Posts tonen met het label Heiligen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heiligen. Alle posts tonen

maandag 22 juni 2026

22 juni - Uit een Brief van de heilige Thomas More aan zijn dochter Margaretha, in de gevangenis geschreven.

Uit het Getijdengebed:
22 juni Heilige John Fisher, Bisschop en Thomas More, Martelaren

John Fisher werd in 1469 geboren. Na zijn theologische studies te Cambridge werd hij priester gewijd. Als bisschop van Rochester leidde hij een verstorven leven en toonde zich een goede herder die zijn kudde dikwijls bezocht. Hij schreef verschillende werken tegen de dwalingen van zijn tijd.
Thomas More werd in 1477 geboren en maakte zijn studies te Oxford. Uit zijn huwelijk werden drie dochters en een zoon geboren. Hij bekleedde de post van kanselier aan het koninklijk hof. Bekend zijn zijn geschriften die betrekking hebben op het staatsbestuur en op de verdediging van het katholiek geloof.
Omdat zij zich tegen Hendrik VIII verzet hadden inzake de ontbinding van zijn huwelijk, werden beiden op last van de koning onthoofd. John Fisher op 22 juni 1535, Thomas More op 6 juli daaropvolgend. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis werd John Fisher door Paus Paulus III tot kardinaal verheven.

Uit een Brief van de heilige Thomas More aan zijn dochter Margaretha, in de gevangenis geschreven.

(The English Works of Sir Thomas More, Londen 1557, p. 1454)

Met alle hoop en vertrouwen vertrouw ik me geheel aan God toe

Ofschoon ik mij, mijn beste Margaretha, wèl bewust ben dat de slechtheid van mijn voorgaande leven zó is geweest, dat ik volkomen verdien door God te worden verlaten, zal ik toch niet ophouden voortdurend op zijn onmetelijke goedheid te vertrouwen en wel zeer sterk te hopen, dat, zoals tot nu toe zijn allerheiligste genade mij de krachten schonk om alles in de geest gering te schatten, Hij mij ook de goederen, de teruggave van eigendom en het leven zèlf zal schenken, liever dan met een knagend geweten de eed af te leggen; en aan de koning zelf heeft Hij in zijn goedheid ingegeven dat hij mij tot nu toe alleen maar van mijn vrijheid beroofde, waardoor zijne majesteit tenminste zeer zeker in één opzicht de grootste weldaad heeft bewezen aan mij, namelijk vanwege de geestelijke vooruitgang van mijn ziel die ik nu hoop te bereiken, een grotere weldaad dan al die eerbetuigingen en goederen die hij vroeger zo zeer voor mij opstapelde, hetzij God door dezelfde genade ofwel het gemoed van de koning zó zal leiden, dat hij niets zwaarders voor mij bepaalt, òf dat God mij voor altijd die kracht zal geven dat ik de zware dingen, in welke mate die mij ook zullen overkomen, geduldig (sterk en graag) kan dragen.

Wanneer deze dingen door het geduld van mijn kant verbonden zijn met de verdiensten van het zeer bittere lijden van de Heer (dat zeer zeker heel mijn lijdzaamheid in oneindige mate geheel en al terecht te boven gaat), zal Hij de straffen die mij toekomen in het vagevuur milderen, en zal Hij door zijn vrijgevige goddelijke goedheid zelfs iets meer loon in de hemel geven.

De Goedheid van God wantrouwen, mijn beste Margaretha, wil ik niet, hoe gebrekkig en zwak ik me ook voel. Ja, zelfs als ik daarbij schrik en onrust zou bemerken dat ik schijn te zullen vallen, zal ik tòch de heilige Petrus mij voor de geest roepen die bij die ene windvlaag als gevolg van zijn klein geloof begon te zinken en zal ik doen wat hij heeft gedaan. Christus zal ik met aandrang toeroepen: “Heer, red mij!” Want ik vertrouw er op dat Hij zijn hand toesteekt en mij vast zal grijpen en niet zal dulden dat ik onderga.

Ja, als Hij mij nog verder de rol van Petrus toestaat te spelen en mij volkomen op de grond vallen, zweren en vals zweren laat (wat God omwille van zijn barmhartigheid allerverst van mij moge houden en liever voor mij nadeel dan voordeel uit die val zou laten volgen - als het zou gebeuren -) en zèlfs dàn nog vertrouw ik er op dat Hij met ogen vol barmhartigheid op mij zal neerzien zoals Hij genadig neerzag op Petrus en dat Hij mij tenslotte zal oprichten, opdat ik opnieuw de waarheid kan belijden en mijn geweten kan ontlasten; en de straf en de schande van de eerste verloochening zal ik dan moedig dragen.

Tenslotte, mijn Margaretha, weet ik zeer zeker, dat God mij zonder schuld niet in de steek zal laten. Mer alle hoop en vertrouwen dus vertrouw ik me geheel aan Hem toe. Als Hij mij vanwege mijn zonden verloren laat gaan, zal zijn rechtvaardigheid tenminste in mij geprezen worden. Toch hoop ik vast en zeker dat zijn allermildste goedheid mijn ziel veilig zal bewaren, en dat Hij maakt dat zijn barmhartigheid eerder dan zijn rechtvaardigheid in mij bevonden wordt.

Heb dus goede moed, mijn dochter, en wees niet in het minst bekommerd om mij, wat mij ook in deze wereld overkomt. Niets kan mij treffen, wat God niet wil. Wat Hij echter wil, hoe slecht het ons ook toeschijnt, is toch werkelijk het beste.

Saints John Fisher and Thomas More


zaterdag 30 mei 2026

De Pastoor van Ars over het kruisteken:

In de Naam van de vader, de Zoon en de Heilige Geest…
Voor de duivel is het kruisteken iets verschrikkelijks, omdat wij aan hem ontkomen door het kruisteken . . . Met grote eerbied moeten wij het kruisteken maken. Men begint bij het hoofd waarmee op het Hoofd, de schepping, de Vader wordt gewezen. Dan volgt het hart: de Liefde, het Leven, de Verlossing – de Zoon; tenslotte de schouders: de Kracht – de Heilige Geest. Alles herinnert ons aan het kruis. Wij zijn zelf in de vorm van een kruis geschapen.

zondag 29 juni 2025

Homily Pope Benedict XVI Solemnity of sts Peter and Paul

The Feast of the Holy Apostles Peter and Paul is at the same time a grateful memorial of the great witnesses of Jesus Christ and a solemn confession for the Church: one, holy, catholic and apostolic. It is first and foremost a feast of catholicity. The sign of Pentecost - the new community that speaks all languages and unites all peoples into one people, in one family of God -, this sign has become a reality. Our liturgical assembly, at which Bishops are gathered from all parts of the world, people of many cultures and nations, is an image of the family of the Church distributed throughout the earth.

Strangers have become friends; crossing every border, we recognize one another as brothers and sisters. This brings to fulfilment the mission of St Paul, who knew that he was the "minister of Christ Jesus among the Gentiles, with the priestly duty of preaching the Gospel of God so that the Gentiles [might] be offered up as a pleasing sacrifice, consecrated by the Holy Spirit" (Rom 15: 16).
The purpose of the mission is that humanity itself becomes a living glorification of God, the true worship that God expects: this is the deepest meaning of catholicity - a catholicity that has already been given to us, towards which we must constantly start out again. Catholicity does not only express a horizontal dimension, the gathering of many people in unity, but also a vertical dimension: it is only by raising our eyes to God, by opening ourselves to him, that we can truly become one.

Like Paul, Peter also came to Rome, to the city that was a centre where all the nations converged and, for this very reason, could become, before any other, the expression of the universal outreach of the Gospel. As he started out on his journey from Jerusalem to Rome, he must certainly have felt guided by the voices of the prophets, by faith and by the prayer of Israel.

The mission to the whole world is also part of the proclamation of the Old Covenant: the people of Israel were destined to be a light for the Gentiles. The great Psalm of the Passion, Psalm 22[21], whose first verse Jesus cried out on the Cross: "My God, my God, why have you forsaken me?", ends with the vision: "All the ends of the earth shall remember and turn to the Lord; all the families of the nations shall bow down before him" (Ps 22[21]: 28). When Peter and Paul came to Rome, the Lord on the Cross who had uttered the first line of that Psalm was risen; God's victory now had to be proclaimed to all the nations, thereby fulfilling the promise with which the Psalm concludes.

Catholicity means universality - a multiplicity that becomes unity; a unity that nevertheless remains multiplicity. From Paul's words on the Church's universality we have already seen that the ability of nations to get the better of themselves in order to look towards the one God, is part of this unity. In the second century, the founder of Catholic theology, St Irenaeus of Lyons, described very beautifully this bond between catholicity and unity and I quote him. He says: "The Church spread across the world diligently safeguards this doctrine and this faith, forming as it were one family: the same faith, with one mind and one heart, the same preaching, teaching and tradition as if she had but one mouth. Languages abound according to the region but the power of our tradition is one and the same. The Churches in Germany do not differ in faith or tradition, neither do those in Spain, Gaul, Egypt, Libya, the Orient, the centre of the earth; just as the sun, God's creature, is one alone and identical throughout the world, so the light of true preaching shines everywhere and illuminates all who desire to attain knowledge of the truth" (Adv. Haer. I 10, 2). The unity of men and women in their multiplicity has become possible because God, this one God of heaven and earth, has shown himself to us; because the essential truth about our lives, our "where from?" and "where to?" became visible when he revealed himself to us and enabled us to see his face, himself, in Jesus Christ. This truth about the essence of our being, living and dying, a truth that God made visible, unites us and makes us brothers and sisters. Catholicity and unity go hand in hand. And unity has a content: the faith that the Apostles passed on to us in Christ's name.

I am pleased that yesterday, the Feast of St Irenaeus and the eve of the Solemnity of Sts Peter and Paul, I was able to give the Church a new guide for the transmission of the faith that will help us to become better acquainted with and to live better the faith that unites us: the Compendium of the Catechism of the Catholic Church. The essential content of what is presented in detail in the complete Catechism, through the witness of the saints of all the ages and with reflections that have matured in theology, is summed up here in this book and must then be translated into everyday language and constantly put into practice. The book is in the form of a dialogue with questions and answers.

The 14 images associated with the various areas of faith are an invitation to contemplation and meditation. In other words, a visible summary of what the written text develops in full detail. At the beginning there is a reproduction of a 6th-century icon of Christ, kept at Mount Athos, that portrays Christ in his dignity as Lord of the earth but at the same time also as a herald of the Gospel which he holds in his hand. "I am who am", this mysterious name of God presented in the Old Testament, is copied here as his own name: all that exists comes from him; he is the original source of all being. And since he is one, he is also ever present, ever close to us and at the same time, ever in the lead: an "indicator" on our way through life, especially since he himself is the Way. This book cannot be read as if it were a novel. Its individual sections must be calmly meditated upon and, through the images, its content must be allowed to penetrate the soul. I hope that it will be received as such and become a reliable guide in the transmission of the faith.

We have said that the catholicity of the Church and the unity of the Church go together. The fact that both dimensions become visible to us in the figures of the holy Apostles already shows us the consequent characteristic of the Church: she is apostolic. What does this mean?

The Lord established Twelve Apostles just as the sons of Jacob were 12. By so doing he was presenting them as leaders of the People of God which, henceforth universal, from that time has included all the peoples. St Mark tells us that Jesus called the Apostles so "to be with him, and to be sent out" (Mk 3: 14). This seems almost a contradiction in terms. We would say: "Either they stayed with him or they were sent forth and set out on their travels". Pope St Gregory the Great says a word about angels that helps us resolve this contradiction. He says that angels are always sent out and at the same time are always in God's presence, and continues, "Wherever they are sent, wherever they go, they always journey on in God's heart" (Homily, 34, 13). The Book of Revelation described Bishops as "angels" in their Church, so we can state: the Apostles and their successors must always be with the Lord and precisely in this way - wherever they may go - they must always be in communion with him and live by this communion.

The Church is apostolic, because she professes the faith of the Apostles and attempts to live it. There is a unity that marks the Twelve called by the Lord, but there is also continuity in the apostolic mission. St Peter, in his First Letter, described himself as "a fellow elder" of the presbyters to whom he writes (5: 1). And with this he expressed the principle of apostolic succession: the same ministry which he had received from the Lord now continues in the Church through priestly ordination. The Word of God is not only written but, thanks to the testimonies that the Lord in the sacrament has inscribed in the apostolic ministry, it remains a living word. Thus, I now address you, dear Brother Bishops. I greet you with affection, together with your relatives and the pilgrims from your respective Dioceses. You are about to receive the Pallium from the hands of the Successor of Peter. We had it blessed, as though by Peter himself, by placing it beside his tomb. It is now an expression of our common responsibility to the "chief Shepherd" Jesus Christ, of whom Peter speaks (I Pt 5: 4). The Pallium is an expression of our apostolic mission. It is an expression of our communion whose visible guarantee is the Petrine ministry. Unity as well as apostolicity are bound to the Petrine service that visibly unites the Church of all places and all times, thereby preventing each one of us from slipping into the kind of false autonomy that all too easily becomes particularization of the Church and might consequently jeopardize her independence. So, let us not forget that the purpose of all offices and ministries is basically that "we [all] become one in faith and in the knowledge of God's son, and form that perfect man who is Christ come to full stature", so that the Body of Christ may grow and build "itself up in love" (Eph 4: 13, 16).

In this perspective, I warmly and gratefully greet the Delegation of the Orthodox Church of Constantinople, sent by the Ecumenical Patriarch Bartholomew I to whom I address a cordial thought, and led by Metropolitan Ioannis, who has come for our feast day and is taking part in our celebration. Even though we may not yet agree on the issue of the interpretation and importance of the Petrine Ministry, we are nonetheless together in the apostolic succession, we are deeply united with one another through episcopal ministry and through the sacrament of priesthood, and together profess the faith of the Apostles as it is given to us in Scripture and as it was interpreted at the great Councils. At this time in a world full of scepticism and doubt but also rich in the desire for God, let us recognize anew our common mission to witness to Christ the Lord together, and on the basis of that unity which has already been given to us, to help the world in order that it may believe. And let us implore the Lord with all our hearts to guide us to full unity so that the splendour of the truth, which alone can create unity, may once again become visible in the world.

Today's Gospel tells of the profession of faith of St Peter, on whom the Church was founded: "You are the Messiah... the Son of the living God" (Mt 16: 16). Having spoken today of the Church as one, catholic and apostolic but not yet of the Church as holy, let us now recall another profession of Peter, his response on behalf of the Twelve at the moment when so many abandoned Christ: "We have come to believe; we are convinced that you are God's holy one" (Jn 6: 69). What does this mean?

Jesus, in his great priestly prayer, says that he is consecrating himself for his disciples, an allusion to the sacrifice of his death (cf. Jn 17: 19). By saying this, Jesus implicitly expresses his role as the true High Priest who brings about the mystery of the "Day of Reconciliation", no longer only in substitutive rites but in the concrete substance of his own Body and Blood. The Old Testament term "the Holy One of the Lord" identified Aaron as the High Priest who had the task of bringing about Israel's sanctification (Ps 106[105]: 16; Vulgate: Sir 45: 6). Peter's profession of Christ, whom he declares to be the Holy One of God, fits into the context of the Eucharistic Discourse in which Jesus announces the Day of Reconciliation through the sacrificial offering of himself: "the bread I will give is my flesh, for the life of the world" (Jn 6: 51). So this profession is the background of the priestly mystery of Jesus, his sacrifice for us all. The Church is not holy by herself; in fact, she is made up of sinners - we all know this and it is plain for all to see. Rather, she is made holy ever anew by the Holy One of God, by the purifying love of Christ. God did not only speak, but loved us very realistically; he loved us to the point of the death of his own Son. It is precisely here that we are shown the full grandeur of revelation that has, as it were, inflicted the wounds in the heart of God himself. Then each one of us can say personally, together with St Paul, I live "a life of faith in the Son of God, who loved me and gave himself for me" (Gal 2: 20).

Let us pray to the Lord that the truth of these words may be deeply impressed in our hearts, together with his joy and with his responsibility; let us pray that shining out from the Eucharistic Celebration it will become increasingly the force that shapes our lives.

HH Petrus en Paulus "Samen hebben zij de ene gemeenschap van Christus opgebouwd"

29 juni Hoogfeest van de HH. Apostelen Petrus en Paulus

PREFATIE



Heilige Vader, machtige eeuwige God,
om recht te doen aan uw heerlijkheid,
om heil en genezing te vinden zullen wij U danken,
altijd en overal.

Want het feest van uw heilige Apostelen
vervult ons met vreugde:
Petrus, die als eerste van allen het geloof heeft beleden,
Paulus, die het als leraar heeft verklaard.
De een heeft met de heilige rest van Israël de jonge Kerk gesticht;
de ander werd de leraar van de volkeren, van allen die geroepen zijn.
Samen hebben zij, ieder op zijn eigen wijze,
de ene gemeenschap van Christus opgebouwd,
en nu zij beiden dezelfde kroon ontvangen hebben,
worden zij in heel de wereld samen gevierd.

Daarom, met alle Engelen en Heiligen,
loven en aanbidden wij U zolang er woorden zijn en zingen U vol vreugde:

Sanctus, Sanctus, Sanctus…

Lezingen H. Mis 29 juni - HH. Petrus en Paulus - apostelen - hoogfeest

Eerste lezing (Hand. 12, 1-11)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
In die dagen legde koning Herodes de hand op enkele leden van de kerk om hen te mishandelen: Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. Omdat hij bemerkte dat dit de joden aangenaam was, liet hij ook nog Petrus gevangen nemen. Het was juist in de dagen van het ongedesemde brood. Toen hij hem in handen had gekregen, wierp hij hem in de gevangenis en liet hem bewaken door vier groepen soldaten, elk van vier man; het was zijn bedoeling Petrus na het paasfeest voor het volk te leiden. Terwijl Petrus in de gevangenis zat, werd door de kerk vurig voor hem tot God gebeden. In de nacht vóórdat Herodes hem wilde laten voorleiden, lag Petrus met twee kettingen vastgebonden, te slapen tussen twee soldaten, terwijl ook voor de poort van de gevangenis wacht werd gehouden. Opeens stond een engel des Heren bij hem en was de cel hel verlicht. Hij stootte Petrus in de zij, wekte hem en sprak: “Sta vlug op.” Meteen vielen de kettingen van zijn handen. Vervolgens zei de engel: “Doe uw gordel om en bind uw sandalen onder.” Petrus deed het. De engel hernam: “Sla uw mantel om en volg mij.” Hij ging mee naar buiten zonder nog te beseffen dat het werkelijkheid was wat de engel deed: hij meende een visioen te zien. Zij passeerden de eerste en de tweede wacht en kwamen aan de ijzeren poort, die toegang gaf tot de stad; deze ging vanzelf voor hen open. Zij traden naar buiten, liepen een straat ver en eensklaps was de engel verdwenen. Toen kwam Petrus tot zichzelf en zei: “Nu weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij heeft ontrukt aan de macht van Herodes en aan alles wat het volk der Joden verwachtte.”

Tweede lezing (2 Tim. 4, 6-8.17-18)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timóteüs.
Dierbare, wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij. Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop voleind, het geloof bewaard. Nu wacht mij de krans der gerechtigheid waarmee de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij zal belonen op de grote dag, en niet alleen mij, maar allen die met liefde uitzien naar zijn komst. De Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven om mijn ambt als prediker van het evangelie ten einde toe te vervullen, zodat alle volken ervan horen, en ik werd verlost uit de muil van de leeuw. De Heer zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen! Amen.

Evangelie (Mt. 16, 13-19)
In die tijd, toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: “Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?” Zij antwoordden: “Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.” “Maar gij - sprak Hij tot hen - wie zegt gij dat Ik ben?” Simon Petrus antwoordde: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Jezus hernam: “Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.”

zaterdag 14 juni 2025

Liturgia Horarum H. Lidwina "Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op"

Uit het leven van de maagd Lidwina door Thomas van Kempen († 1471)

Tijdens haar langdurig lijden ontving zij in rijke mate goddelijke vertroosting.

‘Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op’ (Ps. 94 (93), 19). Deze uitspraak van de heilige Schrift is op ondubbelzinnige wijze letterlijk door God vervuld in deze heilige maagd, in Lidewiges (Lidwina), die Hij eerst met allerlei lichamelijk en geestelijk lijden overstelpte om haar te louteren, maar die Hij later te midden van haar vele pijnen en kwalen bezocht om haar telkens weer te vertroosten en te verblijden.
Toen er ongeveer drie of vier jaren voorbij waren sinds het begin van haar ziekte, was zij nog ongeduldig onder Gods kastijding en nog niet uit eigen beweging onderworpen aan God, door wie toch niets op aarde zonder reden geschiedt. Wanneer zij haar vriendinnen die haar kwamen bezoeken, gezond en vrolijk zag, terwijl zij zelf zwaar ziek was, verlangde zij er meer naar samen met de anderen gezond te zijn van lijf en leden, dan innerlijk gelukkig te zijn door de deugd van geduld. En omdat zij nog geen smaak had in het geestelijke en niet wist wat God het meest behaagde, klaagde zij soms en treurde zij vaak over haar lijden. Dan weende zij zulke bittere tranen dat zij door niemand getroost wilde worden.
Toen nu haar biechtvader, de heer Johannes Pot, die gewoon was haar tweemaal per jaar de heilige communie te brengen, haar kwam bezoeken, trachtte hij met zijn troostende woorden haar te bewegen voortaan haar tranen te bedwingen en haar droefheid te matigen. Daarom gaf hij haar de goede raad zich welbewust aan Gods wil over te geven en zich toe te leggen op de overweging van het lijden des Heren, en hij verzekerde haar dat zij hierdoor gemakkelijk goede troost zou ontvangen. Zij vroeg de priester dus hoe zij deze vrome oefening moest verrichten en leerde van hem een methode voor deze heilzame overweging. Maar toen zij er niet onmiddellijk baat bij vond - want zij proefde niet terstond honing uit de rots of wonderbaar brood - voelde zij tegenzin opkomen en wierp zij als bittere alsem weg, wat zij in haar hart had opgenomen maar wat nog niet diep was geworteld.
Toen evenwel deze priester er sterker op aandrong en haar krachtiger aanspoorde zich geweld aan te doen om door te gaan met wat zij begonnen was en haar tegenzin te overwinnen, liet zij zich door die goede raadgevingen leiden en gaf zij gewillig gehoor aan hetgeen haar biechtvader haar zei. Nadat zij zich tenslotte met grote inspanning de goede gewoonte had eigen gemaakt over God te mediteren, schonk dit haar na verloop van tijd zoveel troost dat zij gaarne verklaarde zich volmaakt te willen verloochenen. Want als zij door het bidden van één Weesgegroet haar algehele genezing zou kunnen verkrijgen, zou zij dit toch niet doen of wensen.
Ongetwijfeld was deze verandering te danken aan de Allerhoogste zelf die zijn hand naar de behoeftige uitstak en haar, tijdens haar langdurig lijden, ’s nachts vertroostte op haar ziekbed. Want aangetrokken en verlokt door de verborgen zoetheid van ’s Heren lijden, overwoog zij dag en nacht op gezette tijden het lijdensverhaal in zeven gedeelten, overeenkomstig het getal van de kerkelijke getijden. Hierin vond zij het verborgen manna, en zij werd met vreugde over zoveel zoetheid vervuld. En het was alsof niet zijzelf, maar Christus - wiens lijden zij overwoog - verdroeg wat zij tot dan toe zelf had geleden. Toen kon zij, door de Geest onderwezen, uit eigen ervaring met de profeet Jesaja zeggen: ‘Waarlijk, Gij zijt een verborgen God’ (Jes. 45, 15) en luide zijn woorden herhalen: ‘Iedere nacht verlang ik naar U; ik hunker naar U met heel mijn ziel. Voor U waak ik vanaf de vroege morgen’ (Jes. 26, 9).

H. Liduina van Schiedam, maagd en mystica H. Liduina en de H. Eucharistie'

14 juni 2017
Feest van de H. Liduina van Schiedam, maagd en mystica
H. Liduina en de H. Eucharistie'
 Schilderij uit de reeks van Jan Dunselman (ca. 1890) in de Schiedamse basiliek van de
H. Liduina en O.L. Vrouw van de Rozenkrans,
voorstellende een van Liduina's eucharistisch visioenen.

 “Er waren er, die van haar ziekbed stil en in zichzelf gekeerd weggingen. Zij dachten na over het mysterie van lijden en kwaad. Zij begonnen iets te zien van de rampspoeden, waarmee de Kerk geteisterd werd en getuigden: “Hier is de vinger Gods”.
Er waren er ook die zich niet ontzagen haar ruw en hard en ongevoelig tegen te spreken en, hetzij in haar gezicht, hetzij achter haar rug te mompelen: : Gij zijt een kleine slimme bedriegster, doch wij laten ons niet beetnemen. Beken het maar: gij eet in het geheim. Wilt gij ons wijsmaken, dat gij zonder voedsel leeft?”
Anderen, minder harteloos, spraken vergoelijkend: “Neen, een bedriegster is zij niet. Zij is geestelijk ziek; ze misleidt zichzelf. Haar ouders, die eenvoudige mensen, hebben dat niet door. Zij maakt zich wat wijs, zij beeldt zich wonderen en visioenen in”.
Maar met haar klaar en nuchter verstand doorzag zij de mensen.
“Waarom zou ik niet eten?” vroeg zij hun. “Eten is toch geen zonde en voor zover ik weet, is niet-eten geen heldendaad”.
“Dus gij eet niet? Goed, wij geloven U. Gij eet niet, lijdt vreselijke pijnen, slaapt niet en gij blijft leven! Dan zijt gij door de duivel bezeten. Roep een priester. Vraag hem, dat hij de duivel in u bezweert”.
Slechts weinigen gaven zich voor het wonder gewonnen en erkenden, dat een slachtoffer voor
de zonden van de wereld door de bovennatuurlijke kracht Gods op wonderbare wijze leed, om de zonden van de mensen te boeten en Gods barmhartigheid af te smeken.

Het geheim van de Konings [Christus] mocht zij niet bekend maken. Zij moest het bewaren in haar hart. Doch het behaagde de Koning zelf het geheim te openbaren op Zijn tijd.
Het stadsbestuur stelde een onderzoek in en liet Liduina maandenlang bewaken. In een officiële oorkonde, met het stadszegel gemerkt, deed het mededeling van zijn bevindingen. Dit stuk bevestigt, dat Liduina, die niet at en niet sliep, in een rottend lichaam een aangename geur verspreidde.”

Uit: J.B.W.M. Möller, pr.
Sint Liduina van Schiedam in de mystiek en in haar tijd( ’s Gravenhage, 1948)
Gebaseerd op o.a. de hagiografie van de H. Liduina van Schiedam door Jan Brugman OFM [ca 1400-Nijmegen, 1473].




Het boek van Johannes Brugman, in 1498 gedrukt te Schiedam

maandag 26 mei 2025

26 mei H. Filippus Neri, priester Verheugt u in de Heer te allen tijde.



Filippus Neri werd in 1515 te Florence geboren. Op latere leeftijd vertrok hij naar Rome en trok zich het lot aan van de jeugd aldaar. Zijn beleving van het evangelie beperkte zich echter niet hiertoe. In zijn bezorgdheid voor zieke armen richtte hij een vereniging op die zich met ziekenbezoek belastte. Priester gewijd in 1551, stichtte hij het oratorium waarin geestelijke lezing, zang en liefdewerken tot de religieuze opdracht behoorden. Filippus was een man van uitzonderlijke naastenliefde en evangelische eenvoud en diende God met grote blijmoedigheid. Hij stierf in 1595.

uit de lezingendienst:

Uit een preek van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430)

Verheugt u in de Heer te allen tijde.

De Apostel schrijft ons voor om ons te verheugen, maar in de Heer, niet in de wereld. Want zoals de Schrift zegt: ‘Wie met de wereld bevriend wil zijn, maakt zich tot vijand van God’ (Jak. 4, 4). Zoals echter geen mens twee heren dienen kan, zo kan ook niemand zich tegelijk in de Heer en in de wereld verheugen. Laat dus de vreugde in de Heer de overhand hebben totdat de vreugde in de wereld ten einde gaat. Laat de vreugde in de Heer steeds vermeerderen, en de vreugde in de wereld steeds minder worden totdat die ophoudt. Dat wil niet zeggen dat wij ons niet verheugen mogen terwijl wij in deze wereld zijn, maar dat wij ons al in de Heer verheugen terwijl wij nog in deze wereld zijn.
Maar daar zegt iemand: ik ben in de wereld; dus als ik blij ben, ben ik blij daar waar ik ben. Wat hebben we nu? Omdat ge in de wereld zijt, zijt ge niet in God? Luister naar diezelfde apostel wanneer hij tot de Atheners spreekt, en wanneer hij in de Handelingen van de Apostelen over God en over onze Heer de Schepper zegt: ‘In Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn’ (Hand. 17, 28). Want wie overal is, waar is Hij niet? Heeft Hij ons niet hiertoe vermaand: ‘Weest onbezorgd. De Heer is nabij!’ (Fil. 4, 5b-6).
Dit is iets groots, dat Hij opgestegen is boven alle hemelen en toch nabij is aan hen die nog op aarde verblijven. Wie is Hij die veraf en nabij is, anders dan Hij die ons zo nabij gekomen is uit barmhartigheid?
Want heel het menselijk geslacht is die mens, die achtergelaten door rovers halfdood op de weg lag, aan wie de priester en de leviet vol minachting voorbijgingen, maar naar wie de Samaritaan, die voorbijkwam, toeging om hem te verzorgen en te helpen.
De Onsterfelijke en Rechtvaardige was ver weg van ons, sterfelijke en zondige mensen, maar Hij daalde naar ons af, zodat Hij die veraf was, ons nabij zou worden.
‘Hij handelt met ons niet zoals wij verdienen, vergeldt ons niet onze schuld’ (Ps. 103 (102), 10), want wij zijn zijn kinderen. Hoe bewijzen wij dat? De enige Zoon is voor ons gestorven, om niet de Enige te blijven. Hij die als de Enige stierf, wilde niet de Enige blijven. Want de enige Zoon van God maakte velen tot kinderen van God. Hij kocht zich broeders en zusters met zijn bloed; zelf verworpen, erkende Hij hen; zelf verkocht, kocht Hij ze los; Hij eerde hen terwijl Hij zelf veracht werd; zelf werd Hij gedood en maakte hen levend.
Dus, broeders en zusters, verheugt u in de Heer, niet in de wereld, dat wil zeggen: verheugt u in de waarheid, niet in de ongerechtigheid, verheugt u in de hoop op de eeuwigheid, niet in de glans der ijdelheid. Dus verheugt u: waar ge ook zijt en hoe lang ge hier ook zult zijn. De Heer is nabij. Weest onbezorgd!


maandag 28 april 2025

Heilige Titus Brandsma - De spiritualiteit van de Kanunnikessen van het Heilig Graf 1



Van Ons Geestelijk Erf

de spiritualiteit van de Kanunnikessen van het Heilig Graf 1

* 23 februari 1881 te Ugoklooster bij Bolsward, priesterwijding 17 juni 1905 te Den Bosch,
† 26 juli 1942 te Dachau

Titus Brandsma werd geboren op 23 februari 1881 te Ugoklooster,  een klein dorpje bij Bolsward in Friesland. Toen hij 11 jaar was ging hij naar het gymnasium in Megen aan de Maas. Hij was 17 jaar toen hij op 17 september 1898 in Boxmeer intrad in de orde van de karmelieten. Op 17 juni 1905 werd hij priester gewijd in de kathedraal van Den Bosch. In 1909 voltooide hij zijn studie en werd docent filosofie aan het studiehuis van de karmelieten in het Brabantse Oss. In 1923, toen de katholieke universiteit van Nijmegen werd opgericht, is hij daar hoogleraar geworden in de geschiedenis van de wijsbegeerte en de mystiek. (1)

In zijn academische loopbaan heeft Titus Brandsma zich intensief beziggehouden met het  spirituele erfgoed in de Nederlanden waaraan de beweging van de Moderne Devotie in de 14e-15e eeuw een krachtige impuls gaf. 80% van de tot nu toe bewaard gebleven Middelnederlandse geestelijke literatuur behoort tot het erfgoed van de Moderne Devotie.
Ontstaan rond persoon en werk van de in Deventer geboren Geert grote beoogde deze nieuwe geestesstroming een heropleving van het christelijk gemeenschapsleven naar het voorbeeld van de eerste christelijke gemeente van Jeruzalem. De Devotio Moderna onderstreepte ook de individuele verantwoordelijkheid van iedere christen voor de gehele Kerk als ‘vernieuwde innigheid’. Aanhangers van deze vernieuwingsbeweging vormden als broeders en zusters ‘van het gemene leven’ (vita communis) gemeenschappen waar zij ongehuwd, zonder geloften, maar in onderlinge gehoorzaamheid, in gemeenschap van goederen en levend van de iunbreng van hun arbeid leefden. Vertaald naar de eigen tijd leefden zij vanuit de overgeleverde bronnen van het christelijk leven. Met behulp van zogenaamde “rapiaria”, notitieboekjes met bijeengesprokkelde spreuken, instructies, raadgevingen, preekfragmenten, hielden zij hun geestelijk leven op peil en gaven het door aan anderen. De Navolging van Christus Thomas van Kempen is hiervan een absoluut hoogtepunt. Naast de broeders- en zustergemeenschappen in de steden ontstonden eigen kloosters voor reguliere kanunniken en kanunnikessen volgens het gedachtegoed van de Moderne Devotie zoals Windesheim (1387) en Diepenveen (14oo) die spoedig, wijd vertakt, de Congregatie van Windesheim  zouden vormen. Bestaande kloosters in de Nederlanden en Duitsland werden naar deze geestesrichting hervormd, met name van benedictijnen, cisterciënsers, kruisbroeders en sepulcrijnen (kanunniken en kanunnikessen van het H.Graf).

Jan van Abroek (+1510), de eerste prior van het kanunnikenklooster te Sint Odiliënberg (1467- 1639), was mede gevormd door de spiritualiteit van de Moderne Devotie en zou ook de andere kloosters van deze orde naar het model van deze geestelijke stroming hervormen. Het samengaan van het besef van God als dragend en leidend beginsel,  m.a.w. het leven in het klooster en tevens oog voor de realiteit van het menselijk bedrijf van elke dag, sloot goed aan bij de Regel van Sint Augustinus. 

In zijn voordracht over Titus Brandsma en de Moderne Devotie (2) bespreekt pater Rudolf van Dijk O.Carm. (1935-2015) diens interessevelden  en onderwijsprojecten als docent en professor te Nijmegen alsmede diens literair œuvre.  Als laatste onderdeel van dit boeiend betoog komt de wekelijkse rubriek Van Ons Geestelijk Erf aan bod, een wekelijkse column in de zaterdageditie van het te Nijmegen verschijnende katholieke dagblad De Gelderlander. Tussen 30 april 1938 en 15 november 1941 verschenen 155 artikelen, meestal eenvoudigweg ondertekend met de initialen J.B. In deze korte artikelen belichtte hij gestalten, geschriften en bewegingen uit de Nederlandse  vroomheidsgeschiedenis. Drie bijdragen (150-152) wijdde Titus aan de Orde van het Heilig Graf, waarmee de Orde van de Karmelieten zich historisch en liturgisch verwant voelt.

Van Ons Geestelijk Erf
Kanunnikessen van het H. Graf

Oudtijds heetten zij “Sepulcrijnen” of “Sepulcrienen” naar het Latijnsche woord voor “Graf”: “Sepulcrum”. In Maastricht hebben we als een herinnering aan haar vroeger klooster aldaar nog de “Sepulcrijnenstraat”. Maar de meer volledige naam is toch: “Kanunnikessen van het H. Graf” en onder deze benaming kennen wij haar sinds een kleine twintig jaar ook weer in Nederland.
In 1923, hetzelfde jaar, waarin te Nijmegen de Katholieke Universiteit werd gesticht, kwamen de Zusters Kanunnikessen van het H. Graf uit het groote klooster van Turnhout naar de Heilige Landstichting te Nijmegen om er de plaats in te nemen van “de Witte Zusters Dochters van Jezus’ H. Hart”, de mooie stichting van Moeder Maria van Jezus, die Nijmegen niettemin is blijven herbergen in het devote kloostertje van aanbidding op den Kwakkenberg.
In 1933 daalden de Kanunnikessen  van het H. Graf van de hooge Landstichting af naar “de Wolfskuil”om er een tehuis te stichten van studie en gebed, waar ook voor jonge meisjes, die hoogere vorming wenschten, gelegenheid daartoe werd geboden. Het ontving den naam “Huize Maria Immaculata” en Moeder Jozefa, die in “Casa Nova” op de Landstichting haar kloostertje reeds tot een centrum van katholieke cultuur en geestelijk leven had gestempeld, slaagde erin, ook van “Huize Maria Immaculata”zulk een centrum te maken.
In 1936 werd het klooster met het Pelgrimshuis op de H. Landstichting overgedaan aan de Zusters Sepulcrienen van Baden-Baden, die het nog heden bewonen. Was deze laatste stichting, hoewel door het klooster te Baden tot stand gebracht, reeds aanstonds een zelfstandige van het moederklooster onafhankelijke stichting, de kloostergemeente van Moeder Jozefa, die met haar Zusters uit Turnhout kwamen, bleef nog jaren van Turnhout afhankelijk. Eerst in September 1939 werd het klooster in de Wolfskuil aan de Graafscheweg van het hoofdklooster in Turnhout losgemaakt en tot een zelfstandig prioraat verheven.
Zoo  bezit Nederland thans weder twee zelfstandige kloosters van de oude “Sepulcrienenorde”, een Duitsch en een Nederlandsch. Wij merken intusschen op, dat het klooster van Baden-Baden, dat hier  een Duitsche nederzetting in het leven riep, oorspronkelijk van Zuid-Nederlandschen oorsprong is en in 1670 werd gesticht vanuit het Sint Agathaklooster der Sepulcrienen van Luik.
Reeds lang voor dien tijd bloeide de Orde in de Nederlanden.

Wij mogen de vrouwelijke tak van de Orde der Kanunniken van het H. Graf in Noord-Europa zelfs een Nederlandsche stichting noemen.
Zeker is niet te verdedigen, wat men op verschillende plaatsen vermeld vindt, dat reeds omstreeks het midden der twaalfde eeuw in 1144 te Sint Odilienberg het eerste vrouwelijke klooster zou zijn gesticht, de stichting van het eerste vrouwenklooster der Orde in deze streken ligt meer dan drie eeuwen later en wel in 1480, toen de Prior van Sint Odilienberg Jan van Abroek het door de Kanunniken verlaten klooster van Kinrooi bij Maaseik overdroeg aan zijn zuster Clementia van Abroek, die met nog twee andere “falie-zusters” uit het klooster “Den Bongart” te Roermond naar de Orde van het H. Graf was overgegaan. 9 October 1480 betrokken zij, na te Sint Odilienberg haar proeftijd te hebben doorgemaakt en haar geloften te hebben afgelegd, het voor haar bestemde klooster, waar nog dien eigen dag drie andere Zusters het kleed der Orde ontvingen. Hoewel het spoedig tot bloei geraakte en reeds in 1486 vanuit Kinrooi een nieuw klooster te Nieuwstad bij Sittard kon worden gesticht en in 1490 reeds een derde klooster verrees in de gemeente Entzen bij Euskirchen in het hertogdom Gulik, werd het in verband met oorlogsomstandigheden in 1495 naar de stad Maaseik overgebracht. Het behield den naam, welke het reeds te Kinrooi droeg en heette ook daar “Onze Lieve Vrouw van Jeruzalem”. Het bleef tot 1520 tot de Orde behoren, maar ging toen over naar de Orde van de Kanunnikessen van den H. Augustinus.
Het is wel eenigszins tragisch, dat het moederklooster der Orde in deze streken, de bakermat van zoovele kloosters zelf naar een andere Orde overging, maar het zaad was uitgestrooid en in wijden onttrek verrezen op vele plaatsen kloosters, die de eerste instelling trouw bleven en den naam van de Kanunnikessen van het H. Graf met lof hebben doen noemen en haar een eereplaats onder de Orden der Kerk in deze streken  hebben doen innemen.

Is de verspreiding van de Orde der Kanunnikessen van het H. Graf in de Nederlanden, in Duitschland en Frankrijk van een Nederlandsche stichting in de 15de eeuw uitgegaan, dit wil niet zeggen, dat niet reeds eerder in het H. Land en in Zuid-Europa met name in Spanje vrouwenkloosters der Orde hebben bestaan. Wij mogen met grond aannemen, dat reeds kort na de instelling van den mannelijken tak in het H. Land ook vrouwen lid der Orde zijn geworden. Een enkel woord woord over de stichting der mannelijke Orde moge voorafgaan.
Het H. Graf te Jeruzalem was – het spreekt vanzelf – reeds lang vóór de Kruistochten een heilige plaats. Toen de Kruisvaarders te Jeruzalem kwamen, vonden zij er een kleine Byzantijnsche broederschap, die het toezicht had op het heiligdom van het H. Graf. Godfried van Bouillon was daarmede uiteraard niet tevreden.

Van de patriarchale kerk van het H. Graf maakte hij terstond een collegiale kerk met een twintig Kanunniken. Hij had hierbij de volle medewerking van den eersten Patriarch Arnulphus van Roeux die 1 Augustus 1099 in plaats van den Griekschen tot Latijnsch patriarch van Jeruzalem werd gekozen, maar einde December van dat jaar werd afgezet om echter later in 1112 opnieuw te worden gekozen. Paus Pascalis bevestigde hem toen in dit ambt, dat hij tot 1118 vervulde. In den korte tijd, dat hij den eersten keer de patriarchale waardigheid bekleedde, leidde hij ook de eerste kerkelijke inrichting van het nieuwe Latijnsche koninkrijk, zoodat hij als de stichter van de Orde mag worden beschouwd. Hij gaf den Kanunniken van het H. Graf niet slechts de bediening van de H. Grafkerk, maar ook het toezicht op het H. Graf, terwijl hij hen tevens belastte met de leiding van een pelgrimshuis ter verzorging van de pelgrims. De eerste patriarchen van Jeruzalem volgden elkander heel snel op, telkens rezen ernstige moeilijkheden over hun bestuur. Einde 1099 werd in plaats van Arnulphus van Roeux, de aartsbisschop van Pisa Daimbert of Dagobert tot patriarch benoemd. Toen deze in 1102 door een synode te Jeruzalem was afgezet, benoemde koning Boudewijn I Evermarus tot patriarch. In 1105 bevestigde echter Paus Pascalis II Daimbert in zijn ambt en benoemde Evermarus tot aartsbisschop van Caesarea. In 1108 werd de aartsbisschop van Arles Gibelinus patriarch van Jeruzalem tot 1112, toen Arnulphus van Roeux opnieuw tot patriarch werd gekozen. De opeenvolgende patriarchen regelden het instituut der Kanunniken steeds nader. Evermarus gaf hun een vast jaargeld, Gibelinus verplichtte hen tot het onderhouden van de “mensa communis”, hetgeen een nauwere samenleving insloot, terwijl eindelijk Arnulphus van Roeux dit bekroonde door door hen in 1114 tot een volledig kloosterleven te verplichten volgens den regel van den H. Augustinus. In 1122 werd de Orde door paus Pascalis II erkend. Was hun eerste zorg en taak, op de plaats van het H. Graf de kerk in stand te houden en er de kerkelijke diensten met eer en luister te omgeven, zij hadden tevens te zorgen, dat er ook voor de toekomst priesters voor dit heiligdom zouden zijn en leidden tot dit doel een school van jonge “klerken” of geestelijken. Bekend was ook hun beoefening van den kerkzang, bevorderd door door de instelling van een scola cantorum. Als derde taak was hun opgedragen, de pelgrims niet slechts te herbergen, maar ook te helpen, rond te leiden en te onderrichten.
Was hun werkzaamheid eerst beperkt tot de kerk van het H. Graf, al spoedig werd hun de zorg voor andere kerken opgedragen en werden een heele reeks kerken en kloosters en andere instellingen van hen afhankelijk.
Overeenkomstig de middeleeuwsche gebruiken kenden behalve de eigenlijke Kanunniken en de leekebroeders, die de gelofte op den regel aflegden, ook andere personen in de kloosterlijke “familie” worden opgenomen, soms met, soms zonder geloften, terwijl zich ook als “derde-orde-ling” menschen in de wereld met de Orde verbonden in geestelijke oefeningen en goede werken.
Zoo is er ook al spoedig sprake van vrouwen, die als “sorores” of “zusters” in nauw verband met de Orde leven, haar goederen er aan wegschenken en in de klooster-gemeenschap worden opgenomen. Uit deze opname van vrouwen zijn geleidelijk eerst de zoogenaamde dubbelkloosters ontstaan, daarna door steeds verdere scheiding de eigenlijke vrouwenkloosters. In het H. Land is, hoewel in de oude stukken herhaaldelijk van “zusters” sprake is, geen afzonderlijk vrouwenklooster bekend.  Het oudst bekende vrouwenklooster der Orde dagteeekent uit de 13e eeuw. Wij vinden het in Spanje.
                                                                                                                                                                                 T.B.

De Gelderlander
23-8-’41

Wordt vervolgd

(1)    p.W.F.M. Hamans (Eindred.) Getuigen voor Christus. Rooms-Katholieke Bloedgetuigen uit Nederland in de Twintigste Eeuw. 2008; NRL, Den Bosch, p. 250)
(2)   Inleiding voor de Karmelfamilie Nederland op de Dies Natalis van het Titus Brandsma Instituut (Nijmegen 4 juni 2010) Karmelitaanse Vorming nr.18, Boxmeer 2010.


zaterdag 8 februari 2025

8 Febrero Santa Josefina Bakhita EL SEÑOR ME HA AMADO TANTO! De Heer heeft mij zó bemind!



Meditaciones de Santa Josefina Bakhita:
He dado todo a mi Señor:  Él cuidará de mí … Lo mejor para nosotros no es lo que consideramos mejor, sino lo que el Señor quiere de nosotros!
Ik heb alles aan mijn Heer gegeven: Hij zal mij helpen… Het beste voor ons is niet wat wij als het beste beschouwen, maar wat de Heer van ons wenst!
Oh Señor, si yo pudiera volar hasta mi pueblo y contarles sobre Tu Bondad con lo más alto que alcance mi voz: ¡Oh, cuántas almas se ganarían !
O, Heer, als ik kon vliegen naar mijn volk en hen met uiterste stemverheffing over Uw goedheid vertellen: o, hoeveel zielen zouden zich gewonnen geven!
Si yo me encontrara con los comerciantes de esclavos que me secuestraron y hasta con los que me torturaron, me pondría de rodillas y besaria sus manos, por si eso no hubiera sucedido, yo no sería cristiana hoy, ni religiosa …
Als ik de slavenhandelaars zou ontmoeten die mij ontvoerden en ook degenen die mij folterden, zou ik mij op de knieën werpen en hun handen kussen, want als dit niet was gebeurd, zou ik nu geen christen zijn en geen religieuze…
El Señor me ha amado tanto…: debemos amar a todos … tenemos que ser compasivos!
De Heer heeft mij zó bemind…: wij moeten ook de anderen beminnen… en compassie met hen hebben!
María me protegió, incluso antes de que yo la conociera!
Maria heeft mij beschermd, zelfs voordat ik haar kende!
Cuando una persona ama a otra muchísimo, lo que desea con fuerza es estar cerca de ella: por lo tanto, ¿por qué tener miedo de morir? La muerte nos lleva a Dios!
Als man en vrouw veel van elkaar houden, wensen zij in elkaars nabijheid te zijn:  daarom, waarom bang zijn voor de dood? De dood draagt ons naar God!
“Me voy despacio, paso a paso, porque llevo dos grandes maletas: en una van mis pecados, y en la otra, mucho más pesada, los méritos infinitos de Jesús. Cuando llegue al cielo abriré las maletas y diré a Dios: Padre eterno, ahora puedes juzgar. Y a San Pedro: cierra la puerta, porque me quedo”.
“Ik ga langzaam, stap voor stap, want ik draag twee grote valiezen: in het ene zitten mijn zonden en in het andere, die veel zwaarder is, de oneindige verdiensten van Jezus. Als ik in de hemel aankom zal ik de valiezen openmaken en tot God zeggen: Eeuwige Vader, nu kunt U oordelen. En tegen Sint Petrus: open de poort, want ik blijf hier”.
Viendo el sol, la luna y las estrellas, decía dentro de mí: ¿Quién será el Dueño de estas bellas cosas? Y sentía grandes deseos de verle, de conocerle y de rendirle homenaje.
Bij het zien van de zon, de maan en de sterren, zei ik bij mezelf: Wie zou de Meester van deze mooie dingen zijn? En ik voelde een groot verlangen Hem te zien, Hem te (leren) kennen en Hem hulde te brengen.
Que sean buenos, que amen al Señor, que reces por los que no le conocen. ¡Si supieras qué gran gracia es conocer a Dios!
Hoe goed zijn zij die de Heer beminnen, die bidden voor hen die ze niet kennen. Als je eens kon vermoeden welk een genade het is God te kennen!


zaterdag 28 december 2024

The Holy Innocents, Martyrs Even before they learn to speak, they proclaim Christ

The Holy Innocents are the children who were slaughtered at the orders of King Herod, in the hope that by killing every boy born in Bethlehem at the same time as Jesus, he would succeed in killing the new-born King of the Jews. There was nothing about those baby boys that made them deserve death. Look at any one of them, and you can see that he had no chance to do anything, or be anyone, or become anyone. He had done nothing. He had done nothing bad, he had done nothing good. He was born, and then he died, and that was all there was to him. So passive are these babies that some people find it hard to understand how they can share the title of “martyr” with people like St Stephen (the day before yesterday), who insisted on preaching the truth until his hearers stoned him for it, or St Thomas Becket (tomorrow), who insisted on living the truth until his king had him killed because of it. These children did not insist on anything except their mothers’ milk; and unlike Stephen and Thomas, there was no voluntary act of theirs that we can see as making the difference between being martyred and not being martyred. So in our rational human terms these children are a puzzle, and that is one reason why God has inspired the Church to celebrate this very feast – to show us how inadequate our seemingly rational, worldly-wise thoughts are. As he reminds us again and again throughout salvation history, his thoughts are not our thoughts. Babies may not rank high on the scale as far as our human calculus is concerned; but then neither do sparrows, and yet God has told us that God sees and counts every one of those. The Holy Innocents can stand, therefore, for the “unimportant” and “unnecessary” pawns, child and adult alike, that permeate the whole of human history, the ones who can be sacrificed for some greater cause because they “don’t really matter”; the eggs that were broken to make an omelette... or even broken to make nothing at all. There are plenty of them, one way or another. The feast of the Holy Innocents reminds us that in God’s eyes (that is, according to the true value of things), no-one is unimportant, no-one is unnecessary, no-one “doesn’t really matter.” However meaningless their lives and deaths may seem to us, they shine glorious in heaven. On a more personal level, the honour given to the Holy Innocents reminds us that if we suffer or even die for God’s sake, it has value even if we have little or no say in it ourselves. Honouring them effectively honours also the martyrdom of the people these children could have become, and their children’s children as well; and at the same time we can remember the contemporary and continuing massacre of those who die before birth for the convenience of those who have them killed,

A sermon of St Quodvultdeus
Even before they learn to speak, they proclaim Christ
A tiny child is born, who is a great king. Wise men are led to him from afar. They come to adore one who lies in a manger and yet reigns in heaven and on earth. When they tell of one who is born a king, Herod is disturbed. To save his kingdom he resolves to kill him, though if he would have faith in the child, he himself would reign in peace in this life and for ever in the life to come.
  Why are you afraid, Herod, when you hear of the birth of a king? He does not come to drive you out, but to conquer the devil. But because you do not understand this you are disturbed and in a rage, and to destroy one child whom you seek, you show your cruelty in the death of so many children.
  You are not restrained by the love of weeping mothers or fathers mourning the deaths of their sons, nor by the cries and sobs of the children. You destroy those who are tiny in body because fear is destroying your heart. You imagine that if you accomplish your desire you can prolong your own life, though you are seeking to kill Life himself.
  Yet your throne is threatened by the source of grace, so small, yet so great, who is lying in the manger. He is using you, all unaware of it, to work out his own purposes freeing souls from captivity to the devil. He has taken up the sons of the enemy into the ranks of God’s adopted children.
  The children die for Christ, though they do not know it. The parents mourn for the death of martyrs. The child makes of those as yet unable to speak fit witnesses to himself. See the kind of kingdom that is his, coming as he did in order to be this kind of king. See how the deliverer is already working deliverance, the saviour already working salvation.
  But you, Herod, do not know this and are disturbed and furious. While you vent your fury against the child, you are already paying him homage, and do not know it.
  How great a gift of grace is here! To what merits of their own do the children owe this kind of victory? They cannot speak, yet they bear witness to Christ. They cannot use their limbs to engage in battle, yet already they bear off the palm of victory.

donderdag 7 november 2024

7 november - H. Willibrord, bisschop, verkondiger van ons geloof, patroon van de kerkprovincie


Willibrord was een Angelsaksische monnik, die met elf gezellen zijn vaderland verliet om als missionaris in onze streken het geloof te verkondigen. Door paus Sergius I werd hij in 695 tot bisschop gewijd. Als zodanig vestigde hij zich te Utrecht. Bijna vijftig jaar lang werkte hij onder de heidenen. Hij stierf in de abdij van Echternach (Luxemburg) op 7 november 739. Zijn graf aldaar is nog steeds in ere. Een deel van zijn relieken rust in de kathedraal van Utrecht. In 1939 werd Sint Willibrord door paus Pius XII uitgeroepen tot patroon van de Utrechtse kerkprovincie. Met dankbaarheid vereren wij hem als de apostel van Nederland, als stichter van de kerk in onze streken en als vader van ons geloof.

God, Gij hebt de heilige bisschop Willibrord bestemd om uw grootheid te verkondigen aan de heidenen en hen tot uw kinderen te maken. Wij vragen U op zijn voorspraak: laat ons als trouwe dienaren altijd uw wil volbrengen om te verkrijgen dat uw volk, ook in onze dagen, toeneemt in verdiensten en aantal.

maandag 28 oktober 2024

28 oktober - HH. Simon en Judas, apostelen


De naam van Simon komt voor op de apostellijst van het evangelie en staat daar op de elfde plaats. Van hem is slechts bekend dat hij afkomstig was van Kana en de bijnaam droeg van ‘de ijveraar’.

Judas, ook Taddeüs genaamd, is de apostel die bij het laatste avondmaal aan de Heer vroeg waarom Hij zich alleen aan zijn leerlingen en niet aan de wereld zou openbaren (Joh. 14, 22).

 God, door de apostelen hebt Gij ons gebracht tot het belijden van uw Naam. Geef uitbreiding aan uw kerk en laat op voorspraak van de heilige Simon en Judas steeds meer volkeren in U geloven. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen.

maandag 21 oktober 2024

22 oktober - H. Johannes Paulus II Wees niet bang! Open de deuren voor Christus!


Liturgia Horarum – Getijdengebed
22 oktober

H. JOHANNES PAULUS II, PAUS
Vrije gedachtenis
Carolus Jozef Wojtyla werd in 1920 in Wadowice in Polen geboren. Na zijn priesterwijding en theologiestudie in Rome keerde hij terug naar zijn vaderland en vervulde verschillende pastorale en academische taken. Na eerst hulpbisschop van Krakau te zijn geweest, werd hij in 1964 benoemd tot aartsbisschop en nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie. Hij werd tot paus verkozen op 16 oktober 1978 en nam de naam Johannes Paulus II aan. Zijn buitengewone apostolische ijver, in het bijzonder voor gezinnen, jongeren en zieken, bracht hem ertoe wereldwijd talloze bezoeken af te leggen aan het Godsvolk. Tot de vele vruchten, die hij de Kerk als erfenis naliet, behoren vooral zijn zeer rijke uitingen van het Leergezag, alsook de promulgatie van de Catechismus van de Katholieke Kerk en van het Wetboek van Canoniek Recht, zowel voor de Latijnse Kerk als voor de Oosterse Kerken. Hij stierf godvruchtig in de Heer te Rome op 2 april 2005, op de vooravond van de tweede zondag van Pasen, de zondag van de goddelijke barmhartigheid.
Tweede Lezing
Homilie van de heilige Johannes Paulus II, paus, bij gelegenheid van de plechtige ambstaanvaarding  (22 oktober 1978)
Wees niet bang! Open de deuren voor Christus!
En Petrus kwam naar Rome!
Wat anders heeft hem geleid en naar deze stad gebracht, het hart van het rijk, dan gehoorzaamheid aan de opdracht die hij van de Heer ontvangen had? Misschien wilde die visser uit Galilea hier niet heen komen; misschien had hij er de voorkeur aan gegeven op de oevers van het Meer van Genezareth te blijven, met zijn boot en zijn netten... Maar, geleid door de Heer en in gehoorzaamheid aan zijn bevel, is hij hier naartoe gekomen.
Volgens een oude traditie had Petrus tijdens de vervolging van Nero Rome willen verlaten. Maar de Heer kwam tussenbeide; hij kwam hem tegemoet. Petrus sprak hem aan en vroeg: "Quo vadis, Domine?", "Waar gaat u heen, Heer?" En de Heer antwoordde hem onmiddellijk:"Ik ga naar Rome om een tweede keer gekruisigd te worden." Petrus keerde naar Rome terug en is daar gebleven tot hij gekruisigd werd.
De huidige tijd nodigt ons uit, zet ons ertoe aan, verplicht ons naar de Heer te kijken en ons in nederige meditatie te buigen over het mysterie van de opperste macht van Christus.
Hij die geboren is uit de maagd Maria, de zoon van de timmerman zoals men hem gewoonlijk noemde, - de zoon van de levende God zoals de apostel Petrus hem heeft beleden -, is gekomen om van ons allen een "koninklijk priesterschap" te maken.
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft ons herinnerd aan het mysterie van deze macht en aan het feit dat de zending van Christus als priester, profeet en koning voortduurt in de Kerk. Het hele godsvolk deelt in deze drievoudige zending. Misschien werd in het verleden de driedubbele kroon op het hoofd van de Paus geplaatst om door dat symbool het plan van God met zijn kerk tot uitdrukking te brengen, namelijk dat de hele hiërarchie van de kerk van Christus, en heel de gewijde macht die door haar wordt uitgeoefend, niets anders is dan een dienst, een dienst die maar één enkel doel heeft: de deelname van het hele godsvolk aan deze drievoudige zending van Christus en de standvastige trouw van dat volk om altijd onder het gezag van de Heer te blijven, dat zijn oorsprong niet heeft in de machten van deze wereld, maar in het mysterie van het kruis en de verrijzenis.
Het absolute en zachtzinnige gezag van de Heer beantwoordt aan het diepste in de mens, aan de edelste aspiraties van zijn verstand, wil en hart. Dat gezag uit zich niet in machtsvoorkeur, maar in de liefde en de waarheid.
De nieuwe opvolger van Petrus op de zetel van Rome stort vandaag een vurig, nederig en vertrouwvol gebed: Christus, laat me een dienaar worden en blijven van uw enige macht; een dienaar van uw macht die doordrongen is van zachtmoedigheid: een dienaar van uw macht die geen einde kent. Laat mij een dienaar worden, of liever, de dienaar van uw dienaars.
Broeders en zusters, wees niet bang om Christus te verwelkomen en zijn macht te aanvaarden. Help de Paus en al degenen die Christus willen dienen en, met Christus' kracht, de mens en het hele mensdom.
Wees niet bang. Open, open de deuren wijd voor Christus! Open voor zijn reddende macht de staatsgrenzen, de economische en politieke systemen, de onmetelijke gebieden van de cultuur, de beschaving, de ontwikkeling. Wees niet bang. Christus weet "wat er in de mens omgaat". Hij alleen weet het.
Tegenwoordig weet de mens vaak niet wat hij in zich omdraagt, in de diepten van zijn geest en van zijn hart. Zo vaak is hij onzeker over de zin van zijn leven op deze aarde. Hij wordt overvallen door twijfel, die soms overgaat in wanhoop. Laat dus, vraag ik, smeek ik u met nederigheid en vertrouwen, laat Christus tot de mens spreken. Hij alleen heeft de woorden van leven, ja, van eeuwig leven.
Oratie
God, rijk aan erbarming, Gij hebt de heilige paus Johannes Paulus aan het hoofd willen stellen van heel uw Kerk; wij bidden U: laat ons, onderricht door zijn leer, vol vertrouwen ons hart openen voor de heilzame genade van Christus, de enige Verlosser van de mens. Die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen.