zaterdag 6 november 2021

7 november H. Willibrord - artikel van onze Pastoor

 


In 690 komt de Engelse Willibrord aan in de Lage Landen. Deze monnik en missionaris uit Northumbrië is met twaalf gezellen de Noordzee overgestoken om het christendom te verspreiden in het land van de Friezen. Zijn eigen land is al eerder gekerstend. Het Friese gebied beslaat de kuststrook van de Westerschelde tot aan de Weser. De Friezen houden vast aan hun oude gebruiken en geloven in goden als Wodan en Donar. Van zijn voorgangers weet Willibrord dat het bekeren van de Friezen geen eenvoudige zaak is. Daarom vraagt hij om steun bij het Frankische hof. Het Friese gebied grenst aan het Frankische Rijk, dat onder koning Clovis twee eeuwen daarvoor al het christelijke geloof heeft aangenomen. De Friese adel beschouwt de missionarissen als handlangers van de Franken, met wie de Friezen regelmatig in botsing komen. De strijd tussen Franken en Friezen kent een wisselende geschiedenis van bondgenootschappen en conflicten. Er is geen sprake van een harde grens tussen Fries en Frankisch gebied: na elk gevecht schuiven óf de Friezen een stukje naar het zuiden óf de Franken naar het noorden. Zo valt Utrecht onder wisselend gezag. Rond 630 – tijdens een periode van Frankische successen – laat de Frankische koning Dagobert het eerste kerkje van Utrecht bouwen op het huidige Domplein. Kort daarop wordt het onder Fries gezag weer verwoest. Op aandringen van de Frankische vorsten benoemt de paus Willibrord tot 'aartsbisschop van de Friezen'. De Franken kunnen zo via de aartsbisschop invloed uitoefenen op het bestuur van de Friese gebieden. In 696 vestigt Willibrord zich in Utrecht en herbouwt de verwoeste kerk. Ook geeft hij opdracht tot het bouwen van een nieuwe kerk en sticht hij een klooster. Vanuit Utrecht trekken de missionarissen vervolgens het land van de Friezen in. Deels met succes: tegen het einde van Willibrords leven – hij sterft in 739 – zijn veel mensen in de kuststreek tot het christendom bekeerd. Maar in de rest van het Friese gebied stuiten de missionarissen op verzet. Bekend is het verhaal van de dood van Bonifatius, die op zendingsmissie rond 754 bij Dokkum wordt vermoord. Pas aan het einde van de achtste eeuw komt er door de wapens van de Franken een einde aan de strijd (canon van Nederland).

Ongetwijfeld heeft de heilige Willibrord ook onze streken bezocht. De kloosterstichting van Susteren wordt in ieder geval aan Willibrord toegeschreven (714) en geldt dan ook als de oudste in de Nederlanden. Her en der liet Willibrord zijn sporen na in de vorm van bronnen die hij liet ontspringen: de zogenaamde ‘Willibrordusputjes’. Daarvan zijn er ook enkele bij ons in de buurt te vinden, zoals in Aldeneik (B) en in Birgelen (D). De vraag is of, en zo ja in hoeverre er een band is tussen Willibrord en de kloosterstichting St. Odiliënberg, die samen met die van Susteren en Aldeneik ook wel ‘de drie Munsters van de Maasgouw’ worden genoemd. Thans wordt er algemeen vanuit gegaan dat het Pepijn (III) de Korte (714-768) was, die de uit Engeland afkomstige (bisschop) Wiro (Wera) tussen 747 en 751 Berg als woonplaats schonk voor zijn levensavond. Deze Wiro vertoefde aan het Frankische hof als Pepijns biechtvader en adviseur in staatszaken. Daar bevond zich toentertijd een van oorsprong Angelsaksische kloosterstichting. Pas later (in 752 of kort daarna) zouden Plechelmus en Otgerus zich bij hem gevoegd hebben. Het was Pepijns gelijknamige grootvader Pepijn (II) van Herstal (635-714), die Willibrord, na zijn overwinning op de Friese Koning Radboud, Friesland als missiegebied had toegewezen en hem ook verlof had gegeven het St. Maartensklooster en de St. Salvatorkerk te bouwen. Pepijns dood in 714 vormde voor koning Radboud de aanleiding om Willibrords missiewerk te dwarsbomen. Pas nadat Pepijns opvolger, Karel Martel (689-741) hem weer had verslagen (722) kon Willibrord weer vanuit Echternach naar Utrecht terugkeren. Of onze ‘Bergse heiligen’ Willibrord persoonlijk hebben gekend weten we niet, de stichting van het Angelsakische klooster in Berg wordt tegenwoordig pas na Willibrords dood (739) gedateerd, d.w.z. ten tijde van Pepijn III de Korte, halverwege de achtste eeuw. Een halve eeuw later dus dan de traditionele opvatting, die deze plaatste tijdens de regering van Pepijn II van Herstal. Zowel bronnen- en tekstkritiek als archeologisch onderzoek geven geen aanleiding een band tussen Willibrord en Berg te veronderstellen.