Posts tonen met het label Sint Augustinus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sint Augustinus. Alle posts tonen

zaterdag 5 juli 2025

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XIV per annum Sacrificium Deo spiritus contritus. Een offer voor God is een vermorzelde geest





Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Serm. 19, 2-3: CCL 41, 252-254)

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus
Sermo 19, 2-3; CCL 41,252-254
Een offer voor God is een vermorzelde geest
Ik erken, zegt David, mijn misdaad. Maar als ik deze erken, vergeeft Gij ze mij dan. Laten wij aannemen dat wij geenszins zonder zonde zijn, ook al leven wij goed. Laat het leven dan zo geprezen worden, dat er vergeving wordt gevraagd. Maar wanhopigen zijn, naarmate zij minder op hun eigen zonden bedacht zijn, des te nieuwsgieriger omtrent de zonden van anderen. Want ze zoeken daar niet iets om te verbeteren, maar om te hekelen. En terwijl zij zichzelf niet kunnen verontschuldigen, staan ze klaar om anderen te beschuldigen. Niet op die manier gaf David ons een voorbeeld van gebed en voldoening geven aan God, als hij zegt: Omdat ik mijn misdaad erken en mijn zonde altijd voor ogen heb. Hij had geen belangstelling voor de zonden van anderen. Hij riep zichzelf ter verantwoording; hij vleide zichzelf niet, maar drong steeds dieper in zichzelf door. Hij spaarde zichzelf niet, en daarom was het niet onbeschaamd te vragen dat hij gespaard zou worden.
Wilt Gij God behagen? Dat moet ge leren inzien, wat ge bij u zelf moet doen om God met u te verzoenen. Let goed op dezelfde psalm [50 (50)], want daar leest men: Want hadt Gij een offergave gewild, dan had ik U ze zeker gebracht; in brandoffers hebt Gij geen behagen. Dus zult ge maar zonder offer zijn? Dus niets offeren? Met geen offergave God willen verzoenen? Wat hebt ge daar gezegd? Had Gij een offergave gewild, dan had ik ze U zeker gegeven; in brandoffers hebt Gij geen welbehagen. Lees verder, luister en zeg: Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Door weg te werpen, wat ge wilde brengen, hebt ge het juiste gevonden om te offeren. Immers, bij uw vaderen offerde men offers van vee, en dat werden offergaven genoemd. Als Gij een offergave had gewild, dan had ik ze U zeker gebracht. Dat soort offers vraagt Gij dus niet, en toch vraagt Gij een offer.
In brandoffers hebt Gij geen behagen, zegt de Schrift. Maar als Gij U dan niet verheugt over brandoffers, zult Gij dan zonder offers blijven? Dat zeker niet. Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Hier hebt ge, wat ge kunt offeren. Ge behoeft uw kudde niet nauwkeurig te monsteren, geen schapen klaar te maken en door te dringen tot de uiterste landstreken om er reukwerken weg te halen. Zoek in uw eigen hart wat God aangenaam is. Dat hart moet zich vermorzelen. Wat vreest ge, dat zo’n vermorzeld hart zal omkomen? Hier hebt ge het: God, schep in mij een zuiver hart. Maar om te bewerken, dat uw hart tot een zuiver hart wordt herschapen, moet het onreine erin vermorzeld worden. Laten wij aan onszelf mishagen, wanneer wij zondigen, omdat de zonden aan God mishagen. Maar omdat wij niet zonder zonde zijn, laten wij dan hierin minstens op God gelijken, dat hetgeen Hem mishaagt, ook ons mishaagt. Dan zijt gij tenminste in één opzicht met Gods Wil verenigd, omdat datgene, wat u in u zelf mishaagt, ook Hém mishaagt, die u gemaakt heeft.


zondag 22 juni 2025

Augustine on the nature of the Sacrament of the Eucharist

What you see on God's altar, you've already observed during the night that has now ended. But you've heard nothing about just what it might be, or what it might mean, or what great thing it might be said to symbolize. For what you see is simply bread and a cup - this is the information your eyes report. But your faith demands far subtler insight: the bread is Christ's body, the cup is Christ's blood. Faith can grasp the fundamentals quickly, succinctly, yet it hungers for a fuller account of the matter. As the prophet says, "Unless you believe, you will not understand." [Is. 7.9; Septuagint] So you can say to me, "You urged us to believe; now explain, so we can understand." Inside each of you, thoughts like these are rising: "Our Lord Jesus Christ, we know the source of his flesh; he took it from the virgin Mary. Like any infant, he was nursed and nourished; he grew; became a youngster; suffered persecution from his own people. To the wood he was nailed; on the wood he died; from the wood, his body was taken down and buried. On the third day (as he willed) he rose; he ascended bodily into heaven whence he will come to judge the living and the dead. There he dwells even now, seated at God's right. So how can bread be his body? And what about the cup? How can it (or what it contains) be his blood?" My friends, these realities are called sacraments because in them one thing is seen, while another is grasped. What is seen is a mere physical likeness; what is grasped bears spiritual fruit. So now, if you want to understand the body of Christ, listen to the Apostle Paul speaking to the faithful: "You are the body of Christ, member for member." [1 Cor. 12.27] If you, therefore, are Christ's body and members, it is your own mystery that is placed on the Lord's table! It is your own mystery that you are receiving! You are saying "Amen" to what you are: your response is a personal signature, affirming your faith. When you hear "The body of Christ", you reply "Amen." Be a member of Christ's body, then, so that your "Amen" may ring true! But what role does the bread play? We have no theory of our own to propose here; listen, instead, to what Paul says about this sacrament: "The bread is one, and we, though many, are one body." [1 Cor. 10.17] Understand and rejoice: unity, truth, faithfulness, love. "One bread," he says. What is this one bread? Is it not the "one body," formed from many? Remember: bread doesn't come from a single grain, but from many. When you received exorcism, you were "ground." When you were baptized, you were "leavened." When you received the fire of the Holy Spirit, you were "baked." Be what you see; receive what you are. This is what Paul is saying about the bread. So too, what we are to understand about the cup is similar and requires little explanation. In the visible object of bread, many grains are gathered into one just as the faithful (so Scripture says) form "a single heart and mind in God" [Acts 4.32]. And thus it is with the wine. Remember, friends, how wine is made. Individual grapes hang together in a bunch, but the juice from them all is mingled to become a single brew. This is the image chosen by Christ our Lord to show how, at his own table, the mystery of our unity and peace is solemnly consecrated. All who fail to keep the bond of peace after entering this mystery receive not a sacrament that benefits them, but an indictment that condemns them. So let us give God our sincere and deepest gratitude, and, as far as human weakness will permit, let us turn to the Lord with pure hearts. With all our strength, let us seek God's singular mercy, for then the Divine Goodness will surely hear our prayers. God's power will drive the Evil One from our acts and thoughts; it will deepen our faith, govern our minds, grant us holy thoughts, and lead us, finally, to share the divine happiness through God's own son Jesus Christ. Amen! (Sermon 272)

maandag 4 november 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS III

Op weg naar de verheerlijking

De Kerk vervolgt haar pelgrimsweg tot aan het einde van de dingen, tussen de vervolgingen van de kant van de wereld en de vertroostingen van God. Wakend in zoveel nachten, lijdend in zoveel ellende, vooruitkijkend en afwachtend, sterk in het verdragen en standvastig in het volhouden. Welke vrucht, denkt u, zal haar deel zijn?

“Komt, gezegenden van mijn Vader, neemt bezit van het rijk dat reeds voor u is bereid vanaf de grondvesting van de wereld” (Mt 25, 34).

De Kerk leidt als het ware een tweevoudig leven overeenkomstig de verkondiging en de belofte van de Heer: het ene in geloof, het andere in aanschouwing, het ene als pelgrim onderweg, het andere in het eeuwige huis van de Vader; het ene in moeizame inspanning, het andere in rust; het ene werkend, het andere beschouwend. Het ene verwijst naar de apostel Petrus, het tweede naar Johannes. 

Welke schat zij dragen, weten goede christenen zelf niet; eens zullen zij het echter weten. 

De wortel leeft, maar in de winter is ook de levende boom gelijk aan een verdorde boom. In de winter dragen beide - de verdorde en de levende boom - geen blad en zijn ook niet beladen met vruchten. Maar de zomer komt en toont wat in de bomen is verborgen: de levende stam en takken brengen bladeren en vruchten voort; de verdorde boom zal in de zomer leeg blijven zoals in de winter.

Onze winter is de verborgenheid van Christus, onze zomer is de openbaring van Christus. Daarom troost de apostel Paulus de goede bomen, de gelovigen: ”U bent immers gestorven, maar uw leven ligt met Christus verborgen in God” (Kol 3, 3) - u bent dood, maar dat is slechts schijn: in de wortel leeft u, en wanneer “Christus, uw leven zal verschijnen, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol 3, 4).

Onze ellende enerzijds en de barmhartigheid van God anderzijds brengen mee dat een tijd van droefheid aan de tijd van vreugde vooraf moet gaan. Eerst moet er een tijd van droefheid zijn, er dan komt de verlossing; eerst een tijd van moeite en inspanning, dan de rust; eerst een tijd van geweeklaag, dan de zaligheid. De tijd van droefheid, inspanning, geweeklaag zijn het gevolg van onze zonden, de tijd van vreugde, rust en zaligheid zijn niet te danken aan onze verdiensten, maar aan de genade van Christus, onze Verlosser. We hopen op iets anders dan we verdienen: we verdienen het kwade, maar we hopen op het goede. Komt het een voort uit onze erbarmelijke toestand, het laatste komt van de erbarming van Hem die ons heeft geschapen. 

Zó groot is het geluk van de gerechtigheid, dat we daarvoor, zelfs wanneer we dit slechts een enkele dag zouden kunnen genieten, een onmetelijk lang leven met alle mogelijke goederen en genietingen gering zouden moeten schatten. 

De vrede die ons hier ten deelt valt, vloeit voort uit het geloof dat ons met God verbindt, in de eeuwigheid zal deze ons met God in de aanschouwing van Hem verbinden. Hier beneden is de vrede meer een troost in het lijden dan een zalig genieten.

De heiligheid die wij in dit leven bereiken, berust meer op de vergeving van de zonden dan op volmaaktheid in de deugd. Heiligheid betekent dat God de heerschappij bezit over de mens die Hem gehoorzaamt, en in de mens de geest over het lichaam, het verstand over de begeerte - namelijk dat men méér door de genade van God om vergeving van zonde smeekt en voor de ontvangen goedheid dankbaar is dan door eigen verdienste. Daar zal de gehoorzaamheid zelfs zo zoet en gemakkelijk zijn, als leven en heersen zalig zijn. In de vrede van deze zaligheid - in de zaligheid van deze vrede - zal het hoogste goed bestaan.

Thans leven we niet zonder strijd. We zijn tot eendracht geroepen en om onderling de vrede bewaren, maar dikwijls moeten we strijden met hen, voor wie wij menen te moeten zorgen. Iemand slaat de verkeerde weg in; u wilt hem terughalen, hij verzet zich - u strijdt met hem. De heidenen verzetten zich - u strijdt tegen het bedrog van de afgoden en demonen. De afvallige verzet zich - u strijdt tegen een andere vorm van demonische dwaalleer. Slechte katholieken willen niet rechtschapen leven; ook iemand die u na aan het hart ligt, gelooft u te moeten terechtwijzen - hoeveel niet te vermijden strijd overal! Menigeen zegt ook: “Waarom moet ik zo lijden? Ik wil mij op mezelf terugtrekken, in mijn eigen huis blijven en God in de stilte aanroepen!”

Trekt u zich nu maar op u zelf terug; u vindt strijd! “Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf” (Gal 5, 17). U bent dit zelf; u bent alleen met u zelf, hebt met niemand anders te doen; maar u voelt (Rom 7, 23-25) “in alles wat ik doe een andere wet. Deze voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de zonde die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkige mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? Dat doet God! Dank aan Hem door Jezus Christus onze Heer.

De Heer zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien Mij niet meer, maar kort daarna zien jullie Mij terug” ( Jo 16,16). Deze belofte geldt de gehele Kerk, evenals aan de gehele Kerk werd beloofd: “Ik ben bij u, tot aan het einde van de wereld” (Mt 28,20). De Heer talmt niet met zijn belofte: een korte tijd en we zullen Hem zien. Dan zullen we Hem om niets meer vragen, niets meer te vragen hebben; niets verder nog te verlangen hebben, niets meer zoeken wat verborgen is.

Deze “korte tijd” komt ons voor als lang, omdat deze tijd nog voortduurt; als deze voorbij is, zullen we inzien hoe kort deze tijd was.

Daarom moet onze vreugde niet zijn, zoals de wereld die kent, waarover Johannes zegt: “De wereld zal zich echter verheugen” (Jo 16,20); en toch moeten we niet zonder vreugde zijn in ons smartelijk verlangen, veeleer (zoals de Apostel zegt): “Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt” (Rom 12, 12). Zo verheugt zich ook de barende over het kindje dat op komst is méér, dan dat zij lijdt door haar ogenblikkelijke nood. We lijden een tijd, maar niet altijd. Kort duurt de droefheid, eeuwig de zaligheid. Het verdriet houdt slechts een tijdje aan, eeuwig duurt de vreugde.

“Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart” (2 Pe 1, 19). Op die dag zal onze Heer Jezus Christus komen om te verlichten wat in het duister verborgen is. Als die dag aanbreekt zal geen licht meer nodig zijn, geen profeet meer worden gelezen en geen geschriften van de Apostelen nog worden opengeslagen - zelfs het Evangelie zullen wij niet meer nodig hebben. Alle geschriften die als heldere lampen in deze donkere wereld voor ons werden ontstoken opdat wij niet in duisternis zouden leven, zijn niet meer nodig. 

Waarover zal de blik zich dan verblijden, waarin zal dan onze zaligheid bestaan, die “geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en die in geen enkel mensenhart is opgekomen?“ (1 Kor 2,9)?

Ik vraag u, broeders - zegt de H. Augustinus - bemin met mij, verlang met mij in geloof! Laten we verlangen naar ons vaderland hierboven waarover Johannes zegt: “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” (Jo 1,1).

De dauw waarmee we hier besprenkeld worden, zal daar een bron zijn. De straal die een verduisterd, gewond en afgedwaald hart binnendringt, zal daar een onverhuld licht zijn. Met het oog op de zalige aanschouwing van de Heer worden wij nu gelouterd. 

(De wapenspreuk van de nieuwe bisschop van Roermond, Cornelis van den Hout: In exilio spes - hoop in de ballingschap, is ook op ons van toepassing)

“Zeer geliefden, we zijn nu al kinderen van God en nog niet is geopenbaard, wat wij zullen zijn; maar we weten dat wij aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is (1 Jo 3, 2).         

Wat zal ik zeggen, geliefden? O, zalig huis! O, zeker vaderland! O, als het hart, ook al is het gering, toch eens zou verlangen naar die onuitsprekelijke heerlijkheid! O, als we onze pelgrimstocht weliswaar onder zuchten afleggen en de wereld niet beminnen, maar steeds in gelovige gezindheid aankloppen bij Hem die ons geroepen heeft! Verlangen is de adem van de ziel. Dat ons hart groter worde, opdat ons verlangen steeds groter mag zijn! Mogen de H. Schrift dit, moge de gemeenschap van de Kerk, moge de viering van de H. Geheimen, moge dit het Doopsel, de lofzang voor God en moge ook ons bidden en spreken dit in ons verwerkelijken! Als u zó gezind bent, verheft uw hart, u allen, zoveel u kunt en u zult ontvangen wat Hij heeft beloofd. 

Niet zonder reden heeft de Kerk volgens oude overlevering de gewoonte bewaard in de Paastijd het Alleluia te zingen. Alleluia is de lof van God; het zegt ons ten tijde van beproeving wat wij eens zullen doen wanneer wij zijn rust zijn binnengegaan.

Laat ons het Alleluia zingen naar vermogen, opdat we eens verdienen het te zingen zonder onderbreking; de lof van God daar en hier: hier door hen die waken, daar door hen die zeker zijn; hier door sterfelijke mensen, daar door de zaligen die niet meer kunnen sterven; hier in hoop, daar in bezit; hier onderweg, daar in het vaderland!

Laat ons nu reeds lof zingen, niet om een zoete rust te genieten maar om de arbeid te verzoeten!

Laat ons zingen zoals pelgrims zingen: zingen onderweg! Het gezang zal ons tot troost zijn bij onze inspanningen. Laat u niet ophouden door traagheid: zingt en loopt door! Laat ons de Heer loven, onze God! Laat ons Hem loven, niet alleen met onze stem maar ook in ons gedrag. Laat onze tong hem loven, laat ons leven Hem loven. Laat zo het Alleluia uit uw mond klinken! Laten we bij het zingen van het Alleluia onze blik verheffen naar de Dag die geen einde kent naar het land van de onsterfelijkheid! Laten we ons haasten naar ons eeuwig thuis! “Zalig, die wonen in uw huis: van eeuwigheid tot eeuwigheid zullen zij U prijzen” (Ps 83[84],5).

Keren we ons tot God, laten wij Hem smeken voor ons en voor heel zijn volk opdat Hij ons in zijn barmhartige liefde behoedt en bewaart door Jezus Christus zijn Zoon, onze Heer, die met Hem leeft in de eeuwen der eeuwen

Slotgebed

Heer, onze God, U hebt ons alles gegeven - schenk ons de vrede! De vrede van de sabbat, van de sabbat zonder avond: wanneer U zo in ons zult rusten zoals U nu in ons werkt (want Gij, Heer, werkt en rust steeds daar) - waar wij U toegedaan zijn met heel ons wezen! Dan zal geen smart en ook geen plaag ons neerdrukken. Dan zal heel ons leven door uw volheid een leven in de waarheid zijn. En dit wonderlijke ‘universum’ dat U zelf ‘goed’ noemde, zal voorbij zijn wanneer de maat ervan bereikt is; en het zal geweest zijn ”een morgen en een avond”. De sabbat echter heeft geen avond en kent geen ondergang: U hebt deze dag geheiligd, opdat hij steeds mag voortduren.

Heer, onze God, U heeft ons geroepen, wij roepen tot U. 

Wij horen U roepen, wil ons roepen aanhoren! 

Leid ons daarheen waarheen U beloofde ons te leiden. 

Voltooi, God, wat u begonnen bent; verlaat de uwen niet! Amen.


dinsdag 30 juli 2024

De christelijke hoop in de visie van Sint Augustinus II

 




 

Zien we naar Christus: vanuit de hemelse zaligheid kwam Hij tot ons, maar hier beneden vond Híj zelfs geen zaligheid. Hij werd uitgelachten, beschimpt, vastgegrepen, gegeseld, met roeden geslagen; men wierp Hem een purperen mantel om, Hij werd met doornen gekroond, aan het kruis geslagen en het laatste - het laatste voor de Heer - was de dood.

Wat zoekt u dus, knecht, hier zaligheid, in een land dat de Heer door de dood verliet?

Hier beneden vergaan de dagen en zijn daarom pijnlijk. Waar niets vergaat, daar is ‘de Dag’ en de Dag is Christus, de Dag is de Vader. Christus kwam om te lijden, maar ook om verheerlijkt te worden; Hij kwam om veracht te worden, maar ook om verheven te worden, om te sterven, maar ook om te verrijzen.

Schrikt het werk u af, kijk naar het loon! Het goede leven betekent werken, het zalige leven is het avondloon. Waarom wilt u op weke wijze daarheen worden gedragen, waar slechts ingespannen strijd daar geraakt? Waarom bent u verward? Door de stormen van de wereld wordt uw hart in het nauw gebracht, zoals dat scheepje waarin Jezus sliep.

Het scheepje, waarin Jezus slaapt, is uw hart, waarin het geloof slaapt. Wat ongehoords gebeurt er met u, christen? Heeft niet de Heer gezegd, dat de wereld zal worden verwoest? Heeft Hij niet gezegd dat de wereld zal vergaan? U gelooft dat het voorzegd werd - en nu bent u verward, omdat u het beleeft? Ook al beukt de storm tegen uw scheepje - let op dat het niet breekt: roep Christus! Christus “woont door het geloof in uw hart” (Ef 3,17). Is daar geloof, dan is Christus daar. Is het geloof wakker, dan is Christus wakker. De wereld gaat ten onder, de wereld vergaat, kreunend - maar wees niet bang, “als een adelaar wordt immers uw jeugd vernieuwd” (Ps 103, 5).

 

Wij zijn christenen, wij behoren Christus toe. Laat de wereld te keer gaan, we worden niet gebroken: we zijn van Christus! Laat de wereld ons vleien, de wereld verleidt ons niet, we behoren Christus toe.

De afwezigheid van de Heer betekent geen scheiding: heb geloof en Hij, die u niet ziet, is bij u!

“Vrede (sprak Hij) laat ik u, mijn vrede geef ik u” (Jo 14, 27). In Hem en door Hem hebben we vrede - zowel de vrede die Hij ons heeft achtergelaten toen Hij naar de Vader ging, als de vrede die Hij ons zal geven als Hij ons bij de Vader thuis brengt. Hij zelf is onze vrede, die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt” (Ef 2, 14). Hij is onze vrede omdat wij in Hem geloven. Hij is in de volle zin van het woord onze vrede, wanneer we Hem eens zullen aanschouwen.

Nu hebben we voorlopig een vrede die heet “Vergeef ons onze schuld”- dus slechts een bepaalde vrede, omdat wij “innerlijk vol vreugde instemmen met de wet van God”, maar het is geen volkomen vrede, omdat “in alles wat ik doe ik een andere wet zie die strijd voert tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem” (Rom 7, 22 e.v.). Op dezelfde manier hebben we onderling een bepaalde vrede, omdat we geloven dat we elkaar beminnen: maar ook dit is geen volkomen vrede, elkaar beminnen, omdat we de gedachten van elkaars hart niet kunnen lezen en daardoor gemakkelijk vermoeden wat er niet is, in goede of minder goede zin.

“Zijn” vrede echter, de volle vrede, zullen we genieten, wanneer wij “Hem zullen zien, zoals Hij is” (1 Joh 3,2). Want, als Hij de pelgrims die van verre komen niet in de steek laat, hoeveel te meer zal Hij eens ons met Zichzelf vervullen, wanneer wij de gelukzalige aanschouwing zullen hebben bereikt!

Daarom vinden wij, christenen, het leven hier in de wereld niet zalig maar hoogstens te verdagen. We dragen en verdragen het lijden dat van Hem komt met een goede intentie en met Gods genade standvastig, omdat wij ons met het oog op Gods trouwe beloften verheugen in de verwachting van de eeuwige goederen, zoals de Apostel Paulus aanspoort: “Weest verheugt door de hoop die u hebt, weest standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt en bidt onophoudelijk” (Rom 12, 12). Als we niet te lijden zouden hebben, zouden we kunnen menen dat het tijdelijke geluk het hoogste is wat God zijn dienaren schenkt en zouden we van Hem niets hogers verwachten. Zo voegt Hij aan het zoete van dit leven lasten en beproevingen toe, opdat wij dát leven zoeken, waarvan de zoetheid heil is.

Het gaat diep als de Heilige Geest ons maant en leert verzuchten, dat wij hier pelgrims zijn en ons heimwee inboezemt naar het vaderland, en ook dit heimwee ons verzuchten doet (cf 2 Kor 5, 4 e.v.). Wie zich goed voelt in de wereld (of beter wie gelooft dat het hem goed gaat), wie genoegen beleeft aan het aardse, jubelt, in het bezit van overvloed aan tijdelijke goederen en ijdel geluk heeft de stem van een raaf: krassend is zijn stem en niet ‘zuchtend”. Wie echter weet dat hij zich in de benauwenis van dit sterfelijke leven bevindt en “nog ver van de Heer pelgrimeert” (2 Kor 5,6), kan slechts verzuchten; en zolang hij naar het hemelse vaderland verlangend uitziet, is hij goed: de Geest heeft hem geleerd te verzuchten, van de ‘Duif’ heeft hij het zuchten geleerd.

Velen echter zuchten hier op aarde en voelen zich ongelukkig, terneergedrukt door verlies, met ziekte overladen of in de gevangenis in boeien geslagen, op de golven van de zee heen en weer geslingerd of door vijandelijke achtervolging ingesloten - zij zuchten, maar niet als de duiven, niet uit liefde tot God, niet in de Geest. Wanneer zij van deze benauwdheden worden bevrijd jubelen zij met luide stem en dan blijkt dat ook zij raven zijn en geen duiven. Ware christenen verlangen en bidden. Zij die beladen zijn zuchten, de behoeftigen bidden. Het bidden gaat voorbij, de lofzang volgt, het wenen gaat voorbij, de vreugde volgt.

Onder de druk van benauwenissen het geduld bewaren, standvastig blijven, aan het geloof vasthouden, niet toegeven aan zonde - als u hiertoe in staat bent - dan wordt de druk u niet tot verderf, maar zal u tot voordeel en nut zijn; zoals de druk van de wijnpers niet dient om de druiven te persen, maar om het zoete sap te behouden. En wanneer u zelfs onder deze druk God kunt loven, hoe kostbaar is dan de druk die zo’n sap uitperst!

Zo waren de Apostelen in hun boeien gekweld en zongen God lof. De heiligen beminnen God, ook wanneer Hij hen tuchtigt. De niet-heiligen morren, zij zijn tevreden. Onder de gesel Gods hebben de heiligen Gods lof gezongen: want ook wanneer Hij hen kastijdt, blijft Hij hun liefde. De ziel, die nog zwak is, zoekt zich weliswaar in dit leven iets aards, om daarin te rusten. Want de dubbele inspanning van de dagelijkse arbeid en tegelijk die van de Geest, die zich geheel en al naar God wil plooien, kan zij op den duur moeilijk dragen. Zo zoekt zij dan op aarde iets waarin zij rust kan vinden, waar zij haar toevlucht kan vinden om op adem te komen.

Maar Gods plan is het dat onze liefde zich steeds meer op het eeuwige leven richt. Daarom voegt Hij wanneer wij gelaafd worden ook bitterheid toe, dat wij ook in vreugde verdriet hebben. Klaag niet: Iets hogers moet u beminnen! Daarom is het voor u bitter dat u als pelgrim naar dat hoge, naar het vaderland onderweg bent en geen voldoening vindt in de rust onderweg, in plaats van uw bestemming, uw thuis, te kunnen beminnen.

Wanneer Christus, de Heer, een ziel is binnengegaan en in haar zijn intrek heeft genomen door het geloof, leert Hij haar, zich over een geluk dat haar toevalt niet al te zeer te verheugen en door ongeluk zich niet te zeer te laten neerdrukken. De gelovige mens staat gelijkmoedig tegenover de wereld. Hij wordt niet hoogmoedig als het hem goed gaat en niet kleinmoedig als hij tegenspoed ervaart. Hij looft en prijst in alles zijn Heer: bij overvloed en bij nood, bij gezondheid en bij ziekte. “Elke dag wil ik U prijzen, uw Naam loven tot in eeuwigheid” (Ps 144 [145], 2) zegt de psalmist.

 

Het vergankelijke leven kan men afbreken, het eeuwige kan niemand roven. Wat men u kan afnemen zijn de boeien die u hier houden - zo zult u eens te meer God aanhangen met Wie u reeds op voorhand verbonden was door hoop en liefde.

De wereld valt, de christen blijft recht staan, want Christus valt niet. Weest getroost: “Ik heb de wereld overwonnen!” (Jo 16, 33). Zijn leerlingen hebben Hem hun vertrouwen geschonken hebben overwonnen; aan wie anders, behalve aan Hem?

Als Christus de wereld niet had overwonnen, dan had de wereld Zijn ledematen overwonnen.

Maar “Laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft!” (1 Kor 15, 57).

“Weest daarom getroost: Ik heb de wereld overwonnen!“ zegt Jezus. Waarom “weest getroost!” als niet om reden dat Hij voor ons gestreden en overwonnen heeft? Want Hij heeft ons verzekerd van de verrijzenis.ij oins heeft achtergelaten toen Hij naar de Vader ging, als de vrede die Hij ons zal geven, wanneer Hij oins bij de Vader thuis brengt.




 


donderdag 20 juni 2024

DE CHRISTELIJKE HOOP IN DE VISIE VAN SINT AUGUSTINUS, 1

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.


Alles wat Christus te beurt viel, bij zijn kruisiging, zijn graflegging, zijn verrijzenis op de derde dag, bij zijn hemelvaart en bij zijn zetelen aan de rechterhand van de Vader is zó voltrokken, dat in deze geheimnisvolle gebeurtenissen (niet alleen maar in geheimnisvolle woorden) het leven van de christen wordt uitgedrukt, zoals het door de gelovigen wordt geleefd.

In zijn lijden heeft Christus ons laten zien wat wij moeten doorstaan, in zijn verrijzenis wat wij mogen verhopen. Wij bevinden ons reeds aan de rechterhand van de Vader en Hij (Jezus) hier met ons in onze nood; wij, zoals wij hopen aan de rechterhand van de Vader, Hij, hier met ons in de eenheid van liefde. Hij draagt in u de lasten, lijdt dorst en honger in u, ondergaat in u benauwdheid en angst, sterft nog steeds in u - en u bent in Hem reeds verrezen. In Hem zijn wij gestorven, in Hem zijn we opgestaan. Hij vormt de eenheid van Hoofd en mystiek Lichaam: Hoofd en Lichaam vormen de éne Christus.

Christus heeft geleden om uwentwil en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treedt dus in zijn voetstappen (cf 1 Pe 2, 21). Met een vurige liefde zijn Hem de martelaren gevolgd; en willen wij niet nutteloos hun gedachtenis eren en niet nutteloos tot dezelfde maaltijd, waardoor zij werden verzadigd, toetreden, tot de tafel van de Heer -, dan moeten ook wij naar hun voorbeeld ons voorbereiden. Daarom gedenken we de martelaren bij die viering, niet zoals de anderen die in vrede rusten, dat we namelijk voor hen zouden bidden, maar eerder dat zij voor ons zouden bidden, opdat wij hun voorbeeld zouden volgen.

Christus, ons Hoofd werd gegeseld alvorens Hij opstond uit de doden. Dus laten wij als wij worden gegeseld, niet de moed verliezen, opdat wij ons eens verheugen in onze verrijzenis.

 “Zijn ziel was bedroefd tot de dood toe” (Mt 26, 38) - Hij, die “de macht bezat, zijn leven te geven en de macht om het weer terug te nemen” (Jo 10, 18). Beseffen wij dat wij de ledematen zijn van wie Hij het Hoofd is: herkennen wij onszelf in zijn droefheid, opdat wij, wanneer wij zelf bedroefd zijn, niet aan vertwijfeling ten onder gaan!

 Met Christus tenslotte zijn wij opgestaan; ook wij zijn nu bij ons Hoofd - eerstens in geloof en hoop, die echter voltooid worden bij de opstanding van de doden; en wanneer onze hoop voleindigd is, dan ook onze rechtvaardiging, - “opdat wij door Hem rechtvaardig voor God kunnen worden” (2 Kor 5, 21).

 In ons sterfelijk lichaam, dat “voor de ziel een last is” (Wijsh 19, 15) leven we armzalig. Weliswaar zijn we verlost door Christus, onze Middellaar en hebben wij de H. Geest ontvangen als onderpand, en daarom bezitten we reeds een ‘zalig leven’ verankerd in onze hoop, maar nog niet in werkelijkheid. “Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden (Rom 8, 24-25).

Dit leven waarvan Job zich afvraagt “Is het leven van de mens op aarde geen beproeving?” (Job 7, 1), dit leven waarbij we dagelijks roepen: “Verlos ons van het kwade” (Mt 6, 13), moet de mens nog leven en verdragen, ook na de vergeving van de zonden (ofschoon de zonde de schuld draagt van dit leven vol beproevingen); want de straf duurt langer dan de schuld, opdat de schuld ons niet als gering voorkomt, als met haar ook de straf eindigt. Zo wil het de rechtvaardige ‘toorn van God’, waarvan de Schrift spreekt: “De mens, geboren uit een vrouw, leeft korte tijd en vol ellende” (Job 14,1). “Maar zou God zijn vergeten zich te ontfermen, of in zijn toorn zijn hart hebben gesloten? vraagt Psalm 76, 10 zich af, tot troost voor de armen die wij altijd bij ons hebben? En heeft Hij niet “toen de volheid van de tijd was gekomen zijn eigen Zoon gezonden” (Gal 4, 4) “als enige Middellaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus”? (1 Tim 2,5). Door te geloven in Hem zouden zij kwijtschelding van schuld ontvangen en gevrijwaard voor de eeuwige verdoemenis, in geloof, hoop en liefde door deze wereld pelgrimeren - temidden van moeizame en gevaarlijke beproevingen weliswaar - maar ook op hun weg vooruit geholpen door geestelijke troost, de aanschouwing van Hem tegemoet, de ‘Weg’ die Christus voor hen is geworden.

 Hier beneden geldt het woord van het Hooglied: “Gewond ben ik door de liefde” (Hoogl 5, 8). Gewond wil zeggen dat wij verlangen, maar nog niet bezitten. Gewond is onze liefde omdat zij leed en verdriet draagt en verdraagt. Maar als wij ons doel hebben bereikt, zullen leed en verdriet wijken en de liefde worden bestendigd. Hier beleven we de tijd van hopen, van wenen, van vernedering en het verdriet om onze gebrekkigheid; wie hier geen verlangen bezit in zijn hoop, bereikt het doel niet. Blijf hopen, opdat u de vervulling ten deel valt! Blijf hongeren en dorsten, opdat u verzadigd wordt!

 Heel het leven van de ware christen is heilig verlangen en wat u verlangt, ziet u nog niet. De hoop is nodig voor onze pelgrimstocht. Zij is het die ons staande houdt op onze weg. Ontneem de wandelaar de hoop zijn doel te bereiken: hij stort in en heeft geen kracht meer verder te gaan! Wie echter het geloof - “dat door de liefde werkzaam is” (Gal 5, 6) - bezit, hoopt ook op hetgeen God belooft.

“In deze hoop zijn we gered” zegt Sint Paulus in Rom 8, 24. Deze stelling neem ik dikwijls in de mond, opdat we niet zouden geloven, dat we hier op aarde inderdaad al zalig moeten zijn en verlost van allerlei beproevingen, zodat we bij voorbijgaand kwaad tegen God zouden morren als gaf Hij ons niet wat Hij heeft beloofd. Hij heeft ons het noodzakelijke voor dit leven beloofd, maar men moet wel een onderscheid maken tussen troost voor hen die moeizaam door het leven gaan en de vreugde van de zaligen. “Heer, wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel”, zegt de psalmist in Psalm 93, 19.

 Laat ons dus niet morren wanneer we het zwaar hebben en ook niet de vreugde verliezen waarover gezegd is: “Wees verheugd door de hoop die u hebt” (Rom 12, 12) - waarop onmiddellijk volgt: “Wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk”.

 Als christenen moeten we ons in deze wereld op tegenspoed voorbereiden. Op rustige en betere tijden hoeven we niet te hopen. Laten we ons zelf niets wijsmaken: wat het Evangelie niet belooft, dat moeten we ons zelf ook niet beloven.


vrijdag 29 juli 2022

29 juli H. Martha - Uit de preken van de H. Augustinus, bisschop



Zalig zij, die Christus in hun eigen huis verdienden te ontvangen

De woorden van onze Heer Jezus Christus vermanen ons, dat er één iets is, waarnaar wij moeten streven zolang wij onder de mensen in deze wereld arbeiden. Wij zijn echter op weg als pelgrims, niet als blijvenden. Wij zijn nog onderweg, nog niet in het vaderland; nog met verlangens, nog niet genietend. Toch zijn wij op weg en gaan onverzwakt en zonder tussenpozen voort om eens het einde te kunnen bereiken.

Martha en Maria waren twee zusters, beiden niet alleen naar het vlees, maar ook zusters in het geloof; beiden hingen zij de Heer aan, beiden dienden zij van harte de Heer, die in het vlees tegenwoordig was. Hem nam Martha op zoals men vreemdelingen gewoon was op te nemen. Maar toch de dienares nam haar Heer op, de zieke haar Geneesheer, het schepsel de Schepper. Zij toch, die door de Geest moest worden gevoed, nam Hem op, die in het vlees moest worden gevoed. Want de Heer wilde de gedaante van een dienaar aannemen en, na dit gedaan te hebben, in die gedaante door dienaars gespijzigd worden, en dat als een gunst, niet in de gesteltenis van een dienaar. Want het was ook een gunst, dat Hij zich aanbood om gevoed te worden. Hij bezat ook vlees, waarin Hij honger en dorst kon lijden.

Zo dan werd de Heer ontvangen als een gast, die in het zijne kwam, maar de zijnen aanvaarden Hem niet; aan allen echter, die Hem wel aanvaardden, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden; dienaren aannemend en ze tot broeders makend; gevangenen vrijsprekend en ze tot mede-erfgenaam makend.

Laat niemand van u dan zeggen: ‘O zalig zij, die verdienen Christus in hun eigen huis te ontvangen!’ Wees daarom niet bedroefd, wil niet zuchten, omdat ge in de tijd geboren zijt, dat ge de Heer niet meer in het vlees kunt zien; Hij heeft u die gunst niet ontnomen. Wat gij aan een van mijn geringste broeders hebt gedaan, hebt ge Mij gedaan, zegt Hij.

Maar gij, Martha, vergeef het mij, gezegende in uw bediening, gij zoekt voor die arbeid een loon en rust. Nu zijt ge druk bezig met dienen; ge wilt sterfelijke lichamen voeden, zij het dan van heiligen. Maar als ge in dat vaderland gekomen zijt, zult ge daar dan de vreemdeling vinden, die ge gastvrij hebt ontvangen; de hongerige, die ge brood hebt gegeven; de dorstige, die ge hebt gelaafd; de zieke, die ge hebt bezocht; de twistende, die ge hebt bedaard, en de dode, die ge hebt begraven?

Dat alles zal daar niet zijn; maar wat wél? Wat Maria verkoos. Daar worden wij gevoed en voeden er geen anderen meer. Zo zal datgene daar in volle mate en op volmaakte wijze aanwezig zijn, wat Maria hier verkoos. Zij verzamelde van die rijke tafel, van het woord des Heren de kruimels. Want wilt ge weten, wat daar is? De Heer zelf zegt het aangaande zijn dienaren: Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal hen doen aanliggen en langs hen gaan om hen te bedienen.

(Sermo 103, 1-2. 6: PL 38, 613. 615)

St. Augustine Martha and Mary

The Lord said, ‘I will see you again, and your hearts will rejoice, and no one shall take your joy away’. Mary prefigured that joy when she sat at the Lord’s feet listening to what he said.

She was silent, doing no work, she cleaved to the truth as far as can be in this life, yet it is only a foreshadowing of the joy that will last for ever.

Her sister Martha was occupied with work that has to be done, but which, however good and useful, will pass away when we come to eternal rest. So the Lord said, ‘Mary has chosen the best part which shall not be taken from her’. He did not say that Martha’s part was bad, only that the one which would not be taken away was the better.

For example, the work of looking after the needy will pass away, when there is no more poverty. But it is the transitory good works that will gain us eternal rest. In contemplating God each of us will find all that we desire, for he will be all in all when we see and possess him; that is why his Holy Spirit in our hearts makes us pray: ‘One thing have I asked, this I have longed for: to dwell for ever in the Lord’s house and contemplate his love.’

(On the Trinity I. 10.20)

zaterdag 23 april 2022

Lezingenofficie 2e zondag van Pasen Liturgia Horarum Beloken Pasen - Het nieuwe leven


Lezingen van het Lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit de Brief van de Apostel Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-17

Het nieuwe leven

Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God. En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen.

Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht – hebzucht is afgoderij –, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die Hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden. Bedriegt elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt. Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen.

Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleedt u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaant elkaar in alle wijsheid, zingt met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841)

Een nieuwe schepping in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.

Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader, vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.

Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.

Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.

Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.


zondag 20 februari 2022

Saint Augustine - Prayer when our hearts are lonely, and our souls have lost their courage.

God of our life,
There are days when the burdens we carry
chafe our shoulders and weigh us down;
when the road seems dreary and endless,
the skies grey and threatening;
when our lives have no music in them,
and our hearts are lonely,
and our souls have lost their courage.

Flood the path with light,
turn our eyes to where the skies are full of promise;
tune our hearts to brave music;
give us the sense of comradeship
with heroes and saints of every age;
and so quicken our spirits
that we may be able to encourage
the souls of all who journey with us
on the road of life,
to your honor and glory.

We thank Aleteia.org

woensdag 26 januari 2022

Lectio Divina Derde week door het jaar. Donderdag. Sint Augustinus. God beproeft om te onderrichten.


 Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), over de beproeving van Abraham

God beproeft om te onderrichten.

Mijn geliefden, ge moet weten dat de beproeving van God niet dient opdat Hij zelf iets te weten zou komen wat Hij tevoren niet wist. Maar Hij wil, door ons op de proef te stellen of door ons te ondervragen, aan het licht brengen wat in de mens verborgen is. Want de mens is aan zichzelf niet zo bekend als aan zijn Schepper, noch kent de zieke zo zichzelf als zijn geneesheer hem kent. De mens is ziek, hij lijdt; de dokter lijdt niet, en van hem die niet lijdt, verwacht een zieke te horen waaraan hij lijdt. Daarom roept de mens in de psalm uit: ‘Vergeef mij, Heer, ook wat ik niet weet’ (Ps. 19 (18), 13). Want er zijn in de mens verborgen dingen, verborgen ook voor de mens zelf in wie ze zijn. En ze komen niet te voorschijn, ze komen niet aan het licht, ze worden niet ontdekt tenzij in de beproevingen.

Wanneer God ophoudt te beproeven, houdt de Meester op te onderrichten. God beproeft om te onderrichten.

Waarom zeggen we dit? Omdat de mens zichzelf niet kent, als hij zich niet leert kennen in de beproeving. Wanneer hij echter zichzelf heeft leren kennen, mag hij zichzelf niet veronachtzamen. Want als hij onachtzaam was toen hij zich niet kende, mag hij dat niet meer zijn nu hij zichzelf kent.

Wat willen wij met dit alles zeggen, broeders en zusters? Ook al kende Abraham zichzelf, wij kenden Abraham niet. Ofwel aan zichzelf of zeker aan ons moest hij bekend worden: aan zichzelf opdat hij zou weten waarvoor hij dankbaar moest zijn; aan ons opdat wij zouden weten wat wij van de Heer moeten vragen of wat wij in de mens Abraham moeten navolgen.

Wat leert ons Abraham? Om het in het kort te zeggen: dat wij niet boven God stellen wat God geeft. Wanneer Hij u zijn gaven wil ontnemen, moet Hij u niet minder waard zijn, want wij moeten God om niet liefhebben. Want welke beloning van God is ons liever dan God Zelf’?

zaterdag 13 november 2021

John Henry Newman 1801-1890 The Church of the Fathers – 11. Conversion of Augustine - last - He acted like a man whose slowness to begin a course was a pledge of zeal when he had once begun it.



Capita selecta
Chapter 9. Conversion of Augustine
7.
Little more need be said to conclude this sketch of an eventful history. Many years had not passed before Valerius, feeling the infirmities of age, appointed Augustine as his coadjutor in the see of Hippo, and in this way secured his succeeding him on his death; an object which he had much at heart, but which he feared might be frustrated by Augustine's being called to the government of some other church. This elevation necessarily produced some change in the accidents of his life, but his personal habits remained the same. He left his monastery, as being too secluded for an office which especially obliges its holder to the duties of hospitality; and he formed a religious and clerical community in the episcopal house. This community consisted chiefly of presbyters, deacons, and sub-deacons, who gave up all personal property, and were supported upon a common fund. He himself strictly conformed to the rule he imposed on others. Far from appropriating to any private purpose any portion of his ecclesiastical income, he placed the whole charge of it in the hands of his clergy, who took by turns the yearly management of it, he being auditor of their accounts. He never indulged himself in house or land, considering the property of the see as little his own as those private possessions, which he had formerly given up. He employed it, in one way or other, directly or indirectly, as if it were the property of the poor, the ignorant, and the sinful. He had "counted the cost," and he acted like a man whose slowness to begin a course was a pledge of zeal when he had once begun it.