Posts tonen met het label preken van onze Pastoor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label preken van onze Pastoor. Alle posts tonen

zondag 13 april 2025

Preek van onze Pastoor Palmzondag 2022 “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt”.

 


Jezus‘ leerlingen zijn vandaag in jubelstemming. Nadat Jezus de nodige aanwijzingen ter voorbereiding van zijn intocht in Jeruzalem heeft gegeven, hult hijzelfzelf min of meer in stilzwijgen. Gezeten op een ezelsveulen rijdt Hij zwijgend door de scharen van volgelingen die Hem toejubelen. Hij zelf heeft blijkbaar geen reden om te jubelen. Zijn grote zwijgen begint. Als wij het evangelie wat verder lezen dan op Palmzondag gebruikelijk, horen we ook wat de reden daartoe is: Het huilen staat hem namelijk nader dan het lachen. Jezus weent over de stad. “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt” (Luc.19,42). Telkens weer laten mensen kansen liggen, maken ze geen gebruik van de tijd die ze hebben om te doen wat gedaan moet worden. Iedereen van ons ken daar wel de nodige voorbeelden van. In het bijzonder gebeurt dat wanneer we het bezoek aan deze of gene voor ons uitschuiven om dan in de krant te lezen dat hij of zij gestorven is. Had ik toch, was ik toch … Iedere keer weer opnieuw dienen we af te wegen wat werkelijk belangrijk is en prioriteit verdient. Om dat te kunnen beoordelen dienen we in onszelf te keren en een gewetensonderzoek te doen. Er is immers zoveel dat onze aandacht vragen. We kunnen niet alles doen, maar hoeven ook niet alles te doen. Als we het belangrijkste maar doen. Wat dat is, kunnen we eigenlijk alleen maar zelf beantwoorden, maar het vraagt wel dat we er serieus over nadenken en daar ook de nodige tijd voor nemen.

 Als pelgrims het Heilig Land bezoeken en de plaatsen aandoen die Jezus zelf bezocht heeft, dan komen ze op hun weg naar Jeruzalem langs de kapel ‘Dominus Flevit’ op de Olijfberg. Dan wordt daar pauze gemaakt en vaak ook een viering gehouden. Vanaf die plek heeft men een prachtig uitzicht op de oude stad. Het zijn er maar weinig beseffen wat Jezus woorden waren toen Hij hier halt hield: “Mocht ook Gij op deze dag inzien wat U tot vrede strekt”. Vandaag staan we stil bij Jezus de vredevorst die intocht houdt in Jeruzalem, in ons midden, in ons eigen leven, in ons eigen hart. Wat strekt ons tot vrede, wat bewaart ons ervoor dat we geleefd worden, opdat we niet voorbij leven aan wat ons tot heil en vrede strekt.

zondag 7 augustus 2022

Preek van onze Pastoor op Thabordag 2022 het wordt niks zonder lijden en kruis.

 


Het feest van vandaag, dat van de gedaanteverandering, wordt in het Latijn met ‘transfiguratio’ aangeduid. Letterlijk betekent dat: iets dat door een figuur heengaat. Eigenlijk geeft dat ook beter weer wat er bedoeld is. Dat het niet zozeer een uiterlijke glans is die over Jezus heen valt, als wel een innerlijke glans die hem doet stralen. Daarbij moet je eerder denken aan een gebrandschilderd raam, zo’n raam waarvan we er hier gelukkig veel hebben. Zolang het donker is, zie je niets. Maar als het licht er doorheen schijnt, dan zie de prachtigste kleuren. Hoe sterker echter het licht, des te meer vervagen de kleuren. Fotografen weten dat: je kunt van een gebrandschilderd raam geen mooie foto maken als er teveel zonlicht is. Zo was het ook bij Jezus’ gedaante verandering: zijn kleren werden verblindend wit. Zo verrukt was Petrus over wat hij zag dat hij onmiddellijk drie tenten wilde bouwen. Dat schitterende wilde hij vasthouden. Hij wist echter niet wat hij zei, zo voegt Lucas eraan toe. Zo overdonderd was hij blijkbaar door dat het licht dat Jezus doorstraalde, het licht dat Hem min of meer verblindde. En dat terwijl het eerder nog zo donker was …  

Zo donker? Het evangelie begint eigenlijk met de woorden: ‘ongeveer acht dagen later …’. Wat was er een week eerder dan gebeurd? Toen had Jezus aan zijn leerlingen voorzegd dat Hij veel zou moeten lijden, dat Hij verworpen zou worden door de leiders van Israël, en dat Hij gedood zou worden. Dat hadden ze toen nog niet kunnen plaatsen, ook al had Jezus eraan toegevoegd dat Hij drie dagen later zou verrijzen. Zoiets mag U nooit overkomen, zou Petrus later in de andere context uitroepen. Dat verhoede God! En toch: het hoort er bij, niet alleen bij óns leven, maar ook bij dat van Jezus. Het maakt zelfs wezenlijk onderdeel uit van zijn zending, van de manier waarop Hij ons zou redden: door lijden en kruis op zich te nemen zou Hij ook ons brengen tot de heerlijkheid van zijn verrijzenis en eeuwig leven. Lijden en kruis - ook Mozes en Elia hadden het er over, daar boven op die berg. Zij spraken met Hem over zijn heengaan, over het heengaan dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. Hetzelfde heengaan als waarover Jezus een week eerder nog met zijn leerlingen had gesproken. Niet allen toen, ook nu was dit onderwerp niet aan hen besteed: slaap had hen overmand, die slaap die ons afsluit van de vaak harde werkelijkheid van ons leven. Wij willen er niet van weten, laat staan dat we het kunnen begrijpen. Waarom moest Jezus dat alles eerst lijden om in zijn glorie binnen te kunnen gaan? Waarom moet een graankorrel eerst sterven om vrucht te dragen? Waarom moet je je leven eerst verliezen om het daarna terug te vinden? Waarom moet je door lijden en kruis heen om tot het ware leven te komen? 

Laten we nog eens goed naar die mooie gebrandschilderde ramen hier kijken. Het zijn niet alleen maar  mooie kleuren die we zien, we zien niet alleen maar glas, ook lood. Het is juist het lood dat de verschillende stukjes glas tot een geheel maakt, als een soort frame. Geen vormeloze massa van gekleurd glas maar gekleurd glas op kunstzinnige wijze met elkaar verbonden. Maar wel pas tot zijn recht komend als het licht erdoor heen schijnt. Pas als het licht er door heen schijnt vallen niet alleen de kleuren op, maar zie je ook de zwarte loodlijnen des te duidelijker. De zwarte lijnen die symbool staan voor alles wat ons leven lijkt te doorkruisen. Natuurlijk houden we liever van rozengeur en maneschijn, maar alleen maar wat losse stukje gekleurd glas heb je niks. Die losse stukjes moeten eerst nog eens met elkaar verbonden worden. En dat doet lijden en kruis. Wie in zijn leven nog nooit met lijden en kruis in aanrekening is geweest, die mist diepgang in zijn leven, de diepgang die nodig is wil je het leven als een serieuze aangelegenheid beschouwen,. Niets gaat nu eenmaal vanzelf, ook ons leven niet. Soms moet je er iets voor doen, maar vaker nog moet je er iets voor laten, wil het iets worden, iets waar je je niet voor hoeft te schamen, ja zelfs iets waar je trots op kunt zijn. Vooral de heiligen hebben dat in en door hun leven laten zien. En ook Jezus liet dat zien, niet alleen in en door zijn verrijzenis, maar ook in en door zijn gedaanteverandering die wij vandaag vieren. Het gaat niet, het wordt niks zonder lijden en kruis. Dat wij lijden en kruis niet uit ons leven proberen bannen maar het aanwenden om van de verschillende aspecten ervan tot een harmonisch geheel te maken.


zondag 12 juni 2022

Preek van onze Pastoor op Drievuldigheidszondag 2020 "wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is, de redder van de wereld, die zal niet verloren gaan"



Een groot feest – een kort Evangelie. Maar drie zinnetjes, maar wel drie zinnetjes die als het ware het Nieuwe Testament en misschien wel van heel de heilige Schrift samenvatten. Drie zinnetjes die kort maar krachtig vertellen wat Gods bedoeling met ons en onze wereld is. God wil ons en onze wereld redden. Daartoe heeft Hij ons Zijn zoon gezonden, niet om ons veroordelen en ons aan de ondergang prijs te geven, maar om ons te redden. Een beslissende rol daarbij is weggelegd voor het geloof: wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is, de redder van de wereld, die zal niet verloren gaan, maar eeuwig leven hebben. Ook horen we hoe dat eeuwig leven deelachtig worden, namelijk doordat de Vader zijn Zoon geeft en Hem naar de wereld zendt; maar ook doordat de Zoon zich láát zenden; de Zoon die aan de zending niet alleen zijn leven wijdt maar daarvoor ook zijn leven geeft. Vader en Zoon die voor ons mensen en omwille van ons heil het kostbaarste inzetten en op het spel durven zetten: de Vader Zijn Zoon; de Zoon zijn leven. Wat een royaliteit, wat een generositeit, wat een grootmoedigheid, zeker als je afvraagt waaraan we dat eigenlijk te danken hebben. Onzerzijds hebben we nauwelijks of geen verdiensten waarop wij ons kunnen beroepen. Uiteindelijk is het alleen aan een genade, een liefde, een barmhartigheid te danken die zo groot is dat hij ze niet aan één persoon kan worden toegeschreven, maar alleen een persoon kan zijn: de heilige Geest!
Geloven dat God liefde heeft en liefde geeft, dat is op zich genomen niet zo bijzonder. Het bijzondere van ons geloof is niet dat God liefde heeft en liefde geeft, maar dat God liefde ís. Het grootste aan God is niet zozeer zijn macht als wel zijn liefde, een liefde die eerder onmacht dan macht uitstraalt. Een liefde die het toelaat dat de schepping - die uiteindelijk toch aan die liefde ontsproten is - de neiging heeft zichzelf daarvan los te maken. Een liefde die dat niet alleen toelaat maar ook respecteert, als uiterste consequentie van de vrijheid waarmee God ons geschapen en begiftigd heeft. Inderdaad: een liefde die eerder van onmacht dan van macht lijkt te getuigen.
Daarom ook geen machtwoord, maar een aanbod: “zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben”. Alleen geloof kan en zal de wereld redden: zo eenvoudig is het als het aan God ligt. Maar voor ons ligt dat blijkbaar toch wat moeilijker. Wij geven onszelf niet zo gauw gewonnen. Integendeel: wij vertrouwen liever op onszelf dan op anderen. Maar wat had God dan meer kunnen doen om ons voor zich te winnen? Hij heeft het ons zo gemakkelijk gemaakt: Hij stelt geen hoge eisen, geen strenge voorwaarden. Hij geeft ons Zijn zoon. Het enige dat Hij ons vraagt is: geloof, vertrouwen in Hem. Geen blind geloof, geen blind vertrouwen, maar geloof en vertrouwen in Zijn Zoon; Zijn Zoon die toch in alles heeft laten zien hoezeer wij mensen Hem ter harte gaan, zozeer dat Hij zelfs bereid was zijn leven voor ons te geven. Geloven vraagt inderdaad wat van een mens, maar het zegt ook wat van een mens: als hij kan en durft te geloven, te geloven in iets, meer nog te geloven van iemand. Het zegt van een mens dat hij zich weet te overstijgen, openstaat voor een wereld die groter is dan hemzelf, de wereld van God die niet alleen liefde heeft en liefde geeft, maar ook en vooral liefde ís. Je daarin opgenomen weten, dat betekent niet alleen veel, dat is alles, dat is ons leven, het leven van de drie-ene God: Vader, Zoon en heilige Geest.

donderdag 2 juni 2022

Uit Roerkerkennieuws - Sacramentsdag – processiezondag (19 juni) "We zetten met zijn allen de schouders eronder!"


Het was altijd een goed en mooi gebruik dat in onze parochies bij gelegenheid van Sacramentsdag (het feest van het heilig Sacrament oftewel het heilig lichaam en Bloed des Heren) een Sacramentsprocessie werd gehouden. Nog afgezien van andere processies (Marcusprocessie, de processies tijdens de kruisdagen) werden er in heel wat parochies jaarlijkse zelfs twee Sacramentsprocessies gehouden: de kleine en de grote ‘Bronk’. In de Roerspreek werd vóór de Coronacrisis in drie parochies nog een jaarlijkse Sacraments-processie gehouden. In St. Odiliënberg, Herkenbosch en Vlodrop. Daar is er na de Coronacrisis dus nog maar één van over, waar we dan ook met zijn allen de schouders onder willen zetten: die van St. Odiliënberg, waar niet alleen de nodige aandacht wordt geschonken aan de verschillende deelnemende groepen, maar ook aan de buurten (putten) die voor de opstelling van de rustaltaren en de straatversiering zorgen. De processie trekt op zondag 19 juni a.s. om 10.00 uur uit, na de Mis van 9.00 uur in de basiliek. Dat we niet (zowel figuurlijk als letterlijk) aan de kant blijven staan, maar er samen iets moois van maken. Met ‘samen’ worden niet alleen de parochianen van St. Odiliënberg bedoeld, maar ook die van de andere parochies van de Roerstreek. We hebben nog maar één (sacraments-)processie laten we die dan ook koesteren. Passief toekijken is mooi maar actief meedoen beter! Opgave is mogelijk en info verkrijgbaar bij de zusters van Priorij, tel. 532 074 of bij Marlou Roeleveld tel. 06-33 92 94 70.

Pastoor Jos. L'Ortye

woensdag 11 mei 2022

Van onze pastoor: bidden kan ook buiten de Kerk ... op voorspraak van de ijsheiligen

De IJsheiligen zijn Sint Mamertus, Sint... - Bloemisterij ...

Per slot van rekening hoef niet per sé in de kerk te bidden: je kun immers overal bidden. Mensen gebruiken deze uitspraak meestal als alibi om niet meer naar de kerk te hoeven gaan, maar nu dat niet meer kan en mag, is het ineens geen alibi meer, maar eerder een dringende uitnodiging om er des te meer werk van te maken, van Jezus’ uitnodiging om altijd te bidden en daarin niet te versagen (Luc.18,1). En dat niet alleen tot welzijn van onszelf, maar ook van onze Kerk in het algemeen, ja zelfs tot lof en eer van Gods Naam!

IJsheiligen
Vandaag (11 mei) is de eerste der zogenaamde IJsheiligen, de heilige Mamertus, morgen (12 mei) gevolgd door het H. Pancratius, overmorgen (13 mei) door de H. Servatius en op 14 mei tenslotte de H. Bonifatius, maar dan niet die in 754 in Dokkum werd vermoord, maar zijn naamgenoot, de Romeinse martelaar die in Tarsus gedood werd tijdens de christenvervolging onder keizer Diocletianus (307). In Duitsland telt men ook nog de H. Sophia van Rome (15 mei) tot de ijsheiligen. De eerste berichten over deze “strenge heren” dateren van rond het jaar 1000. Zij ontlenen hun benaming aan het gevaar van koud voorjaarsweer voor het gewas, dat in deze tijd in volle bloei staat. Een late vorstnacht kan nu veel schade aanrichten. Het is echter niet zo dat tijdens de IJsheiligen de kans op een overgang naar koud weer groter is dan op andere dagen in het voorjaar. Abrupte veranderingen in temperatuur, die onder andere het gevolg zijn van het nog relatief koude zeewater, zijn kenmerkend voor dit hele jaargetijde en kunnen ook in juni nog voorkomen. Wel neemt na half mei de kans op vorst sterk af en aan het eind van deze maand zijn temperaturen onder nul heel uitzonderlijk. In dat opzicht markeren de IJsheiligen meestal de overgang naar een periode met een meer zomers karakter. Het is een algemeen bekend gegeven dat je pas na IJsheiligen kan beginnen met het planten in de volle grond. Omstreeks deze tijd komt in West-Europa nogal eens een schade brengende nachtvorst voor. Hij begint meestal rond 7 mei met een koude noordenwind. Na deze dagen komt er in onze streken geen nachtvorst meer voor (“Wereld Feesten Almanak”).
Misschien dat de IJheiligen ons ook in deze tijd van (corona-)crisis van dienst kunnen zijn. Ze kunnen ons namelijk helpen om tegen de achtergrond van de ‘versoepelingen van de coronamaatregelen’ toch niet al te hard van stapel te lopen: wie ‘de bloemetjes te vroeg buiten zet’ kan wel eens op de koffie komen …

dinsdag 3 mei 2022

Preek van onze Pastoor op de Feestdag van de H. Jacobus (de Mindere of Justus), Apostel en Martelaar - 2022

Vandaag vieren wij het feest van de apostel Jacobus, de apostel die zijn feestdag moet delen met Philippus. Dat is geen schande. Integendeel: niemand minder dan de apostelen Petrus en Paulus vallen diezelfde eer te beurt, evenals Simon en Judas. Vandaag kunnen en mogen wij ons de vraag stellen wat Philippus en Jacobus nu eigenlijk met elkaar verbindt, behalve dan dat beiden apostel waren. Dat is het feit dat hun relieken zich al eeuwenlang op dezelfde plek bevinden, namelijk in de kerk van de Twaalf Apostelen (Santi Dodici Apostoli) in Rome. Deze oorspronkelijk uit de zesde eeuw daterende kerk, ook wel “de laatste van de grote Romeinse basilieken” genoemd, had aanvankelijk ook de HH. Philippus en Jacobus als patronen, maar werd later om de een of andere reden aan de Twaalf Apostelen toegewijd. De zich in de crypte van deze kerk bevindende relieken worden van oudsher aan de apostelen Philippus en Jacobus toegeschreven. Het gaat hierbij om een dijbeen, een scheenbeen en een voet. Sinds de zesde eeuw worden het scheenbeen en de voet toegeschreven aan Philippus, terwijl het dijbeen van Jakobus zou zijn. Bij recent onderzoek (2021) bleek echter dat het om relieken ging die uit de periode tussen 214 en 340 na Christus stammen. Dat valt natuurlijk tegen, want Philippus en Jacobus leefden in feite veel eerder. Dat neemt niet weg dat het om eerbiedwaardige relieken gaat, relieken die altijd met de nodige eer werden omgeven, omdat ze aan heiligen werden toegeschreven. Achteraf bezien dus de verkeerde heiligen, maar dan nog. In ieder geval relieken afkomstig van een plaats in het Heilig Land waar men in ieder geval de relieken van Jacobus en Philippus vermoedde. 

Nadat het christendom in de vierde eeuw tot dominante religie van het Romeinse Rijk was geworden door toedoen van keizer Constantijn  en in zelfde 4e eeuw het christendom zelfs tot staatsgodsdienst werd verklaard, begon het gebruik in zwang te komen de overblijfselen van de martelaren ter verering uit de catacomben te halen en naar de kerken over te brengen. Op basis van een Romeinse wet, die de onschendbaarheid van graven garandeerde, was de Kerk daarin lang terughoudend geweest. Vanaf het einde van de 4e eeuw, toen ook de stoffelijke resten van niet-martelaren vereerd mochten worden, werd het gebruik om hun graven te openen en de stoffelijke te verplaatsen algemeen. De eerste historisch bekende verplaatsing van het lichaam van een martelaar naar een kerk is die van Babylas van Antiochië in 354 na Chr. Zijn stoffelijke resten werden van een begraafplaats in Antiochië overgebracht naar een kerk in de voorstad Daphne, die keizer Constantius Gallus speciaal voor dit doel had laten bouwen. Dat is wat  ‘translatio’ wordt genoemd, de overbrenging oftewel de verheffing van de relieken, de voorloper van de huidige heiligverklaring. Nog geen jaar later werden de overblijfselen van de heiligen Timotheüs, Andreas en Lucas al naar Constantinopel gebracht. Vanaf de tweede helft van de 4e eeuw laten bronnen een toenemende populariteit en verspreiding van relieken zien. Zo kwamen ook de relieken Philippus en Jacobus in de kerk die paus Pelagius I in de 6e eeuw ter ere van Filippus en Jacobus liet bouwen als dank voor de verdrijving van de Goten uit de stad. Juist vanwege de aanwezigheid van de relieken van deze heiligen Apostelen geldt deze kerk ook al eeuwenlang als titelkerk, d.w.z. een kerk die onder de bijzondere bescherming van een kardinaal is gesteld.

Philippus en Jacobus. Vandaag worden ze wereldwijd samen gevierd, niet alleen omdat ze het Apostelen waren, maar ook omdat hun relieken al eeuwenlang in één kerk worden bewaard. 

In de lijn van de traditie van de H. Graforde willen wij vandaag echter Jacobus bijzonder vereren, omdat hij niet alleen geldt als eerste bisschop van Jeruzalem maar ook als patroonheilige van de H. Graforde die zich bijzonder verbonden weet met de plaats in Jeruzalem waar Jezus gekruisigd, gestorven en begraven werd maar ook van de doden verrees. 

Dat de H. Apostel Jacobus allen mag beschermen die in navolging van hem Jezus erkennen als de Gekruisigde die verrezen is; dat wij mede op zijn voorspraak mogen volharden in onze trouw aan Christus en zijn Kerk, maar ook naar het voorbeeld van hem die zijn verbondenheid met Christus en zijn Kerk niet alleen met de mond beleed maar ook met zijn bloed bezegelde.

Interieur Basilica Santi XII Apostoli



maandag 2 mei 2022

Preek van onze Pastoor op 3 mei 2021, H. Jacobus de Mindere, geestelijke vader Orde H. Graf "Tastbare bewijzen dat mensen van alle tijden bereid waren hun leven voor Jezus te geven".

(2021) Vandaag vieren wij het feest van de H. Apostel Jacobus. Hij wordt weliswaarde Mindere genoemd, maar was zeker niet de minste. Integendeel: hij geldt niet alleen als Broeder de Heren, maar ook als bisschop van Jeruzalem. Het is Eusebius, in de vierde eeuw, bisschop van Caesarea, die ons een lijst met de namen van de eerste 36 bisschoppen van Jeruzalem heeft overgeleverd, een lijst die hij terugvoert op de Jacobus die wij vandaag gedenken. Eerst leidde hij samen met Petrus de eerste christengemeente aldaar, maar toen Herodes Agrippa Petrus wilde doden en Petrus Jeruzalem ontvluchtte, komen we Jacobus tegen als de belangrijkste vertegenwoordiger van de christengemeente aldaar, Jacobus die in het jaar 62 de marteldood stierf. Volgens Clemens van Alexandrië (+ 215) werd deze Jacobus al door zijn tijdgenoten vanwege zijn buitengewone deugdzaamheid ook wel ‘de rechtvaardige’ genoemd. Volgens Eusebius zou Jacobus zelf altijd verklaard hebben dat hij nog door Petrus, Jacobus (de Meerdere) en Johannes als bisschop van Jeruzalem was aangesteld.

 Onder Jacobus’ opvolger Simeon nam de christengemeente van Jeruzalem tijdens de Joodse opstand in het jaar 66 de wijk naar Pella in het huidige Jordanië. Onder leiding van Titus sloegen de Romeinen de opstand neer en namen ze de stad in. In het jaar 70 werd niet alleen de stad, maar ook de tempel verwoest; slechts drie torens van het paleis van Herodes bleven intact, evenals een gedeelte van de westelijke stadsmuur. Flavius Josephus meldt dat gedurende de hele opstand meer dan een miljoen mensen het leven lieten. Ondanks het feit dat de stad helemaal verwoest was, keerden de christenen weer terug en Eusebius somt tot de opstand van Bar Kochba 60 jaar later (132) in totaal 15 bisschoppen op. Omdat Simon Bar Kochba door veel Joden als profeet en Messias werd gezien, weigerden de christenen andermaal aan de opstand deel te nemen. De opstand werd in het jaar 135 door keizer Hadrianus hardhandig neergeslagen. Dit keer vielen er ‘maar’ 580.000 dodelijke slachtoffers.

 Omdat de Joden voortaan de stad niet meer mochten betreden, traden er sindsdien bisschoppen van heidense, d.w.z. Griekse origine aan. Ook verloor de bisschopszetel van de nieuwe Romeinse kolonie in Jeruzalem (Aelia Capitolina) haar zelfstandigheid en werd ze afhankelijk van de metropolitane zetel van Caesarea. Pas in 325 kreeg Jeruzalem haar kerkelijke zelfstandigheid weer terug, toen de bisschop van Jeruzalem de titel patriarch kreeg. Tot die tijd noemt Eusebius in totaal 36 bisschoppen, waarvan Jacobus dus de eerste was. Ondertussen was van de oude stad van Jezus’ dagen weinig of niets meer over. Op de vernielde tempelberg had Hadrianus een tempel voor Jupiter laten bouwen en (nota bene!) op de berg Golgotha een tempel voor Venus. Toch probeerden de christenen de laatste tastbare herinneringen aan Jezus’ lijden, sterven en verrijzen zo goed mogelijk te bewaren.  Iemand die zich daar bijzonder voor verdienstelijk heeft gemaakt was met name Jacobus’ opvolger Simon of Simeon, de zoon van Klopas die de Kerk van Jeruzalem leidde tot het jaar 107, het jaar van zijn martelaarschap. Toen bisschop Melito van Sardes in het jaar 160 Jeruzalem bezocht, noteerde hij dat de lokale christenen hem rondleidden naar alle plaatsen die verbonden waren met Jezus’ lijden, sterven en verrijzen, zoals het heilig Graf waarover de Romeinse keizer Constantijn later (in de vierde eeuw) een kerk liet bouwen.

 Natuurlijk gaat het daar in ons geloof niet om, uiteindelijk gaat het om Jezus en zijn blijde boodschap; daarvan leven wij. Maar zonder dergelijke tastbare getuigenissen lopen wij wel het risico dat geloof iets wereldvreemds wordt, dat het loskomt van de harde realiteit die het leven soms is. Dat mensen van alle tijden, zoals de heilige bisschop Jacobus van Jeruzalem die wij vandaag gedenken, bereid waren en nog altijd bereid zijn er hun leven voor te geven, ook dat getuigt van de incarnatie van het geloof als ik het zo mag zeggen, het geloof in Jezus dat in een mens zoals U en ik handen en voeten krijgt, zoals het Gods Woord, de Blijde Boodschap ook in Jezus zelf handen en voeten kreeg, niet alleen in zijn leven, maar ook in zijn lijden en sterven, ja zelf in zijn verrijzenis. Het is juist de verrijzenis die laat zien is dat ook de aardse realiteit voorbestemd is te delen in de glorievolle heerlijkheid van de kinderen Gods (vgl. Rom.8,21).

 

maandag 25 april 2022

Preek van onze Pastoor op het Titelfeest van de Orde van het H. Graf 2022 - "Daar in het H. Graf is het gebeurd"

Vandaag, meteen na het paasoctaaf, vieren wij met de zusters het titelfeest van het H. Graf. Dat is na Pasen ook de eerste mogelijkheid om dit feest te vieren, want het Paasoctaaf staat zo hoog in rang dat daarvóór alles wijkt. Behalve dan een uitvaart. Toch bestaat er ook een nauwe band tussen dit titelfeest van de Orde van het H. Graf en het Paasfeest dat wij onlangs vierden, of beter gezegd de hele afgelopen week vierden, ja zelfs vijftig dagen lang gaan vieren. Pasen heeft immers alles met het H. Graf te maken: daar is het allemaal gebeurd, daar is Jezus niet alleen na zijn lijden en kruis begraven, maar ook verrezen. Dat daar, in dat H. Graf iets bijzonders gebeurd is, dat is ontegenzeglijk: de vrouwen die op paasmorgen het graf bezochten zagen dat de steen die het graf afsloot was weggerold en dat het graf leeg was. Dat ze niet meteen aan verrijzenis dachten, iets waar Jezus meer dan eens op gezinspeeld had, dat mag voor hen pleiten. Het eerste wat als verklaring voor het lege graf bij hen opkwam was dat men Jezus’ lichaam had weggehaald, in het midden latend wie dat gedaan zou kunnen hebben. Pas toen Jezus zelf hen levend en wel verscheen werd het duidelijk dat Hij inderdaad verrezen is, een nieuwe bestaanswijze was binnengetreden.

Daar in het H. Graf is het gebeurd. Daarom ook dat die plek altijd in ere is gehouden, dat er al in de vierde eeuw door niemand minder dan keizer Constantijn en zijn moeder keizer Helena een kerk overheen werd gebouwd. Aan die eerbiedwaardige plek dankt H. Graforde ook haar naam, omdat de orde teruggaat op het kapittel dat tijdens de kruistochten door Godfried van Bouillon aan die kerk verbonden werd (1099). De naam van het H. Graf klinkt ook in de oude Nederlandse naam van de orde, die van de Sepulcrijnen of Sepulcrinessen, afgeleid van het Latijnse woord voor graf: sepulchrum. Het H. Graf is niet alleen een bijzondere plek in deze wereld, een plek, die mensen die Jeruzalem bezoeken, eigenlijk niet over kunnen of mogen slaan. Het H. Graf neemt echter ook – hoe kan het ook anders – een bijzonder plek in binnen het geheel van de Orde waarvan wij vandaag het titelfeest vieren. Meer dan wachters bij het H. Graf of bewakers van het H. Graf willen de leden van deze Orde getuigen van de verrijzenis zijn, zoals indertijd de vrouwen die als eersten het graf bezochten en ook als eersten Jezus als de Verrezene mochten ontmoeten. Daarom is en blijft het toch een bijzondere speling van het lot dat alleen de vrouwelijke tak van Orde heeft overleefd. In onze streken gingen de mannelijke kloosters ten gevolge van de Reformatie en Franse overheersing ten onder, terwijl in Polen de laatste kanunnik van H. Graf in 1874 overleed. Vrouwen, niet alleen de eersten bij het H. Graf, maar blijkbaar ook de laatsten, althans wat de reguliere Orde van het H. Graf betreft. Er bestaat ook nog zoiets als de seculiere tak, de Ridderorde, maar dat is een ander verhaal. 

Wij zijn in ieder geval blij hier in St. Odiliënberg sinds 1888 de zusters van het H. Graf te mogen herbergen, de zusters die in het verleden met name in het onderwijs hun sporen hebben verdiend, maar tegenwoordig meer op achtergrond actief zijn, hun eigen specifieke bijdrage leveren aan viering van de eredienst in de basiliek, maar vooral ook in stilte, luisterend en biddend, veel voor mensen doen en betekenen. En zo komen we weer bij dat H. Graf uit, de plek waar het allemaal begon, een plek die als geen ander uitnodigt tot rust en bezinning, juist omdat ze indertijd leeg werd bevonden. Daar in dat lege Graf ligt niet alleen de oorsprong van de Orde van het H. Graf, maar ook van heel ons geloof. “Want als Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en Uw geloof eveneens …Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn” (1 Kor.15,14.19-20). Dat is de hoop die ons doet leven; dat is de hoop die wij hier en nu weer mogen vieren, in Woord en Sacrament.

zondag 20 maart 2022

Preek van onze Pastoor 3e Vastenzondag Als we in deze tijd van angst om besmetting met het coronavirus ergens behoefte aan hebben dan is aan iets wat leven brengt! 2020



Water, daar gaat het vandaag over, het levend water dat Jezus geeft, het levend water dat Jezus is. Wij kunnen niet zonder; water behoort tot onze eerste levensbehoeften Waar water te vinden is, daar vestigen mensen zich, daar ontmoeten mensen elkaar. In het oude Testament lijkt het wel een refrein dat telkens weer terugkeert: een engel vond Hagar, de verstotene, bij een waterbron in de woestijn (Gen. 16,7).  Rebekka werd bij een waterput aangesproken door een dienaar van Abraham (Gen. 24,10-32).  Eveneens bij een put ontmoette Jakob zijn toekomstige vrouw Rachel, de dochter van Laban (Gen. 29, 1-11).  Mozes vluchtte naar Midjan en ging bij een bron zitten (Ex. 2,15), waar hij de dochters van Jitro en zijn toekomstige vrouw Sippora ontmoette.  Tijdens de exodus zorgde Mozes ervoor dat het brakke water weer zoet en drinkbaar werd.  Later, tijdens diezelfde uittocht, tijdens diezelfde toch door de woestijn, toen de nood het hoogst was, bracht hij redding door water uit de rots te slaan (Ex. 17,6).  Water: wij kunnen zonder. Zonder water redden wij het niet, zonder water gaan we dood.
Jezus heeft daar niet allen weet van, maar kent het ook uit eigen ervaring. Vermoeid van de toch onder de brandende zon, neemt hij rust bij een put en drinkt wat. En daar begint het verhaal, daar ontmoet hij de Samaritaanse, die blijkbaar ontvankelijk is voor wat de vreemdeling te vertellen heeft. Het is niet alleen bijzonder dat Hij als rabbi met een vrouw spreekt, maar dat dat Hij dat ook nog doet als Jood: spreken met een Samaritaan met wie Joden eigenlijk niet verkeren. Jezus heeft geen last van voordelen. Hij kent ons, weet wie we zijn, laat ons zelf dingen zeggen die we eigenlijk liever verborgen houden. Er ontspint zich een gesprek, dat alles behalve over koetjes en kalfjes gaat, een gesprek waarbij de Samaritaanse haar aanvankelijk achterdocht laat varen. Van vragenstelster wordt ze tot getuige en verkondigster van Jezus en het heil dat Hij ons komt brengen. Ze ontdekt in Hem een bron van levend water, niet alleen water ze zelf van heeft mogen proeven, maar ook water dat ze aan haar anderen gunt.  “Als u wist wat God wil geven …” (Joh. 4,10).  Zijn gave is de Geest, die als een bron in ons opborrelt (Rom. 5,5) en leven brengt waar dorheid, ja zelfs dood ons bedreigen. Als we in deze tijd van onrust en angst om besmetting met het cornonavirus ergens behoefte aan hebben dan is het wel aan dat, aan iets wat leven brengt, leven doet aanlichten.
Over waterputten gesproken: drie leerlingen vroegen hun leermeester om hen wat levenswijsheid bij te brengen. Toen ze bij een waterput kwamen, bond de leermeester een touw om het middel van de eerste leerling en liet hem in de put zakken.  Nauwelijks was die over de rand of hij begon al angstig te roepen dat hij hem toch maar weer gauw naar boven zou halen.  De tweede reageerde op dezelfde manier.  De derde echter zei: “Laat me maar naar beneden zakken.  Als ik begin te roepen, trek me dan niet meteen naar boven.  Pas als je merkt dat het touw wat losser begint te worden, dan mag je me weer eruithalen.”  En het lukte.  Afdalen naar de diepte van ons bestaan, ons bestaan dat door van alles en nog wat bedreigd wordt, maakt ons onrustig en angstig.  Maar juist daar zul je pas ontdekken wat ons werkelijk tot hulp en steun is, wat er ook gebeurt, wat ons ook overkomt. Daar zul je ook God vinden. Niet voor niets zegt een oud spreekwoord dat nood leert binnen: als je nog nooit iets serieus hebt meegemaakt, denk je misschien wel dat je het leven in je eentje aankunt. Maar dat is maar schijn. Investeren in ons geloof, in onze relatie met God, met de christelijke God die zich in Jezus laat vinden, is geen overbodige luxe, alleen maar ets voor hobby’isten. Het is investeren in de volheid van het leven, het leven dat zoveel meer is dan wat wij ervan kunnen of willen maken. Dat leven gaan wij binnenkort weer met Pasen vieren, een levensterker dan alles wat ons hier en nu bedreigt en uiteindelijk zelfs sterker dan de dood. Dat Jezus daar ook ons van kan en mag overtuigen. Dat we net als de Samaritaanse openstaan voor alles wat Jezus ons te zeggen en te bieden heeft.

woensdag 2 februari 2022

Preek van onze Pastoor Opdracht van de Heer in de Tempel 2022 - Met het lichaam en bloed des Heren is de losprijs betaald en zijn wij van de dood vrijgekocht.

 Opdracht van de Heer in de Tempel, zo heet het feest officieel. 

Vandaag wordt de pasgeboren Jezus door zijn ouders naar de tempel in Jeruzalem gebracht om Hem daar aan de Heer op te dragen, toe te wijden. Daarmee vervulden ze het voorschrift van de wet dat alle eerstgeborenen aan de Heer aan de Heer dienen te worden toegewijd: “Alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe” (Ex.13,1), had de Heer bij de uittocht uit Egypte gezegd. Vlak daarvoor had de Heer de Egyptenaren met de ergste plaag die God onder de zon heeft geslagen, namelijk de dood van alle eerstgeborenen, vanaf de eerstgeborene van Farao die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis; en ook al de eerste geborenen van het vee. Die nacht kwamen Farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren overeind, en luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode” (Ex.12,29-30).

Om aan te geven hoe hoog de prijs voor de vrijlating van de Israëlieten uit de Egyptische slavernij was, bepaalde God dat voortaan alle eerstgeborenen der Israëlieten aan Hem toegewijd zouden zijn. Wat betekent dat: toegewijd? Het betekent in ieder geval niet aan de Heer afgestaan, zoals met de kleine Samuel gebeurde toen zijn moeder die geen kinderen kon krijgen, beloofde haar eerstgeborene aan de Heer te zullen afstaan als ze toch in verwachting zou raken. De kleine Samuel werd ook letterlijk aan de Heer afgestaan om in de tempel dienst te gaan doen (1 Sam.1). Voor de andere eerstgeborenen gold dat ze moesten worden vrijgekocht. “Als U zoon later vraagt wat dit bekent, dan moet U hem antwoorden: met krachtige hand heeft de Heer ons weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. Toen Farao hardnekkig weigerde ons te laten gaan, heeft de Heer alle eerstgeborenen van Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Daarom offer ik al het mannelijke dat de moederschoot opent aan de Heer en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij” (Ex.13, 13-15).

Opdat wij nooit zouden vergeten: de hoge prijs die voor onze bevrijding en verlossing betaald is. Of Maria en Jozef zich daarvan bewust zijn geweest, toen ze aan Jezus hun eerstgeborene het voorschrift der wet vervulden, weet ik niet. Wat ik echter wel bijna zeker weet is dat zij toen niet beseften dat Jezus hun eerstgeborene later zijn leven zou geven voor een andere, diepgaandere bevrijding en verlossing. Dat Hij een redder, een bevrijder, een verlosser zou zijn, hadden de engel bij zijn geboorte al met zoveel woorden aan de herders bekend gemaakt: “Heden is U een redder geboren, Christus de Heer” (Luc.2,11). En aan ook al Jozef laten weten dat het ging om redding uit onze zonden. Daarom moest hij Hem ook Jezus noemen (Mt.1,21). ‘Jesjoea’ betekent immers: ‘God redt’ of ‘God is redding’. Jezus: de eerstgeborene die vandaag volgens de wet des Heren wordt vrijgekocht, maar later op zijn beurt anderen zal vrijkopen. Dat geeft het feest van vandaag een diepere betekenis. Vandaag wordt Jezus in de tempel opgedragen, als een verwijzing naar het moment waarop Hij 33 jaar later zichzelf aan God zal opdragen op het altaar van het kruis. “Slachtoffers en gaven hebt gij niet gewild, maar voor mij een lichaam bereid”, die woorden van de psalmist legt de schrijver van de Hebreeënbrief Jezus in de mond; “brand- en zoenoffers konden U niet behagen. Toen zei Ik: Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat: ik ben gekomen. O God, om Uw wil te doen” (Hebr.10,5-7; vgl. ps. 40,7-9). Zo heeft Jezus voor ons mensen en omwille van ons heil zijn leven geven, “als losprijs voor velen” (Mc.10,45). 

Opdat wij nooit zouden vergeten: de hoge prijs door voor onze bevrijding en verlossing betaald is. “Gij zijt gekocht en de prijs is betaald” (1 Kor.6,20). Met het lichaam en bloed des Heren is de losprijs betaald en zijn wij van de dood vrijgekocht. Dankzij Jezus’ levensoffer, dankzij Jezus’ lijden en sterven zijn wij voorbestemd te delen in de heerlijkheid van zijn verrijzenis en eeuwig leven. Opdat wij nooit zouden vergeten: wat de God er voor over had “om ons te ontrukken aan het domein der duisternis en over te brengen naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn” (1 Kol.1,13-14). 


donderdag 6 januari 2022

Preek van onze Pastoor op 6 januari 2022 - Vandaag willen we Hem ook het goud van onze liefde aanbieden, de wierook van ons gebed en de mirre van onze dankbaarheid.


(2022) Vierden we afgelopen zondag het heilsfeit zelf, het gegeven dat Jezus het kerstkind niet alleen aan herders, maar ook aan wijzen uit het oosten werd geopenbaard, vandaag willen we wat meer stil staan bij de personen zelf, de drie koningen die in het bijbelverhaal zelf als magiërs of ‘wijzen’ worden aangeduid. Waarschijnlijk ging het hier om Perzisch-Babylonische astronomen, astrologen en natuurwetenschappers die later tot ‘koningen’ werden gebombardeerd omdat de tekst van de eerste lezing die wij zojuist mochten beluisteren (Jes. 60,1-6; vgl. Ps. 72,10) dat suggereert. Op een sarcofaag uit de vierde eeuw zien we ze in ieder geval als magiërs afgebeeld. In een mozaïek uit de zesde eeuw in de Sant’Appolinare Nuovo in Ravenna zien we ze niet alleen afgebeeld, maar vinden we ook hun namen erbij vermeld: Caspar, Melchior en Balthasar; het betreft hier echter een toevoeging van minimaal twee eeuwen later. In een geschrift dat aan de H. Beda Venerabilis wordt toegeschreven, een geleerde Engelse monnik die rond het jaar 700 leefde, heet het: “De magiërs hebben geschenken aan de Heer gebracht. De eerste moet Melchior zijn geweest, een oud man met lang, grijs haar en een lange baard, gekleed in een purperrode tunica met korte, groene mantel en purperrode schoenen, met wit doorwerkt. Op zijn hoofd droeg hij een Frygische muts, vervaardigd uit stof van verschillende kleuren. Goud offerde hij aan de Koning als zijn Heer. De tweede heette Caspar, een baardeloze jongeling, met rood haar, gekleed in een groene tunica, een rode, korte mantel en purperrode schoenen. Hij eerde God met wierook als een gave, die voor Hem paste. De derde met donkere haren en een volle baard, heette Balthasar. Hij droeg een rode tunica, met een witte, korte mantel en groene schoenen: door de mirre erkende hij de toekomstige dood van de zoon der mensen. Al hun kledingstukken bestonden uit zijde”. 

Onder invloed van de kruistochten begon de verering van de Driekoningen een steeds hoger vlucht te nemen, vooral sinds hun relieken in 1164 vanuit Milaan naar Keulen werden overgebracht, waar ze bewaard worden in het prachtige schrijn dat in het hoogkoor van Keulse dom staat opgesteld. Dankzij de relieken werd Keulen een van de belangrijkste pelgrimssteden van de middeleeuwen, naast Jeruzalem, Constantinopel, Santiago de Compostela, Rome en Aken. De pelgrimstekens en driekoningenbriefjes uit Keulen verspreidden zich over heel Europa. De laatste keer dat ze nog eens volop in de belangstelling stonden was tijdens de 20e wereldjongerendagen (WJD) die in de zomer 2005 in Keulen werden gehouden. Dat was vlak na het overlijden van Paus Johannes Paulus II en het aantreden van paus Benedictus XVI. Dat evenement had nog van paus Johannes Paulus II als thema meegekregen: “we zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen”, verwijzend naar het evangelie van vandaag, bedoeld als uitnodiging aan de jongeren van alle continenten om geestelijk de weg af te leggen die de heilige drie koningen gingen; om net als zij de Messias van alle volkeren te vinden. De paus nodigde de jongeren uit om naar Keulen te komen en de Heer “het goud van je leven aan … (te bieden), dat wil zeggen je vrijheid, om Hem uit liefde te volgen en trouw te beantwoorden aan zijn roepstem; laat de wierook van jullie vurig gebed opstijgen tot zijn lof en eer; biedt Hem ook de mirre aan, dat wil zeggen de hartelijk dankbaarheid ten opzichte van Hem, de ware mens, die ons zozeer heeft liefgehad, dat Hij als een misdadiger op Golgotha is gestorven. Wees aanbidders van de enige en ware God, door Hem de eerste plaats in je leven te geven … Aanbidt Christus: Hij is de Rots waarop jullie toekomst en een meer rechtvaardige en solidaire wereld te bouwen is. Jezus is de koning van de vrede, de bron van vergeving en verzoening, die alle leden van de mensenfamilie tot broeders en zusters van elkaar kan maken” (boodschap JP II 6 aug. 2004). 

Nu wij vandaag het feest van de H. Driekoningen vieren, voegen ook wij ons in het voetspoor van de jongeren van toen treden. Vandaag zijn we niet alleen gekomen om het kerstkind onze hulde te brengen, vandaag willen we Hem ook het goud van onze liefde aanbieden, de wierook van ons gebed en de mirre van onze dankbaarheid. Dat wij door de ontmoeting met het kerstkind niet alleen zelf nieuw worden, maar ook het aanschijn der aarde weten te vernieuwen.




woensdag 5 januari 2022

Preek van onze Pastoor op het Hoogfeest van de Openbaring van de Heer 2018 Het geheim van Gods menswording, zichtbaar en tastbaar geworden in het kind dat Maria ter wereld bracht.

De laatste tijd is er nogal wat te doen over nepnieuws. Nepnieuws is misleidende informatie die wordt verspreid om geld te verdienen of om de publieke opinie te beïnvloeden, bijvoorbeeld in de aanloop naar de verkiezingen. Nepnieuws bestaat natuurlijk al langer, maar de verspreiding ervan gaat razendsnel sinds de opkomst van sociale media. Iedereen kan immers tegenwoordig zomaar informatie op internet plaatsen.
Ten gevolge van al dat nepnieuws is het nog moeilijker om bij alle informatie die met name ook digitaal voorhanden is door de bomen het bos nog te zien. Wat er allemaal niet gepubliceerd is, bijvoorbeeld over het verhaal van de drie wijzen uit het oosten dat we zojuist mochten beluisteren, op zoek naar de pasgeboren koning der Joden. Wat je niet alleen in de boeken, maar ook op internet kunt vinden over hun aantal, of het inderdaad wel drie waren, en dat symbool staan voor de drie toenmaals bekende werelddelen (Europa, Afrika, Azië) of voor de jongeren, de volwassenen en de ouden van dagen. Wat je niet alleen in de boeken, maar ook op internet kunt lezen over waar de geschenken die ze meebrachten voor staan: goud voor Christus’ koningschap, wierook voor zijn goddelijke herkomst en mirre voor zijn menselijke natuur. Ja zelfs valt er het een en ander te lezen over die bijzondere ster die hen de weg wees. Heel wat geleerden hebben zich het hoofd gebroken de sterrenconstellaties in die tijd en over een eventuele supernova, het spectaculaire verschijnsel dat zich voordoet als een ster in het heelal explodeert.
Allemaal interessante informatie, zoals de informatie die de hogepriesters en schriftgeleerden in Jeruzalem ter beschikking bestond, maar verder niets mee deden. Maar soms ook informatie die afleidt waar te nu eigenlijk om gaat: om het kind in de kribbe, het mysterie van menswording. Want daar gaat het dezer dagen toch om: dat God concreet en tastbaar onze mensenwereld is binnengestapt,  in het kleine kind in de kribbe en later in de volwassen Jezus die zich onder de mensen begeeft en hen niet alleen Gods liefde voorhoudt en maar ook voorleeft. Ik geef toe: alleen al bij de gedachte duizelt het ja al: dat kan toch niet? Dat bestaat toch niet?
En toch is dat wat wij christenen geloven, en wat ook de drie wijzen uit het oosten geloofden en zich op het teken van en ster op weg begaven om het met eigen ogen te aanschouwen: het geheim van Gods menswording, zichtbaar en tastbaar geworden in het kind dat Maria ter wereld bracht, het kind dat ze dan ook op hun knieën neervallend hun hulde brachten. God is voor ons christenen geen wezen dat zover van ons af staat dat we al te gemakkelijk aan Hem voorbij zouden kunnen leven. Integendeel: Hij is ons zelfs zo nabij gekomen, dan we Hem bij wijze van spreken op iedere straathoek kunnen tegenkomen, ook, ja zelfs op plaatsen waar we Hem misschien helemaal niet zouden zoeken of verwachten!
Dat maakt dat onze kerken meer de titel ‘geluksplek’ verdienen dan die 25 die er in onze gemeente te vinden zijn. In onze kerken treed je met de bron van alle geluk in contact, met God die zich in Jezus zijn Zoon wilde laten vinden. Hij kon en mocht immers van zichzelf zeggen: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij” (Joh.14,6). Dat is ook wat de wijzen uit het oosten spontaan aanvoelden toen ze op de plaats waar de ster stil bleef staan het pasgeboren kind en zijn moeder Maria aantroffen, het kind dat ze hun hulde brachten door op hun knieën neer te vallen en kostbare geschenken aan te bieden. Maar ja: wie durft God nog te herkennen in een kind, laatst staan in een klein stukje brood? Is dat niet te gewoon, te alledaags, te onnozel? Dat is inderdaad een risico, een groot risico, een risico dat God blijkbaar bewust heeft genomen, dat mensen zelfs voorbij lopen aan het mysterie van Gods aanwezigheid in ons onze wereld en ons leven. Zalig wij dan, die er door onze komst naar hier niet alleen oog en oor, maar vooral ook hart voor hebben; zalig wij die ons vanmorgen weer genodigd weten tot deze Maaltijd des Heren!

Jos L'Ortye, Pastoor.

zaterdag 6 november 2021

7 november H. Willibrord - artikel van onze Pastoor

 


In 690 komt de Engelse Willibrord aan in de Lage Landen. Deze monnik en missionaris uit Northumbrië is met twaalf gezellen de Noordzee overgestoken om het christendom te verspreiden in het land van de Friezen. Zijn eigen land is al eerder gekerstend. Het Friese gebied beslaat de kuststrook van de Westerschelde tot aan de Weser. De Friezen houden vast aan hun oude gebruiken en geloven in goden als Wodan en Donar. Van zijn voorgangers weet Willibrord dat het bekeren van de Friezen geen eenvoudige zaak is. Daarom vraagt hij om steun bij het Frankische hof. Het Friese gebied grenst aan het Frankische Rijk, dat onder koning Clovis twee eeuwen daarvoor al het christelijke geloof heeft aangenomen. De Friese adel beschouwt de missionarissen als handlangers van de Franken, met wie de Friezen regelmatig in botsing komen. De strijd tussen Franken en Friezen kent een wisselende geschiedenis van bondgenootschappen en conflicten. Er is geen sprake van een harde grens tussen Fries en Frankisch gebied: na elk gevecht schuiven óf de Friezen een stukje naar het zuiden óf de Franken naar het noorden. Zo valt Utrecht onder wisselend gezag. Rond 630 – tijdens een periode van Frankische successen – laat de Frankische koning Dagobert het eerste kerkje van Utrecht bouwen op het huidige Domplein. Kort daarop wordt het onder Fries gezag weer verwoest. Op aandringen van de Frankische vorsten benoemt de paus Willibrord tot 'aartsbisschop van de Friezen'. De Franken kunnen zo via de aartsbisschop invloed uitoefenen op het bestuur van de Friese gebieden. In 696 vestigt Willibrord zich in Utrecht en herbouwt de verwoeste kerk. Ook geeft hij opdracht tot het bouwen van een nieuwe kerk en sticht hij een klooster. Vanuit Utrecht trekken de missionarissen vervolgens het land van de Friezen in. Deels met succes: tegen het einde van Willibrords leven – hij sterft in 739 – zijn veel mensen in de kuststreek tot het christendom bekeerd. Maar in de rest van het Friese gebied stuiten de missionarissen op verzet. Bekend is het verhaal van de dood van Bonifatius, die op zendingsmissie rond 754 bij Dokkum wordt vermoord. Pas aan het einde van de achtste eeuw komt er door de wapens van de Franken een einde aan de strijd (canon van Nederland).

Ongetwijfeld heeft de heilige Willibrord ook onze streken bezocht. De kloosterstichting van Susteren wordt in ieder geval aan Willibrord toegeschreven (714) en geldt dan ook als de oudste in de Nederlanden. Her en der liet Willibrord zijn sporen na in de vorm van bronnen die hij liet ontspringen: de zogenaamde ‘Willibrordusputjes’. Daarvan zijn er ook enkele bij ons in de buurt te vinden, zoals in Aldeneik (B) en in Birgelen (D). De vraag is of, en zo ja in hoeverre er een band is tussen Willibrord en de kloosterstichting St. Odiliënberg, die samen met die van Susteren en Aldeneik ook wel ‘de drie Munsters van de Maasgouw’ worden genoemd. Thans wordt er algemeen vanuit gegaan dat het Pepijn (III) de Korte (714-768) was, die de uit Engeland afkomstige (bisschop) Wiro (Wera) tussen 747 en 751 Berg als woonplaats schonk voor zijn levensavond. Deze Wiro vertoefde aan het Frankische hof als Pepijns biechtvader en adviseur in staatszaken. Daar bevond zich toentertijd een van oorsprong Angelsaksische kloosterstichting. Pas later (in 752 of kort daarna) zouden Plechelmus en Otgerus zich bij hem gevoegd hebben. Het was Pepijns gelijknamige grootvader Pepijn (II) van Herstal (635-714), die Willibrord, na zijn overwinning op de Friese Koning Radboud, Friesland als missiegebied had toegewezen en hem ook verlof had gegeven het St. Maartensklooster en de St. Salvatorkerk te bouwen. Pepijns dood in 714 vormde voor koning Radboud de aanleiding om Willibrords missiewerk te dwarsbomen. Pas nadat Pepijns opvolger, Karel Martel (689-741) hem weer had verslagen (722) kon Willibrord weer vanuit Echternach naar Utrecht terugkeren. Of onze ‘Bergse heiligen’ Willibrord persoonlijk hebben gekend weten we niet, de stichting van het Angelsakische klooster in Berg wordt tegenwoordig pas na Willibrords dood (739) gedateerd, d.w.z. ten tijde van Pepijn III de Korte, halverwege de achtste eeuw. Een halve eeuw later dus dan de traditionele opvatting, die deze plaatste tijdens de regering van Pepijn II van Herstal. Zowel bronnen- en tekstkritiek als archeologisch onderzoek geven geen aanleiding een band tussen Willibrord en Berg te veronderstellen.

maandag 4 oktober 2021

Inleiding en homilie van onze Pastoor bij de uitvaart van zr. M. Reinhilde - Ze heeft de lamp altijd brandend gehouden al was het ook in de tweede of de derde nachtwake, als hij haar zou komen uitnodigen om met Hem binnen te treden om bruiloft te vieren..


Inleiding

Lieve zusters, beste familie samengekomen om afscheid te nemen van Uw medezuster Zr. Reinhilde, van Uw zus, tante en nicht Christine, wil ik namens U welkom heten de Kanunnikessen van het H. Graf van de priorijen Herkenrode en Tongerlo, aan de heren De Vries en Teeuwen als vertegenwoordigers van de commanderij van Nederland van de Ridderorde van het H. Graf van Jeruzalem, de vrienden van priorij Thabor en van de familie Golsteyn, parochianen van St. Odiliënberg en verder alle anderen die vandaag naar hier gekomen zijn, niet alleen om Zr. Reinhilde de laatste eer te bewijzen, maar ook om haar nabestaanden, haar medezusters en haar familie te overtuigen van hun medeleven en gebed bij haar overlijden en bij dit afscheid.

Vandaag kijken we terug op het leven van Zr. Reinhilde aan wier leven lange leven in dienst van God en de mensen afgelopen maandag een einde kwam. 94 jaar geleden als Christine Maria Golsteyn geboren in Maaseik, in een gezin dat uiteindelijk negen kinderen zou tellen, groeide ze op in Rekem, waar haar vader als oorlogsinvalide werk had gevonden op het ‘krankzinnigengesticht’ dat sinds 1921 in het kasteel aldaar was gevestigd. De gevolgen van de eerste wereldoorlog voor haar vader (en daarmee voor het gezin) en ervaringen die het gezin tijdens de tweede wereldoorlog opdeed zouden een blijvende indruk bij haar achterlaten. Na het doorlopen van de middelbare school bij de zusters Ursulinen in Maaseik trad ze begin 1946 in bij de reguliere kanunnikessen van het H. Graf te Bilzen waar ze twee jaar later, in het voorjaar van 1948, geprofest werd. Ze woonde en werkte achtereenvolgens in de H. Grafkloosters te St. Truiden, Kinrooi en Bilzen. In Bilzen maakte ze de stichting van het H. Grafklooster in Herkenrode mee. Toen er ook in de Belgische H. Grafkloosters naar aanleiding van de tweede Vaticaanse Concilie de nodige vernieuwingen werden doorgevoerd, besloot ze naar het H. Grafklooster St. Odiliënberg over te stappen, dat sinds 1966 onder de bezielende leiding van moeder Matthea stond. Hier volgde Zr. Reinhilde Zr. Aleydis als eerste cantrix op, hetgeen des te meer voor de hand lag gezien haar muzikale achtergrond. Het Gregoriaans heeft haar altijd na aan het hart gelegen. Naarmate ze ouder werd kreeg ze steeds meer last van haar benen, een gevolg van de kinderverlamming die ze tijdens haar jeugd opliep. Omdat ze steeds meer op de hulp en steun van haar medezusters, en op een gegeven moment ook nog op professionele zorg raakte aangewezen en men haar die in St. Odiliënberg steeds moeilijker kon bieden, verhuisde ze in 2012 noodgedwongen naar het St. Jozefoord in het Brabantse Nuland. Dat is haar heel zwaar gevallen, juist omdat ze zo op het communiteits- en kloosterleven was gesteld. Toch mocht ze ook daar op regelmatig bezoek van haar medezusters rekenen, en lieten zij haar telkens weer overkomen als er iets bijzonders in de communiteit te vieren was. Zo mocht zij in 2018 in de priorij van Berg ook haar eigen 70-jarig kloosterjubileum vieren.

Zoals gezegd kwam er afgelopen maandag in Nuland een einde aan haar leven. Een leven waarin ze haar lamp altijd brandend heeft gehouden, geduldig wachtend op de komst van de bruidegom waarover wij zo meteen in het evangelie zullen horen. Laten in ieder geval ook wij  deze bruidegom een warm welkom bereiden, nu Hij hier en nu, in woord en sacrament, ons midden komt.

Preek

Vandaag nemen we afscheid van Zr. Maria Reinhilde, reguliere kanunnikes van het H. Graf en als zodanig meer dan 70 jaar lang levend in een eeuwenoude traditie van waken bij het Graf van de Heer, de plek waar Hij 2000 jaar geleden na zijn kruisdood werd begraven en waaruit Hij drie dagen later glorievol verrees. Inderdaad een bijzondere plek, vooral als je je realiseert dat niemand erbij was, niemand het heeft gezien. Het enige wat we daarover opgetekend vinden is dat het graf leeg was toen de vrouwen vroeg in de morgen bij het graf kwamen. Weliswaar bevonden zij de steen weggerold , maar verder niets dan duisternis en leegte, bepaald niets dat uitnodigt er binnen te treden, erin af te dalen. Afgezien dan van een engel die sprak: ”Gij behoeft niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is niet hier. Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft” (Mt.28,5-6). Binnentreden in het H. Graf, intreden in de Orde van het H. Graf. Zr. Reinhilde deed het, durfde het aan, in een tijd dat dat nog heel normaal was en niemand daarvan van opkeek. Ze kende de Orde van de school in Kinrooi waar een van haar zussen intern was. Zr. Reinhilde wist zich op hoge leeftijd nog te herinneren dat toen ze het haar ouders vertelde dat ze bij de zusters van H. Graf in wilde treden, dat haar ouders toen heel blij waren en er een traan over het gezicht van haar vader liep. Niets van verontrusting, niet van alles waar wij tegenwoordig aan denken als iemand laat weten naar het klooster te willen gaan alsof mensen daardoor al bij wijze van spreken in het graf afdalen en al bij voorbaat van het leven afscheid nemen. Integendeel: vreugde in plaats van droefheid, ook bij haar zelf. Het was de vreugde die ze al had leren kennen toen ze zich al op jonge leeftijd aansloot bij de Eucharistische Kruistocht van priester Poppe. Strijdbaar was ze en wilde ze zijn, ook voor de Vlaamse zaak, AVV-VVK: “alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus”. Wars van  alle capsones en alle gemaaktheid, kon ze echter ook behoorlijk eigenzinnig zijn, zeker als het haar nodig en aangebracht leek. Inderdaad: Strijdbaar, opkomend voor de goede zaak, gelovend in de kracht van de liefde , de kracht van het leven, de kracht van Christus’ verrijzenisleven, het leven waarop ons leven bij ons doopsel werd geënt, het leven dat met name in ons tot doorbraak komt in en door de viering van de Eucharistie. Dat de Eucharistie haar bijzonder dierbaar was bewijst het feit dat ze welbewust koos voor de kloosternaam Zr. Maria Reinhilde ‘van het H. Sacrament’. Haar strijdbaarheid sluit ook nauw aansluit bij de Paasspiritualiteit van de H. Graforde, zeker als we ons realiseren dat het in de Paassequentie van zojuist heette dat dood en leven een wondere strijd streden, een strijd waarin de Christus, de vorst des levens, die gestorven was, als overwinnaar tevoorschijn trad en nu in onvergankelijkheid heerst.  Een strijdbaarheid die ook nodig is, wil je ook de kleinere en grotere kruisen, lasten en teleurstellingen die ook kloosterlingen niet bespaard blijven het hoofd kunnen bieden. Ze hebben Zr. Reinhilde in ieder geval geholpen die de beperkingen die de kinderverlamming die ze tijdens haar jeugd opliep te accepteren en te verdragen, ja meer nog op te dragen voor het heil van de zielen. Ook wat dat betreft heeft ze haar lamp altijd haar lamp brandend gehouden; is ze altijd waakzaam gebleven, klaar om met Hem mee te gaan, al was het ook in de tweede of de derde nachtwake, als hij haar zou komen uitnodigen om met Hem binnen te treden om bruiloft te vieren. Hoe vaak heeft ze in het verleden niet aan het bed van zieke medezusters gezeten, en bij hen en met hen gewaakt in afwachting van de komst van de bruidegom. Vorige week was het haar eigen beurt. Ik weet niet of er toen iemand naast háár bed gezeten heeft en bij haar en met haar heeft gewaakt. Ze zal het in ieder geval zelf hebben gedaan, geheel in de lijn van haar eigen levensinstelling, van haar eigen roeping als kanunnikes van het H. Graf. En daar waar zij voor menigeen nu afdaalt in de duisternis en leegte van een graf, daar geloven wij dat datzelfde graf het voorportaal is van de volheid van het eeuwig licht. Dat was het in ieder geval voor de eerste bezoeksters van dat graf op paasmorgen, dezelfde bezoeksters die vervolgens van de opdracht kregen getuigen van de verrezen Heer te worden. Dat was het ook en vooral voor Zr. Reinhilde. Daarom kunnen en mogen wij haar nu nazeggen: “scimus Christum surrexisse a mortuis vere; tu nobis, victor rex, miserere!”



woensdag 25 augustus 2021

6 augustus Thaborfeest Preek van onze Pastoor "'Petrus, Jacobus en Johannes; ze waren erbij en mochten het meemaken op de piekmomenten en alles wat daar tussen zat.. en zo is het ook voor ons" 2020

transfiguratie-van-jezus-olv-ter-nood-heiloo – Onze Lieve Vrouw ...

Enkele jaren geleden heeft het kerkbestuur twee 12e-eeuwse apostelbeelden uit het Rijkmuseum in Amsterdam weer naar St. Odiliënberg weten te halen, twee beelden die bij de restauratie van de kerk in de jaren 1880-1883 boven water kwamen maar ter financiering van de restauratie aan het toen pas gereed gekomen rijksmuseum (1885) werden verkocht. Na jarenlang deel uitgemaakt te hebben van de vaste collectie waren ze echter uiteindelijk toch in het depot beland. Daarom waren ze ook in Amsterdam blij dat ze hier in onze basiliek weer een vaste plek zouden krijgen. Dat was echter gemakkelijk er gezegd dan gedaan. Waar komen ze meest tot hun recht, waar doen ze het minst afbreuk aan sobere inrichting van na de oorlog? Zoveel mensen, zoveel zinnen. Daarom hebben we er enkele maanden geleden foto’s op ware grootte van laten maken en die bij wijze van proef opgehangen. Inmiddels is één van die foto’s blijkbaar het lange hangen moe geworden en naar beneden gevallen. Die hing daar, boven het tabernakel. Het is die van de Johannes, die van andere kant, die van Jacobus, die hangt er nog.

Jacobus en Johannes … die hebben niet alleen met elkaar gemeen dat ze door Jezus waren uitgekozen en aangesteld om Hem als apostel te vergezellen, maar het waren toevallig ook nog eens broers van elkaar. zonen van Zebedeus, bijgenaamd ‘Boanerges -  zonen van de donder’, waarschijnlijk iets verradend van hun opvliegende karakter. Toen de Samaritanen Jezus eens niet wilden ontvangen, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was, had - als het aan Jacobus en Johannes had gelegen - de bliksem hen mogen treffen (vgl. Luc.9,53-54).

Maar ze hadden ook iets anders gemeen: met de apostel Petrus behoorden zij tot de kleine kring die Jezus mocht vergezellen als er iets bijzonders te gebeuren stond. Zo waren zij niet alleen erbij toen Jezus het dochtertje van Jaïrus van de doden opwekte (Luc.8,51), maar ook bij zijn doodsangst in de hof van Olijven (Mt.26,37). En - hetgeen beslist geen toeval is - zoals vandaag, bij Jezus’ verheerlijking op de berg Thabor. Ook vandaag zijn het weer “Petrus, Jacobus en zijn broeder Johannes” die door Jezus meegenomen worden, boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren, waar Jezus voor hun ogen van gedaante veranderd werd, en waar Mozes en Elia hen verschenen die zich met Jezus onderhielden, waar een stem uit de hemel klonk die Jezus openbaart als Gods welbeminde Zoon, naar wie wij maar hoeven te luisteren om deel te krijgen aan Gods hemels leven en geluk.

Petrus, die er dus ook bij was, kan het zich nog herinneren. Hij schrijft er zelfs over in zijn tweede brief; daar heeft hij het over de stem die ze uit de hemel hoorden klinken toen ze met Hem waren op de heilige berg, een stem waardoor het woord van de profeten nog meer gezag kreeg. Zoals dat van de profeet Elia die hen op de heilige berg verscheen, of dat van de profeet Daniel die ons in de eerste lezing van zojuist het visioen schilderde van de Menszoon die voor de troon van de hoogbejaarde werd geleid en aan wie “heerschappij gegeven werd, luister en koninklijke macht, wiens heerschappij een eeuwige heerschappij is die nooit vergaat, wiens koninkrijk nooit te gronde gaat”, het visioen waarheen Jezus later zelf verwijst als Hij voor de hogepriester en het sanhedrin terecht staat en het gaat over de vraag of Hij de Christus, de Zoon van God (Mt.26,63-64).

Petrus, Jacobus en Johannes: zij stonden erbij en keken ernaar; ze mochten er getuige van zijn, van Jezus verheerlijking op de berg Thabor, maar ook van zijn doodangst in der hof van Olijven. Hoogtepunten en dieptepunten, maar nog vaker momenten die er tussen in liggen, het gewone leven van alledag waarin het waargemaakt moet worden, onze verbondenheid met Jezus die ons zowel voor hoogmoed als voor wanhoop bewaart.

Petrus, Jacobus en Johannes; ze waren erbij en mochten het meemaken. Uiteindelijk zijn ze Jezus ook gevolgd in zijn lijden en sterven en mogen ze nu ook delen in zijn verheerlijking. Jacobus en Johannes zijn inmiddels weer thuis en krijgen weer een plekje in onze basiliek. Alleen Petrus ontbreekt. Of er überhaupt ooit een beeld van Petrus is geweest dat het drietal completeert? Wie zal het zeggen.  In ieder geval is het een uitnodiging ons af te vragen waar we zelf in dit verhaal staan, in de wonderbare gebeurtenis die wij vandaag gedenken. Kan en mag deze gebeurtenis ons helpen ook ons eigen lijden en kruis met dat van Jezus te verenigen?

Pastoor Jos l'Ortye