Posts tonen met het label huisnieuws Priorij Thabor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label huisnieuws Priorij Thabor. Alle posts tonen

vrijdag 5 augustus 2022

Vandaag vieren wij ons naamfeest! Priorij Thabor!


“In lumine tuo” - In uw licht – staat er op het zegel van de priorij Thabor.  Het zijn de beginwoorden van de tweede helft van vers 10 uit psalm 35 dat voluit luidt: “et in lumine tuo videbimus lumen” – “en in uw licht zullen wij het licht zien”. Dit is een goede levensopgave voor ieder die op een Thaborberg woont maar ook een getuigenis van hen die met de ogen van het geloof het Licht van God reeds hebben gezien en verlangen dat te blijven zien. „Door de menswording van Gods Woord is voor de ogen van onze geest een nieuw licht van zijn heerlijkheid opgegaan. God zichtbaar kennend, worden wij weggesleurd naar liefde voor de onzienlijke dingen” (prefatie).

Het verlangen Christus met onverhuld gelaat te mogen aanschouwen drukt de liturgie van het feest van de Gedaanteverandering in het intredelied met de woorden van Psalm 26,8-9 als volgt uit: “Naar U gaat mijn hart uit: U wil ik zien; uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen” en de liturgie preciseert dit nog iets nader met een tekst uit het Boek der Wijsheid (7,26) in het Alleluiagezang: “Hij is de afglans van het eeuwig licht, de spiegel zonder smet en het beeld van zijn goedheid”.

Ook “ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer aanschouwen en zo herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem, want het is de Geest van de Heer die dit bewerkt” zegt de H. Paulus in 2 Kor 3,18. Daarnaast dragen wij altijd het sterven van Jezus in ons lichaam mee en moet zijn leven in ons lichaam steeds opnieuw openbaar worden (Cf  2 Kor 4,10).


maandag 2 mei 2022

3 mei Jacobus de Mindere ook wel genaam Iustus, een van de geestelijke vaders van de Orde van het Heilig Graf



Frontispice van “Festes Propres de L’Ordre Canonique du
Très-Saint Sépulchre de Notre Seigneur à Jérusalem”.
(Luik 1717)
3 mei
Liturgische kalenders van de priorijen Kanunnikessen H.Graf en het Latijnse Patriarchaat van Jeruzalem:
De H. Jacobus de Mindere [Minor], apostel en martelaar
De “broeder des Heren”
Ook Jacobus Iustus genoemd. 

Jacobus de “Broeder van de Heer”, de zoon van Alfeus bestuurde de Kerk van Jeruzalem. Hij schreef een Brief die de eerste is in de reeks van de Katholieke Brieven in de Canon van het Nieuwe Testament. Hij leidde een hard leven en bekeerde vele Joden tot het christelijk geloof. In 62 is hij met het martelaarschap bekroond.
In de Orde van het H. Graf is hij vanaf 1160 gevierd samen met de apostel Philippus. Wel was er vanaf de 14e / 15e eeuw de volgende dag nog een commemoratie van de H. Jacobus. Vanaf 1674 worden beide Apostelen afzonderlijk gevierd. In Jeruzalem werden beiden gezamenlijk gevierd tot 1937, maar men moest eerst de naam van de H.Jacobus noemen.
De gemeenschappen van kanunniken en kanunnikessen die ten gevolge van de Gregoriaanse Hervorming (11e eeuw) de Regel van Sint Augustinus gingen volgden spiegelden zich aan de spiritualiteit van de oergemeente van Jeruzalem en beschouwden de H. Jacobus de Rechtvaardige alsmede de H. Augustinus als hun “geestelijke vaders”.
In de postconciliaire liturgische kalender van het Latijnse Patriarchaat Jeruzalem is het feest van de H. Jacobus Justus als solemnitas [hoogfeest] ingeschreven. 

Eusebius, Bisschop van Cæsarea:

Hoe Jacobus, die de broeder des Heren wordt genoemd, gemarteld werd

Doordat Paulus zich op de keizer beriep en door Festus naar Rome werd gezonden, werden de Joden teleurgesteld in hun hoop hem hinderlagen te kunnen leggen. Daarom wendden zij zich tegen Jacobus, de broeder des Heren, die door de Apostelen op de bisschoppelijk zetel van Jeruzalem was verheven. Tegen hem ondernamen zij dan het volgende. Zij lieten hem voorkomen en eisten dat hij voor heel het volk het geloof in Jezus Christus zou verloochenen. Maar toen hij tegen aller verwachting in met luide stem en onvermoede vrijmoedigheid voor heel de menigte getuigde, dat onze Verlosser en Heer Jezus de Zoon van God was, en zij het getuigenis niet konden verdragen van die man, die allen als een bijzonder rechtvaardig man beschouwden wegens zijn hoogst verheven levensbeschouwing en godsvrucht, doodden zij hem, handig gebruik makend van de bestuurloosheid, daar die landstreek toen zonder bestuur was aangezien Festus juist toen in Judea was gestorven.
              De wijze waarop Jacobus zijn einde vond is reeds vroeger uiteengezet met de woorden van Clemens (1) die verhaalt dat hij van de tinne van de Tempel werd geworpen en met een stuk hout werd doodgeslagen. Het meest nauwkeurig echter verhaalt Hegesippus, die tot de eerste generatie na de Apostelen behoorde, de lotgevallen van Jacobus, waar hij in het vijfde boek van zijn gedenkschriften als volgt spreekt: “Het bestuur van de Kerk aanvaardde met de andere Apostelen de broeder des Heren Jacobus (2) die vanaf de tijden des Heren tot op onze dagen door allen de Rechtvaardige wordt genoemd, daar er verschillenden Jacobus heetten. Deze was heilig vanaf de schoot van zijn moeder, dronk wijn noch gegiste drank en at geen vlees, geen scheermes raakte zijn hoofd, hij zalfde zich niet met olie en maakte van geen baden gebruik. Hem alleen kwam het toe het Heilige binnen te gaan, want hij droeg geen wol maar linnen. Alleen ging hij de tempel binnen en geknield bad hij om vergiffenis voor het volk, zodat zijn knieën eeltig werden als van een kameel daar hij steeds weer op de knieën  viel om God te aanbidden en vergiffenis te vragen voor het volk.

Wegens zijn overgrote gerechtigheid dan werd hij de Gerechte genoemd en Oblias, dat is in
het Grieks: bolwerk va het volk en Gerechtigheid, zoals de Profeten van hem getuigen.
              Sommigen nu uit de zeven sekten die er onder het volk waren, waarover we vroeger geschreven hebben, vroegen hem welke deur van Jezus was (3) en hij zei dat dit de Verlosser was. Enigen van hen geloofden dan dat Jezus de Christus is. Maar die voornoemde secten geloven (overigens) noch in Zijn Verrijzenis, noch dat Hij komen zal om eenieder te vergelden naar zijn werken, doch die wél geloofden hadden het van Jacobus.
Toen nu ook velen van de leiders geloofden, was er beroering onder de Joden en de Schriftgeleerden en Farizeeën en zij zeiden dat er gevaar bestond, dat heel het volk zijn verwachting op Jezus Christus zou stellen. Zij kwamen dan samen bij Jacobus en zeiden: “Wij bezweren u, weerhoud het volk, want het dwaalt af naar Jezus, alsof die de Christus is. Wij eisen van u, dat gij allen die tot het Paasfeest opgaan zult overtuigen omtrent hem. Want wij getuigen van u, met heel het volk, dat gij gerecht zijt en zonder aanzien van personen handelt. Haal gij dan de menigte over, niet te dwalen omtrent Jezus, want heel het volk, allen, hebben vertrouwen in u. Ga dan op de tinne van de tempels staan, opdat heel het volk u daarboven kan zien en uw woorden goed kan verstaan”. Wegens het Paasfeest kwamen namelijk alle stammen en zelfs heidenen samen.
De voormelde Schriftgeleerden en Farizeeën plaatsten dan Jacobus op de tinne van de Tempels en riepen hem toe, zeggende “ Gerechte, aan wie wij allen moeten geloven; daar het volk achter Jezus de Gekruiste doolt, zo verkondig ons welke de deur is van Jezus” .
En hij antwoordde met luide stem: “ Wat ondervraagt gij mij over de Zoon des Mensen? Hij zetelt toch in de hemel aan de rechterhand van de van God en Hij zal komen op de wolken des Hemels”.  
Toen nu velen werden overtuigd een God verheerlijkten om het getuigenis van Jacobus en uitriepen: “Hosanna de Zoon van David!” toen spraken de Schriftgeleerden en Farizeeën weer onder elkaar: “We hebben verkeerd gehandeld door aan Jezus zo’n getuigenis te verschaffen, maar laten wij naar boven gaan en hem omlaag werpen, opdat zij bevreesd worden en niet in hem geloven.” En zij riepen: “O, wee! Ook de Gerechte is afgedwaald.” En zij deden het Schriftwoord in vervulling gaan, dat bij Jesaja staat geschreven (4): “Nemen wij de Gerechte weg, want hij is ons lastig: dan zullen zij de opbrengst van hun werken eten.” Zij liepen dan naar boven en wierpen de Gerechte omlaag. En zij zeiden tot elkaar: “Laten wij Jacobus de Gerechte stenigen!” en zij begonnen hem met stenen te werpen, daar hij bij zijn val niet gestorven was; maar overeind gekomen neerknielde en sprak: “Ik bid u, Heer God de Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen.” Terwijl zij zo met stenen wierpen riep een van de Priesters, Rechab, een zoon van de Rechabieten, over wie de Profeet Jeremias spreekt (5): “Houdt op! Wat doet ge? De Gerechte bidt voor ons.” Maar een van de volders die zich onder hen bevond, nam het hout waarmee hij de kleden uitklopt en liet het neerkomen op het hoofd van de Gerechte en zo onderging hij de marteldood. En men begroef hem ter plaatse bij de Tempel en zijn grafmonument staat nog naast de Tempel. Een waarachtig getuige is hij geworden voor Joden en Grieken, dat Jezus de Christus is. En weldra belegerde Vespasianus hen.”
In dit breedvoerig verhaal stemt Hegesippus met Clemens overeen. Zo’n wondervol man was Jacobus en zo bij alle anderen beroemd om zijn gerechtigheid, dat ook de verstandigen onder de Joden daarin de oorzaak zien, dat terstond na zijn marteldood Jeruzalem werd belegerd en dat dit hun om geen andere reden overkomen is dan om hetgeen zij zich jegens hem hadden vermeten, [Flavius] Josephus zag er dan ook geen bezwaar in dit schriftelijk te getuigen in de volgende woorden: “Dit overkwam de Joden als wraak voor Jacobus de Gerechte, die de Broeder was van Jezus, die Christus genoemd wordt, omdat de Joden hem doodden ofschoon hij zeer rechtvaardig was.”
Dezelfde Josephus verhaalt zijn dood ook in het twintigste boek der Archæologie aldus (6):

Op het bericht van de dood van Festus zond de keizer Albinus als bestuurder naar Judea. Maar de jongere Ananus, van wie wij zeiden dat hij het Hogepriesterschap verwierf, was onstuimig en vermetel van karakter. Hij behoorde tot de partij van de Sadduceeën, die het wreedst zijn in het vonnissen onder alle Joden, zoals we reeds hebben vermeld. Daar nu Ananus, zulk een man was en hij het nu het geschikte moment oordeelde, daar Festus gestorven en Albinus nog onderweg was, belegde hij een vergadering van de rechters en liet de Broeder van Jezus, die de Christus genoemd wordt, Jacobus genaamd, voor de vierschaar voeren met enkele anderen en na hen van wetsovertreding te hebben beschuldigd, leverde hij hen over om gestenigd te worden. Maar zij, die voor het meest gematigd golden in de stad en zeer streng in het onderhouder der wetten, konden dat slecht verdragen en zonden heimelijk een bode naar de koning, met de bede aan Ananus te bevelen, nooit meer iets dergelijks te doen, daar hij de eerste keer ook verkeerd had gehandeld. Sommigen van hen gingen ook Albinus tegemoet, toen hij vanuit Alexandrië onderweg was en zeiden hem, dat het aan Ananus niet toe kwam buiten zijn weten een rechtszitting te houden. Albinus geloofde wat hem gezegd werd en schreef toornig aan Ananus en dreigde hem te zullen straffen en koning Agrippa ontnam hem daarom het Hogepriesterschap, dat hij drie maanden bekleed had en stelde Jezus, de zoon van Damæus aan.”

(1    (1) De Hypomnèmata of Gedenkschriften van Hegesippus zijn verloren gegaan, afgezien van de fragmenten door Clemens, Eusebius en enkele latere geschiedschrijvers overgenomen.
(2) Jacobus was een neef van Christus, zeker geen zoon van Diens voedstervader Jozef.
(3) Vgl. Jo. 10, 9: “Ik ben de deur (van de schaapsstal); die door Mij binnengaat zal zalig worden.”
(4) Jes 3,10.
(5) Jer. 35, 3.
(6) Ant. Jud. 20. 197

vrijdag 24 december 2021

Wsród Nocnej Ciszy - dit Kerstlied heeft onze Poolse zuster in 2019 voor ons gezongen toen wij op zijn Pools op Kerstavond soupeerden voorafgaand aan de Nachtmis



Wśród nocnej ciszy głos się rozchodzi,
Wstańcie pasterze, Bóg się wam rodzi!
Czym prędzej się wybierajcie,
Do Betlejem pospieszajcie, przywitać Pana.

Poszli, znaleźli Dzieciątko w żłobie
Wszystkimi znaki danymi sobie.
Jako Bogu cześć Mu dali,
A witając zawołali z wielkiej radości.

Ach. Witaj, Zbawco z dawna żądany,
Cztery tysiące lat wyglądany!
Na Ciebie króle, prorocy czekali,
A Tyś tej nocy nam się objawił.

I my czekamy na Ciebie, Pana,
A skoro przyjdziesz na głos kapłana,
Padniemy na twarz przed Tobą,
Wierząc, żeś jest pod osobą chleba i wina.

In the silence of the night
In the silence of the night a voice radiates:
Stand up, shepherds, God is born for you!
Go as quick as you can
To Bethlehem you hurry
To greet the Lord.

They went, they found the sweet little child in the manger
With all the signs given to Him.
They venerated Him as God,
and while greeting Him they shouted
with great joy:

Oh, welcome Saviour, desired long ago,
Looked out for four thousand years
Kings, prophets awaited You,
But You manifested yourself
This night to us.

And we wait for You, the Lord,
but since You come to the voice of the priest,
We'll prostrate ourselves before You
Believing that You're under cover of
Bread and wine.

zaterdag 14 augustus 2021

Hoogfeest van Maria Tenhemelopneming De heerlijkheid van de heilige Maagd en Moeder Gods Maria




Aan de vooravond op 14 augustus zetten we met de Ie Vespers het Hoogfeest van Maria Tenhemelneming in.  Vele schrijvers hebben op vele plaatsen en tijden veel geschreven over de heerlijkheid die de Moeder Gods ten deel is gevallen. ‘De Maria numquam satis’ – Over Maria kan nooit voldoende worden gezegd, zei de H. Bernardus in een van zijn Mariapreken, een nog steeds onderstreept gegeven in de 3e antifoon van de Lauden van deze dag: “Nomen tuum ita magnificavit Dominus, ut non recedat laus tua de ore hominum”-  De Heer heeft uw naam zó hoog verheven, dat uw lof nooit zal wijken uit de mond der mensen.

Volgens oud-christelijke traditie verbleef het lichaam van de H. Maagd korte tijd in het graf, waarin de Apostelen haar hadden neergelegd. Het bleef echter in de toestand bewaard zoals het was, toen haar ziel nog het leven ervan droeg.  Het sprak vanzelf dat Maria, die voor het verderf door de zonde gevrijwaard was, ook bewaard bleef voor de ontbinding in het graf. Het zou zeer verwerpelijk zijn geweest als dit lichaam dat de Tempel van het Woord van God was, door het bederf van de dood zou zijn beroerd. De tweevoudige vrijwaring is niet alleen met haar goddelijk moederschap in overeenstemming, maar ook met de bijzondere heiligheid van haar maagdelijk lichaam. Om die reden opent de hymne van de Lauden met het kosmische perspectief:
O Maagd, bekleed met de stralen van de zon, uw hoofd omkranst met twaalf sterren, met de maansikkel als voetbank voor uw voeten, schittert Gij in heerlijkheid!
Een sterk motief om Maria te eren is het feit dat de Allerheiligste Drieëenheid haar meer eer bewijst dan aan alle Engelen en Heiligen tesamen in de hemel. De drie goddelijke Personen staan immers in een bijzondere betrekking tot haar. De eeuwige Vader beschouwt haar als zijn bijzondere Dochter, God de Zoon eert haar als zijn Moeder, de H. Geest bemint haar als zijn Bruid. Zij is, zoals de Engel haar aansprak, gratia plena et benedicta inter mulieres.  Zij werd door God de Vader waardig bevonden zijn eniggeboren Zoon onder het hart te dragen, het Woord van alle eeuwigheid achtte haar waardig zijn tent in haar op te slaan, de H. Geest overschaduwde haar met de kracht van de Allerhoogste om mee te werken aan het grootste wonder en mysterie van alle tijden.
Naast de H. Drieëenheid is het de Kerk die ons het sterkst tot de verering van Maria opwekt. Ontelbare kerken dragen haar naam. In vele feesten wordt zij in de loop van het kerkelijk jaar herdacht. Elke week is de zaterdag haar bijzonder toegewijd. Mei en october zijn de Mariamaanden. Steden, dorpen en landen zijn onder haar bescherming gesteld. Vele religieuze gemeenschappen dragen haar naam. Hoeveel ouders gaven hun kinderen de naam van Maria niet mee bij het Doopsel? Het Rozenkransgebed, zo geliefd als volksdevotie, is door vele pausen aanbevolen.
Om de heerlijkheid van de gelukzalige Maagd Maria in haar wezen te begrijpen, moet men de grootheid van haar verdiensten begrijpen. Men moet de onmetelijke vrijgevigheid en goedheid van God tegenover haar proberen te vatten. Zoals Maria haar deemoedig dienen tijdens haar aardse leven paal noch perk stelde, zo is ook haar loon in de eeuwigheid onbeperkt. Haar verstand, beter: haar hele wezen geniet de aanschouwing van God op buitengewone wijze.
Zij is vervuld van het Licht van de mensgeworden Wijsheid. Haar wil werd door de meest zuivere en meest bezielde liefde ontvlamd.  Aldus geldt voor haar het woord van David: “Laat mij door uw gerechtigheid uw Aanschijn aanschouwen, mij aan uw glorie verzadigen, na het ontwaken (Ps 16,15) [bedoeld is: na de opstanding uit de dood].
Hoe Jezus Christus, de Heer van het leven en de uitdeler van onsterfelijkheid haar uit het graf opwekte, haar voor altijd naar het lichaam in onvergankelijkheid aan Hem gelijkmaakte en tot Zichzelf opnam, is Hem alleen bekend.
De vreugde die de Maagd Maria over haar grote uitverkiezing heeft moeten gehad en nog heeft, kunnen we onmogelijk vatten. We kunnen er aan denken als wij dagelijks bij de Vespers het Magnificat zingen: “Mijn ziel jubelt en juicht in de Heer, mijn Heiland, want God heeft grote dingen aan Mij gedaan” (Lk 1, 46-49).
Is de ziel van Maria in een onbegrijpelijke zee van vreugde gedompeld, wij hebben niet het minste vermoeden wat óns na een goed christelijke leven bij God te wachten staat. God laat niets onbeloond. Met de offerkansen die Hij ons overzendt, nodigt Hij ons uit deel te nemen aan een eervolle wedkamp waarbij wij als overwinnaars moeten eindigen om eeuwig te worden gekroond. Laten we beseffen dat God niets vergeet. Hij zal ons allen belonen, zijn vereffening klopt precies. Het is Hem een vreugde stromen van vrede naar de harten van allen te leiden wier grote intentie en verlangen het op aarde is, God te behagen.

Eindigen we met een gebed:
Heilige Moeder Maria, we leggen onze zorgen, zwakheden, angst en onzekerheid vol vertrouwen in uw handen; dáár zullen we kracht, troost en hulp vinden. Neem heel ons leven aan en zorg voor ons. U bent ons leven, onze zoetheid, onze hoop, onze Voorspreekster bij de troon van God. Sla uw barmhartige ogen op ons en toon ons in uw moederlijke liefde Jezus, de gezegende Vrucht van uw schoot. En bid voor ons opdat  wij de genade ontvangen uw Zoon na dit leven in al zijn heerlijkheid te mogen zien.

Heilige Maria, deur van de hemel, wees gegroet!


maandag 3 mei 2021

Feestpreek van onze Pastoor bij de plechtige Hoogmis vanmorgen bij Patroonsfeest HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus 2018



Vandaag vieren wij het feest van onze patroonheiligen, de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus, de heiligen aan wie onze kerk in 1686 werd toegewijd, nadat ze mede op instigatie van de Roermondse bisschop Reginald Cools was gerestaureerd. Deze kerk was immers niet van oudsher aan deze heiligen toegewijd; dat waren de apostelen Petrus en Paulus,  zoals de oude visitatieverslagen van het bisdom Roermond laten zien[1]. Er was Mgr. Cools veel aan gelegen de ‘drie Gelderse apostelen’ Wiro, Plechelmus en Otgerus weer de eer te kunnen geven die hen toekwam. Drie eeuwen nadat ze om veiligheidsredenen vanuit Berg naar Roermond naar Roermond waren overgebracht,  keerden hun relieken b.g.v. van inwijding van de pas gerestaureerde kerk op 12 mei 1686 weer terug naar hun oorspronkelijke plaats hier in Berg.

Inderdaad: een bijzondere en eerbiedwaardige band die ons hier in Berg verbindt met deze heiligen. Een band die allerminst vanzelfsprekend is, als we ons realiseren dat het geen plaatselijke heiligen zijn, heiligen die hier uit ons dorp of uit deze regio kwamen. Integendeel. Volgens de traditie kwamen ze van overzee, van de Britse eilanden om eind zevende, begin achtste eeuw in Gallië te missioneren en onze contreien te kerstenen. Hofmeier Pepijn van Herstal , die namens de Merovingische koningen de lakens uitdeelde, zou hun beschermer zijn geweest. Hij zou hen ook in het jaar 706 deze plek hebben geschonken, waar ze hun oude dag konden slijten. Wiro zou de eerste zijn geweest die in geur van heiligheid kwam te overlijden. Plechelmus en Otgerus zouden veel later zijn gestorven. Ze behoorden tot de Iro-Schotse monniken die in die periode in grote getalen naar het vasteland kwamen. In tegenstelling tot de Angelsaksische missionarissen trokken deze meer uit ascetisch motieven weg van huis en haard, om arm met de arme Christus te worden die nog geen steen had om zijn hoofd op te laten rusten. De Angelsaksische missionarissen daarentegen gingen op meer systematische wijze te werk. Ze waren niet alleen op weg gegaan om in den vreemde (‘de missie’ het geloof te verkondigen, maar stichten her en der ook bisdommen om te voorkomen dat de ontstoken vlam van het geloof al gauw zou uitwaaien.

Bonifatius was zo’n typische vertegenwoordiger van de Angelsaksische missionering. Willibrord was weliswaar van Angelsakische afkomst - hij kwam uit Northumbrië en ontving zijn opleiding in de abdij van Ripon- , maar trok op 20-jarige leeftijd naar Ierse Rathmelsigi om daar zijn opleiding te voltooien. Die Iro-Schotse invloed die hij daar opdeed vinden we dan ook terug in zijn werkzaamheid. Dat onze Berge heiligen tot de Iro-Schotten behoren, bevestigt Wiro’s eerste biograaf die meldt dat hij uit ‘Scotia’ kwam. Aangezien die benaming vroeger niet alleen was voorbehouden aan het huidige Schotland, maar ook wel en zelfs voornamelijk voor het huidige Ierland werd gebruikt, gaat men er thans vrijwel algemeen van uit dat hij eigenlijk een Ier was, meer in het bijzonder afkomstig uit het aan de westkust gelegen graafschap Clare[2]. Ook Plechelmus zou daarvan afkomstig zijn.  Ierland was een eiland met een eigen karakter: het was nooit door de Romeinen bezet en bleef verschoond van de gevolgen van de volkshuizing. Hoewel al in 430 een Romeins diaken als missionaris naar Ierland werd gestuurd, geldt toch vooral Saint Patrick (+ 461) als stichter van de Kerk in Ierland, een kerk die vooral sinds de zesde eeuw een sterk monastiek karakter zou dragen, een karakter dat vooral tot uiting kwam in de reeds genoemde ‘peregrinatio pro Christo’, of  beter: ‘propter Christum’, de zo typisch geest die talloze Iro-Schotse monniken naar het vasteland dreef om aldus arm met en omwille van Christus te kunnen worden. Daarom was het niet zozeer hun prediking die mensen tot geloof bracht, als wel hun manier van leven, de wijze waarop zij hier op deze heilige berg Christus navolgden.

Is dat niet een manier om mensen tot geloof te brengen die meer past bij deze tijd? Niet zozeer in woorden als wel daden getuigen van Christus te zijn, getuigen van Christus, die hoewel hij rijk was om onzentwil arm is geworden. Dat wij net als Hij arm durven worden, dat wij net als de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus af durven zien van dingen die het ons comfortabel maken, dingen waarvan de reclame zegt dat je het moet hebben, of minstens gehad moet of moet hebben meegemaakt, om in Hem, en alleen in Hem onze rijkdom te kunnen vinden (vgl. 2 Kor.8,9).

Pastoor Jos L'Ortye

[1] Patrick Lynch: verhandeling over het geboorteland van den H. Wiro, bisschop, uit het Engels vertaald en van inleiding en aantekeningen voorzien door M. Willemsen, pastoor van St. Odiliënberg (Roermond 1898); er zijn er echter ook die menen dat hij uit Engelse graafschap Northumbrië kwam 
[2] volgens Willemsen was de oorspronkelijke patroon St. Petrus, onder den titel Cathedra Petri (22 februari); sedert de wijding der gerestaureerde kerk op 12 mei 1686 zijn de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus hoofdpatronen” (Lynch blz. 5, voetnoot 1)


zondag 26 juli 2020

Ook vandaag! Gregoriaanse Vespers in de Basiliek iedere zondag om 17.00u (met inleiding om 16.45u), alle andere dagen om 17.45u in klooster


Bidden in het Latijn is een ervaring die voor niet weinigen maakt dat zij God dichterbij ervaren. Recent bij de Muziek Carrousel van de HVR kwamen er meer dan honderd mensen naar de Gregoriaans Vespers op zondagmiddag om 17u. Iedere zondag zijn wij benieuwd hoeveel mensen er naar de  Gregoriaans gezongen Vespers in  de basiliek komen. Er is sprake van een voorzichtige positieve ontwikkeling maar wij gunnen het nog veel meer mensen!

De heiliging van de dag door het bidden van de getijden is een oude christelijke traditie die voortbouwt op de Joodse gewoonten. Priesters en religieuzen zijn verplicht dagelijks de getijden te bidden: als zusters levend in clausuur bidden wij namens en ten behoeve van de gehele gelovige gemeenschap. Aangezien er overal ter wereld kloosters zijn, wordt van daaruit  onafgebroken de lof Gods gezongen.

"De mannen en de vrouwen van het godgewijde leven weten dat de eerste plicht van hun leven is de beschouwing van de goddelijke werkelijkheden en de voortdurende vereniging met God. De wezenlijke bijdrage die de Kerk van het godgewijde leven verwacht is veel meer een kwestie van zijn dan van doen", schrijft paus Benedictus XVI in de Apostolische  Exhortatie “Sacramentum caritatis” (2007)

Ook leken worden naar hun mogelijkheden van harte uitgenodigd zich met het gebed van de priesters en religieuzen te verenigen. In een Basilica minor zoals die van ons bestaat de verplichting tenminste op zondag (delen van) de liturgie in het Latijn te bidden inclusief de getijden

Omdat niet iedereen bekend en vertrouwd is met de Gregoriaanse vespers, wordt vooruitlopend op de vespers in de naast de basiliek gelegen Mariakapel om 16.45 uur een korte inleiding gegeven die kan gaan over de betekenis van de Getijden, de gebedsteksten of het Gregoriaans. Soms oefenen we alvast een tekst. Voor iedere deelnemer is er een volledig boekje met muzieknotatie beschikbaar. Na de Vespers bidden we het gebed van de Engel des Heren eveneens in het Latijn, tekst beschikbaar.

Voorafgaand kunnen gebedsintenties worden opgegeven die worden voorgelezen bij de voorbeden (preces).

Wie meer over Latijn wil weten kan zich aansluiten bij onze cursus die in september weer verder gaat. Tussentijds instappen is mogelijk. Eventueel met bijlessen. zie hiervoor ook onze website www.priorijthabor.nl onder zoekwoord: cursus


donderdag 7 mei 2020

8 mei Patroonsfeest op de Kerkberg - voor wie meer wil weten!




 “De wijsheid van de heiligen wordt met ere vermeld onder de volken en de Kerk verkondigt hun lof; hun namen blijven voortleven door alle tijden” (cf Sir 44,15.14) zo horen wij in de intredezang en in de eerste lezing!

Daarmee eren wij op 9 mei bijzonder de heiligen Wiro, Plechelmus en Otgerus.
Zulke heilige mannen die zich eeuwige roem hebben verworven, heeft God ons gegeven in de Angelsaksische geloofsverkondigers Wiro, Plechelmus, bisschoppen, en de diaken Otgerus. In het bisdom Roermond zijn hun namen bijzonder verbonden met Sint Odiliënberg, maar ook met de stad Roermond zelf.

Volgens hun Vitae, dat zijn de vrome levensbeschrijvingen van heiligen, hebben zij reeds vroeg  het geloof verkondigd vanuit deze berg aan de Roer die hen als verblijfplaats werd geschonken door een van de Pippiniden, het voorgeslacht van Karel de Grote. De bouw van een klooster, toegewijd aan de H.Petrus,  waarvan sprake is in een oorkonde uit de negende eeuw en een aan de H.Maagd toegewijde kapel op deze  berg wordt aan deze missionarissen toegeschreven. Uit het patronaatschap van Sint Petrus alsook de bisschopswijding van Wiro en Plechelmus door de paus zelf blijkt een sterke band met Rome.

De Vita van Wiro verhaalt dat hij zich ijverig toelegde op de studie der letteren, vroomheid en deugdbeoefening. In liefde tot Christus ontstoken  werd hij niet gebroken door tegenslag en verhief hij zich ook niet bij voorspoed. Hij reisde naar Rome, samen met de priester Plechelmus en de diaken Otgerus en daar werd hij door de bisschop van Rome gewijd; teruggekeerd bij de zijnen oefende hij daar een tijdlang zijn herderlijke taak in een heilige levenswandel. Hij reisde naar Gallië om daar de vreugde van het Evangelie te verkondigen waartoe een van de Pepijnen hem een plaats in de bossen aanwees, ver verwijderd van het rumoer der wereld aan de rivier de Roer, de later genoemde Odiliënberg. Dáár en op zijn missiereizen  toonde hij zich voor allen een spiegel van ware godsvrucht.  Christus alléén in zijn hart, Christus alléén op zijn lippen: en niets anders dan Christus beminnend offerde hij zich dagelijks voor Hem op het altaar van zijn hart in het H. Misoffer. Levend van het gebed, was hij barmhartig en vergevensgezind, voor zichzelf sober, voor anderen gul en welwillend. Overal  voorbeelden van nederigheid en liefde gevend, was hij een licht voor het volk en bracht hij de Naam Jezus onder de mensen door woord en voorbeeld. Tenslotte werd de uitgediende soldaat, gebroken door vele inspanningen, door de Heer naar het hemelrijk geroepen op de 8e mei. Zijn eerbiedwaardig lichaam, eervol  in de genoemde Mariakapel begraven, werd door vele wonderen beroemd.

In 954 werden Wiro, Plechelmus en Otgerus door Balderik van Kleef, bisschop van Utrecht tot de eer der altaren verheven. Dat is een goede 100 jaar nadat bisschop Hungerus van Utrecht met zijn kanunniken op de Petrusberg een veilig onderkomen vond waardoor de Petrusberg ruim vijf eeuwen lang een klein kapittel herbergde: een Utrechtse enclave in het bisdom Luik. Bisschop Balderik van Utrecht werkte tot in de verste uithoeken van zijn bisdom aan een grotere bekendheid van Wiro, Plechelmus en Otgerus: Plechelmus in Oldenzaal en Otgerus in Groningen.  Op de liturgische kalenders en in oude litanieën van het bisdom Utrecht vinden we dan ook hun namen terug.
Over de verering van Sint Wiro en de zijnen in de middeleeuwen zijn nauwelijks gegevens voorhanden tot in 1299, toen een patriarch, twee aartsbisschoppen en bisschoppen en negen bisschoppen in Rome een aflaat verleenden aan degenen die de kerk van Sint Odiliënberg bezochten op o.a. de feestdag van de drie Bergse heiligen. Een zelfde aflaat verleenden nog eeens 13 kardinalen in 1485. In dezelfde jaren zongen de kanunniken van het H.Graf op 15 juli, feestdag van Sint Plechelmus in de Vespers de antifoon ‘Tres viri Deo dediti ‘ : over drie godgewijde mannen die na een pelgrimsreis naar Rome op de Odilienberg zich toelegden op hemelse contemplatie,  wier relieken hier te ruste werden gelegd die hier eerbiedig worden vereerd en wier voorspraak in de hemel wij afsmeken.

In 1361 namen de kanunniken van Odilienberg die zich vanwege hun veiligheid binnen de stadsmuren van Roermond moesten vestigen een groot deel van de relieken mee en bleven deze vereren als toebehorend aan de eerste Apostelen van deze streken. In de voorlopige kapittelkerk van de H.Geest en later in de kathedraal.  De feestdag van Sint Wiro werd toen reeds gevierd op 8 mei.

De oude Bergse Heiligen kregen in de liturgische kalender van het Bisdom Roermond ieder hun eigen feestdag, zelfs met octaaf in Sint Odilienberg  en dat is zo gebleven tot het Tweede Vatikaanse Concilie toen hun feestdagen werden samengevoegd op 8 mei.
Een beschrijving van de stadsprocessie van Roermond uit 1666, waarbij de volgorde van de groepen blijkbaar zeer nauw luisterde, verhaalt dat de praalkist van de heiligen Wiro, Plechelmus en Otgerus door de geestelijkheid van de bisschopskerk werd meegedragen achter de abdis en de zusters van de Munsterkerk en vóór de leden van het kathedrale kapittel, de parochiegeestelijkheid en de bisschop met het H.Sacrament. Kan men zich een prominentere  plaats indenken? Dit kan men lezen in het recent verschenen boek over de Roermondse stadsgeschiedenis.

Twintig jaar later bij de inwijding van de gerestaureerde kerk op 12 mei 1686 wordt onder massale deelname van gelovigen een groot gedeelte van het vijf eeuwen eerder naar Roermond meegenomen gebeente in processie naar Sint Odilienberg teruggebracht. De kerk van Sint Odilienberg wordt bij deze gelegenheid onder het drievoudig patronaat van Wiro, Plechelmus en Otgerus geplaatst. Enkele weken tevoren had bisschop Reginaldus Cools een aflaat van 40 dagen verleend “tot verheffing van de Reliquiën van de heyligen Wiro, Plechelmus ende Otgerus”.

Het duizendjarig bestaan van de kerkstichting door Wiro en de zijnen werd in 1706 groots gevierd in juli rond de feestdag van Plechelmus.  Pelgrims en bedevaarten blijven komen, ook en toenemend eind 19e eeuw naar de grondig gerestaureerde kerk. Op 16 juni 1887 bevestigde paus Leo XIII dat de verering van de drie parochiepatronen legitiem was (mocht daar nog aan getwijfeld worden!)
De vroege evangelisatie van de drie Angelsaksische geloofsverkondigers en hun betekenis voor de regio was ook voor Rome bepalend bij de Verheffing van de kerk tot basilica minor in 1957.

In onze herinnering leven zij voort als trouwe geloofsverkondigers die met onuitputtelijke ijver vele mensen uit de duisternis van het ongeloof tot het licht van de waarheid hebben geroepen. Zo hebben zij als Gods vrienden eeuwige roem verworven.
Een gedeelte van het eerbiedwaardig gebeente van de drie Heiligen rust in het reliekschijn onder het altaar van de parochiekerk op de Kerkberg, waar dagelijks de verrezen en levende Christus aanwezig komt in de H. Eucharistie bij het consacreren van brood en wijn.  De heiligheid van de drie Heiligen verwijst tenslotte altijd naar de absoluut Heilige: God Zelf. In 2014 keurde Congregatie voor de Geloofsleer voor de Kerkberg het proprium van de heilige Wiro, Plechelmus en Otgerus voor onze parochie goed. 

Vragen wij om voorspraak van onze drie patroonheiligen dat vanaf onze Kerkberg het geloof mag worden gevierd en verkondigd, zoals dat in ieder geval vanaf de achtste eeuw is gebeurd. 



woensdag 1 april 2020

Overlijden br. Johannes - onze vorige pastoor Prins

Overlijden br. Johannes

Op dinsdag 31 maart 2020 is overleden in Abdij Koningshoeven, voorzien van het Sacrament van de zieken,

BROEDER JOHANNES
(Johannes Hermanus Prins)

Hij werd geboren te Schiedam op 23 september 1938. Ná een meer dan 40 jaar verdienstelijk leven als priester van het bisdom Roermond in parochies te Maastricht, Weert, Tegelen, Welten, Sint Odiliënberg, Melick, Tegelen en Baexem trad hij op 1 juli 2013 in de Abdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven in.
Hij legde op 8 december 2018 zijn eeuwige geloften af.

Door de corona-maatregelen vinden de uitvaart en begrafenis op ons kloosterkerkhof in besloten kring plaats. Op een later tijdstip zal een herdenkingsdienst worden gehouden.

Wij bevelen onze overleden medebroeder in uw gebeden aan.

Familie Prins                                                                                                      Abt en monniken
                                                                                                                            Abdij O.L.V. van Koningshoeven

dinsdag 31 maart 2020

Een van onze zusters in de krant "Je hoeft het niet allemaal zelf te doen"


Ze is een van de acht slotzusters in de priorij Thabor van de Kanunnikessen van het heilig Graf in Sint Odiliënberg, Limburg. Ze leeft er, net als de andere kanunnikessen, in clausuur. “Vroeger zeiden de mensen: achter tralies. Eigenlijk zijn wij geen echte slotzusters, maar in principe verlaten ook wij ons klooster niet. We ontvangen veel bezoek: voor advies, voor cursussen, om mee te bidden, voor pastorale gesprekken. Dat is natuurlijk nu allemaal stopgezet. Binnen het slot leven we met ons achten. Ons leven speelt zich voor een groot deel in de kapel van het klooster af. Daar komen we volgens een vast ritme zes keer per dag bij elkaar om te bidden. Ook op zaterdag en zondag. Vakanties kennen wij niet. Je zou kunnen zeggen dat onze orde al eeuwen aan zelfquarantaine doet.

Tegen mensen die nu voor het eerst langdurig thuis zitten, in een te kleine ruimte met veel mensen op elkaar zou ik willen zeggen: geef de dag structuur. Structuur bepaalt ons leven. Er is zoiets als de troost van de herhaling. Al denk ik zelf wel eens bij het zoveelste uur van het koorgebed: ‘het mag ook wel wat minder.’ Maar dan denk ik: ‘Daarom ben jij hier, niet zeuren.’ Wat verder helpt om de tijd met elkaar door te komen is om je eigen plek te hebben - al is het maar een stoel - waar mensen je met rust laten. In een klooster leef je dicht op elkaar met gezamenlijk bidden, eten en recreëren, maar er is ook een privédomein in de vorm van je eigen cel en werkruimte. Daar komt niemand tenzij er een bijzondere reden is , bijvoorbeeld als je ziek bent.

En, als je geïrriteerd bent: laat dat dan niet blijken. Dat heeft namelijk geen zin op dat moment en er zijn trouwens wel ergere dingen. Altijd en nu helemaal. Flutdingen zinken daarbij in het niet. Ik maak me ook zorgen over al die mensen die nu in thuisisolatie zijn. Zelf heb ik er lang op moeten oefenen en ik vind het af en toe nog steeds lastig. Nog een tip: steek je hoofd uit het raam of ga op je balkon staan en adem frisse lucht in. Ik maak elke dag een wandelingetje in de kloostertuin. Voor de rest bidden wij ons een ongeluk, zeg ik wel eens.

Vandaag ben ik om half zes opgestaan, het is nu half twaalf en ik heb alles bij elkaar nu vier uur gebeden heb. Wij krijgen ook heel veel gebedsintenties en nu nog veel meer met de coronacrisis. Rond Sint Odiliënberg zijn al de nodige mensen aan het coronavirus gestorven. Dat ik alles bij God kan neerleggen geeft mij rust en de overtuiging dat het uiteindelijk goed komt. Je hoeft het niet allemaal zelf te doen.”

Stijn Fens in Trouw van 31 maart 2020

donderdag 12 maart 2020