Posts tonen met het label hebdomada XXI per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXI per annum. Alle posts tonen

woensdag 25 augustus 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXI per annum feria IV.Qui sitit, veniat ad me et bibat. Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke.


  Lectio altera

Ex Instructiónibus sancti Columbáni abbátis
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 1-2: Opera, Dublin 1957, 116-118)
Qui sitit, veniat ad me et bibat
Fratres caríssimi, dictis nostris aures præbéte, quasi áliquid necessárium auditúri; et ánimi vestri sitim divíni fontis undis, de quo nunc dícere cúpimus, refocilláte, sed non exstínguite; bíbite, sed non satiámini, iam enim vocat nos ad se fons vivus, fons vitæ, et dicit: Qui sitit, véniat ad me et bibat.
Quid bibátis, intellégite. Dicat vobis Ieremías, dicat vobis fons ipse: Me autem dereliquérunt, fontem aquæ vivæ, dicit Dóminus. Dóminus ergo ipse, Deus noster Iesus Christus, est fons vitæ, et ídeo invítat nos ad se fontem, ut illum bibámus. Bibit eum qui amat; bibit qui Dei verbo satiátur; qui satis díligit, satis desíderat; bibit qui sapiéntiæ amóre flagrat.
Vidéte unde iste fons manat: inde enim unde et panis descéndit; quia idem est qui panis et fons, Fílius únicus, Deus noster Christus Dóminus, quem semper esuríre debémus. Licet eum edámus amándo, devorémus licet desiderándo, adhuc eum quasi esuriéntes desiderémus. Símili modo ut fontem, eum semper dilectiónis nimietáte bibámus; eum semper desidérii plenitúdine bibámus et suavitáte quadam eius dulcédinis delectémur.
Dulcis enim et suávis Dóminus; licet eum edámus et bibámus, tamen semper esuriámus et sitiámus, quia cibus noster et potus, non totus umquam sumi potest et bibi; qui licet súmitur, non consúmitur, licet bíbitur, non adímitur, quia panis noster ætérnus est et fons noster perénnis est, fons noster dulcis est. Unde dicit Prophéta: Qui sitítis, ite ad fontem; sitiéntium enim, non saturántium iste fons; et ídeo esuriéntes, quos álibi beatificávit, ad se vocat, quibus numquam bíbere satis sit, sed quanto plus háuserint, tanto plus sítient.
Mérito, fratres, fons sapiéntiæ Verbum Dei in excélsis a nobis desiderándus, quæréndus, semper amándus sit, in quo sunt, iuxta Apóstoli dictum, omnes thesáuri sapiéntiæ et sciéntiæ abscónditi, quos hauríre vocat qui sítiunt.
Si sitis, bibe fontem vitæ; si ésuris, ede panem vitæ. Beáti qui esúriunt hunc panem et sítiunt hunc fontem; semper enim edéntes et bibéntes adhuc édere et bíbere desíderant. Dulce enim nimis est, quod semper éditur et bíbitur, et semper esurítur et sitítur, semper gustátur et semper desiderátur; unde rex prophéta dicit: Gustáte et vidéte, quam dulcis est, quam suávis est Dóminus.

Tweede lezing
Uit de instructies van de H. Columbanus, abt
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 1-2: Opera, Dublin 1957, 116-118)
Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke
Zeer geliefde broeders, luistert naar wat ik u ga zeggen als naar wat noodzakelijk is voor de toehoorders. Verkwik uw dorst aan de stromen van de goddelijke bron, van waaruit wij nu verlangen te spreken maar gij zult er niet geheel door gelest worden. Drinkt, maar gij zult niet geheel voldaan worden, want tenslotte roept ons de levende bron, de bron zelf van het leven die zegt: Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke.
Begrijpt nu goed wat ge moet drinken. Laat Jeremia tot u zeggen, laat de bron zelf tot u zeggen: Maar Mij hebben zij verlaten de bron van levend water, zegt de Heer. De Heer zelf, onze God Jezus Christus is de bron van het leven en nodigt ons dus uit tot Hem, de bron, te komen in Hem te drinken. Hem nu drinkt degene die bemint, die door het woord Gods verzadigd wordt, die voldoende bemint en voldoende verlangt, die brandt van liefde tot de wijsheid.
Ziet waar die bron ontspringt: daar namelijk, waar ook het brood neerdaalt. Want dezelfde is het, die het brood is en de bron, de enige Zoon onze God, Christus de Heer, naar wie wij steeds moeten hongeren. En al eten wij Hem ook door te beminnen en al nemen wij Hem gretig op door naar Hem te verlangen, toch moeten wij als hongerigen naar Hem blijven verlangen. Op gelijke wijze moeten wij hem als de bron altijd in overvloed van liefde blijven drinken, Hem in de volheid van verlangen altijd drinken en Hem door zijn behagelijke heerlijkheid genieten.
Heerlijk en aangenaam toch is de Heer en ofschoon wij Hem eten en drinken, moeten wij toch naar Hem blijven hongeren en dorsten, omdat Hij onze spijs en drank is, en nooit geheel gegeten en gedronken kan worden. Die, hoewel Hij genuttigd wordt, niet wordt verteerd, en hoewel Hij gedronken wordt niet verdwijnt,  omdat ons brood eeuwig is en onze bron blijvend is en ook heerlijk. Vandaar zegt de Profeet: Gij die dorst hebt, gaat naar de bron. Want Hij is een bron voor die dorst hebben, niet voor die verzadigd zijn. Zo roept Hij degenen die dorst hebben en die Hij op een andere plaats zalig noemt, tot zich. Dezen blijven dorsten en hoe meer zij drinken hoe meer zij dorst krijgen.

Moge, mijn broeders, daarom terecht de bron der wijsheid, het Woord Gods in den hoge door ons verlangd, gezocht en altijd bemind zijn, in wie naar het woord van de Apostel alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen zijn. Hen, die dorsten, nodigt Hij uit die schatten te komen putten.
Als gij dorst hebt, drinkt dan uit die bron des levens, als gij honger hebt eet dan het brood des levens. Zalig zij, die hongeren naar dit brood en dorsten naar deze bron. Want hoewel zij steeds eten en drinken, verlangen zij steeds nog meer te eten en te drinken. Heel fijn toch is het wat men altijd eet en drinkt en waarnaar men altijd blijft hongeren en dorsten, waarvan men altijd geniet en waarnaar men altijd verlangt. Vandaar dat de koninklijke profeet zegt: Smaakt en beseft, hoe fijn, hoe aangenaam de Heer is.

maandag 23 augustus 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXI per annum feria II Reliquiæ Israel pascentur et accubabunt. De rest van Israël zal worden geweid en gevoed.



Lectio altera

Ex Expositióne sancti Thomæ de Aquíno presbýteri in Ioánnem
(Cap. 10, lect. 3)
Ego sum pastor bonus. Quod autem Christus sit pastor, maniféste ei cómpetit: nam sicut per pastórem grex gubernátur et páscitur, ita fidéles per Christum spiritáli cibo et étiam córpore et sánguine suo reficiúntur. Erátis aliquándo, dicit Apóstolus, sicut oves non habéntes pastórem; sed convérsi estis nunc ad pastórem et epíscopum animárum vestrárum. Et Prophéta: Sicut pastor gregem suum pascet.
Sed cum Christus díxerit pastórem intráre per óstium et íterum se esse óstium, hic autem dicat se esse pastórem, opórtet quod ipse per semetípsum intret. Et quidem per seípsum intrat, quia seípsum maniféstat, et per seípsum novit Patrem. Nos autem per illum intrámus, quia per ipsum beatificámur.
Sed atténde quod nullus álius est óstium nisi ipse, quia nullus álius est lux vera, sed per participatiónem: Non erat ille lux, scílicet Ioánnes Baptísta, sed ut testimónium perhibéret de lúmine. Sed de Christo dícitur: Erat lux vera quæ illúminat omnem hóminem. Et ídeo esse óstium nemo se dicit: hoc sibi ipse Christus próprie retínuit; esse autem pastórem áliis communicávit et membris suis dedit: nam et Petrus pastor et céteri Apóstoli pastóres fuérunt et omnes boni epíscopi. Dabo vobis, dicit Scriptúra, pastóres secúndum cor meum. Licet autem præpósiti Ecclésiæ, qui fílii sunt, omnes pastóres sint, ídeo tamen singuláriter dicit: Ego sum pastor bonus, ut insínuet virtútem caritátis. Nullus enim est pastor bonus, nisi per caritátem efficiátur unum cum Christo et fiat membrum veri pastóris.
Offícium boni pastóris est cáritas; unde dicit: Bonus pastor ánimam suam dat pro óvibus suis. Sciéndum est enim quod differéntia est inter bonum pastórem et malum: nam bonus pastor inténdit cómmodum gregis; malus autem cómmodum próprium.
In corporálibus autem pastóribus non exígitur a bono pastóre ut expónat se morti propter salútem gregis. Sed quia spiritális gregis salus præpónderat corporáli vitæ pastóris, ídeo cum perículum ímminet de gregis salúte, debet quisque spiritális pastor corporális vitæ sustinére dispéndium pro gregis salúte. Et hoc est quod Dóminus dicit: Bonus pastor ánimam suam, idest vitam corporálem, ponit pro óvibus suis, idest auctoritáte et caritáte. Utrúmque enim exígitur, et quod ad eum pertíneant, et quod eas amet: nam primum sine secúndo non súfficit.
Huius autem doctrínæ Christus nobis exémplum præbuit: Si Christus pósuit ánimam suam pro nobis, et nos debémus pro frátribus ánimas pónere.

Tweede lezing
Uit de Commentaar op Johannes, door de H. Thomas van Aquino
(Cap. 10, lect. 3)

De rest van Israël zal worden geweid en gevoed

Ik ben de goede Herder. Dat Christus een Herder is, dat is duidelijk op Hem van toepassing, want zoals door een herder de kudde wordt geleid en geweid; zo worden de gelovigen door Christus met een geestelijk voedsel en zelfs met zijn eigen vlees en bloed verkwikt. Eens, zegt de Apostel, waart gij als schapen zonder herder, maar nu zijt gij bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen. En de Profeet zegt: Als een herder zal Hij zijn kudde weiden.
Maar als Christus zegt, dat de herder door de deur binnenkomt en ook, dat Hijzelf de deur is, en hier zegt, dat Hij ook de herder is, moet Hij wel door Zichzelf binnengaan. En dat doet Hij ook, omdat Hij Zichzelf openbaart en door Zichzelf de Vader kent. Wij echter gaan door Hem binnen, omdat wij door Hem zalig worden.

Bemerk hier evenwel, dat niemand anders de deur is dan Hij, omdat niemand anders het ware licht is, maar slechts licht door deelname. Hij namelijk Johannes de Doper, was niet dat licht, maar on getuigenis te geven van het licht. Over Christus echter wordt gezegd: Hij was het ware licht, dat iedere mens verlicht. En laat dus niemand van zichzelf zeggen dat hij de deur is. Dat heeft Christus Zichzelf voorbehouden. Maar wel heeft Hij zijn herder zijn aan anderen meegedeeld en aan zijn ledematen gegeven, want ook Petrus was herder en ook de andere apostelen waren het en ook alle goede bisschoppen. Ik zal u, zegt de Schrift, herders geven naar mijn hart. Hoewel nu van de Kerk als bestuurders, die haar zonen zijn, ook allen herders zijn, toch zegt Hij in het enkelvoud:  Ik ben de goede herder, om daardoor de kracht van de liefde te doen uitkomen. Want niemand is een goede herder als hij niet door de liefde één wordt met Christus en lidmaat van de ware Herder.

De bediening van de goede herder is de liefde. Van daar zegt Christus: De goeder herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Want men moet weten dat er een verschil bestaat tussen een goede en een slechte herder; de goede herder zoekt het welzijn van de kudde, maar de slechte zijn eigen welzijn.
Bij herders op het lichamelijke vlak wordt niet geëist dat een goede herder zijn leven in gevaar brengt voor het heil van zijn kudde. Maar omdat het heil van de geestelijke kudde uitgaat boven het lichamelijk leven van de herder, zo moet, wanneer er gevaar dreigt voor het heil van zijn kudde iedere geestelijke herder zijn lichamelijk leven achterstellen bij het heil van zijn kudde. Dat bedoelt de Heer, als Hij zegt: De goede herder geeft zijn leven, d.i. zijn lichamelijk leven, voor zijn schapen, namelijk door zijn verdediging en zijn liefde. Beide zijn vereist, zowel omdat zij hem toebehoren als omdat hij ze bemint, want het eerste is niet voldoende zonder het tweede. Van deze leer nu gaf Christus ons een voorbeeld. Als Christus voor ons zijn leven heeft gegeven, moeten ook wij ons leven geven voor onze broeders.



zaterdag 21 augustus 2021

Lezingen H. Mis 21e zondag door het jaar (B) - Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

Eerste lezing (Joz. 24, 1-2a.15-17.18b).
In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël in Sichem bijeen,
met de oudsten van Israël, de familiehoofden,
de rechters en de schrijvers.
Toen zij voor God stonden, richtte Jozua zich tot het volk en sprak:
“Zo spreekt de Heer God van Israël:
Als gij de Heer niet wilt dienen,
kies dan nu wie gij wel dienen wilt:
de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier
hebben vereerd
of de goden van de Amorieten, in wier land gij woont.
Ik en mijn familie, wij dienen de Heer.”
Het volk antwoordde:
“Wij denken er niet aan de Heer te verlaten en andere goden te vereren.
De Heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid,
uit het land van de slavernij.
Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht
en ons beschermd op al onze tochten
en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen.
Ook wij willen de Heer dienen,
Hij is onze God.”

Tweede lezing (Ef 5, 21-32)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.
Broeders en zusters,
weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus.
Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer.
Want de man is het hoofd van de vrouw,
zoals Christus het hoofd is van de kerk.
Hij is ook de Verlosser van zijn lichaam;
maar zoals de kerk onderdanig is aan Christus,
zo moet ook de vrouw haar man in alles onderdanig zijn.
Mannen,
hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad;
Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen,
haar reinigend door het waterbad van het woord.
Hij heeft de kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid,
zonder vlek of rimpel of fout,
heilig en onbesmet.
Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben,
zoals ze hun eigen lichaam liefhebben.
Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf.
Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat;
integendeel, hij voedt en koestert het.
En zo doet Christus met de kerk,
omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam.
“Daarom zal de man vader en moeder verlaten
om zich te hechten aan zijn vrouw
en die twee zullen één vlees zijn.”
Dit geheim heeft een diepe zin.
Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk.

Evangelie (Joh 6, 60-69)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
In die tijd zeiden velen van Jezus’ leerlingen:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?”
Maar Jezus,
die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun:
“Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was?
Het is de geest, die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden, die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u,
die geen geloof hebben.”
- Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zouden overleveren. -
Hij voegde er aan toe:
“Daarom heb Ik u gezegd,
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.”
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
“Wilt ook gij soms weggaan?”
Simon Petrus antwoordde Hem:
“Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica XXI per annum 21e zondag door het jaar Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn.


Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef dat wij zo leven om U in alles welgevallig te kunnen zijn

I n l e i d i n g
De H. Eucharistie heeft een centrale plaats in het leven van de christen. Uit de liturgie van de Kerk en vooral uit de H. Eucharistie stroomt ons als uit een levende bron genade toe  en worden op de meest krachtdadige wijze de heiliging van de mensen en de verheerlijking van God in Christus verwerkelijkt (cf Constitutie over de H. Liturgie, 10). In de H. Eucharistie schenkt God ons het ware manna, waarop de mensheid wacht, het ‘Brood uit de hemel’ dat ons ten diepste leven geeft.
Het is daarom niet verwonderlijk dat het eucharistische Brood in de eucharistische gebeden als remedie, als heelmiddel voor het innerlijk leven van de mens wordt beschouwd.
Elke biddende persoon weet dat zijn hart in veel opzichten gewond is. Hij weet hoe ver hij nog van de volkomen genezing verwijderd is en bidt daarom de barmhartige God, hem als de barmhartige Samaritaan door middel van de heilige Eucharistie de volle genezing te schenken.
De wonden waarvan de oratie spreekt zijn vooral de zonden die onze ziel verhinderen vrij op te stijgen tot het onverstoorbare licht van God, waardoor wij God niet optimaal kunnen behagen. Ons hart, misvormd door de zonden, kunnen we niet zelf hervormen. Van de H. Communie verhopen wij daarom genezing, herstel van onze innige betrekking met God en zijn duurzame hulp, zodat wij Hem welgevallig kunnen zijn als “candor lucis æternæ”,  als een afstraling van het eeuwige licht, zoals zijn geliefde Zoon dat is.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
ut tibi in omnibus placere valeamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, laat ons in uw barmhartigheid uw heilzame kracht ten volle ervaren.
omring ons met uw zorg om zó te leven
dat wij U in alles welgevallig kunnen zijn.

Werkvertaling
Werk, vragen wij [U], Heer, het heilmiddel van uw erbarming ten volle in ons uit,
en verwezenlijk  in uw goedheid dat wij zó leven en zó worden gekoesterd,
dat wij U in alles kunnen behagen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de Postcommunio [PC] van deze zondag vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316) 773, eerste helft achtste eeuw en daarnaast in de Codices Avignon, Bibl. Mun. 136, f. 259  en Roma, Vatic. Ottob. Lat. 356: Missaal van de Romeinse Curie,  259, 14e eeuw, onder de rubriek: Orationes de episcopis ordinandis post communionem, met minimale tekstvarianten. Ook in de Codex Metz, Biblioth. Munic., 334 (11e eeuw), f. 185. In MR 1962, 822 vinden we de tekst als postcommunio van het misformulier: In consecratione episcopi, Bij de wijding van een bisschop. 
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VI, O-P, Brepols, Turnhout 1996, p. 257, nr. 4279).

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Ignatius van Antiochië, bisschop en martelaar,+ 107:
“…terwijl gij één brood breekt, dat het geneesmiddel tot onsterfelijkheid is, een tegengif waardoor wij niet sterven, maar in Jezus Christus leven voor eeuwig”.
Brief aan de Efesiërs. 20,2
Ambrosius, bisschop van Milaan en kerkvader (339-397):
“Zo dikwijls als wij dit sacrament ontvangen, verkondigen wij de Dood des Heren. Als wij zijn Dood verkondigen, dan ook de vergiffenis der zonden. Als zijn Bloed,  telkens wanneer het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden vergoten wordt, moet ik het ook steeds weer ontvangen, opdat het mij steeds weer mijn zonde vergeve. Omdat ik steeds weer zondig, moet ik steeds weer een geneesmiddel hebben.”
De Sacramentis, IV
“Wie een wonde heeft zoekt een geneesmiddel. De wonde is, dat wij aan de zonde zijn onderworpen, het geneesmiddel is het hemels en eerbiedwaardig sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus”.
De Sacramentis, V

Augustinus, bisschop van Hippo en kerkvader (354-430):
 “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en ik in Hem” ( Jo 6,57) […]
Gij kunt dus slechts dan goed leven, als Hij u helpt, als Hij het u geeft, als Hij het u schenkt. Daarom: bidt en eet. Bidt, dan zult gij bevrijd worden van deze moeilijkheden. Hij zal u immers verzadigen (en u helpen) zowel bij het goed doen, als bij het goed leven”.
Uit:  Sermo Mai 129.Over Johannes 6, 51-58.

Johannes Chrysostomus, bisschop van Antiochië en Constantinopel, kerkvader (344-407):
“Geen brood is zo noodzakelijk, als hetgeen ons hier wordt geboden. […] Wat u aan deze dis wordt voorgezet is een heilzame artsenij voor de wonden der ziel; het is een onuitputtelijke schat, de sleutel van het rijk der hemelen”.
Uit: Homilia in Nativitate Christi, Kerstdag 386 te Antiochië.

T e x t u e l e  a n a l y s e
1a. Plenum, quæsumus, Domine, in nobis remedium tuæ miserationis operare,
1b. ac tales nos esse perfice propitius et sic foveri,
2. ut tibi in omnibus placere valeamus.

Deze klankrijke oratie leent zich met name door de welluidende slotlettergrepen op – are, (r. 1a), op – eri (r. 1b) en op – amus (r. 2) uitstekend om in de eigen zang van de Kerk, het gregoriaans, te worden gezongen. En dat ligt voor de hand daar het de postcommuniotekst van het misformulier voor de bisschopswijding betreft, dat bestemd is voor een grote plechtigheid waar de gehele gelovige gemeenschap bijeenkomt en in volle waardigheid viert.

De oratie bestaat uit één doorlopende zin, op te splitsen in een hoofdzin, die weer uiteenvalt in twee nevengeschikte halfzinnen verbonden door de coniunctie ac (= en, maar ook, en ook), waarin een tweeledige bede is vervat in de imperativusvormen operare en perfice. De hoofdzin wordt gevolgd door een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivusvorm, ingeleid door het voegwoord ut, waarmee het verhoopte effect van de bede, c.q. van het ontvangen van de H. Communie, wordt uitgedrukt.

Ad 1a 
Operare, bewerk/werk uit - prædicaat in de imperativusvorm van het deponens operari, operatus sum, - bezig zijn met, arbeiden, werken, beschouwen.
Domine, [o] Heer, - aanspreektitel in de vocativusvorm van Dominus.
Quæsumus, vragen/bidden wij – tussenzin van op zichzelf staand prædicaat. De functie van quæsumus is reeds dikwijls besproken.
Plenum remedium tuæ miserationis, het volle heilmiddel (letterlijk) van uw erbarmen – object bij het prædicaat in de accusativusvorm van de congruerende begrippen plenum en remedium gevolgd door de bijvoeglijke bepaling tuæ miserationis in de genitivusvorm: genitivus explicativus / qualitatis.
In nobis, in ons – bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm van nos, bepaald door de præpositie in (+ abl.): ablativus loci.
Ad 1b
Perfice, verwezenlijk – prædicaat in de imperativusvorm van het verbum perficere, perfeci, perfectum, 3, een werkwoord  met veel betekenissen(zie vocabularium).
Tales nos esse en et sic foveri ; dat wij zo(danig) zijn/leven en zo worden gekoesterd: twee a.c.i.-constructies waarbij ook de accusativusvorm nos bij de infinitivus passivi foveri getrokken kan worden.
Propitius, welwillend, in uw goedheid, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat perfice.
Ad 2
Valeamus placere, [op-/zodat] wij kunnen behagen – prædicaat in de coniunctivusvorm vanwege het voegwoord ut en derhale het consecutieve of finale karakter. Het hulpwerkwoord valeamus wordt gevolgd door de infinitief placere.
Valere, valui (valiturus), 2, heeft betekenissen als: 1. krachtig, sterk, gezond zijn; hiervan afgeleid vale, valete! Gegroet, vaarwel! Vale herinnert u zich uit de Maria-antifoon Ave, Regina cælorum: “vale, o valde decora, et pro nobis Christum exora”, gegroet, o wonderschone, en bid Christus voor ons.  2. macht, invloed hebben 3. gelden, waard zijn 4. vermogen, kunnen.  
Tibi, [aan] U, - bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel).
Bij het verbum placere, iemand behagen / behagen aan, staat het object gewoonlijk in de dativusvorm.
In omnibus, in alles, - bijwoordelijke bepaling, gevormd door het præpositum in dat de  ablativusvorm regeert: ablativus respectus / limitationis.
S t i j l f i g u r e n
Hyberbaton (uiteenplaatsing van bij elkaar horende begrippen): plenum […] remedium (r. 1a)
Klank- en eindrijm in plenum en remedium (regel 1a).
Klank- en eindrijm in quæsumus (r. 1a), propitius (r. 1b), omnibus en valeamus (r. 2).
Antithese van nobis en tuæ (r. 1a).
Alliteratie van perfice  en propitius (r. 1b).
A.c.i. (accusativus cum infinitivo)-constructie ac tales nos esse et sic foveri (r. 2)

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Remedium, -I, (onz.)
Een aantal begrippen uit de tekst van de Postcommunio van deze zondag werd reeds besproken. Daarom kijken we deze keer naar het begrip remedium.
In het Nederlands heeft ‘remedie’ de volgende betekenissen: 1) artsenijmiddel 2) geneesmethode 3) geneesmiddel 4) geneesproces 5) geneeswijze 6) herstelmiddel 7) hulpmiddel 8) kuur 9) medicament 10) medicijn 11) middel 12) middel tot herstel 13) oplossing.
Basaal heeft het begrip dus een medische betekenis, vooral met de connotaties “tegengif”of “van voorbehoedende, preventieve aard” en kreeg vervolgens een algemene betekenis als middel dat bedoeld is om iets dat ongewenst is te verbeteren of te voorkomen.’

De woorden remedium, medicina, medela en medicatio komen herhaaldelijk terug in de teksten van de postcommunio, prefatie en soms in het gebed over de gaven en drukken een van de vele (te) ontvangen genadegaven in de H. Communie uit alsook hun effect of uitwerking in het leven van de ontvanger. De vertaling van het begrip zoals bedoeld in de oraties laat zich dus het best afleiden uit de context.
Dat het medische concept prevaleert geldt zeker voor de volgende tekstfragmenten:
“sanctifiationis tuis […] remedia nobis æterna proveniant”, mogen uw heiligende gaven…voor ons hulpmiddelen zijn ter eeuwige zaligheid (Postcomm. Sacramentarium Leonianum, 44,10 en 17e zondag na Pinksteren, MR 1962): definitieve genezing van onze ondeugden in het eeuwig leven;
“de munere temporalis fiat nobis remedium sempiternum”, […] van een gave in de tijd worde het ons een geneesmiddel voor de eeuwigheid (Postcomm. donderdag na Passiezondag, MR 1962);
“Sumpto […] unico ac salutari remedio, Corpore en Sanguine tuo pretioso”, nu wij het enig en zaligmakend heilmiddel, uw kostbaar Lichaam en Bloed, hebben genuttigd (postcommunio 22 juli, H.Maria Magdalena, MR 1962).

In het eerste collectegebed van Quatertemperwoensdag  in september (MR 1962) wordt de barmhartigheid van God als heilmiddel beschouwd: “Misericordæ tuæ remediis […] fragilitas nostra subsistat”, moge onze zwakke natuur standhouden door de heilmiddelen van uw barmhartigheid.

In de secreta van het misformulier Voor de overledenen (MR 1962) wordt genezende kracht toegeschreven aan het H. Misoffer: “Munera […] quæ tibi pro anima famuli tui N. offerimus, placatus intende; ut remediis purgata cælestibus, in tua pietate requiescat”, zie genadig neer op de gaven die wij U voor de ziel van uw dienaar N. aanbieden, opdat zij [de ziel], gezuiverd door hemelse heelmiddelen, in uw liefde moge rusten.
In de postcommunio van het misformulier Ten tijde van oorlog (MR 1962) heeft ‘remedium’ een morele strekking: “ut tranquillitate pacis tua potestate servata, ad remedia correctionis utamur”, opdat wij de rust van de vrede, die door uw macht wordt bewaard, als een geneesmiddel tot verbetering gebruiken.
De volgende uitdrukkingen komen als uitwerking van de H. Eucharistie/H. Communie frequent in de oraties voor:
“remedium sempiternum”, geneesmiddel voor de eeuwigheid (zie boven);
“remedia æterna”, geneesmiddelen voor de eeuwigheid (postcomm. quatertemperzaterdag Vasten MR 1962);
“remedium […] perpetuæ (æternæ) salutis”, heilmiddel ter eeuwige zaligheid (secreta 11 sept. MR 1962).

De H. Eucharistie is  - zoals we onlangs zagen in de Inleiding van de Postcommunio van de 19e zondag door het jaar – door de H. Ignatius van Antiochië beschreven als φάρμακον άθανασίας / phármakon athanasfas, een heilmiddel voor onsterfelijkheid, een wijd verspreide medisch-technische term voor een zalving als panacee tegen ziektes, die iemand dus onsterfelijk maakte. Tegenover deze heidense theorie stelde Ignatius dat er slechts één enkel Brood is als heilmiddel voor onsterfelijkheid, namelijk het Brood waaronder het verheerlijkte en onsterfelijke Lichaam van Christus schuil gaat. De H. Eucharistie is het heilmiddel bij uitstek dat de onsterfelijkheid herstelt die verloren ging door de zonde. Ofschoon adjectieven als “æternum” en “sempiternum” lijken aan te tonen dat “remedium” onsterfelijkheid betekent in eschatologische zin, is dit ook reeds een realiteit in het aardse leven.  Uitdrukkingen als “temporalis vitæ nobis remedia præbeant, et æternæ”, dat zij [de HH. Sacramenten] ons geneesmiddelen schenken voor het tijdelijke en eeuwige leven (postcomm. 28 jan., H. Agnes, MR 1962);
“præsens […] remedium […] et futurum” , een heilmiddel voor het heden en voor de toekomst  (postcomm. quatertemperzaterdag Advent, MR 1962) tonen dit duidelijk aan.
MR 1970 geeft hetzelfde perspectief  in de postcommunio van het misformulier voor de 7e dag onder het Octaaf van Kerstmis: “præsentia pietatis tuæ remedia capiat et futura” , laat het de steun van uw liefde in het heden en in de toekomst verwerven.
Ook in het collectegebed van woensdag in de 3e week van de Advent (MR 1970): “ventura sollemnitas […] et præsentis nobis vitæ remedia largiatur, et præmia æterna” worden de heilzame gaven voor dit leven hier en nu én het eeuwig geluk in het leven hierna als effecten gevraagd van het komende hoogfeest van Kerstmis.

Dus ook de tekstfragmenten “cælestis remedii plenitudine gloriemur” , dat wij ons over de volle uitwerking  van dit hemels geneesmiddel kunnen verheugen (postcomm. 11e zondag na Pinksteren, MR 1962) en “cælestis remedii faciat esse consortes”, en ons deelachtig maken aan dit hemels heilmiddel (postcomm. maandag na de 2e zondag van de Vasten, MR 1962) wijzen naar de H. Eucharistie als genezende en herstellende kracht voor onze bovennatuurlijke vitaliteit die essentiëel is voor ons leven hier en nu alsmede voor het toekomstige.
(Cf. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, lemma remedium, p. 186-187 en A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas o.s.b. , Brepols Turnhout 1966,  lemma remède, § 253, p. 399-400).
Perficere, perfeci, perfectum, 3.
heeft de volgende betekenissen: 1. ten einde brengen, voltooien, afmaken, afweken 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden 4. Tot een goed einde brengen, doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen.
T o e l i c h t i n g
Talrijke auteurs en ook heiligen hebben over de barmhartigheid van God geschreven. In de herinnering van velen is wellicht ook de encycliek van Johannes-Paulus II, “Dives in misericordia”( Ef 2,4), 30 november 1980, God, die rijk is aan erbarming, bewaard, met heldere en mooie beschouwingen. Paus Johannes-Paulus II stierf  op 2 april 2005, laat in de avond, vooravond van de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Voor het Regina cæli ‘s anderendaags had hij een toespraak voorbereid die later postuum op die zondag, 3 april, werd voorgelezen. Uit zijn laatste woorden het volgende citaat: “Aan de mensheid die soms verdwaald lijkt en overheerst schijnt te worden door de macht van het kwaad, het egoïsme en de angst, schenkt de verrezen Heer zijn liefde, die vergeeft, verzoent en het hart opent voor de hoop. Het is een liefde die de harten bekeert en vrede schenkt. Wat heeft de wereld het nodig deze Goddelijke Barmhartigheid te verstaan en te ontvangen!”

Gods grootheid is niet te doorgronden. Krachtens zijn goddelijke kracht is Hij de zwakke mens te hulp gekomen. Uit onze eigen sterfelijkheid heeft Hij het geneesmiddel (remedium) ten leven genomen en aan hen die verloren waren, heeft Hij langs de weg van hun ondergang behoud en redding gebracht door Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon (cf Prefatie III zondagen door het jaar). Aan armen verkondigde Hij de blijde boodschap en genas rouwmoedigen (cf Is 61,1; Luc 4,18) als Geneesheer voor lichaam en ziel (cf H. Ignatius van Antiochië. Ad Ephes 7,2) en Middelaar tussen God en de mensen (cf 1 Tim 2,5).
Het Exsultet (Paasjubelzang) van de Vigilieviering van Pasen drukt dit opus misericordiæ als volgt uit: In het verre verleden heeft God zijn volk gered en heeft zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, de schuld van Adam aan de Vader betaald door met het bloed van zijn hart de schuldbrief van de oude zonde uit te wissen.

In hymnen en psalmen heeft het Joodse volk de herinnering aan de menslievendheid van Jahweh vastgehouden en als ‘barmhartigheid’ gedefinieerd. Psalm 135 (136) met de openingsregel "Confitemini Domino, quoniam bonus, quoniam in æternum misericordia eius”, Looft de Heer, want Hij is goed, zijn barmhartigheid reikt tot in eeuwigheid, is daar een indrukwekkend voorbeeld van. Vers na vers worden telkens in het eerste halfvers de weldaden van Jahweh in chronologische volgorde verhaald met steeds opnieuw het refrein “quoniam in æternum misericordia eius”. En als Maria bij haar bezoek aan Elizabeth in het Magnificat de woorden uitspreekt ”et misericordia eius in progenies et progenies”, barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht, openen deze woorden een nieuw perspectief in de geschiedenis van ons heil. Het is het perspectief van het paasmysterie van Christus, allereerst, en vervolgens van allen die verzegeld zijn met het teken van het Kruis en de Verrijzenis. In het Paasmysterie toont, beter nog, is  Christus zelf de volmaakte openbaring van die barmhartigheid die Maria op de drempel van het huis van haar bloedverwante verkondigde: “Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht”. Maria is, volgens de titel die de Litanie van Loreto haar geeft, de “Mater misericordiæ”, de Moeder van barmhartigheid: niet alleen heeft zij op buitengwone wijze Gods barmhartigheid ondervonden, ‘verdiend’ tijdens haar aardse leven en special onder het Kruis, maar ook bestemd om de liefde die haar Zoon is komen brengen aan de mensen aan te bieden. Het is de liefde die sterker is dan de dood en machtiger dan de zonde en alle kwaad, kortom de liefde die de mens opheft uit de diepste val en hem tegelijk uit de grootste gevaren bevrijdt.

De Kerk is geboren uit het paasmysterie. Daarom vormt de H. Eucharistie, die op buitengewone wijze het sacrament van het paasmysterie is, de kern van het leven van de Kerk.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie beleven wij nog steeds de oorspronkelijke typering van de Kerk in de Handelingen van de apostelen: “Zij legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed” (Hand 2, 42). Met het breken van het brood wordt de H. Eucharistie aangeduid.
Bij iedere viering van de H. Eucharistie richten wij onze ogen van het geloof  op het Paastriduum, op de gebeurtenissen vanaf Witte Donderdag met het laatste Avondmaal tot Paasmorgen.  Zijn Lichaam, dat Christus in het gebroken brood in een uiterste zelfgave als offer gaf bij het Laatste Avondmaal is voor ons ‘remedium miserationis eius’ geworden. Zijn Bloed dat Hij aan de Kerk had geschonken als drank van heil in het Sacrament van de H. Eucharistie –het Sacramentum caritatis (Apostolische Adhortatie 22.2. 2007, paus Benedictus XVI - werd op Golgotha vergoten als een genademiddel tot ons heil. 
De Kerk leeft als zij de barmhartigheid van God belijdt en verkondigt – die hoogst wonderbaarlijke eigenschap van de Schepper en Verlosser en titel waarop de oraties in de liturgie van de Kerk steunen -  en ook als zij de mensen leidt naar de bronnen van de barmhartigheid van de Verlosser, die zij in haar schoot bewaart en uitdeelt.

Wij wensen U een steeds bewuster en groeiend inzicht in de grootheid van de gave van H. Eucharistie toe, hiertoe opgeroepen door een ononderbroken traditie, die getuigt van een grote zorg voor deze ‘schat’, inclusief voor het integraal doorgeven van het geloof en de leer aangaande het mysterie van de Eucharistie, want “in dit sacrament wordt het gehele mysterie van ons heil samengevat” (H. Thomas van Aquino, Summa Theologiæ, III, qu. 83, a. 4c):
“Apud Dominum misericordia, et copiosa apud eum redemptio”.
Bij de Heer is erbarming en overvloedige verlossing. (Antifoon 2, IIe Vespers Kerstmis).

Introitus Dominica XXI per annum: Inclina Domine aurem tuam

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXI per annum.Novi sæculi adumbratio. Een afschaduwing van de nieuwe wereld.



   Lectio altera

Ex Constitutióne pastoráli Gáudium et spes Concílii Vaticáni secúndi de Ecclésia in mundo huius témporis
(N. 39)


Terræ ac humanitátis consummándæ tempus ignorámus, nec univérsi transformándi modum nóvimus. Transit quidem figúra huius mundi per peccátum deformáta, sed docémur Deum novam habitatiónem novámque terram paráre in qua iustítia hábitat, et cuius beatitúdo ómnia pacis desidéria, quæ in córdibus hóminum ascéndunt, implébit ac superábit. Tunc, morte devícta, fílii Dei in Christo resuscitabúntur, et id quod seminátum fuit in infirmitáte ac corruptióne, incorruptiónem índuet; et, manénte caritáte eiúsque ópere, a servitúte vanitátis liberábitur tota creatúra illa, quam Deus propter hóminem creávit.

Monémur sane nihil prodésse hómini, si univérsum mundum lucrétur, seípsum autem perdat. Exspectátio tamen novæ terræ extenuáre non debet, sed pótius excitáre, sollicitúdinem hanc terram excoléndi, ubi corpus illud novæ famíliæ humánæ crescit quod aliquálem novi sæculi adumbratiónem iam præbére valet. Ideo, licet progréssus terrénus a regni Christi augménto sédulo distinguéndus sit, in quantum tamen ad societátem humánam mélius ordinándam conférre potest, regni Dei magnópere ínterest.

Bona enim humánæ dignitátis, communiónis fratérnæ et libertátis, hos omnes scílicet bonos natúræ ac indústriæ nostræ fructus, postquam in Spíritu Dómini et iuxta eius mandátum in terris propagavérimus, póstea dénuo inveniémus, mundáta tamen ab omni sorde, illumináta ac transfiguráta, cum Christus Patri reddet regnum ætérnum et universále: «regnum veritátis et vitæ, regnum sanctitátis et grátiæ, regnum iustítiæ, amóris et pacis». His in terris regnum iam in mystério adest; adveniénte autem Dómino consummábitur.

Tweede lezing
Uit de pastorale Constitutie ‘Gaudium het Spes’ van het 2e Vaticaans Concilie.
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(Nr. 39)

Een afschaduwing van de nieuwe wereld

Verborgen voor ons is de tijd van de voleinding van aarde en mensheid, en wij weten niet hoe het heelal zal worden omgevormd. De gestalte van deze wereld, die door de zonde is misvormd, gaat wel voorbij, maar wij weten, dat God ons een nieuwe woning en een nieuwe aarde bereidt, waar gerechtigheid woont, en waar de gelukzaligheid alle verlangens naar vrede, die in het menselijk hart kunnen opkomen, zal vervullen en te boven gaan. Dan zal de dood zijn overwonnen en zullen de kinderen Gods in Christus verrijzen, en wat gezaaid was in zwakheid en verderfelijkheid zal bekleed worden met onbederfelijkheid. Terwijl de liefde met haar werken zal blijven, zal heel die schepping die God om de mens schiep, bevrijd worden van de slavernij der ijdelheid.
 Wij worden weliswaar vermaand, dat het de mens niets baat heel de wereld te winnen, als hij zelf verloren gaat. Toch moet onze verwachting aangaande de nieuwe aarde onze zorg om deze aarde te cultiveren niet verzwakken maar juist opwekken, omdat hier dat lichaam van de nieuwe mensenfamilie begint te groeien, dat reeds een zekere afschaduwing kan geven van de nieuwe wereld. Hoewel er dus zorgvuldig een groot onderscheid moet gemaakt worden tussen de aardse vooruitgang en de groei van het rijk van Christus, kan die aardse vooruitgang toch van groot belang zijn voor het rijk Gods, in zoverre hij kan bijdragen tot een betere ordening van de menselijke maatschappij.
Want als wij het goede – dat gelegen is in de menselijke waardigheid, in de broederlijke saamhorigheid en vrijheid, die namelijk alle de goede vruchten zijn van onze natuur en onze inspanning – in de Geest des Heren en volgens zijn gebod op aarde hebben verspreid, zullen wij dat alles daarna terugvinden, maar dan gezuiverd van iedere smet, verlicht en omgevormd, wanneer Christus zijn Vader een eeuwig en universeel rijk zal teruggeven: ‘een rijk van waarheid en leven, een rijk van heiligheid en genade, een rijk van gerechtigheid, liefde en vrede’. Op geheimvolle wijze is dit rijk nu reeds op aarde aanwezig, maar het zal worden voltooid bij de komst van de Heer.