Christus ontvangt brood en
wijn voor de H. Eucharistie
Van dag tot dag een leven leiden dat meer gericht is
op de hemel
I n l e i d i n g
Wanneer
wij, zoals de teksten bij de bereiding van de offergaven zeggen, brood en wijn,
“voor het Aanschijn van God brengen”, worden zij onttrokken aan het profaan
gebruik en worden zij daardoor reeds God toegewijd. Met het begrip ‘dicata’,
toegewijd, is in het Gebed over de gaven
van deze zondag meer bedoeld. Het is reeds een anticiperen op de Consecratie.
Het zou denkbaar kunnen zijn dat reeds het gereedmaken van de heilige gaven van
brood en wijn met zoveel liefde geschiedt, dat deze liturgische handeling het
hart reeds zuiverde. Maar dan zou zeker
het tweede deel van de oratie niet gerealiseerd kunnen worden. Is de wijding
echter de Consecratie, dan vermag deze dag aan dag steeds nieuwe daden op te
wekken die kwalitatief zijn voor het eeuwige, hemelse leven.
Zijn
de gaven van brood en wijn middels de transsubstantiatie overgegaan in de
gedaante van het Lichaam en Bloed van de
Heer, dan kunnen zij ook iedere daad van het dagelijkse leven in een daad voor
het hemelse leven herscheppen. Dat is de bede die de Vader in deze oratie wordt
voorgelegd.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Oblatio nos,
Domine, tuo nomini dicata purificet,
et de die in diem ad cælestis vitæ
transferat actionem.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, deze gaven wijden wij toe aan uw
Naam.
Mogen ze ons zuiveren en ons helpen een
leven te leiden dat van dag tot dag meer gericht is op de hemel.
Werkvertaling
Moge, Heer,
de aan Uw Naam opgedragen offergave ons zuiveren,
en [ons] van
dag tot dag meer brengen tot een hemelse levenswandel.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden
in het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 563, Vat. Reg. lat. 316, eerste helft
van de achtste eeuw.
(E. Moeller, J.M. Clément en B.
Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, V, I-O, Brepols, Turnhout 1994, nr. 3604,
p. 272-273. De
verschillende codices geven de brontekst in twee versies met slechts de variant:
‘dicata’ respectievelijk ‘dicanda’)
In de edities van het Romeins
Missaal vóór MR 1970 was deze oratie de secreta van de tweede zondag na Pinksteren
met de variant ‘dicanda’ in plaats van ‘dicata’ (MR 1970). In deze versie wordt
met de gerundivumvorm ‘dicanda’ (letterlijk: [het offer] dat gewijd moet
worden) verwezen naar de Consecratie in het vervolg van de H. Mis, terwijl
‘dicata’ begrepen kan worden als anticipatie.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Oblatio nos,
Domine, tuo nomini dicata purificet,
2. et de die in diem ad cælestis vitæ
transferat actionem.
Het Gebed over de gaven bestaat uit één
enkele hoofdzin, te verdelen in twee zelfstandige halfzinnen verbonden door de
coniunctie et. De eerste halfzin met een coniunctief karakter (optativus)
behelst de bede dat God de offergaven die Hem zijn toegewijd, zuivert. In de
tweede halfzin, eveneens gesteld in de coniunctivus optativus, wordt de wens
uitgesproken dat de offergaven ons van dag tot dag dichter bij een hemelse
levenswandel brengen.
In de gezongen versie vormt de structuur
van de oratie een mooie melodische cursus.
Ad
1
Domine,
[o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van Dominus. De oratie richt zich tot
God als “Heer”. Domine, “Heer” of
“Meester” is de meest basale, directe en gebruikelijke benaming waarmee de Kerk
God aanspreekt in de super oblata. In
28 oraties wordt deze aanspreekvorm gebruikt.
Purificet,
hij, zij, het moge zuiveren, - prædicaat in de 3e pers. enkelv. van
het præsens activi coniunctivi van het verbum purificare vanwege het
gebedskarakter. Oblatio is het subject bij genoemd prædicaat in de
nominativusvorm; nos het object in de accusativusvorm van het persoonlijk
voornaamwoord nos (1e pers. pluralis).
Naast
de algemene betekenissen van ‘purificeren’ in het Nederlands zoals reinigen,
zuiveren, schoonmaken, heeft dit begrip in de liturgie de betekenis van het
reinigen van het sacrale vaatwerk, zoals de purificatio van de kelk en pateen
na de Communie van de priester in de H. Mis.
Tuo nomini dicata: aan uw Naam toegewijd,
bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit twee de congruerende dativusvormen
tuo en nomine (dativus commodi) en het participium perfecti passivi van het
verbum dicare, hier ook als een adiectivumvorm te lezen bij het substantivum
oblatio. Het verbum dicare en zijn
synoniem de-dicare roepen naar hun aard een dativus op (toewijden aan).
Waarom zouden we iets offeren aan Gods
Naam? Eerstens weten we dat de Naam van God heilig is en niet oneigenlijk of
ijdel gebruikt mag worden (cf Exodus 20, 7). Blaise’s “Le
vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques” (Ouvrage revu par Dom
Antoine Dumas o.s.b., Turnhout 1966) zegt op p. 283 dat in het Hebreeuwse
denken, een naam niet alleen een persoon aanduidt, maar uitdrukking is van
geheel de persoon. In Johannes 3, 18 lezen we over de reddende macht van de
Naam van God: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet
gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de
eniggeboren Zoon van God”.
Ad
2
Transferat, moge hij, zij, het overbrengen,
- prædicaat van het verbum transferre in de 3e pers. enkelvoud
præsentis coniunctivi (coniunctivus optativus), terugverwijzend naar het in
regel 1 genoemde subject oblatio.
Ad cælestis vitæ […] actionem, naar een hemelse
levenswandel (letterl.: naar een levenswandel van hemelse kwaliteit), - voorzetselbepaling
vanwege de præpositie ad + accusativus, bestaande uit de accusativusvorm
actionem, nader gepreciseerd door de twee congruerende genitivusvormen cælestis
vitæ (genitivus explicativus of qualitatis).
De die in diem, van dag tot dag, dagelijks,
- bijwoordelijke bepaling van tijd, die een versterkend, cumulatief karakter heeft.
De oratie toont meervoudig gebruik van o-
en i-klanken.
Alliteratie
in regel 1: Domine, dicata en regel 2: de die [in] diem
V o c a b u l a r i u m
Het begrip oblatio, - onis, v., komt
negenmaal voor in de ‘orationes super oblata’ , de gebeden over de offergaven op
de zondagen I, VI, XIV, XVIII, XXII, XXIV, XXVI, XXVIII en XXXI door het jaar.
Evenals hostia, -æ, f., donum, i, n. en munus, eris, n. verwijst het naar de gaven
die voor de H. Eucharistie worden geofferd, naar het Eucharistische gebed zelf,
of naar de offerande als liturgische handeling.
Dicare, dicavi, dicatum, 1., aan God
toewijden, (een intensivum van dico, dícere, 3) betekent allereerst: luid,
plechtig verkondigen en vervolgens wijden, plechtig aan een godheid wijden,
toewijden, opdragen. Het verbum is synoniem met consacreren, iets apart zetten,
reserveren voor God in een rituele handeling. Als een zeer technische term afkomstig
van de oude Romeinse gebeden, wordt dit verbum bijna uitsluitend in de
adiectieve vorm of het voltooid deelwoord gebruikt. De gaven die worden
geofferd worden genoemd munera…, hostias…, of sacrificia dicata. Op het eerste
gezicht denkt men eenvoudigweg aan de betekenis: “geofferd aan God”. Wij vragen God de gaven die wij aanbieden te
aanvaarden: “Hostias nostras…tibi dicatas assume, aanvaard onze offergaven U
toegewijd” (Secr. 1e zondag na Pinksteren, MR 1962) of om deze te
heiligen : “Munera tibi, Domine, dicata sanctifica”, heilig de gaven die wij U
wijden” (Secr. 18 juni Ss. Martyrum Marci & Marcelliani). God heeft bevolen
dat de materiële schepping, die Hij in
het bestaan heeft geroepen de mens ten dienste zou staan, maar ook, gedeeltelijk,
als gaven gereserveerd zouden worden tot Zijn eer: “Tuo quoque nomini munera
jussisti dicanda constitue”, (Secr.
feria V post Dom. Pass.). Ook eren we de heiligen door middel van gaven aan God
aangeboden: quem (S. Donatus) ad laudem nominis tui dicatis muneribus
honoramus, (Secr. 7 aug. Pro S. Donato). Het laatste voorbeeld “muneribus
dicatis” laat een rituele connotatie zien van “ritueel heilig zijnde”, “apart
gezet voor God”. De munera zijn
ritueel heilig, dat wil zeggen dat deze deel uitmaken van de sacrale handeling
zodra zij zijn geofferd. Het Gebed over de gaven van vandaag toont dat eveneens.
(Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S, Remarks on the Vocabulary of
the ancient orations in the Missale Romanum, Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 138-139)
Transferre, transtuli, translatum: 1. over iets heen
brengen of dragen 2. overdragen, overplaatsen 3. verplaatsen. verzetten 4.
verschuiven. uitstellen 5. verwijderen, vergeven 6. afschrijven; 7. pass.:
afvallen, afvallig worden. Het bijbehorende substantivum translatio betekent
1. overbrenging, het overdragen 2. het plaatsen, het verschuiven 3. vertaling.
Het Latijnse leenwoord translatie heeft in
het Nederlands vele betekenissen.
In liturgische zin verstaan men specifiek onder
translatie de overbrenging van het lichaam (of de relieken) van een heilige uit
het oorspronkelijke graf naar een nieuwe rustplaats of ook wel de overbrenging van
relieken uit de ene schrijn of kerk, naar de andere. De translatio gaat terug
tot de vierde eeuw toen de relieken van martelaren en belijders vanuit de
catacomben en kerkhoven naar de Romeinse stadsbasilieken werden overgebracht,
dikwijls als onderdeel van het ritueel van kerkwijding, en daar werden bijgezet
in een combinatie van altaar en martelaarsgraf (confessiealtaar). In de
geschiedenis van de liturgische heiligenverering heeft de translatio /
translatie een grote rol gespeeld: zij gold als een tweede depositio
(begrafenis) hetgeen aanleiding gaf tot een jaarlijkse gedenkdag van de bepaalde
heilige; bovendien was de translatie sinds de middeleeuwen tot de 13e
eeuw een vorm van heiligverklaring; gehoor gevend aan de vox populi gelastte de plaatselijke bisschop de opgraving
(elevatio) van de stoffelijke resten van de bepaalde persoon, erkende deze als
diens lichaam (recognitio), liet deze overbrengen naar de kerk, waar ze op
plechtige wijze onder (later ook: boven of achter) het altaar werden bijgezet,
en stelde een jaarlijks herdenkingsfeest in. De op de translatio volgende
bijzetting werd soms exaltatio genoemd (vgl.
de uitdrukking “tot de eer van de altaren verheffen”) vooral als hieraan
een plechtige toning ter openbare verering van de relieken verbonden was (vgl.
het feest Exaltationis Crucis, Kruisverheffing, 14 sept.).
Actio,
-onis vr. – heeft als betekenissen 1. het handelen 2. handeling, daad, werk, gratiarum actio (als kwalificatie van de lofzang ‘Te Deum’),
dankbetuiging 3. kracht 4. levenswandel. In religieus opzicht kan actio,
samenhangend met ágere, verwijzen naar een rituele of morele handeling. Vaak
wordt opgemerkt dat ágere en actio verwijzen naar technische termen met
betrekking tot de H. Eucharistie als zodanig of in nog ruimere zin de viering
van de liturgie in het algemeen. In deze oratie heeft actio een morele
betekenis: dat wij van dag tot dag groeien naar een moreel leven dat in
overeenstemming is met, en het resultaat is van de cultische handeling: moge dit offer ons zuiveren en ons dagelijks meer
brengen tot een op de hemel gerichte levenswandel.
C o m m e n t a a r
Waarom
biedt Jezus zich aan ons juist als voedsel aan? Is het niet merkwaardig, ja,
bijna ondenkbaar, dat Christus voor ons tot voedsel wilde worden? We staan hier
voor een wonderbare werkelijkheid. Christus is tot geestelijk voedsel geworden
om ons te tonen dat wij Hem noodzakelijk nodig hebben – zonder voedsel kan men
niet leven. Hij is werkelijk voedsel voor ons innerlijk leven, voor onze persoon,
voedsel dat eeuwig leven betekent; wij allen hebben dit voedsel nodig, en als
we willen kunnen we ons tot ons geluk allen daarmee voeden, met Jezus Christus in
‘gemeenschap’ treden en één worden. Ons leven van iedere dag ontvangt innerlijke kracht door dit voedsel
en het belooft ons ook de onsterfelijke volheid van de eeuwigheid, ‘pignus
futuræ gloriæ’ (onderpand van de toekomstige heerlijkheid).
Nog een tweede vraag kan worden gesteld:
Waarom wilde Jezus bij dit Sacrament twee verschillende gedaanten, namelijk
brood en wijn, ofschoon dit toch zichtbare omhulsels zijn voor een andere,
wezenlijke inhoud? Slechts om onder deze gedaanten de honger en de dorst van
onze zielen met spijs en drank te stillen (vgl. Thomas van Aquino, III, 73, 2)?
Ja. Maar het antwoord bevat eigenlijk meer en moeilijkers. Als gelovigen
christenen weten we dat Jezus aan dit Sacrament de betekenis van een tweevoudig
Offer [oblatio] wilde geven. Enerzijds verving Hij met de H. Eucharistie het
Joodse Pascha. Om die reden maakte Jezus zichzelf tot Paaslam, dat voor ons
verlossing bewerkt. Anderzijds zou dit Offer in het teken van het komende
Kruisoffer staan, waarbij uit het gefolterde Lichaam van Jezus bloed ten bate
van onze redding vloeide. Jezus is in de H. Eucharistie het Offerlam, dat in
zichzelf het enige, geldige verlossingsoffer weerspiegelt, namelijk het Offer
aan het Kruis; wanneer wij communiceren delen wij in dit Offer en worden wij zo
aan de vruchten van het verlossende Offer deelachtig.
Welk een grootse samenhang! Hoeveel
geheimen vloeien in dit mysterie samen, dat in het middelpunt van ons geloof in
de waarachtige aanwezigheid van Christus in de H. Eucharistie staat! We kunnen
er hier onmogelijk over uitweiden. Maar laten we ons afvragen: hoe kunnen we de
H. Eucharistie in ons persoonlijk leven en in dat binnen de gemeenschap van de
Kerk aan kracht doen gewinnen? Wij hoeven ons slechts het woord van Jezus te
herinneren: “Komt allen tot Mij!” Ja: “Komt allen tot Mij die vermoeid zijn en
onder lasten gebukt gaat! Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt 11, 28).
In de Heilige Eucharistie gaat het om een
Aanwezigheid, die uitnodigt. Jezus
nodigt ons uit als een vriend, doordat Hij ons zijgend tegemoet komt. Hij wacht
onvermoeibaar, bereid om allen te ontvangen. Hij nodigt ons uit tot een Maaltijd,
dat tegelijkertijd een unieke viering van eenheid, lijden en liefde is. Zijn
uitnodiging geldt vooral hen die het meeste te lijden en te dragen hebben; de
armen, degenen die wenen; de eenzamen en hen die verlaten zijn; degenen die worden
vervolgd, de kleinen en onschuldigen. Jezus roept hen en nodigt hen uit.
Zijn stem bereikt ook degenen die ver
verwijderd zijn, de ontgoochelden, de vluchtelingen, hen die van de rechte weg
zijn afgedwaald. Kom, de deur staat open voor allen die hun zonden berouwen en
geloven. Kom, zegt Hij, “Ik ben de Weg, de Waarheid en het leven” (Jo 14, 6).
Dit is zijn stem, die ook vandaag de dag
nog altijd vanuit dit door stilte en zwijgen omhulde Sacrament te vernemen is,
omdat Hij midden onder ons tegenwoordig is. In ieder H. Misoffer roept Hij,
voor alle aanwezigen omhoog geheven, met heel zijn goddelijke en menselijke
indringendheid ons toe wat Hij reeds in het Evangelie, over het water wandelend
in de nachtelijke storm zijn leerlingen toeriep: “Vrees niet, Ik ben het, heb
vertrouwen!” (Mt 14, 27). Kom!
(Bewerkt
gedeelte uit de Homilie van paus Paulus VI op Sacramentsdag gehouden in een van de Romeinse parochies, 13 juni
1974)