dinsdag 28 juni 2022

28 juni H. Ireneüs van Lyon Bisschop van Lyon en martelaar Gedachtenis




Toespraak paus Benedictus XVI tijdens de algemene audiëntie van 28 maart 2007

De biografische gegevens over de heilige Ireneüs van Lyon stammen uit zijn eigen getuigenis, dat ons overgeleverd is door Eusebius in het vijfde boek van zijn Historia Ecclesiastica.

Ireneüs werd naar alle waarschijnlijkheid ongeveer rond 135-140 geboren te Smyrna (het tegenwoordige Izmir, Turkije), waar hij in zijn jeugd in de leer was bij bisschop Polycarpus, die op zijn beurt leerling was bij de apostel Johannes. We weten niet wanneer hij zich van  Asia Minor naar Gallië heeft begeven, maar de verhuizing moet zijn samengevallen met de eerste ontwikkelingen van een christengemeenschap in Lyon: in 177 treffen we hem hier aan bij het college van presbyters. Precies in dat jaar werd hij nar Rome gezonden met een brief van Lyon aan paus Eleuterus.
Door deze Romeinse missie ontkwam Ireneüs aan de vervolging door Marcus Aurelius, waarin minstens vierentachtig martelaren zijn gevallen, onder wie de bisschop van Lyon, de negentigjarige Pontius, die gestorven is aan mishandelingen in de gevangenis. Zo kwam het dat, na zijn terugkeer, Ireneüs tot bisschop van de stad gekozen werd. De nieuwe herder wijdde zich geheel aan zijn bisschopsambt, dat rond 202-203 tot een einde kwam, mogelijk door het martelaarschap.

Ireneüs is vooral een man van geloof en een herder. Van de Goede Herder heeft hij  het gevoel voor maat, de rijkdom van de leer en het missionaire vuur.  Als schrijver beoogt hij een dubbel doel: de ware leer verdedigen tegen de aanvallen van de ketters, en helder en duidelijk de waarheid van het geloof uiteenzetten. Aan deze doelen beantwoorden exact de beide werken die ons van hem zijn bijgebleven: de vijf boeken Tegen de ketterijen, en de Uiteenzetting van de apostolische prediking (die ook de oudste “catechismus van de katholieke leer” genoemd mag worden). Kortom, Ireneüs is de kampioen van de strijd tegen de ketterijen.

De Kerk van de tweede eeuw werd bedreigd door de zogenaamde gnosis,  een leer die stelde dat het geloof dat door de Kerk werd onderwezen louter symboliek was voor de eenvoudigen, die niet in staat waren moeilijke dingen te begrijpen; de ingewijden daarentegen, de intellectuelen – gnostici  noemden zij zich – zouden begrepen hebben wat achter deze symbolen stak, en zo een intellectualistisch christendom voor de elite hebben gevormd.
Uiteraard viel dit intellectualistisch christendom steeds meer uiteen in diverse denkrichtingen, die dikwijls vreemd en extravagant waren, maar voor velen aantrekkelijk. Een gemeenschappelijk element van deze stromingen was het dualisme, dat wil  zeggen: men ontkende het geloof in één enige God, Vader van allen, Schepper en Verlosser van de mens en de wereld. Om het kwaad in de wereld te verklaren, stelden zij dat er naast de goede God ook nog een negatief beginsel bestond. Dit negatieve beginsel zou de materiële dingen hebben voortgebracht, de materie als zodanig.

Stevig geworteld in de bijbelse leer van de schepping, weerlegt Ireneüs het gnostisch dualisme en pessimisme die heel de lichamelijke werkelijkheid van haar waarde beroofden. Vastberaden verdedigde hij de oorspronkelijke heiligheid van de materie, van het lichaam, van het vlees evenzeer als van de geest. Maar zijn werk gaat veel verder dan de weerlegging van de ketterij: men kan inderdaad zeggen dat hij zich presenteert als de eerste grote theoloog van de Kerk die de systematische theologie heeft geschapen. Zelf spreekt hij van het systeem van de theologie, dat wil zeggen van de samenhang van heel het geloof. In het middelpunt van zijn leer staat het vraagstuk van de norm of “regel van het geloof” en van de overdracht van het geloof. Voor Ireneüs valt de “regel van het geloof” in de praktijk samen met het Credo van de apostelen, en geeft ons de sleutel om het Evangelie te interpreteren, en om in het licht van het Evangelie het Credo te interpreteren. Het Symbolum Apostolicum, de geloofsbelijdenis van de apostelen, die zoveel als samenvatting is van het Evangelie, helpt ons te begrijpen wat het Evangelie zelf wil zeggen en hoe we het moeten lezen.

In feite is het Evangelie dat Ireneüs preekte het Evangelie dat hij van Polycarpus had ontvangen, de bisschop van Smyrna, en gaat het Evangelie van Polycarpus terug op de apostel Johannes, van wie Polycarpus een leerling was.  Zo is het ware onderricht niet dat, wat door intellectuelen uitgevonden is, hoog verheven boven het eenvoudig geloof van de Kerk. Het ware geloof is het geloof dat door de bisschappen wordt doorgegeven, die het langs een ononderbroken keten van de apostelen ontvangen hebben. Deze hebben niets anders geleerd dan juist dit eenvoudige geloof, dat ook de ware diepte is van de openbaring van God.


Er bestaat dus – zegt ons Ireneüs -  geen geheime leer achter het Credo van de Kerk. Er bestaat geen superieur christendom voor intellectuelen.  Het openlijk beleden geloof van de Kerk is het gemeenschappelijk geloof van allen. Alleen dit geloof is apostolisch, komt van de apostelen, dat wil zeggen van Jezus en van God. Hangen zij dit geloof aan, dat openlijk door de apostelen aan hun opvolgers is doorgegeven, dan moeten de christenen zich houden aan wat de bisschoppen zeggen, moeten zij in het bijzonder acht slaan op het onderricht van de Kerk van Rome, die de voorrang heeft en de oudste is. Deze Kerk heeft, vanwege haar oudheid, de meeste apostoliciteit.  Zij ontleent immers haar oorsprong aan de steunpilaren van heet apostelcollege, Petrus en Paulus. Met de Kerk van Rome moeten alle Kerken overeenstemmen en in haar de norm erkennen van de ware apostolische Traditie, van het gemeenschappelijke geloof van de Kerk.


Met zulke argumenten, hier heel kort samengevat, weerlegt Ireneüs vanuit de fundamenten de pretenties van deze gnostici, van deze intellectuelen. Op de eerste plaats: zij bezitten geen waarheid die hoger zou zijn dan die van het gemeenschappelijk geloof, want wat zij zeggen heeft geen apostolische oorsprong, is door henzelf uitgevonden. Op de tweede plaats zijn het heil en de waarheid niet het voorrecht en het monopolie van enkele weinigen, maar allen kunnen die bereiken door middel van de prediking van de apostelen en vooral van de bisschop van Rome.

In het bijzonder legt Ireneüs zich erop toe – steeds  in polemiek met het “geheime” karakter van de gnostiek en wijzend op de vele en onderling tegenstrijdige resultaten ervan – het authentieke begrip van de apostolische Traditie of Overlevering uit te leggen, dat wij in drie punten kunnen samenvatten.

a) De apostolische overlevering is “openbaar”, niet privé of geheim. Voor Ireneüs bestaat er geen twijfel dat de inhoud van het door de Kerk doorgegeven geloof die is, die zij van de apostelen en van Jezus, de Zoon van God, heeft ontvangen. Er bestaat geen ander onderricht dan dit. Voor wie dus de ware leer wil kennen, volstaat “de overlevering die van de apostelen komt en het geloof dat de mensen is verkondigd”: overlevering en geloof “die ons hebben bereikt door middel van de opvolging van de bisschoppen” (Adv.Haer. III, 3 3-4). Zo vallen dus het persoonlijk beginsel, namelijk de opvolging van de bisschoppen, en het leerstellige beginsel, namelijk de apostolische overlevering, samen.

b) De apostolische overlevering is ‘één’. Terwijl namelijk het gnosticisme onderverdeeld is in een veelvoud aan sekten, is de overlevering van de Kerk één wat haar fundamentele inhoud betreft, die Ireneüs, zoals we hebben gezien, juist de regula fidei of veritatis noemt – de regel van het geloof of van de waarheid – en wel omdat zij één is, eenheid schept doorheen de volkeren, door de verschillende culturen, de verschillende volkeren heen; omdat zij een gemeenschappelijk inhoud heeft als de waarheid, ondanks de verscheidenheid aan talen en culturen. Ireneüs heeft daarover een kostbare zin in het boek Tegen de ketterijen:
“De Kerk bewaart, ofschoon zij over de hele wereld is uitgezaaid, met zorg [het geloof van de apostelen] als bewoonde zij één en hetzelfde huis; op dezelfde manier gelooft zij in deze waarheden, als had zij één enkele ziel en één en hetzelfde hart; in volledige overeenstemming verkondigt en onderricht zij deze waarheden en geeft zij ze door als had zij één enkele mond. De talen van de wereld zijn verschillend, maar de kracht van de overlevering  is één en dezelfde: de Kerken in de Duitse landen hebben geen ander geloof ontvangen, noch geven zij een ander geloof door. Dat geldt ook voor de Kerken die in de Spaanse landen gesticht zijn of onder de Kelten of in de Oosterse gebieden of in Egypte of in Libië of in het centrum van de wereld” (I, 10, 1-2). Op dat moment, we zijn dan in het jaar 200, ziet men al de universiteit van de Kerk, haar katholiciteit en de eenmakende kracht van de waarheid, die deze zo verschillende werkelijkheden, van Duitsland tot Spanje, Italië, Egypte en Libië, verenigt in de ons door Christus geopenbaarde waarheid.

c) De apostolische overlevering is, zoals hij dat in de Griekse taal zegt waarin hij zijn boek geschreven heeft, “pneumatisch”, dat wil zeggen ‘geestelijk’, door de heilige Geest geleid; in het Grieks heet geest pneuma. Het gaat immers niet om een geloofsoverdracht die toevertrouwd is aan meer of minder geleerde mensen, maar aan de geest van God die er de betrouwbaarheid van garandeert.
Dit is het “leven” van de Kerk, datgene wat de Kerk steeds weer fris en jong maakt, dat wil zeggen vruchtbaar in talrijke charisma’s. Kerk en Geest zijn voor Ireneüs onafscheidelijk: “Dit geloof” zo lezen we weer in het derde boek van Tegen de ketterijen, “hebben wij van de Kerk ontvangen en wij behoeden het: het geloof wordt, als een kostbaar erfgoed dat in een waardevol vat wordt bewaard, door het werk van de Geest van God steeds opnieuw jong en verjongt ook het vat dat het bevat… Waar de Kerk is, daar is de Geest van God; en waar de Geest van God is, daar is de Kerk en elke genade”(III, 24, 1)

Zoals men ziet: Ireneüs beperkt zich niet tot een begripsbepaling van Traditie. Voor hem is Overlevering, de ononderbroken overlevering, geen traditionalisme, want deze Traditie wordt steeds van binnenuit tot leven gewekt door de heilige Geest, die haar opnieuw doet leven, die maakt dat zij binnen de levendigheid van de Kerk wordt geïnterpreteerd en verstaan. Door te blijven bij haar onderricht, wordt het geloof van de Kerk doorgegeven op een wijze die duidelijk maakt hoe zij moet zijn: namelijk  “openbaar”, “één”, “pneumatisch”, “spiritueel”. Uitgaande van elk van deze kenmerken kan men met vrucht de authenticiteit toetsen van de hedendaagse geloofsoverdracht in de Kerk.

Meer in het algemeen gezegd, is de leer van Ireneüs de waardigheid van de mens, naar lichaam en ziel, stevig verankerd in de schepping door God, in het beeld van Christus en in het voortdurende heiligingswerk van de Geest. Een dergelijke leer is als een ‘hoofdweg’ waarlangs samen met alle mensen van goede wil de inhoud en de grenzen zijn vast te stellen van een dialoog over de waarden, en een steeds weer nieuw elan gegeven kan worden aan de missionaire activiteit van de Kerk, aan de kracht van de waarheid, die de bron is van alle echte waarden in de wereld.