woensdag 25 mei 2022

De godsvrucht van de vrouwen jegens het lichaam van Christus


De godsvrucht van de vrouwen jegens het lichaam van Christus

“Zijn bekenden echter, ook de vrouwen die hem gevolgd waren, stonden op een afstand”. Terwijl de bekenden van Jezus zich nu na het afleggen van zijn dode lichaam voegden bij hen, die naar huis terugkeerden, verlangden alleen de vrouwen, die Hem vuriger beminden, de stoet op de voet te volgen om te zien op welke manier Hij zou worden neergelegd, opdat zij Hem op de geschikte tijd de gave van hun godsvrucht konden aanbieden. Maar tot op heden doen heilige vrouwen hetzelfde, wanneer zij, nederig van geest, en hoe dieper bewust van hun grote vergankelijkheid, des te meer brandend van liefde voor de Verlosser, naarstig de sporen  volgen van zijn lijden in deze tijd, waarin de toekomstige rust immers moet worden voorbereid, en als zij in staat zijn Zijn voetsporen te volgen, met een vlijtige weetgierigheid nauwkeurig afwegen hoe dezelfde passie voltooid is.
“En teruggekeerd maakten ze welriekende kruiden en balsems klaar, maar op de Sabbat namen zij volgens de wet de rust in acht.” Het was wet dat de Sabbatrust van de avond van de voorbereidingsdag tot de volgende avond in acht werd genomen, en daarom waren de vrome vrouwen na de begrafenis van de Heer, zolang het geoorloofd was te werken, namelijk tot aan de ondergang van de zon, bezig met het bereiden van de balsems. Niet alleen op de voorbereidingsdag, maar ook toen de Sabbat voorbij was, namelijk bij de opkomst van de zon zodra  het weer was toegestaan om te werken, kochten zij welriekende kruiden om ’s morgens vroeg Zijn lichaam te balsemen, zoals de evangelist Marcus getuigt. Want niet op de avond van de Sabbat wilden zij - gij weet immers hoe de wet  hun dat belette – het monument binnengaan. Na de graflegging van de Heer evenwel in ogenschouw te hebben genomen, maken zij, terugkerend, welriekende kruiden en balsems gereed, die, bijeen gebracht en waarvan wij gehoord hebben en die herinneren aan het lijden van de Heer, spoedig overgaan in werken van deugd, die bedreven moeten worden om Christus daardoor te behagen en nadat de welriekende kruiden voor de komende Sabbat gereed gemaakt zijn zwijgen zij om met hun geschenken na de Sabbat bij de Heer te komen, wanneer zij, nadat de voorbereidingstijd van dit leven is afgelopen, vol vreugde naar de gelukzalige rust uitzien, wanneer zij, als de tijd van de verrijzenis verschijnt, als het ware   met welriekende kruiden, geurend van de geestelijke werken, Christus tegemoet snellen.
“Op de eerste dag na de Sabbat echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaargemaakt hadden”. Op de eerste Sabbat van de [grote] Sabbat[week], dit is de eerste dag vanaf de Sabbat gerekend, welke naar christelijk gebruik dag des Heren is wegens de verrijzenis van de Heer. Het feit evenwel dat de vrouwen zeer vroeg naar het graf kwamen, toont volgens het verhaal de grote liefdesijver om de Heer te zoeken en te vinden; volgens de rede echter wordt ons een geheimenisvol voorbeeld gegeven hoe wij, met verlichte geest en na de duisternis van de ondeugd te hebben doorlopen, het heilig lichaam van de Heer moeten naderen. Want ook dat eerbiedwaardige graf had de aard van een altaar, waar de mysteries van zijn Vlees en Bloed, niet op zijde, niet op een gekleurd altaarkleed, maar gelijk de lijkwade waarin Joseph Hem wikkelde, op zuiver linnen geconsacreerd moet worden. Laten wij, zoals Hijzelf het ware wezen van de aardse en sterfelijke natuur voor ons aan de dood heeft opgeofferd, zo ook, dat huiveringwekkend en eerbiedwaardige sacrament indachtig, zuiver linnen, opgeschoten uit de aarde en op vele manieren bewerkt, bij wijze van verstervingen voor het altaar leggen. De kruiden echter, welke de vrouwen aanbrachten, duiden op de zoetheid, de geur van deugden waarmee wij tot het altaar moeten naderen.
Vandaar dat Joannes in zijn Apocalyps, waar hij de gouden schalen vol reukwerken in de hand van de engelen beschrijft, namelijk de reinen van hart, er aan toevoegt: “Welke de gebeden van de heiligen zijn”.


Uit een homilie van de H. Beda de Eerbiedwaardige, priester (PL 92, 622-623)