zaterdag 21 augustus 2021

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXI per annum 21e zondag door het jaar Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn

I n l e i d i n g
De H. Eucharistie heeft een centrale plaats in het leven van de christen. Uit de liturgie van de Kerk en vooral uit de H. Eucharistie stroomt ons als uit een levende bron genade toe  en worden op de meest krachtdadige wijze de heiliging van de mensen en de verheerlijking van God in Christus verwerkelijkt (cf Constitutie over de H. Liturgie, 10). In de H. Eucharistie schenkt God ons het ware manna, waarop de mensheid wacht, het ‘Brood uit de hemel’ dat ons ten diepste leven geeft.
Het is daarom niet verwonderlijk dat het eucharistische Brood in de eucharistische gebeden als remedie, als heelmiddel voor het innerlijk leven van de mens wordt beschouwd.
Elke biddende persoon weet dat zijn hart in veel opzichten gewond is. Hij weet hoe ver hij nog van de volkomen genezing verwijderd is en bidt daarom de barmhartige God, hem als de barmhartige Samaritaan door middel van de heilige Eucharistie de volle genezing te schenken.
De wonden waarvan de oratie spreekt zijn vooral de zonden die onze ziel verhinderen vrij op te stijgen tot het onverstoorbare licht van God, waardoor wij God niet optimaal kunnen behagen. Ons hart, misvormd door de zonden, kunnen we niet zelf hervormen. Van de H. Communie verhopen wij daarom genezing, herstel van onze innige betrekking met God en zijn duurzame hulp, zodat wij Hem welgevallig kunnen zijn als “candor lucis æternæ”,  als een afstraling van het eeuwige licht, zoals zijn geliefde Zoon dat is.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
ut tibi in omnibus placere valeamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, laat ons in uw barmhartigheid uw heilzame kracht ten volle ervaren.
omring ons met uw zorg om zó te leven
dat wij U in alles welgevallig kunnen zijn.

Werkvertaling
Werk, vragen wij [U], Heer, het heilmiddel van uw erbarming ten volle in ons uit,
en verwezenlijk  in uw goedheid dat wij zó leven en zó worden gekoesterd,
dat wij U in alles kunnen behagen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 773, eerste helft achtste eeuw en daarnaast in de Codices Avignon, Bibl. Mun. 136, f. 259  en Roma, Vatic. Ottob. Lat. 356: Missaal van de Romeinse Curie,  259, 14e eeuw, onder de rubriek: Orationes de episcopis ordinandis post communionem, met minimale tekstvarianten. Ook in de Codex Metz, Biblioth. Munic., 334 (11e eeuw), f. 185. In MR 1962, 822 vinden we de tekst als postcommunio van het misformulier: In consecratione episcopi, Bij de wijding van een bisschop. 
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VI, O-P, Brepols, Turnhout 1996, p. 257, nr. 4279).

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Ignatius van Antiochië, bisschop en martelaar,+ 107:
“…terwijl gij één brood breekt, dat het geneesmiddel tot onsterfelijkheid is, een tegengif waardoor wij niet sterven, maar in Jezus Christus leven voor eeuwig”.
Brief aan de Efesiërs. 20,2
Ambrosius, bisschop van Milaan en kerkvader (339-397):
“Zo dikwijls als wij dit sacrament ontvangen, verkondigen wij de Dood des Heren. Als wij zijn Dood verkondigen, dan ook de vergiffenis der zonden. Als zijn Bloed,  telkens wanneer het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden vergoten wordt, moet ik het ook steeds weer ontvangen, opdat het mij steeds weer mijn zonde vergeve. Omdat ik steeds weer zondig, moet ik steeds weer een geneesmiddel hebben.”
De Sacramentis, IV
“Wie een wonde heeft zoekt een geneesmiddel. De wonde is, dat wij aan de zonde zijn onderworpen, het geneesmiddel is het hemels en eerbiedwaardig sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus”.
De Sacramentis, V

Augustinus, bisschop van Hippo en kerkvader (354-430):
 “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en ik in Hem” ( Jo 6,57) […]
Gij kunt dus slechts dan goed leven, als Hij u helpt, als Hij het u geeft, als Hij het u schenkt. Daarom: bidt en eet. Bidt, dan zult gij bevrijd worden van deze moeilijkheden. Hij zal u immers verzadigen (en u helpen) zowel bij het goed doen, als bij het goed leven”.
Uit:  Sermo Mai 129.Over Johannes 6, 51-58.

Johannes Chrysostomus, bisschop van Antiochië en Constantinopel, kerkvader (344-407):
“Geen brood is zo noodzakelijk, als hetgeen ons hier wordt geboden. […] Wat u aan deze dis wordt voorgezet is een heilzame artsenij voor de wonden der ziel; het is een onuitputtelijke schat, de sleutel van het rijk der hemelen”.
Uit: Homilia in Nativitate Christi, Kerstdag 386 te Antiochië.

T e x t u e l e  a n a l y s e
1a. Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
1b. ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
2. ut tibi in omnibus placere valeamus.

Deze klankrijke oratie leent zich met name door de welluidende slotlettergrepen op – are, (r. 1a), op – eri (r. 1b) en op – amus (r. 2) uitstekend om in de eigen zang van de Kerk, het gregoriaans, te worden gezongen. En dat ligt voor de hand daar het de postcommuniotekst van het misformulier voor de bisschopswijding betreft, dat bestemd is voor een grote plechtigheid waar de gehele gelovige gemeenschap bijeenkomt en in volle waardigheid viert.

De oratie bestaat uit één doorlopende zin, op te splitsen in een hoofdzin, die weer uiteenvalt in twee nevengeschikte halfzinnen verbonden door de coniunctie ac (= en, maar ook, en ook), waarin een tweeledige bede is vervat in de imperativusvormen operare en perfice. De hoofdzin wordt gevolgd door een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut, waarmee het verhoopte effect van de bede, c.q. van het ontvangen van de H. Communie, wordt uitgedrukt.

Ad 1a 
Operare, bewerk/werk uit - prædicaat in de imperativusvorm van het deponens operari, operatus sum, - bezig zijn met, arbeiden, werken, beschouwen.
Domine, [o] Heer, - aanspreektitel in de vocativusvorm van Dominus.
Quæsumus, vragen/bidden wij – tussenzin van op zichzelf staand prædicaat. De functie van quæsumus is reeds dikwijls besproken.
Plenum remedium tuæ miserationis, het volle heilmiddel (letterlijk) van uw erbarmen – object bij het prædicaat in de accusativusvorm van de congruerende begrippen plenum en remedium gevolgd door de bijvoeglijke bepaling tuæ miserationis in de genitivusvorm: genitivus explicativus / qualitatis.
In nobis, in ons – bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm van nos, bepaald door de præpositie in (+ abl.): ablativus loci.
Ad 1b
Perfice, verwezenlijk – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum perficere, perfeci, perfectum, 3, een werkwoord  met veel betekenissen(zie vocabularium).
Tales nos esse en et sic foveri ; dat wij zo(danig) zijn/leven en zo worden gekoesterd: twee a.c.i.-constructies waarbij ook de accusativusvorm nos bij de infinitivus passivi foveri getrokken kan worden.
Propitius, welwillend, in uw goedheid, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat perfice.
Ad 2
Valeamus placere, [op-/zodat] wij kunnen behagen – prædicaat in de coniunctivusvorm vanwege het voegwoord ut en derhale het consecutieve of finale karakter. Het hulpwerkwoord valeamus wordt gevolgd door de infinitief placere.
Valere, valui (valiturus), 2, heeft betekenissen als: 1. krachtig, sterk, gezond zijn; hiervan afgeleid vale, valete! Gegroet, vaarwel! Vale herinnert u zich uit de Maria-antifoon Ave, Regina cælorum: “vale, o valde decora, et pro nobis Christum exora”, gegroet, o wonderschone, en bid Christus voor ons.  2. macht, invloed hebben 3. gelden, waard zijn 4. vermogen, kunnen.  
Tibi, [aan] U, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel).
Bij het verbum placere, iemand behagen / behagen aan, staat het object gewoonlijk in de dativusvorm.
In omnibus, in alles, - bijwoordelijke bepaling, gevormd door het præpositum in dat de  ablativusvorm regeert: ablativus respectus / limitationis.
S t i j l f i g u r e n
Hyberbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende begrippen): plenum […] remedium (r. 1a)
Klank- en eindrijm in plenum en remedium (regel 1a).
Klank- en eindrijm in quæsumus (r. 1a), propitius (r. 1b), omnibus en valeamus (r. 2).
Antithese van nobis en tuæ (r. 1a).
Alliteratie van perfice  en propitius (r. 1b).
A.c.i. (accusativus cum infinitivo)-constructie ac tales nos esse et sic foveri (r. 2)

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Remedium, -I, (onz.)
Een aantal begrippen uit de tekst van de Postcommunio van deze zondag werd reeds besproken. Daarom kijken we deze keer naar het begrip remedium.
In het Nederlands heeft ‘remedie’ de volgende betekenissen: 1) artsenijmiddel 2) geneesmethode 3) geneesmiddel 4) geneesproces 5) geneeswijze 6) herstelmiddel 7) hulpmiddel 8) kuur 9) medicament 10) medicijn 11) middel 12) middel tot herstel 13) oplossing.
Basaal heeft het begrip dus een medische betekenis, vooral met de connotaties “tegengif”of “van voorbehoedende, preventieve aard” en kreeg vervolgens een algemene betekenis als middel dat bedoeld is om iets dat ongewenst is te verbeteren of te voorkomen.’

De woorden remedium, medicina, medela en medicatio komen herhaaldelijk terug in de teksten van de postcommunio, prefatie en soms in het gebed over de gaven en drukken een van de vele (te) ontvangen genadegaven in de H. Communie uit alsook hun effect of uitwerking in het leven van de ontvanger. De vertaling van het begrip zoals bedoeld in de oraties laat zich dus het best afleiden uit de context.
Dat het medische concept prevaleert geldt zeker voor de volgende tekstfragmenten:
“sanctifiationis tuis […] remedia nobis æterna proveniant”, mogen uw heiligende gaven…voor ons hulpmiddelen zijn ter eeuwige zaligheid (Postcomm. Sacramentarium Leonianum, 44,10 en 17e zondag na Pinksteren, MR 1962): definitieve genezing van onze ondeugden in het eeuwig leven;
“de munere temporalis fiat nobis remedium sempiternum”, […] van een gave in de tijd worde het ons een geneesmiddel voor de eeuwigheid (Postcomm. donderdag na Passiezondag, MR 1962);
“Sumpto […] unico ac salutari remedio, Corpore en Sanguine tuo pretioso”, nu wij het enig en zaligmakend heilmiddel, uw kostbaar Lichaam en Bloed, hebben genuttigd (postcommunio 22 juli, H.Maria Magdalena, MR 1962).

In het eerste collectegebed van Quatertemperwoensdag  in september (MR 1962) wordt de barmhartigheid van God als heilmiddel beschouwd: “Misericordæ tuæ remediis […] fragilitas nostra subsistat”, moge onze zwakke natuur standhouden door de heilmiddelen van uw barmhartigheid.

In de secreta van het misformulier Voor de overledenen (MR 1962) wordt genezende kracht toegeschreven aan het H. Misoffer: “Munera […] quæ tibi pro anima famuli tui N. offerimus, placatus intende; ut remediis purgata cælestibus, in tua pietate requiescat”, zie genadig neer op de gaven die wij U voor de ziel van uw dienaar N. aanbieden, opdat zij [de ziel], gezuiverd door hemelse heelmiddelen, in uw liefde moge rusten.
In de postcommunio van het misformulier Ten tijde van oorlog (MR 1962) heeft ‘remedium’ een morele strekking: “ut tranquillitate pacis tua potestate servata, ad remedia correctionis utamur”, opdat wij de rust van de vrede, die door uw macht wordt bewaard, als een geneesmiddel tot verbetering gebruiken.
De volgende uitdrukkingen komen als uitwerking van de H. Eucharistie/H. Communie frequent in de oraties voor:
“remedium sempiternum”, geneesmiddel voor de eeuwigheid (zie boven);
“remedia æterna”, geneesmiddelen voor de eeuwigheid (postcomm. quatertemperzaterdag Vasten MR 1962);
“remedium […] perpetuæ (æternæ) salutis”, heilmiddel ter eeuwige zaligheid (secreta 11 sept. MR 1962).

De H. Eucharistie is  - zoals we onlangs zagen in de Inleiding van de Postcommunio van de 19e zondag door het jaar – door de H. Ignatius van Antiochië beschreven als φάρμακον άθανασίας / phármakon athanasfas, een heilmiddel voor onsterfelijkheid, een wijd verspreide medisch-technische term voor een zalving als panacee tegen ziektes, die iemand dus onsterfelijk maakte. Tegenover deze heidense theorie stelde Ignatius dat er slechts één enkel Brood is als heilmiddel voor onsterfelijkheid, namelijk het Brood waaronder het verheerlijkte en onsterfelijke Lichaam van Christus schuil gaat. De H. Eucharistie is het heilmiddel bij uitstek dat de onsterfelijkheid herstelt die verloren ging door de zonde. Ofschoon adjectieven als “æternum” en “sempiternum” lijken aan te tonen dat “remedium” onsterfelijkheid betekent in eschatologische zin, is dit ook reeds een realiteit in het aardse leven.  Uitdrukkingen als “temporalis vitæ nobis remedia præbeant, et æternæ”, dat zij [de HH. Sacramenten] ons geneesmiddelen schenken voor het tijdelijke en eeuwige leven (postcomm. 28 jan., H. Agnes, MR 1962);
“præsens […] remedium […] et futurum” , een heilmiddel voor het heden en voor de toekomst  (postcomm. quatertemperzaterdag Advent, MR 1962) tonen dit duidelijk aan.
MR 1970 geeft hetzelfde perspectief  in de postcommunio van het misformulier voor de 7e dag onder het Octaaf van Kerstmis: “præsentia pietatis tuæ remedia capiat et futura” , laat het de steun van uw liefde in het heden en in de toekomst verwerven.
Ook in het collectegebed van woensdag in de 3e week van de Advent (MR 1970): “ventura sollemnitas […] et præsentis nobis vitæ remedia largiatur, et præmia æterna” worden de heilzame gaven voor dit leven hier en nu én het eeuwig geluk in het leven hierna als effecten gevraagd van het komende hoogfeest van Kerstmis.

Dus ook de tekstfragmenten “cælestis remedii plenitudine gloriemur” , dat wij ons over de volle uitwerking  van dit hemels geneesmiddel kunnen verheugen (postcomm. 11e zondag na Pinksteren, MR 1962) en “cælestis remedii faciat esse consortes”, en ons deelachtig maken aan dit hemels heilmiddel (postcomm. maandag na de 2e zondag van de Vasten, MR 1962) wijzen naar de H. Eucharistie als genezende en herstellende kracht voor onze bovennatuurlijke vitaliteit die essentiëel is voor ons leven hier en nu alsmede voor het toekomstige.
(Cf. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, lemma remedium, p. 186-187 en A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas o.s.b. , Brepols Turnhout 1966,  lemma remède, § 253, p. 399-400).
Perficere, perfeci, perfectum, 3.
heeft de volgende betekenissen: 1. ten einde brengen, voltooien, afmaken, afweken 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden 4. Tot een goed einde brengen, doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen.
T o e l i c h t i n g
Talrijke auteurs en ook heiligen hebben over de barmhartigheid van God geschreven. In de herinnering van velen is wellicht ook de encycliek van Johannes-Paulus II, “Dives in misericordia”( Ef 2,4), 30 november 1980, God, die rijk is aan erbarming, bewaard, met heldere en mooie beschouwingen. Paus Johannes-Paulus II stierf  op 2 april 2005, laat in de avond, vooravond van de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Voor het Regina cæli ‘s anderendaags had hij een toespraak voorbereid die later postuum op die zondag, 3 april, werd voorgelezen. Uit zijn laatste woorden het volgende citaat: “Aan de mensheid die soms verdwaald lijkt en overheerst schijnt te worden door de macht van het kwaad, het egoïsme en de angst, schenkt de verrezen Heer zijn liefde, die vergeeft, verzoent en het hart opent voor de hoop. Het is een liefde die de harten bekeert en vrede schenkt. Wat heeft de wereld het nodig deze Goddelijke Barmhartigheid te verstaan en te ontvangen!”

Gods grootheid is niet te doorgronden. Krachtens zijn goddelijke kracht is Hij de zwakke mens te hulp gekomen. Uit onze eigen sterfelijkheid heeft Hij het geneesmiddel (remedium) ten leven genomen en aan hen die verloren waren, heeft Hij langs de weg van hun ondergang behoud en redding gebracht door Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon (cf Prefatie III zondagen door het jaar). Aan armen verkondigde Hij de blijde boodschap en genas rouwmoedigen (cf Is 61,1; Luc 4,18) als Geneesheer voor lichaam en ziel (cf H. Ignatius van Antiochië. Ad Ephes 7,2) en Middelaar tussen God en de mensen (cf 1 Tim 2,5).
Het Exsultet (Paasjubelzang) van de Vigilieviering van Pasen drukt dit opus misericordiæ als volgt uit: In het verre verleden heeft God zijn volk gered en heeft zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, de schuld van Adam aan de Vader betaald door met het bloed van zijn hart de schuldbrief van de oude zonde uit te wissen.

In hymnen en psalmen heeft het Joodse volk de herinnering aan de menslievendheid van Jahweh vastgehouden en als ‘barmhartigheid’ gedefinieerd. Psalm 135 (136) met de openingsregel "Confitemini Domino, quoniam bonus, quoniam in æternum misericordia eius”, Looft de Heer, want Hij is goed, zijn barmhartigheid reikt tot in eeuwigheid, is daar een indrukwekkend voorbeeld van. Vers na vers worden telkens in het eerste halfvers de weldaden van Jahweh in chronologische volgorde verhaald met steeds opnieuw het refrein “quoniam in æternum misericordia eius”. En als Maria bij haar bezoek aan Elizabeth in het Magnificat de woorden uitspreekt ”et misericordia eius in progenies et progenies”, barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht, openen deze woorden een nieuw perspectief in de geschiedenis van ons heil. Het is het perspectief van het paasmysterie van Christus, allereerst, en vervolgens van allen die verzegeld zijn met het teken van het Kruis en de Verrijzenis. In het Paasmysterie toont, beter nog, is  Christus zelf de volmaakte openbaring van die barmhartigheid die Maria op de drempel van het huis van haar bloedverwante verkondigde: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht”. Maria is, volgens de titel die de Litanie van Loreto haar geeft, de “Mater misericordiæ”, de Moeder van barmhartigheid: niet alleen heeft zij op buitengwone wijze Gods barmhartigheid ondervonden, ‘verdiend’ tijdens haar aardse leven en special onder het Kruis, maar ook bestemd om de liefde die haar Zoon is komen brengen aan de mensen aan te bieden. Het is de liefde die sterker is dan de dood en machtiger dan de zonde en alle kwaad, kortom de liefde die de mens opheft uit de diepste val en hem tegelijk uit de grootste gevaren bevrijdt.

De Kerk is geboren uit het paasmysterie. Daarom vormt de H. Eucharistie, die op buitengewone wijze het sacrament van het paasmysterie is, de kern van het leven van de Kerk.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie beleven wij nog steeds de oorspronkelijke typering van de Kerk in de Handelingen van de apostelen: “Zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed” (Hand 2, 42). Met het breken van het brood wordt de H. Eucharistie aangeduid.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie richten wij onze ogen van het geloof  op het Paastriduum, op de gebeurtenissen vanaf Witte Donderdag met het laatste Avondmaal tot Paasmorgen.  Zijn Lichaam, dat Christus in het gebroken brood in een uiterste zelfgave als offer gaf bij het Laatste Avondmaal is voor ons ‘remedium miserationis eius’ geworden. Zijn Bloed dat Hij aan de Kerk had geschonken als drank van heil in het Sacrament van de H. Eucharistie –het Sacramentum caritatis (Apostolische Adhortatie 22.2. 2007, paus Benedictus XVI - werd op Golgotha vergoten als een genademiddel tot ons heil. 
De Kerk leeft als zij de barmhartigheid van God belijdt en verkondigt – die hoogst wonderbaarlijke eigenschap van de Schepper en Verlosser en titel waarop de oraties in de liturgie van de Kerk steunen -  en ook als zij de mensen leidt naar de bronnen van de barmhartigheid van de Verlosser, die zij in haar schoot bewaart en uitdeelt.

Wij wensen U een steeds bewuster en groeiend inzicht in de grootheid van de gave van H. Eucharistie toe, hiertoe opgeroepen door een ononderbroken traditie, die getuigt van een grote zorg voor deze ‘schat’, inclusief voor het integraal doorgeven van het geloof en de leer aangaande het mysterie van de Eucharistie, want “in dit sacrament wordt het gehele mysterie van ons heil samengevat” (H. Thomas van Aquino, Summa Theologiæ, III, qu. 83, a. 4c):
“Apud Dominum misericordia, et copiosa apud eum redemptio”.
Bij de Heer is erbarming en overvloedige verlossing. (Antifoon 2, IIe Vespers Kerstmis).