Tweede lezing

Uit de Commentaren op de Tweede Brief aan de Korinthiërs van de H. Cyrillus van Alexandrië, bisschop
(Cap. 5, 5 — 6, 2: PG 74, 942-943)

God heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de bediening van de verzoening toevertrouwd

Zij, die het onderpand van de Geest bezitten en de hoop op de verrijzenis, en die de toekomstige verwachting reeds als iets tegenwoordigs beschouwen, zeggen, dat zij van nu af niemand meer beoordelen naar het vlees. Want allen zijn wij geestelijk en vreemd aan het vleselijk bederf. Want als de Eniggeborene voor ons oplicht, worden wij in dat Woord zelf, dat alles levend maakt, omgevormd. Zoals wij namelijk in de banden van de dood lagen verstikt, toen de zonde heerste, zo hebben wij het bederf van ons afgeworpen, toen de gerechtigheid van Christus in ons doordrong.

Derhalve leeft niemand meer in het vlees, dat is in de vleselijke zwakheid, waartoe met recht en reden o.a. het bederf gerekend moet worden, als de Apostel eraan toevoegt: Want al hebben wij Christus naar het vlees beoordeeld, thans beoordelen wij Hem zo niet meer. Alsof hij wilde zeggen: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en voor ons aller leven heeft Hij de dood naar vlees het ondergaan, zo hebben wij Hem leren kennen; maar van nu af kennen wij Hem zo niet meer. Want hoewel Hij het vlees behouden heeft – Hij die toch op de derde dag herleefde en bij de Vader verblijft in de hemel – weten wij, dat Hij boven het vlees is uitgestegen: want eenmaal gestorven, sterft Hij niet meer; de dood heeft geen macht meer over Hem. Want dat Hij gestorven is wil zeggen, dat Hij stierf voor de zonde, eens en voorgoed, maar dat Hij leeft, is een leven voor God.

Als Hij zich dan op deze wijze tot voorvechter heeft gemaakt voor ons leven, moeten wij ook zeker zijn voetstappen volgen en worden wij verondersteld niet als in het vlees maar boven het vlees uit te leven. Daarom zegt de H. Paulus zeer terecht: Zo wordt dus wie in Christus is, nieuw geschapen: het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar. Want we zijn gerechtvaardigd door het geloof in Christus en de kracht van de vloek is gebroken. Want omdat Hij om ons is verrezen, is de macht van de dood overwonnen. In waarheid en in zijn eigen natuur erkennen wij God, die wij in geest en waarheid vereren, met als Middelaar zijn Zoon, die de hemelse zegeningen van de Vader aan de wereld meedeelt.

Daarom zegt de H. Paulus zo vol wijsheid: Alles is uit God, die zich met ons verzoend heeft door Christus. Want inderdaad is het mysterie van de Menswording, met als gevolg onze vernieuwing, niet buiten de wil van de Vader om. Immers door Christus hebben wij toegang tot Hem gekregen, daar niemand tot de Vader komt, zoals Christus zelf zegt, dan door Hem. Derhalve: Alles is uit God, die ons door Christus met zich verzoende en ons de bediening van die verzoening toevertrouwde.

zaterdag 25 juni 2022

Lezingenofficie 13e zondag door het jaar

13e zondag door het jaar  Liturgia Horarum

Lezingen van het lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497) (x).

Eerste lezing  1 Sam 28, 3-25
Saul bezoekt een geestenbezweerster

Samuel was inmiddels gestorven. Heel Israël had over hem gerouwd, en hij was begraven in Rama, zijn woonplaats. Daarna had Saul in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Toen nu de Filistijnen hun troepen hadden verzameld en waren opgerukt naar Sunem, waar ze hun kamp opsloegen, bracht ook Saul zijn leger op de been en sloeg zijn kamp op in het Gilboagebergte. Maar toen hij het kamp van de Filistijnen zag, greep de angst hem bij de keel. Hij raadpleegde de Heer, maar de Heer gaf geen antwoord: noch in dromen, noch door middel van orakelstenen, noch bij monde van profeten. Daarom beval hij zijn dienaren om voor hem een dodenbezweerster op te sporen. ‘Daar wil ik naartoe gaan om antwoord te vinden op mijn vragen,’ zei hij. Toen zijn dienaren hem vertelden dat er in Endor nog een dodenbezweerster woonde, vermomde hij zich door andere kleren aan te trekken en ging hij met twee dienaren op pad. Midden in de nacht kwamen ze bij de vrouw aan. ‘Wilt u voor mij de geest van een dode raadplegen?’ verzocht hij haar. ‘Ik zal u zeggen wie u moet oproepen.’ Maar de vrouw antwoordde: ‘U weet toch wat Saul heeft gedaan: hij heeft een streng verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij. Waarom probeert u me in de val te lokken? Wilt u me soms de dood in jagen?’ Maar Saul bezwoer haar bij de Heer dat haar niets zou overkomen. ‘Wie moet ik dan voor u oproepen?’ vroeg ze. ‘Samuel,’ antwoordde Saul. Zodra de vrouw Samuel zag, slaakte ze een ijselijke kreet. ‘Waarom hebt u me bedrogen?’ vroeg ze aan Saul. ‘U bent Saul zelf!’ ‘Wees niet bang,’ stelde de koning haar gerust. ‘Maar zeg me, wat ziet u?’ ‘Ik zie een goddelijke gestalte uit de aarde oprijzen,’ antwoordde ze. ‘Hoe ziet hij eruit?’ vroeg Saul. ‘Het is een oude man, gehuld in een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was, en hij knielde neer en boog diep voorover. Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom heb je me opgeroepen en mijn rust verstoord?’ ‘Ik zie geen uitweg meer,’ antwoordde Saul. ‘Ik word aangevallen door de Filistijnen en God heeft me in de steek gelaten. Hij geeft geen antwoord meer op mijn vragen, noch bij monde van profeten, noch in dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om u te vragen wat ik moet doen.’ Maar Samuel zei: ‘Waarom kom je bij mij om raad? Je weet toch dat de Heer je verlaten heeft en zich nu tegen je heeft gekeerd. De Heer heeft gedaan wat hij bij monde van mij heeft voorzegd: hij heeft het koningschap van je losgescheurd en aan je tegenspeler gegeven, aan David. De Heer doet je dit nu aan omdat je destijds niet naar hem geluisterd hebt en voor hem geen wraak hebt genomen op de Amalekieten. En om diezelfde reden zal hij Israël samen met jou aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zijn jij en je zonen hier bij mij, en het leger van Israël zal hij aan de Filistijnen uitleveren.’ Saul schrok zo van Samuels woorden dat hij languit op de grond viel: zijn krachten lieten hem in de steek, ook al omdat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had. De vrouw kwam naar hem toe en zag dat hij erg in de war was. ‘Ik heb aan uw verzoek voldaan, heer,’ zei ze. ‘Met gevaar voor eigen leven heb ik gedaan wat u me vroeg. Doe dan nu ook wat ik u aanraad, heer. Laat me u iets te eten voorzetten, zodat u weer op krachten komt voordat u aan de terugreis begint.’ Saul weigerde en zei dat hij niets wilde eten, maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen aan en ten slotte gaf hij toe. Hij kwam overeind en ging op het bed zitten. De vrouw had een mestkalf in huis, dat ze nu snel slachtte. Ook nam ze meel, kneedde het en bakte er ongedesemde broden van. Nadat Saul en zijn dienaren gegeten hadden van het maal dat ze hun had voorgezet, vertrokken ze nog diezelfde nacht.

Tweede lezing 
Uit de Homilieën van Paus Paulus VI

Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.

Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondigd zal hebben. Want door Hem zelf, door Christus zelf, zó ben ik gezonden. Ik ben een apostel (gezondene) en getuige. Hoe verder die grens ligt, hoe moeilijker de opdracht is, des te heviger dringt mij de liefde. Zijn Naam moet ik prediken: Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God: Hij is degene, die ons de onzichtbare God heeft geopenbaard. Hij is de Eerstgeborene van heel de schepping, Hij, in wie alles bestaat. Hij ook is de leermeester der mensen en hun Verlosser; Dezelfde, die voor ons geboren werd, voor ons stierf en verrees.

Hij is het middelpunt van de geschiedenis en van het heelal; Hij kent en bemint ons, Hij is de gezel en de vriend in ons leven, de Man van smarten en van hoop; Hij, degene die zeker zal terugkomen, die uiteindelijk onze Rechter zal zijn, en ook, zoals wij vertrouwen, de eeuwige volheid van leven en onze zaligheid.

En ik zou nooit kunnen ophouden over Hem te spreken: Hij is het Licht, Hij de Waarheid, ja zelfs de Weg, de Waarheid en het leven; Hij is het brood en de bron van levend water, het brood die onze honger verzadigt en onze dorst lest: Hij is onze Herder, onze Leidsman, ons Voorbeeld, onze Troost, onze Broeder. Zoals wij, en méér dan wij, was Hij klein, arm, vernederd, aan moeilijkheden blootgesteld, verdrukt en lijdend. Voor ons heeft Hij gesproken, zijn wonderen verricht, een nieuw Rijk gesticht, waar de armen gelukkig zijn, waar de vrede het algemeen beginsel is van leven, waar de zuiveren van hart en de bedroefden worden verheerlijkt en getroost, waar zij die hongeren naar gerechtigheid worden verzadigd, waar de zondaars vergiffenis kunnen verkrijgen en allen als broeders worden beschouwd.

Zie, daar is Christus Jezus, over wie Gij zeker hebt horen spreken, aan wie gij voor het merendeel ongetwijfeld reeds toebehoort, omdat gij christen zijt. Voor u dan, christenen, herhaal ik in zijn Naam, aan allen verkondig ik dit: Christus Jezus is het Begin en het Einde, de Alpha en de Omega, de Koning van de nieuwe wereld, de verborgen en diepste grond van de menselijke geschiedenis en van ons lot. Hij is de Middelaar en in zekere zin de Brug tussen aarde en hemel; Hij is het meest en op veel volmaaktere wijze dan alle anderen mensen de Zoon des mensen, omdat Hij de Zoon van God is, eeuwig en oneindig, én ook de Zoon van Maria, de gezegende onder alle vrouwen, van zijn Moeder naar het vlees en van onze Moeder uit de vereniging met de Geest van het mystieke Lichaam. Jezus Christus! Bedenkt wel: Hij is het, die wij u Preken voor altijd. Wij willen, dat zijn Naam zal weerklinken tot aan de uiteinden der aarde en tot in de eeuwen der eeuwen.
(Hom. Manilæ habita die 29 novembris 1970)


(*) Detail van de “Storie di Sant’Agostino” van Benozzo Gozzoli (1420-1497) in de Sant’Agostino in San Gimignano. In 1463 werd Benozzo Gozzoli door Fra Domenico Strambi, prior van het Augustijnse convent in San Gimignano, gevraagd om de kloosterkerk aldaar te decoreren, de huidige Sant’Agostino. De “Storie”, het Heiligenleven van Sint Augustinus, bestaat uit 17 fresco’s.

zaterdag 23 april 2022

Lezingenofficie 2e zondag van Pasen Liturgia Horarum Beloken Pasen - Het nieuwe leven


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Brief van de Apostel Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-17

Het nieuwe leven

Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. Bedriegt elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen.

Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleedt u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaant elkaar in alle wijsheid, zingt met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841)

Een nieuwe schepping in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.

Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.

Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.

Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.

Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.


zaterdag 9 april 2022

Lezingenofficie Palmzondag Gezegend die komt in de Naam des Heren


Lezingen van het Lezingenofficie


  
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Brief aan de Hebreeën 10,1-18

Onze heiliging door het offer van Christus

Omdat de wet slechts een voorafschaduwing toont van al het goede dat nog komen moet en daarvan niet de gestalte zelf laat zien, heeft hij ook niet de kracht om degenen die jaar in jaar uit met steeds dezelfde offers aan de dienst deelnemen ooit tot volmaaktheid te brengen. Anders zouden die offers allang niet meer gebracht worden; degenen die aan de dienst deelnemen, zouden immers als ze eenmaal gereinigd zijn geen enkel zondebesef meer hebben. Het tegendeel is echter waar: elk jaar worden met dezelfde offers de zonden weer in herinnering geroepen – bloed van stieren en bokken kan mensen onmogelijk van hun zonden bevrijden. Daarom zegt Christus bij zijn komst in de wereld: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, maar U hebt mij een lichaam gegeven; brand- en reinigingsoffers behaagden U niet. Toen heb Ik gezegd: “Hier ben Ik,” want dit staat in de boekrol over Mij geschreven: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen.”’ Eerst zegt Hij: ‘Offers en gaven hebt U niet verlangd, brand- en reinigingsoffers behaagden U niet’ – daarmee bedoelt Hij de offers die volgens de wet worden gebracht. Dan zegt Hij: ‘Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen,’ waarmee Hij het eerste opheft om het tweede van kracht te doen zijn. Op grond van die wil zijn wij voor eens en altijd geheiligd, door het offer van het lichaam van Jezus Christus. De priesters blijven dagelijks hun dienst verrichten en steeds opnieuw dezelfde offers opdragen die de zonden nooit teniet zullen kunnen doen, terwijl Hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen, waar Hij wacht op het moment dat zijn vijanden voor Hem tot een bank voor zijn voeten zijn gemaakt. Door deze ene offergave heeft hij hen die zich door Hem laten heiligen voorgoed tot volmaaktheid gebracht. Hiervan legt ook de heilige Geest voor ons getuigenis af, want eerst staat er: ‘Dit is het verbond dat Ik na die tijd met het volk van Israël zal sluiten – spreekt de Heer: In hun hart zal Ik mijn wetten leggen, in hun verstand zal Ik ze neerschrijven,’ en even verder staat er: ‘Aan hun zonden en hun wetteloosheid zal Ik niet meer denken.’ Waar dat alles vergeven is, daar is geen offer voor de zonde meer nodig.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Andreas van Kreta, bisschop
(Oratio 9 in ramos palmarum: PG 97, 990-994)

Gezegend die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël

Komt en laten ook wij de Olijfberg bestijgen en Christus tegemoet gaan, nu Hij vandaag van Bethanië terugkeert en zich uit eigen beweging naar het eerbiedwaardige en heilige Lijden begeeft, om het heilmiddel voor onze verlossing te voltooien. Vrijwillig gaat Hij dan de weg naar Jeruzalem, Hij, die om ons uit de hemelen neerdaalde, om ons, die in de diepste diepten neerlagen, tegelijk met Hem te verheffen, zoals de Schrift zegt: hoog boven alle Heerschappijen, Machten, Krachten en boven elke naam, die genoemd wordt.
Hij komt echter niet als een, die in trots en praal bezit neemt van zijn heerlijkheid. Hij zal noch twisten noch schreeuwen, zegt de Schrift, en niemand zal zijn stem horen; maar Hij zal zachtmoedig en nederig zijn, en bij zijn binnenkomst armoedig gekleed en toegerust.
Welaan dan, terwijl Hij zich haast naar zijn Lijden, laten wij met Hem meegaan en hen navolgen, die Hem tegemoet gingen. Niet om, zoals zij, olijftakken, klederen en kostbaarheden of palmtakken op de weg uit te spreiden, maar om onszelf, zoveel we kunnen, met een nederig gemoed, een oprechte geest en een goed voornemen op die weg neer te leggen, om dat Woord bij zijn komst te ontvangen, en opdat wij God opnemen, die nergens opgenomen kan worden.
Want Hij verheugt zich erover, dat Hij zich jegens ons zo zachtmoedig getoond heeft – Hij die zachtmoedig is en opstijgt boven de ondergang van onze lage geringheid – dat Hij tot ons kwam en gewoon met ons omging, en die, door zijn verwantschap met ons, ons tot Zich kon opheffen en terugvoeren.
Hij, van Wie gezegd wordt dat Hij boven de hemelen naar de oorsprong is opgestegen, ofschoon in onze stoffelijke geringheid en tegelijk in het bezit van zijn eigen glorie en godheid.
Hij zal toch die geringheid niet opgeven, gezien zijn voorliefde voor het menselijk geslacht, totdat Hij die menselijke natuur, die Hij van de diepte der aarde en van de ene roem tot de ander opheft, tegelijk met Zich hoog verheven zal hebben.
Laten wij zo onszelf voor Christus uitspreiden, niet onze kleren of zielloze palmtakken en een tapijt van groen – die de kracht van voedsel verliezen en slechts enkele uren een lust is voor de ogen – maar bekleed met zijn genade of nog beter met Hemzelf: Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Laten wij ons voor zijn voeten neerleggen, uitgespreid als een kleed.
Wij, die vroeger, scharlakenrood door onze zonden, het heilzame Doopsel tot reiniging hebben ontvangen en daardoor zo blank als wol zijn geworden – laten we Hem, de Overwinnaar van de dood, nu geen palmtakken, maar het loon voor onze overwinning aanbieden.
Laten wij alle dagen met die kinderen dat heilig loflied herhalen, terwijl wij zwaaien met de geestelijke takken van onze ziel: Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren, de Koning van Israël.


zondag 20 maart 2022

Lezingenofficie 3e zondag van de Veertigdagentijd Liturgia Horarum


Lezingen van het Lezingenofficie


 Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het Boek Exodus 22,19 – 23,9

Wie aan andere goden offers brengt, en niet uitsluitend aan de Heer, moet onder de ban worden geplaatst en gedood worden.
Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.
Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. Doe je dat toch en smeken zij mij om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren: ik zal in woede ontsteken en ieder van jullie doden, en dan zullen jullie eigen vrouwen weduwe worden en jullie kinderen wees.
Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem.
Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God. 
Je mag God niet lasteren en je mag de leiders van je volk niet vervloeken.
Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon.
Hetzelfde geldt voor de eerste jongen van je runderen en van je schapen en geiten; zeven dagen mogen ze bij hun moeder blijven, op de achtste dag moet je ze aan mij afstaan.
Leef als mensen die aan mij gewijd zijn. Eet geen vlees van een dier dat door een roofdier is gedood; dat moet je aan de honden geven.
Onthoud je van lasterlijke aantijgingen. Maak geen gemene zaak met een misdadiger door iemand vals te beschuldigen.
Laat je er niet door de meerderheid toe overhalen iets onrechtvaardigs te doen, en als je in een rechtszaak getuigt, verdraai het recht dan niet door je naar de meerderheid te richten. Iemand die arm is, mag je in een rechtszaak niet bevoordelen.
Wanneer je een verdwaald rund of een verdwaalde ezel van een vijand van je aantreft, moet je hem het dier zonder uitstel terugbrengen.
Wanneer je ziet dat de ezel van iemand met wie je in onmin leeft onder zijn last bezwijkt, mag je niet werkeloos toezien maar moet je hem meteen de helpende hand bieden.
Bij een rechtszaak moet je de rechten van de armen eerbiedigen.
Laat je niet beïnvloeden door valse aantijgingen en breng een onschuldige die in zijn recht staat niet ter dood; wie zich daaraan schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan.
Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars.
Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte.

Tweede lezing
Uit de Verhandelingen over het Johannesevangelie van de H. Augustinus, bisschop

Een Samaritaanse vrouw kwam water putten

Er kwam een vrouw. De gedaante van de Kerk, die nog niet gerechtvaardigd is, maar het moet worden, want zo luidt het verhaal: Er kwam een onbekende vrouw. Zij vond Hem, en Hij spreekt haar aan. Laten wij nu eens zien waarover Hij spreekt en waarom de vrouw uit Samaria water kwam putten. De Samaritanen behoorden niet tot het volk van de Joden. Zij waren vreemdelingen. Het hoort bij het beeld van de situatie, dat die vrouw, die de typering in zich droeg van de Kerk, van een vreemde stam afkomstig was. Ook de Kerk zou uit de heidenen voortkomen, een vreemde voor het volk van de Joden.
Laten wij dus in haar onszelf horen en in haar onszelf herkennen, en in haar God dankzeggen voor ons. Zij toch was een symbool, geen werkelijkheid. Omdat zij ook zelf de voorafbeelding vooraf liet gaan, werd zij waarheid. Want zij geloofde in Hem, die door haar aan ons een voorafbeelding voorhield. Zij kwam dus water putten. Zij kwam gewoon water putten zoals anderen, mannen en vrouwen.
Jezus zegt haar: Geef Mij te drinken. De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen. De Samaritaanse zei tot Hem: Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse? Joden onderhouden namelijk geen betrekkingen met de Samaritanen.
Ge ziet de vreemdelingen. De Joden gebruiken het vaatwerk van hen beslist niet. En omdat de vrouw een kruik droeg om er water mee te putten, staat ze er verbaasd over, dat een Jood haar te drinken vraagt, wat Joden niet gewoon waren te doen. Hij echter, die te drinken vroeg, had dorst naar het geloof van die vrouw.
Luister nu eens, wie te drinken vraagt. Jezus gaf haar ten antwoord: Als ge enig begrip had van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef  mij te drinken, zoudt ge het aan Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water gegeven hebben.
Hij vraagt te drinken en Hij belooft te drinken te geven. Hij lijdt gebrek alsof Hij wil ontvangen en Hij heeft overvloed alsof Hij haar wil verzadigen. Als ge, zegt Hij, enig begrip had van de gave Gods. De gave Gods is de Heilige Geest. Maar nog spreekt Hij bedektelijk tot de vrouw en dringt pas geleidelijk door tot haar hart. Misschien onderricht Hij haar al. Wat toch is er aangenamer en welwillender dan die vermaning? Als ge enig begrip had van de gave Gods en wist, wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, dan zoudt ge het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water geven.
Van welk ander water zal Hij haar geven, tenzij van dat water, waarvan gezegd is: Bij u is de bron des levens? Want hoe zullen zij nog dorsten, die verzadigd zullen worden door de overvloed van uw huis?
Hij beloofde dus in zekere zin de volle verzadiging in de Heilige Geest, maar zij begreep dit nog niet. En toen zij niet begreep, wat antwoordde zij toen? De vrouw zegt tot Hem: Heer, geef mij van dat water om geen dorst meer te krijgen noch hier behoef te komen om te putten. De behoefte dwong tot de last van de arbeid, maar de zwakheid weigerde die last. Dat zij toch eens mocht horen: Komt tot Mij allen, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken! Want dit zei Jezus haar, opdat ze niet meer belast zou zijn. Maar dat begreep ze nog niet.



zaterdag 5 maart 2022

Lezingenofficie Liturgia Horarum 1e Zondag Veertigdagentijd

Lezingen van het Lezingenofficie

 Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het boek Exodus
5,1 - 6,1

Hierna gingen Mozes en Aäron naar de farao, en ze zeiden tegen hem: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, om in de woestijn ter ere van mij een feest te vieren.’ ‘Wie is die Heer, dat ik hem zou gehoorzamen?’ vroeg de farao. ‘Waarom zou ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken de Heer niet en de Israëlieten laat ik niet gaan.’ Ze zeiden: ‘De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Sta ons toe drie dagreizen ver de woestijn in te trekken om de Heer, onze God, daar offers te brengen. Anders treft hij ons met de pest of met het zwaard.’ Maar de koning van Egypte zei: ‘Mozes en Aäron, hoe durft u het volk van zijn werk af te houden? Vooruit, aan het werk!’ En hij voegde eraan toe: ‘Dat volk is nu al veel te talrijk, en dan wilt u ook nog dat ze ophouden met werken!’ Nog diezelfde dag gaf de farao zijn slavendrijvers en de opzichters dit bevel: ‘Jullie mogen het volk geen stro meer geven om stenen te maken, zoals jullie tot nu toe deden; voortaan moeten ze zelf stro gaan zoeken. Maar eis wel evenveel stenen van hen als altijd, het mag er niet één minder zijn. Ze zijn lui! Daarom roepen ze dat ze hun God offers willen gaan brengen. Ze moeten harder aan het werk gezet worden, dan hebben ze geen tijd meer om naar zulke verzinsels te luisteren. ’De slavendrijvers en opzichters brachten aan het volk over wat de farao had gezegd: dat hij hun voortaan geen stro meer gaf, en dat ze zelf stro moesten zien te vinden maar geen steen minder mochten afleveren. Daarop zwermden de Israëlieten over heel Egypte uit om stoppels te zoeken ter vervanging van het stro. En de slavendrijvers joegen hen op en eisten dat ze iedere dag evenveel werk zouden afleveren als toen ze het stro nog kregen. De Israëlitische opzichters die door de slavendrijvers van de farao over het volk waren aangesteld, werden afgeranseld; zij kregen te horen dat ze de laatste dagen niet hetzelfde aantal stenen hadden afgeleverd als tevoren. Ze klaagden hun nood bij de farao. ‘Waarom behandelt u uw dienaren zo?’ zeiden ze. ‘We krijgen geen stro meer, en toch worden we gedwongen om stenen te maken. En wij worden afgeranseld, terwijl de schuld bij uw volk ligt.’ Maar de farao antwoordde: ‘Lui zijn jullie, alleen maar lui! Daarom willen jullie offers aan de Heer gaan brengen. Vooruit, onmiddellijk aan het werk! Jullie krijgen geen stro, en jullie leveren hetzelfde aantal stenen.’ De Israëlitische opzichters beseften hoe slecht zij ervoor stonden, nu de farao zelf tegen hen had gezegd dat de dagelijkse hoeveelheid stenen die ze moesten afleveren niet verminderd werd. Toen ze het paleis uit kwamen troffen ze Mozes en Aäron aan, die op hen stonden te wachten. ‘Moge de Heer u hiervoor straffen!’ zeiden de opzichters tegen hen. ‘U hebt ons bij de farao en zijn dienaren een slechte naam bezorgd. U hebt hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden.’ Toen wendde Mozes zich opnieuw tot de Heer en zei: ‘Heer, waarom behandelt u dit volk zo slecht? Waarom hebt u mij hierheen gestuurd? Vanaf het moment dat ik bij de farao ben gekomen en hem in uw naam heb toegesproken, wordt het volk nog slechter door hem behandeld. U hebt uw volk niet bevrijd – integendeel!’ 61Maar de Heer antwoordde hem: ‘Nu zul je zien wat ik de farao ga aandoen: ik zal hem met harde hand dwingen mijn volk te laten gaan, hij zal het zelfs uit zijn land wegjagen.’

Tweede lezing
Uit de Commentaren op de Psalmen van de H. Augustinus, bisschop
(Ps 60, 2-3: CCL 39, 766)

Wij zijn in Christus bedroefd: in Hem hebben wij de duivel overwonnen

Verhoor, Heer, mijn smekingen; luister naar mijn gebed. Wie zegt dit? Alsof het er één was. Maar zie, of het er wel één is. Vanaf de uiteinden der aarde heb ik tot U geroepen, toen mijn hart beangstigd werd. Het is er dus niet één; maar in zoverre Een, omdat Christus één is, van Wie wij allen ledematen zijn. Want welke éne mens roept er vanaf de uiteinden der aarde? Dat doet alleen dat erfdeel, waarover tot de Zoon zelf gezegd is: Vraag en Mij en geven zal Ik u de heidenen tot uw erfdeel en de grenzen der aarde tot uw eigendom.
Dit is dus het bezit van Christus, dit zijn erfdeel, dit zijn Lichaam, dit éne is Christus’ Kerk. Haar eenheid, die wij zijn, roept van af de grenzen der aarde. En wat roept zij? Wat ik hierboven heb gezegd: Verhoor, Heer, mijn smekingen, luister naar mijn gebed. Vanaf de uiteinden der aarde heb ik tot U geroepen. Dat is, ik heb tot U geroepen vanaf de grenzen der aarde, dat is, van alle kanten.
Maar waarom heb ik dan geroepen? Omdat mijn hart beangstigd werd. Het toont aan, dat het hart onder alle volken over geheel de aarde niet een grote glorie geniet, maar in zware verdrukking verkeert.
Want ons leven op deze pelgrimstocht kan niet zonder beproeving bestaan omdat onze vooruitgang geschiedt langs de weg van de beproeving. Niemand toch kent zichzelf dan hij, die beproefd wordt. Ook kan niemand gekroond worden, als hij niet overwonnen heeft, maar hij kan niet overwinnen, als hij niet gestreden heeft, en hij kan niet strijden, als hij geen vijanden en beproevingen heeft.
Hij wordt dus beangstigd, terwijl zijn geroep klinkt vanaf de grenzen der aarde, maar toch wordt hij niet in de steek gelaten. Omdat Hij onszelf, die zijn Lichaam vormen, ook vooraf wilde vormen in dat Lichaam van Hem, waarin Hij reeds gestorven en verrezen is en ten hemel opgestegen, opdat, waar het Hoofd was voorgegaan, ook de leden mochten vertrouwen Hem te zullen volgen.
Daarom heeft Hij onze menselijkheid zelf overgenomen, toen Hij wilde bekoord worden door de Satan. Zojuist werd uit het Evangelie voorgelezen, dat de Heer Jezus Christus in de woestijn door de duivel werd bekoord. Inderdaad werd de Heer door de duivel bekoord. In Christus immers werd gij bekoord, omdat Christus voor zichzelf van u het vlees had, maar van zichzelf voor u de verlossing; van u voor zich de dood, uit zichzelf voor u het leven; van uw kant voor hem de smaad, van zijn kant voor u de eer; derhalve van uit u voor Hem de beproeving, van uit Hemzelf voor u de overwinning.
Als wij in Hem beproefd zijn, overwinnen we ook in Hem de duivel. Gij ziet waarom Christus beproefd is, en ziet ge dan niet waarom Hij heeft overwonnen? Erken, dat ge in Hem zijt beproefd en erken ook, dat ge in Hem overwinnaar zijt. Hij kan de duivel van Zich weren, maar als Hij zich niet liet beproeven, dan zou Hij niet leren hoe de beproeving te overwinnen.