Posts tonen met het label hebdomada XXII per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXII per annum. Alle posts tonen

woensdag 1 september 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXI per annum feria V Tu es, Deus, omnia nostra.Gij, o God, zijt alles



Lectio altera

Ex Instructiónibus sancti Columbáni abbátis
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3: Opera, Dublin 1957, 118-120)
Fratres, vocatiónem sequámur, qua ad vitæ fontem vocámur a vita, qui est fons non solum aquæ vivæ, sed et fons ætérnæ vitæ, fons lucis idem et fons lúminis; ab illo enim hæc ómnia sunt, sapiéntia et vita, lux ætérna. Auctor vitæ fons vitæ est, lucis creátor fons lúminis est; et ídeo contémptis his quæ vidéntur, transcénso sæculo in superióribus cælórum, fontem lúminis, fontem vitæ, fontem aquæ vivæ ut rationábiles et sagacíssimi pisces quærámus, ut ibi bibámus aquam vivam et saliéntem in vitam ætérnam.
Utinam me illuc dignáres adscíscere ad illum fontem, Deus miséricors, pie Dómine, ut ibi et ego cum sitiéntibus tuis vivam undam vivi fontis aquæ vivæ bíberem, cuius nímia dulcédine delectátus sursum semper ei hærérem et dícerem: «Quam dulcis est fons aquæ vivæ, cuius non déficit aqua sáliens in vitam ætérnam!».
O Dómine, tu es ipse iste fons semper et semper desiderándus, semper licet et semper hauriéndus. Nobis semper da, Dómine Christe, hanc aquam, ut sit in nobis quoque fons aquæ vivæ et saliéntis in vitam ætérnam. Magna quidem posco, quis nésciat? Sed tu, rex glóriæ, magna donáre nosti et magna promisísti; nihil te maius, et te nobis donásti, te pro nobis dedísti.
Unde te rogámus, ut sciámus quod amámus, quia nihil áliud præter te nobis dari postulámus; tu es enim ómnia nostra, vita nostra, lux nostra, salus nostra, cibus noster, potus noster, Deus noster. Inspíra corda nostra, rogo, Iesu noster, illa tui Spíritus aura, et vúlnera nostras tua caritáte ánimas, ut possit uniuscuiúsque nostrum ánima in veritáte dícere: Indica mihi quem diléxit ánima mea, quóniam vulneráta caritáte ego sum.
Opto illa vúlnera in me sint, Dómine. Beáta talis ánima, quæ caritáte sic vulnerátur; talis fontem quærit, talis bibit, semper tamen sitit bibéndo, semper haurit desiderándo, quæ semper bibit sitiéndo; sic semper quærit amándo, quæ sanátur vulnerándo; quo salutári vúlnere ánimæ nostræ interióra Deus et Dóminus noster Iesus Christus, pius ille salutarísque médicus, vulneráre dignétur, cui cum Patre et cum Spíritu Sancto únitas est in sæcula sæculórum. Amen.

Tweede lezing
Uit de instructies van de H. Columbanus, abt
(Instr. 13, De Christo fonte vitæ, 2-3: Opera, Dublin 1957, 118-120)

Gij, o God, zijt alles

Broeders, laten wij de roeping volgen waarmee wij door het leven tot de bron des levens worden geroepen, die niet alleen de bron is van het levend water, maar ook van het eeuwig leven, de bron van het licht en tegelijk ook de bron van de verlichting. Door Hem toch bestaat dit alles: wijsheid en leven, het eeuwig licht. De bewerker van het leven is ook de bron van het leven, de schepper van het licht ook de bron van de verlichting. Laten wij daarom met verwaarlozing van hetgeen wij zien en de wereld overstijgend, als verstandelijke en slimme vissen, naar de hoge hemelen, de bron van het licht zoeken, de bron van het leven, de bron van het levend water, om daar te drinken het levend water dat ontspringt ten eeuwig leven.

Barmhartige God, liefdevolle Heer, mocht Gij ook mij bij die bron brengen om daar ook met uw anderen, die dorsten, aan de levende stroom te drinken van de levende bron met levend water en dat ik daar door die overheerlijke smaak verkwikt er steeds opnieuw naar kan terugkeren en zeggen: ‘Hoe fijn is de bron van levend water waaraan nooit ontbreekt het water, dat ontspringt ten eeuwige leven!
O Heer, Gij zijt Zelf die bron, waarnaar men altijd en altijd moet terugverlangen, waaruit men altijd en altijd mag putten. Heer Christus geef ons altijd dit water opdat het ook in ons kan worden tot een bron van levend water dat ontspringt ten eeuwige leven. Ik vraag wel grote gunsten, nietwaar? Maar Gij, Koning der glorie, Gij weet grote gaven te schenken en hebt ook grote beloofd. Niets is groter dan Gij en Gij hebt Uzelf aan ons gegeven, U voor ons overgeleverd.

Daarom vragen wij U dat wij mogen beseffen wat wij beminnen, omdat wij niets anders vragen dan dat Gij aan ons geschonken wordt: Gij toch zijt ons alles, ons leven, ons licht, ons heil, ons voedsel, onze dank, onze God. Ik vraag U, onze Jezus, beziel onze harten met die uitstraling van uw Geest en verwond onze zielen met uw liefde, zodat de ziel van ieder van ons in waarheid kan zeggen: Verklaar mij aan wie mijn ziel haar liefde gegeven heeft, want ik ben gewond door de liefde. Ik verlang, dat die wonden in mij blijven, Heer. Want zalig de ziel die zo door de liefde wordt gewond. Zulk een ziel zoekt de bron, zo een drinkt maar blijft al drinkende toch dorsten. Zij put voortdurend door te verlangen wat zij door te dorsten steeds blijft drinken. Zo zoekt zij die door wonden op te lopen wordt genezen, altijd door te beminnen. Door die heilzame verwonding gewaardige Zich ons God en Heer Jezus Christus, die liefdevolle en heilzame geneesheer, het innerlijk van onze ziel te verwonden, Hij die met de Vader en de Heilige Geest een eenheid is in de eeuwen der eeuwen, Amen.


zondag 29 augustus 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXII per annum feria II Thomas a Kempis. Ego docui prophetas meos. Ik heb mijn profeten onderwezen.


  

 Lectio altera

E Libro De imitatióne Christi
(Lib. 3, 3)

Tweede lezing

Uit ‘De Navolging van Christus’ van Thomas a Kempis
(Lib. 3, 3)

Ik heb mijn profeten onderwezen

Luister, mijn zoon, naar mijn woorden, alleraangenaamste woorden, die alle wetenschap en filosofen en wijzen van deze wereld overtreffen. Mijn woorden zijn geest en leven, en kunnen niet beoordeeld worden naar menselijke maatstaf.
Ze mogen niet neergehaald worden tot een ijdel genoegen, maar moeten in stilte worden aanhoord en met alle nederigheid en grote liefde worden opgenomen.
En ik zei: Gelukkig de man, Heer, die Gij onderricht en die Gij leert uw wet: hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, en niet verlaten wordt op aarde.

Ik, zegt de Heer, heb van den beginne af de profeten onderwezen en Ik houd niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijn stem en verhard.
Velen luisteren liever naar de wereld dan naar God; zij volgen gemakkelijker de begeerten van het vlees dan Gods welbehagen.
De wereld belooft het tijdelijk en geringe en ze wordt met grote begerigheid gediend. Ik beloof het hoogste en het eeuwige, en toch verkoelen de harten van de stervelingen.

Wie dient en gehoorzaamt Mij met zoveel zorg in alles, als men de wereld dient met haar meesters?
Schaam u daarom, luie en klaagzieke knecht, omdat die anderen meer bereid worden bevonden tot hun verderf dan gij tot het leven.
Zij verheugen zich meer in de ijdelheid dan gij in de waarheid.

Toch worden zij niet zelden in hun verwachtingen bedrogen, maar mijn belofte bedriegt niemand en zendt hem niet ledig heen, die op Mij vertrouwt.
Wat Ik beloofd heb, zal Ik geven; wat Ik gezegd heb, zal Ik vervullen, als men maar ten einde toe trouw blijft in mijn liefde.
Ik ben de beloner van al het goede en de krachtige beproever van alle vromen.

Schrijf mijn woorden in uw hart en overdenk ze zorgvuldig; want ten tijde van de beproeving hebt gij ze zeer nodig.
Wat gij niet begrijpt, wanneer ge het leest, zult ge begrijpen op de dag der bezoeking.
Ik ben gewoon mijn uitverkorenen op twee manieren te bezoeken, namelijk met beproeving en met troost.

En twee lessen geef Ik hun iedere dag: en waarbij Ik hun gebreken berisp, een andere waarbij Ik hen aanspoor hun deugden te doen toenemen.
Wie mijn woorden heeft en deze veracht, heeft reeds iemand, die hem veroordeelt op de laatste dag.

zaterdag 28 augustus 2021

Lezingen H. Mis 22e zondag door het jaar B Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt.

Eerste lezing (Deut. 4, 1-2.6-8)
Uit het boek Deuteronomium.
Mozes sprak tot het volk en zei:
“Luister dan, Israël,
naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer
en handel daarnaar.
Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land
dat de Heer, de God van uw vaderen, u schenkt.
Aan wat ik u voorschrijf
moogt gij niets toevoegen
en er niets van afdoen;
ge moet de geboden van de Heer uw God onderhouden,
die ik u geef.
Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen
en brengt ze stipt ten uitvoer,
want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken.
Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen:
“Dat machtige volk is wijs en verstandig.”
“Is er soms een andere grote natie
aan wie hun goden zo nabij zijn
als de Heer onze God ons nabij is
zo vaak wij hem aanroepen?
Of is er een andere grote natie,
die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft
als de wet die ik u heden geef?”

Tweede lezing (Jak. 1, 17-18.21b-22.27)
Uit de brief van de heilige apostel Jakobus.
Broeders en zusters,
elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven,
van de Vader der hemellichten,
bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling.
Uit vrije wil heeft Hij ons het leven geschonken
door het woord der waarheid,
zodat wij in zekere zin de eerstelingen onder zijn schepselen zijn.
Neemt met zachtmoedigheid het woord van God aan
dat in u werd geplant
en dat de kracht bezit uw zielen te redden.
Weest uitvoerders van het woord
en niet alleen toehoorders;
dan zoudt gij uzelf bedriegen.
Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en
Vader is dit:
wezen en weduwen opzoeken in hun nood
en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld.

Evangelie (Mc. 7, 1-8.14-15.21-23)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Eens kwamen de Farizeeën
en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus tezamen,
en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine,
dat wil zeggen, ongewassen handen aten.
De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;
komen ze van de markt,
dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben;
zo zijn er nog vele dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden:
het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.
Daarom
stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag:
“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet
volgens de overlevering van de voorvaderen,
maar eten zij met onreine handen?”
Hij antwoordde hun:
“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo staat er geschreven:
Dit volk eert Mij met de lippen
maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij, maar zonder zin,
en mensenwet is wat zij leren.
Gij laat het gebod van God varen
en houdt vast aan de overlevering van mensen!”
Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen:
“Luistert allen naar Mij en wilt verstaan:
niets kan de mens bezoedelen
wat van buiten af in hem komt.
Maar wat uit de mens komt,
dat bezoedelt de mens.

Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen
komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord,
echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog,
losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.
Al die slechte dingen komen uit het binnenste
en bezoedelen de mens.”

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XXII per annum. St. Augustinus. Dominus misertus est nostri. De Heer is ons genadig geweest.



Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)


Tweede lezing
  
Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop
(Sermo 23A, 1-4; CCL 41q,321-323)

De Heer is ons genadig geweest

Gelukkig zijn wij, als wij, wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan Zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou beroemen; want aan Zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.

Wij waren dus niet goed. Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen. Want Christus is voor goddelozen gestorven. En wat volgt er dan? Men zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand het wagen voor goeden te sterven. Er wordt misschien iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig maakt?

Wij bezaten, mijn broeder, hoegenaamd geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de mensen dusdanig waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek gelaten. En zo zond God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met zilver maar met de prijs van zijn vergoten bloed, toen het onbevlekte Lam naar de slachtbank werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren maar niet geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo leven, dat wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen. Zulk een groot geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu opnieuw ziek willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf worden, maar ook ondankbaar jegens de geneesheer.

Laten wij dus zijn wegen volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor ons te kunnen sterven, is het Woord, dat niet sterven kon, Vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.

Dat deed de Heer, dit heeft Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de doden, ons die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van rechtvaardigen. Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen, zullen wij de Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij zullen U loven, o God, U loven en uw Naam aanroepen.




Introitus Domenica XXII per annum Miserere mihi, Domine

Collectegebed 22e zondag door het jaar - Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam


Het is de “God van de Machten” en Krachten die in het collectegebed wordt aangeroepen, de oneindig Volmaakte – deze “vergrotende trap” is niet toereikend voor de oratie, zodat deze het nogmaals intensiveert: Die al het goede bezit”. Het is een uitdrukking van de liefde, maar juist zij heeft tot gevolg dat om die liefde wordt gebeden: “Plant in ons hart de liefde tot Uw Naam (d.i. tot U). ”De liefde lijkt op een plant, die bestemd is tot groei en vrucht voortbrengen. Haar groei is “vermeerdering van het geloof” in ons. Het Altaarmissaal vertaalt religionis augmento met “toenemen van het goede” en legt daarmee een link naar het begrip optimum in de openingszin van de oratie. Het begrip optimum (“het beste”), toegepast op God, moet begrepen worden als “perfect” of “volmaakt”.

De vrucht van de liefde is alles, wat goed is. God Zelf is de Liefde en bezit juist daarom, zoals het gebed zegt: “alles, wat het beste, alles wat volmaakt is.” De Liefde voedt in ons alles, wat goed is, en laat uiteindelijk de vrucht rijpen, indien de liefde blijft.  Wij bidden: “Bewaar, wat gevoed is.” We kunnen evengoed bidden: ”Bewaar in ons de liefde en de vrucht van het goede, die zij belooft”. Hij, die de liefde en haar vrucht in ons bewaart,  gelijkt op de waakzame wachter. De oratie ademt dat vertrouwen: “Hij, die u behoedt, slaapt niet. Nee, de Herder van Israel slaapt niet en sluimert niet” (Ps 121, 3.4).
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Met kleine verschillen is het collectegebed van de 22e zondag door het jaar gebaseerd op een oratie in het Sacramentarium Gelasianum (8e eeuw) en vervolgens op de collecta van de 6e zondag na Pinksteren in het Romeins Missaal van 1962.
T e k s t
Missale Romanum – 1962
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
insere pectoribus nostris amorem tui nominis, et præsta in nobis religionis augmentum; 
ut, quæ sunt bona, nutrias, ac pietatis studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Missale Romanum – 1970
Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
ut in nobis religionis augmento, quæ sunt bona nutrias, ac vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Altaarmissaal – 1979
Almachtige God, al het goede komt van U. Vervul ons hart van liefde voor uw Naam. Laat in ons hart het goede toenemen door een grotere ijver voor U en houd het in stand door uw voortdurende zorg.
Letterlijke werkvertaling:
God van de heerscharen, van wie alles is, wat het beste is;
Zaai in onze harten de liefde voor Uw Naam en wek in ons een toename van verbondenheid [met U],
zodat U [dat], wat door de toename van verbondenheid [met U],  goed is, voedt en
[zodat] U [dat], wat door onze onvermoeibare ijver, gevoed is, bewaart.

S t r u c t u u r

1.Deus virtutum, cuius est totum quod est optimum: 
Deus – vocatiefvorm: God wordt aangeroepen als God van de heerscharen, waarmee een van zijn hoedanigheden wordt uitgedrukt. De openingszin is een aaneenschakeling van twee relatieve bijzinnen: cuius est totum en quod est optimum. Parallelle zinsbouw: relativum, verbum,  naamwoord, waarbij de superlativus optimum een bepaling is bij het zelfstandige gebruikte adiectivum totum.
 
2.insere pectoribus nostris tui nominis amorem, et præsta,
Hoofdzin met de verba insere en præsta in de imperatief en met amorem als object en tui nominis als genitivus objectivus bij amorem.
 pectoribus nostris als bijwoordelijke bepaling in de ablativus: de eigenlijke bede.

3. ut in nobis, religionis augmento, quæ sunt bona nutrias, ac, vigilanti studio, quæ sunt nutrita, custodias.
Voor de duidelijkheid kan de zin op de onderstaande wijze gelezen worden;
1. ut in nobis nutrias, augmento religionis, [ea] quae sunt bona.
Het van ut afhankelijk nutrias is naar voren gehaald, gevolgd door de bijwoordelijke bepaling augmento religionis (ablativus+genitivus) die aangeeft waardoor het goede in ons ontstaat. Bij het relativum quæ ontbreekt een antecedent. Men spreekt van een ingesloten antecedent.  Men kan ea (= die dingen) als object bij nutrias aanvullen zodat het antecedent duidelijk wordt.
2. (ut) custodias, vigilanti studio, [ea] quæ sunt nutrita.
Dezelfde opbouw als het eerste deel van de zin. Beide zinsdelen zijn gekoppeld door het nevenschikkende voegwoord ac.
De coniunctivus custodias is eveneens afhankelijk van ut dat hier weggelaten is.
Opnieuw mag ea als verzwegen object aangevuld worden, zodat er bij het relativum quæ een duidelijk antecedent staat. De bijwoordelijke bepaling vigilanti studio (hier een ablativus absolutus constructie met het tegenwoordige deelwoord vigilanti) drukt uit waardoor wij gevoed zijn.

Mooi is het gebruik van het verbum nutrias (= voeden) in het eerste zinsdeel, dat in het tweede deel van de zin als voltooid (nutrita = gevoed) wordt bewaakt en bewaard door de Heer.
De halfzinnen 3.1 en 3.2 bevatten parallellen in klank: augmento…studio; nutrias..custodias, quæ sunt bona…quæ sunt nutrita : klankrijm aan het einde van het woord (eindrijm).
C o m m e n t a a r

Het collectegebed nodigt uit tot overweging: God moet mijn alles zijn; begin, vervolg en einde. Hij is de goede Tuinman van de tuin van mijn ziel ; Hij “zaait” de liefde tot God in het hart. Hij geeft “wasdom” aan het zieleleven. “Hij kweekt en verzorgt” de plantjes van de deugden, verwijdert het onkruid en begiet; Hij “behoedt” het tegen de vijanden. God is de Zaaier, de Zon, de Tuinman en de Behoeder van het leven der genade. God is sterk in ons. Hij stort ons zijn liefde in en vermeerdert onze ijver voor zijn dienst [=godsdienst]. Hij doet het goede in ons gedijen een bewaart het door ons telkens tot de Eucharistie te roepen, de Vrucht van de Verrijzenis.

De Katechismus van de Katholieke Kerk definieert "godsdienst" (religio)  als een set van overtuigingen en praktijken van hen die zich engageren voor de dienst en de aanbidding van God. Het Eerste Gebod vraagt ons om in God te geloven, Hem te aanbidden en te dienen, als eerste plicht van de deugd van godsdienstigheid (cf ook CCC 2084, 2135).
De H.  Thomas van Aquino († 1274) zegt dat godsdienst de deugd is waarmee de mens  de verschuldigde eredienst en eerbied aan God als de Schepper en opperste heerser van alle dingen (STh II-II, 81, 1 is) toont. We moeten onze afhankelijkheid van God erkennen door Hem een verschuldigde en passende eredienst te geven zowel innerlijk (bijvoorbeeld door daden van toewijding, eerbied, dankzegging, enz.) als uiterlijk (bijvoorbeeld uitwendige eerbied, liturgische handelingen, etc.). Tegen de deugd van godsdienst kan worden gezondigd door afgoderij, bijgeloof, heiligschennis en godslastering. Als schepsel moeten wij erkennen wie God is en dienovereenkomstig handelen, zowel innerlijk als uiterlijk. Wanneer dit tenslotte gewoon voor ons wordt, dan hebben we de deugd van godsdienst. Een deugd is een gewoonte. Een goede daad is nog geen deugd en maakt ons niet deugdzaam.  Als het moeilijk voor ons is om voorzichtig of gematigd of eenvoudig, enz. te zijn, dan hebben we nog niet de deugden. Onze vraag om godsdienstigheid of “verbondenheid” volgt onmiddellijk uit onze wens dat God de liefde voor zijn Heilige Naam in ons hart "zaait" (insere).  Dan smeken we om door God met alle goede dingen te worden gevoed als Hij in ons de godsdienstigheid of verbondenheid met Hem verhoogt. Dit leidt tot de juiste innerlijke en uiterlijke handelingen die noodza-kelijkerwijs voortvloeien uit het erkennen wie God echt is en wie we zijn.
We vinden in oude vertalingen van het Boek van de Psalmen in de Latijnse Vulgaat dat Deus virtutum wordt weergegeven als: "God der heerscharen".  Het document van de Heilige Stoel dat voorziet in de normen voor de liturgische vertalingen, Liturgiam authenticam (2001) zegt in nr. 51 dat “een gebrek aan afwisseling in de vertaling van de aanspreekvormen voor God zoals Domine, Deus, Omnipotens aeterne Deus, Pater enzovoorts, of van woorden die iets van smeken uitdrukken, een vertaling moeilijk kan maken en de rijkdom en schoonheid kan verduisteren waarmee in de Latijnse tekst de verhouding tussen de gelovigen en God wordt aangegeven". Deze moeilijkere bewoordingen verdienen te worden uitgediept.
Deus virtutum - virtutum is genitief meervoud van virtus, "mannelijkheid; sterkte, kracht; dapperheid, moed; oprechtheid, bekwaamheid; macht", enzovoort.  Virtutum is de vertaling van het Hebreeuwse tsaba', dat “leger, oorlog, strijd, legermacht” betekent. Tsaba' wordt toegepast op de heerscharen van engelen, op de legers van soldaten, en de hemelse machten van zon, maan en sterren. In het Sanctus van de Heilige Mis en in de grote hymne Te Deum zingen wij in navolging van de ontelbare menigte van heiligen en engelen, die gebogen staan voor Gods troon en nooit moe worden te herhalen in de hemelse liturgie: “Heilig, Heilig, Heilig, de HEER. GOD SABAOTH... God van de "hemelse heerscharen".

Lezingenofficie 22e zondag door het jaar 22e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie


  
Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing

Uit het Boek van de profeet Jeremia 11,18-20;12,1-13

De profeet stort zijn hart uit

De Heer onthulde mij een plan waar ik geen weet van had; hij liet mij zien wat de mannen uit Anatot in de zin hadden. Daarvoor was ik zo argeloos als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet dat ze tegen mij dit plan hadden gesmeed: ‘Laten wij die boom met al zijn vruchten vellen, hem uit het land der levenden wegkappen, dan wordt zijn naam nooit meer genoemd.’ ‘Maar, Heer van de hemelse machten, rechtvaardige rechter, u die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat u zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.’ Heer, u staat altijd in uw recht als ik het tegen u opneem. Toch vraag ik, hoe verantwoordt u dat boosdoeners in voorspoed leven, en trouwelozen rust genieten? U hebt hen geplant, ze schoten wortel, liepen uit en droegen vrucht. Ze hebben de mond vol van u, maar dragen u niet in het hart. Maar mij kent u, Heer, u ziet mij, u weet dat ik u in mijn hart draag. Sleep die boosdoeners weg, voer ze als schapen naar de slachtbank, zonder ze af om ze te laten doden. Hoe lang nog zal de aarde treuren, zullen gras en bloemen verdorren? Het vee en de vogels komen om door de wandaden van haar bewoners, die denken: Hij voorziet niet hoe ons einde zal zijn.’ ‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden, kun je het dan tegen paarden opnemen?
Jij struikelt al op het vlakke land, wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan? Ook je broers en zusters, je hele familie, zullen je laten vallen, ook zij zullen je naschreeuwen. Vertrouw hen niet, al zijn ze nog zo vriendelijk. Ik heb mijn volk verlaten, mijn bezit opgegeven, mijn zielsbeminde aan haar vijanden overgeleverd. Mijn eigen volk werd als een leeuw in het bos, het brulde tegen mij.
Daarom ben ik het gaan haten. Mijn volk is een nest hyena’s, en gieren cirkelen eromheen. Breng wilde dieren bijeen, laat ze komen om het te verslinden. Talloze herders hebben mijn wijngaard vernield, mijn akker laten vertrappen. Ze hebben mijn prachtige akker tot een troosteloze woestenij gemaakt. Hij is een wildernis geworden, dor en verlaten ligt hij erbij. Heel het land is verwilderd, want niemand bekommert zich erom. Op de kale heuvels in de woestijn doemen vernietigende legers op, de Heer houdt een verslindend zwaard gereed. Niemand is meer veilig, nergens in het land. Ze hebben tarwe gezaaid, maar distels geoogst. Ze hebben tevergeefs gezwoegd, ze staan verslagen bij hun oogst, door de brandende toorn van de Heer.

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus, bisschop

De Heer is ons genadig geweest

Gelukkig zijn wij, als wij, wat wij horen en zingen, ook doen. Want ons horen is een zaad, maar ons doen is de vrucht van het zaad. Nu ik dit vooruit gezegd heb, zou ik uw liefde willen aanmanen om niet onvruchtbaar de kerk binnen te gaan door wél zoveel moois te aanhoren maar niet goed te handelen. Want aan zijn genade danken wij ons heil, zoals de Apostel zegt: niet om de werken, opdat niemand zich zou beroemen; want aan zijn genade danken wij ons heil. Er ging immers (van onze kant) geen goed leven aan vooraf, dat Hij vanuit den hoge beminde en waarom Hij sprak: Laten wij die mensen tegemoet treden en helpen, want zij leven zo voorbeeldig. Hem mishaagde ons leven, Hem mishaagde alles in ons wat wij deden, maar Hem mishaagde niet wat Hijzelf in ons bewerkte. Derhalve, wat wij deden, zal ons verwerpen; wat Hij deed, zal ons redden.
Wij waren dus niet Goed. Maar Hij ontfermde zich over ons en zond zijn Zoon om te sterven, niet voor de goeden maar voor de slechten, niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen. Want Christus is voor goddelozen gestorven. En wat volgt er dan? Men zal niet licht iemand winden, die zijn leven geeft voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand het wagen voor goede te sterven. Er wordt misschien iemand gevonden, die het waagt voor een goede te sterven. Maar wie wil er sterven voor een slechte, een onrechtvaardige, een misdadiger, tenzij Christus alleen, die zo rechtvaardig was, dat Hij ook onrechtvaardigen rechtvaardig maakt?
Wij bezaten, mijn broeder, hoegenaamd geen goede werken, alleen maar slechte. Hoewel de werken van de mensen dusdanig waren, heeft zijn barmhartigheid de mensen niet in de steek gelaten. En zo zond God zijn Zoon om ons vrij te kopen, niet met goud noch met zilver maar met de prijs van zijn vergoren bloed, toen het onbevlekte lam naar de slachtoffering werd geleid voor zijn besmeurde schapen, die wel besmeurd waren maar niet geheel bedorven. Deze genade hebben wij ontvangen. Laten wij dan zo leven, dat wij die genade waardig zijn en die genade geen onrecht aan doen. Zulk een groot geneesheer kwam tot ons en vergaf ons al onze zonden. Als wij nu opnieuw ziek willen worden, zullen wij niet alleen een verderf voor onszelf worden, maar ook ondankbaar jegens de geneesheer.
Laten wij dus zijn wegen volgen, die Hij ons toont, vooral de weg van de nederigheid, omdat Hij zelf voor ons die Weg is geworden. Want Hij toont ons de weg van de nederigheid door zijn geboden en maakt die voor ons gereed door voor ons te lijden. Om dus voor ons te kunnen sterven, is het Woord, dat niet sterven kon, vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De ontsterfelijke nam de sterfelijkheid op Zich om voor ons te sterven en om door zijn dood onze dood te doden.
Dat deed de Heer, dit heeft Hij voor ons gedaan. De grote werd vernederd, de vernederde gedood, maar na gedood te zijn is Hij ook verrezen en verheven om ons, die dood waren, niet in de verwerping te laten, maar in Zich te verheffen door de verrijzenis uit de doden, die Hij nu heeft verheven tot het geloof en de belijdenis van rechtvaardigen. Dat gaf Hij ons als weg: de nederigheid. Als wij die beoefenen, zullen wij de Heer belijden en niet zonder reden zingen: Wij zullen U loven, o God, U loven en uw naam aanroepen.


(Sermo 23A, 1-4: CCL 41, 321-323)