Het
is de “God van de Machten” en Krachten die in het collectegebed wordt
aangeroepen, de oneindig Volmaakte – deze “vergrotende trap” is niet toereikend
voor de oratie, zodat deze het nogmaals intensiveert: Die al het goede bezit”.
Het is een uitdrukking van de liefde, maar juist zij heeft tot gevolg dat om
die liefde wordt gebeden: “Plant in ons hart de liefde tot Uw Naam (d.i. tot
U). ”De liefde lijkt op een plant, die bestemd is tot groei en vrucht
voortbrengen. Haar groei is “vermeerdering van het geloof” in ons. Het
Altaarmissaal vertaalt religionis augmento met “toenemen van het goede” en legt
daarmee een link naar het begrip optimum in de openingszin van de oratie. Het
begrip optimum (“het beste”), toegepast op God, moet begrepen worden als “perfect”
of “volmaakt”.
De vrucht van de
liefde is alles, wat goed is. God Zelf is de Liefde en bezit juist daarom,
zoals het gebed zegt: “alles, wat het beste, alles wat volmaakt is.” De Liefde
voedt in ons alles, wat goed is, en laat uiteindelijk de vrucht rijpen, indien
de liefde blijft. Wij bidden: “Bewaar,
wat gevoed is.” We kunnen evengoed bidden: ”Bewaar in ons de liefde en de
vrucht van het goede, die zij belooft”. Hij, die de liefde en haar vrucht in
ons bewaart, gelijkt op de waakzame
wachter. De oratie ademt dat vertrouwen: “Hij, die u behoedt, slaapt niet. Nee,
de Herder van Israel slaapt niet en sluimert niet” (Ps 121, 3.4).
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
Met kleine verschillen
is het collectegebed van de 22e zondag door het jaar gebaseerd op
een oratie in het Sacramentarium
Gelasianum (8e eeuw) en vervolgens op de collecta van de 6e
zondag na Pinksteren in het Romeins
Missaal van 1962.
T e k s t
Missale Romanum
– 1962
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum:
insere pectoribus nostris amorem tui nominis, et
præsta in nobis religionis augmentum;
ut, quæ sunt bona, nutrias, ac pietatis
studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Missale Romanum
– 1970
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum:
insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et
præsta,
ut in nobis religionis augmento, quæ sunt bona
nutrias, ac vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Altaarmissaal – 1979
Almachtige God, al het
goede komt van U. Vervul ons hart van liefde voor uw Naam. Laat in ons hart het
goede toenemen door een grotere ijver voor U en houd het in stand door uw
voortdurende zorg.
Letterlijke werkvertaling:
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U], goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.
S t r u c t u u r
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U], goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.
S t r u c t u u r
1.Deus
virtutum, cuius est totum quod est optimum:
Deus
– vocatiefvorm: God wordt aangeroepen als God van de heerscharen, waarmee een
van zijn hoedanigheden wordt uitgedrukt. De openingszin is een aaneenschakeling
van twee relatieve bijzinnen: cuius est totum
en quod est optimum. Parallelle zinsbouw:
relativum, verbum, naamwoord, waarbij de
superlativus optimum een bepaling is bij het
zelfstandige gebruikte adiectivum totum.
2.insere
pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
Hoofdzin
met de verba insere
en præsta in de imperatief en met amorem als object en tui
nominis als genitivus objectivus bij
amorem.
pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.
pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.
3. ut in nobis, religionis augmento, quæ sunt
bona nutrias, ac, vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Voor de
duidelijkheid kan de zin op de onderstaande wijze gelezen worden;
1. ut in nobis nutrias, augmento religionis, [ea]
quae sunt bona.
Het van ut
afhankelijk nutrias is naar voren gehaald,
gevolgd door de bijwoordelijke bepaling augmento
religionis (ablativus+genitivus) die aangeeft waardoor het goede in ons
ontstaat. Bij het relativum quæ ontbreekt
een antecedent. Men spreekt van een ingesloten antecedent. Men kan ea
(= die dingen) als object bij nutrias
aanvullen zodat het antecedent duidelijk wordt.
2. (ut) custodias, vigilanti studio, [ea] quæ
sunt nutrita.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.
Mooi is het
gebruik van het verbum nutrias (= voeden) in
het eerste zinsdeel, dat in het tweede deel van de zin als voltooid (nutrita = gevoed) wordt bewaakt en bewaard door de
Heer.
De halfzinnen 3.1
en 3.2 bevatten parallellen in klank: augmento…studio;
nutrias..custodias, quæ
sunt bona…quæ sunt nutrita : klankrijm aan het einde van het woord
(eindrijm).
C
o m m e n t a a r
Het
collectegebed nodigt uit tot overweging: God moet mijn alles zijn; begin,
vervolg en einde. Hij is de goede Tuinman van de tuin van mijn ziel ; Hij
“zaait” de liefde tot God in het hart. Hij geeft “wasdom” aan het zieleleven.
“Hij kweekt en verzorgt” de plantjes van de deugden, verwijdert het onkruid en
begiet; Hij “behoedt” het tegen de vijanden. God is de Zaaier, de Zon, de
Tuinman en de Behoeder van het leven der genade. God is sterk in ons. Hij stort
ons zijn liefde in en vermeerdert onze ijver voor zijn dienst [=godsdienst].
Hij doet het goede in ons gedijen een bewaart het door ons telkens tot de
Eucharistie te roepen, de Vrucht van de Verrijzenis.
De Katechismus van de Katholieke Kerk definieert "godsdienst" (religio)
als een set van overtuigingen en praktijken van hen die zich engageren
voor de dienst en de aanbidding van God. Het Eerste Gebod vraagt ons om in God
te geloven, Hem te aanbidden en te dienen, als eerste plicht van de deugd van
godsdienstigheid (cf ook CCC 2084, 2135).
De H. Thomas van Aquino († 1274)
zegt dat godsdienst de deugd is waarmee de mens
de verschuldigde eredienst en eerbied aan God als de Schepper en
opperste heerser van alle dingen (STh II-II, 81, 1 is) toont. We moeten onze
afhankelijkheid van God erkennen door Hem een verschuldigde en passende
eredienst te geven zowel innerlijk (bijvoorbeeld door daden van toewijding,
eerbied, dankzegging, enz.) als uiterlijk (bijvoorbeeld uitwendige eerbied,
liturgische handelingen, etc.). Tegen de deugd van godsdienst kan worden
gezondigd door afgoderij, bijgeloof, heiligschennis en godslastering. Als
schepsel moeten wij erkennen wie God is en dienovereenkomstig handelen, zowel
innerlijk als uiterlijk. Wanneer dit tenslotte gewoon voor ons wordt, dan
hebben we de deugd van godsdienst. Een deugd is een gewoonte. Een goede daad is
nog geen deugd en maakt ons niet deugdzaam.
Als het moeilijk voor ons is om voorzichtig of gematigd of eenvoudig,
enz. te zijn, dan hebben we nog niet de deugden. Onze vraag om godsdienstigheid of “verbondenheid” volgt
onmiddellijk uit onze wens dat God de liefde voor zijn Heilige Naam in ons hart
"zaait" (insere). Dan smeken we om door God met alle goede
dingen te worden gevoed als Hij in ons de godsdienstigheid of verbondenheid met
Hem verhoogt. Dit leidt tot de juiste innerlijke en uiterlijke handelingen die noodza-kelijkerwijs
voortvloeien uit het erkennen wie God echt is en wie we zijn.
We vinden in oude vertalingen van het Boek van de Psalmen in de Latijnse
Vulgaat dat Deus virtutum wordt weergegeven als: "God der
heerscharen". Het document van de
Heilige Stoel dat voorziet in de normen voor de liturgische vertalingen, Liturgiam authenticam (2001) zegt in nr. 51 dat
“een gebrek aan afwisseling in de vertaling van de aanspreekvormen voor God
zoals Domine, Deus, Omnipotens aeterne Deus, Pater
enzovoorts, of van woorden die iets van smeken uitdrukken, een vertaling
moeilijk kan maken en de rijkdom en schoonheid kan verduisteren waarmee in de
Latijnse tekst de verhouding tussen de gelovigen en God wordt aangegeven".
Deze moeilijkere bewoordingen verdienen te worden uitgediept.
Deus
virtutum - virtutum is genitief meervoud van virtus,
"mannelijkheid; sterkte, kracht; dapperheid, moed; oprechtheid,
bekwaamheid; macht", enzovoort. Virtutum is de vertaling van het Hebreeuwse
tsaba', dat “leger, oorlog, strijd, legermacht” betekent. Tsaba' wordt
toegepast op de heerscharen van engelen, op de legers van soldaten, en de
hemelse machten van zon, maan en sterren. In het Sanctus
van de Heilige Mis en in de grote hymne Te Deum
zingen wij in navolging van de ontelbare menigte van heiligen en engelen, die
gebogen staan voor Gods troon en nooit moe worden te herhalen in de hemelse
liturgie: “Heilig, Heilig, Heilig, de HEER. GOD SABAOTH... God van de
"hemelse heerscharen".