zaterdag 13 november 2021

Collectegebed 33e zondag door het jaar Zonder ophouden U dienen die de oorsprong zijt van al het goede.


Missale Romanum 1970
Da nobis, quæsumus, Domine Deus noster,
in tua semper devotione gaudere,
quia perpetua est et plena felicitas,
si bonorum omnium iugiter serviamus auctori.  

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
geef dat wij onze vreugde vinden
in een onverdeelde toewijding aan U.
Want ons geluk zal volkomen duurzaam zijn,
als wij zonder ophouden U dienen,
die de oorsprong zijt van al het goede.

Werkvertaling
Geef ons, bidden wij, Heer onze God,
dat wij ons altijd verheugen in [onze] toewijding aan U,
want [ons] geluk is duurzaam en volledig
als wij de Schepper van alle goede dingen voortdurend dienen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De oratie is afkomstig uit de Leonianum-codex, 486, Kapittelbibliotheek Verona LXXXV (80), VI-VIIe eeuw, samengesteld uit libelli missæ (boekjes met misformulieren) uit diverse Romeinse periodes. Ed. Mohlberg- L. Eizenhofer - P. Siffrin, Sacramentarium Veronense (= Rerum Ecclesiasticarum Monumenta, Series Maior, Fontes, I) Rome, 1956.
In het preconciliaire Missale Romanum van 1962 treft men deze collecte aan bij de maand juli: Mense Iulii, orationes et preces diurnæ, XIII alia missa.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t ij l v o r m e n
1. Da nobis, quæsumus, Domine Deus noster,
2. [nos] in tua semper devotione gaudere,
3. quia perpetua est et plena felicitas,
4. si bonorum omnium iugiter serviamus auctori.

De oratie wordt gevormd door een hoofdzin, onder te verdelen in de eigenlijke bede beginnend met de imperativusvorm da (r. 1-2) en twee bijzinnen (r. 3 en 4). De hoofdzin wordt onderbroken door de “tussenzin”, het verbum quæsumus.

Ad 1-2
Opvallende andere opbouw van de eerste regel van het collectegebed. Begint de oratie vaak met een anaklese van God met daarin een opsomming van één of meerdere hoedanigheden van God, zo zien we hier een opening met een imperativus.  Door de plaatsing van de imperativus aan de kop van de oratie krijgt het verbum da sterke nadruk. De onderbreking in de vorm van de persoonsvorm quæsumus, wij vragen,  vormt de eigenlijke smeekbede, waarbij ieder die dit gebed bidt zich aan kan sluiten bij de uitgedrukte persoon ‘wij’ (-mus). Dit nederige, tussen komma’s geplaatste ‘quaesumus’ staat tegenover het grote ‘Dominus Deus noster’ waarin een alliteratie is verwerkt. Deze alliteratie waarbij de hoofdletters D elkaar meteen opvolgen benadrukken op stilistische wijze de grootheid van God tegenover de kleinheid van de smekeling.
Nobis is de dativusvorm van het persoonlijk voornaamwoord nos en is gekoppeld aan da (dativus commodi, van voordeel): geef ons.  De hoofdzin bevat voorts een a.c.i.- constructie (accusativus cum infinitivo): [nos] …gaudere waarbij de accusativus nos wordt verzwegen maar af te leiden is van het nobis dat zoals gezegd bij da hoort: Geef [ons] dat wij ons verheugen.
In tua semper devotione: bijwoordelijke bepaling in de ablativus, een naamval die regelmatig voorkomt bij het verbum gaudere: zich verheugen in / zich verheugen over, hier extra aangegeven door het voorzetsel ‘in’ dat gepaard gaat met een ablativus.
Semper: bijwoordelijke bepaling van tijd. De woordengroep tua…devotione, onderbroken door het adverbium semper is een hyperbaton. De positie van semper tussen tua en devotione in geeft dit  bijwoord het karakter van een bijvoeglijk naamwoord.

Ad 3
Redengevende (causale) bijzin, ingeleid door het voegwoord quia: omdat, want. Het prædicaat est  staat in de indicativus omdat de bijzin een feit vermeldt. Perpetua en plena, een alliteratie,  zijn adiectiva van hoedanigheid bij het substantivum felicitas; het ritme in deze bijzin zet het sleutelwoord felicitas extra in reliëf.

Ad 4
Conditionele (voorwaardelijke) bijzin afhankelijk van de causale bijzin van r. 3 en ingeleid door het voegwoord: si,- als, indien, tenzij. Het door God in het vooruitzicht gesteld geluk is slechts volkomen en eeuwig als wij de Schepper en Bewerker van al het goede voortdurend dienen. Het verbum serviamus staat in de coniunctivus omdat het een voorwaarde aangeeft, ingeleid door si, die kan worden vervuld (potentialis). De woordengroep bonorum omnium is een genitivus explicativus bij de dativusvorm auctori die na het werkwoord servire als naamval wordt gebruikt om het object uit te drukken. Door de bijzondere opbouw van deze regel krijgt zowel de woordgroep bonorum omnium aan het begin als de dativus auctori aan het einde, nadruk. Het bijwoord iugiter en het werkwoord serviamus staan als hecht duo in het midden. Het ‘voortdurend dienen’ staat hierdoor ook symbolisch centraal.


V o c a b u l a r i u m
Da nobis - Da: imperativus enkelvoud van het werkwoord dare; da, date synoniem met dona, donate. Het verbum dare heeft de dativus bij zich (naamval naar dit woord genoemd!): dare alicui aliquod - (aan) iemand iets geven. Hoe wij de imperatieven tegenover God opvatten, hebben we eerder gezien.
quæsumus - wij bidden, vragen. Quæsumus behoort als vorm tot de groep van de verba defectiva : onvolledige (“defecte”) werkwoorden: werkwoorden waarvan slechts enkele alleenstaande vormen voorkomen, nl. quaeso en quaesumus - ik bid, wij bidden. In het overzicht van de Orationes dominicales et cotidianæ (Liturgia Horarum IV, p. [31]-36) ziet u dat de meervoudsvorm dikwijls voorkomt, echter nooit (tenzij bij uitzondering) aan het begin van een zin, maar altijd na een ander woord (een zelfstandig naamwoord of een werkwoordsvorm), b.v. Vota, quaesumus.. (Dom. Hebd. I) en Praesta, quaesumus.. (Dom. Hebd. VII). De liturgie van de Kerk hanteert in haar gebeden bij voorkeur de meervouds-variant
Domine Deus noster: drievoudige aanspreekvorm van God in de vocativus.
Gaudere, gavisus sum (dep.): 1. zich verheugen, zich verblijden 2. juichen 3. beminnen, houden van.
In tua devotione - de ablativus tua hoort bij de ablativus devotione. De afleidingen devotus,-a,-um en devotio,-onis van het werkwoord devovere kwamen reeds ter sprake bij de 29e zondag door het jaar. Nogmaals het Lewis & Short Woordenboek raadplegend zien we dat devotio in klassieke zin kan betekenen: trouw, gehechtheid, godvruchtigheid; vroomheid, devotie, ijver. Devotio betekent echter ook: verwensing, vervloeking, toverformule, toverspreuk. Het is niet moeilijk om in de context van het gebed van vandaag te beslissen in welke richting te gaan! Een nog uitgebreidere bespreking van devotio kwam aan bod bij de oratie van de 4e zondag van de Vasten. Samengevat: devotio kan worden gezien als "een toewijding aan plicht". Onze "devotie" moet de ziel voor alles leiden naar het onderhouden van Gods geboden en de plichten van staat. Als wij werkelijk aan God toegewijd zijn en aan het vervullen van onze plichten van staat, zoals onze levensstaat is in het hier en nu, dan zal God ons elke daadwerkelijke genade geven, die nodig is om onze roeping te vervullen. Wij zijn in feite bezig onze eigen rol te vervullen in Zijn grote plan en daarom zal Hij ons zeker helpen.
Perpetuus, -a,-um, onafgebroken, bestendig, eeuwig. Het Handboek voor Kerklatijn vermeldt in het register samenhangende woorden van dit in het christelijk en liturgisch Latijn veelvuldig gehanteerd begrip.
Plenus, a, um, ‑ 1. vol, gevuld, rijkelijk voorzien; ‑ 2. verzadigd, bevredigd; ‑ 3. volledig, voltallig;
Plenarius, a, um, volledig, vol; en voor de novembermaand: indulgentia plenaria, een volle aflaat
Plenitudo, inis, f., ‑ 1 volheid, overvloed; ‑ 2. rijke gave. Bijna als vanzelf denken we aan de mooie bijbelse uitdrukkingen: Plenitudo ergo legis est dilectio – De liefde is echter de volheid van de Wet    (Rom 13,10); Ubi venit plenitudo temporis misit Deus Filium suum – Toen de volheid van de tijd gekomen was zond God zijn Zoon (Gal 4,4) en De plenitudine eius nos omnes eccepimus – Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen (Joh 1,6).
felicitas, atis, f., ‑ 1. geluk; ‑ 2. voorspoed; ‑ 3. zaligheid. Felix, felicis ‑ 1. gelukkig; ‑ 2. voorspoedig; ‑ 3. zalig. Felix culpa – gelukkige schuld (Exsultetzang in de Paasnacht) - felicio (feliciare)  ipv felicito gelukwensen (Ned.: feliciteren) (A. Blaise: Lexicon Latinitatis Medii Aevi, Brepols, T'hout, 1980)
Serviamus van servio is inmiddels een oude bekende, dus we kunnen dit werkwoord dat gewoonlijk de datief bij zich heeft terzijde schuiven.
Auctor,-oris (m): een frequent voorkomende aanduiding van God in zijn kwaliteit van Schepper met alle nuances. Het substantief betekent: de onmiddellijke of middellijke "bevorderaar" of "begunstiger" van een zaak. Vandaar: 1. ontwerper, aanlegger, grondvester, voortbrenger, bouwer, stichter, schepper, uitvinder 2. degene op wiens raad of aandrang iets geschiedt: raadgever, aandrijver, begunstiger, opwekker, leidsman, voorganger (degene die een voor-beeld geeft) enz.

I n h o u d
Opvallend dikwijls wordt in de oraties van het Romeins Missaal en in de teksten van het Gregoriaans repertorium om vreugde gebeden. Is het misschien omdat wij christenen ons te weinig realiseren hoeveel redenen tot vreugde we hebben? Misschien is het moeilijk om zich te verheugen...Of gaat het om de vreugde aan de liefdevolle overgave aan God? Dat is zeker zo. Maar het is niet alleen de vreugde aan vroomheid, aan de schoonheid van de H.Mis, aan de glans van een feestelijke kerkelijke plechtigheid.
Maar om welke vreugde gaat het in feite? De causale bijzin drukt het uit. Want zij duidt het als duurzaam en volmaakt geluk “als wij de Schepper van al het goede voortdurend dienen”. Alle goederen van de wereld komen van boven, “van de Vader der lichten” (Jac 1,17). Bij alle bedrijvigheid en het omgaan met de goederen van de wereld weet men dat dit alles één enkele Schepper heeft, dat alles gave van Hem is. Dit besef van de schenkende God maakt het geluk uit. Alles wat de mens in de wereld van geestelijke en materiële goederen scheppend en genietend doet, is dienen van deze Schepper en Bewerker van heel deze rijkdom. Vanzelfsprekend is hierbij ook de religieuze dienst (gods-dienst) van aanbidding en verering van God inbegrepen: de schoonheid van het godshuis met zijn kunstzinnig interieur, de kostbare paramenten. De muziek en haar instrumenten, met aan de spits het koninklijke orgel, maar voor alles de menselijke stem in gebed en zang. Dat is het dienen van de Schepper van al het goede en van het bestendig geluk. "want [ons] geluk is duurzaam en volledig als wij de Schepper van alle goede dingen voortdurend dienen"

Bidden we dat God ons laat begrijpen dat wij werkelijk vrij worden als we ons aan zijn Wil onderwerpen en dat we bestendige en volkomen vreugde vinden wanneer we aan onze roeping en levensstaat blijmoedig trouw blijven.
De belijdenis van onze dienstbaarheid (professio servitutis) moge God verheerlijken (1) en moge Hij ons de kennis van het heil schenken om Hem alle dagen trouw te dienen (2) volgens de opwekking van Psalm 99 (100),2a: "servite Domino in lætitia" (3). 
   
C o m m e n t a a r 

De Collecte van vandaag heeft een bijzin die begint met “si” "als". Dit leidt een voorwaardelijke verklaring in: wij zullen Y krijgen als wij X doen. Overweeg dit in het licht van de geestelijke houding van veel mensen tegenwoordig, die denken dat de beloning van de hemel ons automatisch toevalt zonder dat wij iets meer doen dan een goed gevoel hebben  over onszelf, of die "eens voor altijd" Jezus belijden als "persoonlijke Heer" zoals in sommige niet‑katholieke groeperingen.

Let op de woorden perpetua en felicitas in het collectegebed van deze zondag. Onmiddellijk zal men de namen herkennen van twee zeer oude martelaressen, de HH. Felicitas en Perpetua opgenomen in de Romeinse Canon (1e Eucharistische Gebed). Het is moeilijk denkbaar dat deze twee namen puur toevallig in deze collecta staan. Het gebed van vandaag staat immers in het Liber Sacramentorum Gellonensis bij de gebeden voor martelaren. Terzijde: het klooster van de Benedictijner abdij vanwaar het Sacramentarium afkomstig is, Sint‑Guilielmus in de Gellone‑vallei in Frankrijk, werd opgeheven tijdens de terreur van de Franse Revolutie maar herbouwd in "The Cloisters" in New York, stad.



Wie zijn de heiligen Felicitas en Perpetua?
Na een tijdelijke pauze tijdens de christenvervolging, besloot keizer Decius rond het jaar 250 dat de christenen de vijanden waren van het Romeinse Rijk. In die tijd heerste in het keizerrijk bij de aristocratie wijd verspreid corruptie en decadentie, de Perzen bedreigden de oostelijke grenzen en de Germaanse barbaren drongen op in het noorden. De economie was een ramp. Vanuit heidens standpunt bekeken moest er een oorzaak zij voor de verstoring van de normale maatschappelijke orde en voor de staatsbetrekkingen met de goden, de pax deorum.  Een nieuwe godsdienst had greep gekregen op talloze mensen. Decius vaardigde een decreet uit dat op straffe des doods iedereen aan de Romeinse goden moest offeren en een verklaring bezitten dat zij dit daadwerkelijk hadden gedaan. De bedoeling was de leiders van de last veroorzakende christelijke sekte te doden. Het resultaat echter was een versterking van de Kerk door het bloed van de martelaren (martelaren, afgeleid begrip van het Griekse woord voor "getuige"). Er ontwikkelde zich een nieuwe martelarenverering en velen werden daardoor tot het christendom getrokken.

Heel de derde eeuw werd getekend door christenvervolgingen, hoewel deze sporadisch en vaak plaatselijk waren. Wij weten echter dat zij telkens opkwamen wanneer sociale toestanden voldoende ontaardden om een zondebok aan te wijzen. Er zijn documenten uit die tijd die van christenvervolging getuigen, alsook een dagboek uit de gevangenis van een jonge vrouw, Perpetua genaamd, omstreeks 202 in Cartago, Noord-Afrika gemarteld. Zij was nog catechumene, die zichzelf echter definieërde als christin. Zij droeg haar nog zogend kind over en stond erop als christin in de arena terecht te komen bij een feest van de stad Rome. Nadat velen hadden getracht haar daarvan af te brengen kreeg ze haar zin. Met een groot heroïsme stond zij tegenover de beesten en gladiatoren. Na vele martelingen werd een jonge gladiator gestuurd om haar de genadeslag toe te brengen maar deze kon dit niet van zich verkrijgen. Tenslotte greep Perpetua zijn hand en richtte zijn zwaard op haar eigen keel. De heldhaftigheid van Perpetua inspireerde velen die eveneens een krachtig getuigenis van hun geloof begonnen te geven en daarna gevangen werden gezet. Dit was ook het lot van een zwanger slavinnetje, Felicitas genaamd. Felicitas kreeg haar baby net voordat de gevangen christenen op hun beurt allemaal de arena in werden gestuurd. De acta (gerechtelijk verslagen en afschriften) en oude dagboeken maken gewag van een wonderlijk soort liefde die deze christelijke martelaren in de gevangenis voor elkaar hadden. Er is ook een zeer indrukwekkende scène wanneer Perpetua en Felicitas elkaars kleding fatsoeneerden om hun zedigheid te bewaren, zelfs terwijl zij werden gemarteld. Met de vredekus wensten zij elkaar vaarwel.

Bewerkte vertaling van WDTPRS, J. Zuhlsdorf en andere auteurs. Met vriendelijke dank voor de toestemming.