Posts tonen met het label hebdomada XIV per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XIV per annum. Alle posts tonen

zondag 6 juli 2025

Overweging - God is er voor de mens. 14C


U kent ze allemaal wel, de horoscopen, die de toekomst willen voorspellen. Alsof ons geluk afhangt van een hoopje stof ! Dat er veel belangstelling voor is, komt omdat mensen graag willen weten hoe hun toekomst er uitziet, en wie invloed heeft op hun leven.

Medemensen kunnen macht hebben, denk maar eens aan dictaturen.

Verder kunnen allerlei dingen ons leven behéérsen : iets wat men zeker moet hebben ; of ook hinderlijke dingen waarvan mensen zich maar moeilijk kunnen bevrijden.

Laten we nu eens kijken naar wat het evangelie ons in dit verband te zeggen heeft.

De leerlingen van Jezus gaan overal preken. En welke boodschap hebben ze ? ... Het rijk van de liefdevolle God is nabij.

Niet de sterren heersen over ons, het laatste woord hebben mensen en dingen niet. Als het er op aankomt blijkt dat God de grootste kracht heeft, ja, is. Het is een kracht die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van oneindige, mateloze liefde.

Als we ons leven vergelijken met het oversteken van een zee, dan heeft Hij ons weliswaar geen rustige overtocht beloofd, maar wel een behouden aankomst. Uiteindelijk leidt Hij alles ten goede. Hij, immers laat niemand in de steek. Hij is het, die ons door het leven leidt. Op Hem kunnen wij vertrouwen.

Het rijk van de liefdevolle God is er, zegt Jezus. Hij heeft het ons laten ervaren. Jezus bracht vrede onder de mensen. Die vrede kwam er doordat Hij begrip had voor de medemensen, Hij ging in op hun vreugde en verdriet. Hij bezocht zieken en mensen die niet meer meetelden. Hij gaf hun het gevoel dat zij er ook mochten zijn. Jezus trok weldoende rond, om het kort te zeggen. Hij bracht de grenzeloze liefde van God onder de mensen.

En waar mensen zó leven, kunnen zijzelf ervaren dat God van binnen vreugde geeft, vrede en een gevoel van geborgenheid. Dan ervaren zij en ook anderen dat God er is voor de mens.

Ervaart u ook dat God er voor u is ?


The Church’s Marching Orders - Bishop Barron's Sunday Sermon 14C

zaterdag 5 juli 2025

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XIV per annum Sacrificium Deo spiritus contritus. Een offer voor God is een vermorzelde geest





Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Augustíni epíscopi
(Serm. 19, 2-3: CCL 41, 252-254)

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Augustinus
Sermo 19, 2-3; CCL 41,252-254
Een offer voor God is een vermorzelde geest
Ik erken, zegt David, mijn misdaad. Maar als ik deze erken, vergeeft Gij ze mij dan. Laten wij aannemen dat wij geenszins zonder zonde zijn, ook al leven wij goed. Laat het leven dan zo geprezen worden, dat er vergeving wordt gevraagd. Maar wanhopigen zijn, naarmate zij minder op hun eigen zonden bedacht zijn, des te nieuwsgieriger omtrent de zonden van anderen. Want ze zoeken daar niet iets om te verbeteren, maar om te hekelen. En terwijl zij zichzelf niet kunnen verontschuldigen, staan ze klaar om anderen te beschuldigen. Niet op die manier gaf David ons een voorbeeld van gebed en voldoening geven aan God, als hij zegt: Omdat ik mijn misdaad erken en mijn zonde altijd voor ogen heb. Hij had geen belangstelling voor de zonden van anderen. Hij riep zichzelf ter verantwoording; hij vleide zichzelf niet, maar drong steeds dieper in zichzelf door. Hij spaarde zichzelf niet, en daarom was het niet onbeschaamd te vragen dat hij gespaard zou worden.
Wilt Gij God behagen? Dat moet ge leren inzien, wat ge bij u zelf moet doen om God met u te verzoenen. Let goed op dezelfde psalm [50 (50)], want daar leest men: Want hadt Gij een offergave gewild, dan had ik U ze zeker gebracht; in brandoffers hebt Gij geen behagen. Dus zult ge maar zonder offer zijn? Dus niets offeren? Met geen offergave God willen verzoenen? Wat hebt ge daar gezegd? Had Gij een offergave gewild, dan had ik ze U zeker gegeven; in brandoffers hebt Gij geen welbehagen. Lees verder, luister en zeg: Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Door weg te werpen, wat ge wilde brengen, hebt ge het juiste gevonden om te offeren. Immers, bij uw vaderen offerde men offers van vee, en dat werden offergaven genoemd. Als Gij een offergave had gewild, dan had ik ze U zeker gebracht. Dat soort offers vraagt Gij dus niet, en toch vraagt Gij een offer.
In brandoffers hebt Gij geen behagen, zegt de Schrift. Maar als Gij U dan niet verheugt over brandoffers, zult Gij dan zonder offers blijven? Dat zeker niet. Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Hier hebt ge, wat ge kunt offeren. Ge behoeft uw kudde niet nauwkeurig te monsteren, geen schapen klaar te maken en door te dringen tot de uiterste landstreken om er reukwerken weg te halen. Zoek in uw eigen hart wat God aangenaam is. Dat hart moet zich vermorzelen. Wat vreest ge, dat zo’n vermorzeld hart zal omkomen? Hier hebt ge het: God, schep in mij een zuiver hart. Maar om te bewerken, dat uw hart tot een zuiver hart wordt herschapen, moet het onreine erin vermorzeld worden. Laten wij aan onszelf mishagen, wanneer wij zondigen, omdat de zonden aan God mishagen. Maar omdat wij niet zonder zonde zijn, laten wij dan hierin minstens op God gelijken, dat hetgeen Hem mishaagt, ook ons mishaagt. Dan zijt gij tenminste in één opzicht met Gods Wil verenigd, omdat datgene, wat u in u zelf mishaagt, ook Hém mishaagt, die u gemaakt heeft.


Introitus Dominica XIV per annum: Suscepimus Deus

Lezingen H. Mis 14e zondag door het jaar C - Het Rijk Gods is u nabij

Eerste lezing (Jes. 66,10-14c)
Uit de Profeet Jesaja.
Verheug u met Jeruzalem, en juich over haar,
allen die haar liefhebben!
Neem deel aan haar vreugde, allen die over haar treuren!
En laat u tot verzadiging toe
zogen aan haar borsten vol troost,
en u vol genot laven
aan haar zo rijke boezem.
Want zo spreekt de Heer:
“Als een rivier leid Ik de vrede naar haar toe,
en als een onstuimige stroom de schatten der volken.
Gij zult gezoogd worden,
gedragen op de arm,
vertroeteld op de schoot!
Zoals een moeder haar kind troost,
zo zal Ik u troosten:
Jeruzalem zelf zal uw troost zijn.
Wanneer gij dat ziet
zal uw hart zich verheugen,
uw beenderen zullen bloeien als het jonge groen,
en de dienaren des Heren
zullen zijn macht ervaren!”

Tweede lezing (Gal. 6,14-18)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten.
Broeders en zusters, God beware mij ervoor op iets anders te roemen
dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus,
waardoor de wereld voor mij gekruisigd is
en ik voor de wereld.
Besneden zijn betekent niets,
en onbesneden zijn betekent niets.
Het gaat er alleen om een nieuwe schepping te zijn!
Vrede en barmhartigheid kome over allen,
die naar dit beginsel willen leven,
en over heel het volk Gods!
Laat voortaan niemand mij lastig vallen,
want ik draag de merktekenen van Jezus in mijn lichaam.
Broeders en zusters,
de genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.
Woord van de Heer.

Evangelie (Lc. 10,1-12.17-20)
In die tijd wees de Heer tweeënzeventig leerlingen aan
en zond hen twee aan twee voor zich uit
naar alle steden en plaatsen
waarheen Hijzelf van plan was te gaan.
Hij sprak tot hen:
“De oogst is groot,
maar arbeiders zijn er te weinig.
Vraagt daarom de Heer van de oogst
arbeiders te sturen om te oogsten.
Gaat dan,
maar zie, Ik zend u als lammeren onder de wolven.
Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel
en groet niemand onderweg.
In welk huis ge ook binnengaat,laat uw eerste woord zijn:
Vrede aan dit huis!
Woont daar een vredelievend mens,
dan zal uw vrede op hem rusten;
zo niet, dan zal hij op u terugkeren.
Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden;
want de arbeider is zijn loon waard.
Gaat niet van het ene huis naar het andere;
in elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt,
eet wat u wordt voorgezet,
geneest de zieken, die er zijn
en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij.
In elke stad waar ge binnengaat en niet ontvangen wordt,
trekt daar door de straten en zegt:
Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft,
schudden wij tegen u af.
Maar weet dit wel: Het Rijk Gods is nabij.
Ik zeg u:
die dag zal het voor de mensen van Sodom draaglijker zijn
dan voor die stad.”

De tweeënzeventig keerden vol blijdschap terug en zeiden:
“Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam.
Hij zeide tot hen:
“Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
Ik heb u macht gegeven
op slangen en schorpioenen te treden,
te heersen over heel de kracht van de vijand;
en niets zal u kunnen schaden.
Toch moet ge u niet verheugen over het feit
dat de duivels aan u onderworpen zijn,
maar verheug u
omdat uw namen staan opgetekend in de hemel.”

zaterdag 2 juli 2022

Collectegebed 14de zondag door het jaar - laat ons eens delen in de vreugde van uw Koninkrijk

I n l e i d i n g
Het collectegebed van de 14de zondag door het jaar biedt het beeld van de materiële schepping als een krachteloos lichaam, verzwakt door zonde en liggend in het stof, waaruit het eens is voortgekomen. De erfzonde verwondde heel de schepping. Dit kunnen we elke dag ervaren. De harmonie die zou moeten bestaan binnen de schepping, tussen ons en de rest van de stoffelijke schepping, is ver te zoeken; wij schieten tekort als rentmeesters. God bewerkte echter het paradoxale wonder dat Hij de falende wereld herstelde en een nieuwe kans gaf. Door de neerdaling van Christus als liberator, Verlosser, en diens aannemen van een menselijk lichaam heeft Hij de gevallen wereld weer opgericht. “De dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen” (1 Kor 1,15). 
Christus wekt ons, en bevrijdt ons van zonde en dood. Als we meewerken en weer op onze voeten staan, richt de Heer ons eerst weer op de vreugde die in deze wereld mogelijk is, en daarna, op die van de komende wereld. De heilige vreugde die in het collectegebed wordt afgebeden, is niet van deze wereld, zij bestaat niettemin in onze tijdelijkheid, maar zij reikt met haar werking tot in de eeuwigheid, omdat God het is, die deze vreugde voor ons bewerkt. En degenen van onze lezers die meer of minder regelmatig biechten, weten over welke vreugde we het hier hebben.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui Filii tui humilitate iacentem mundum erexisti,
fidelibus tuis sanctam concede lætitiam,
ut, quos eripuisti a servitute peccati, gaudiis facias perfrui sempiternis.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie - 1979
God, door de vrijwillige vernedering van uw Zoon hebt gij de gevallen mensheid weer opgericht.
Schenk uw gelovigen de ware blijdschap. Gij hebt ons allen uit de slavernij van de zonde bevrijd; laat ons eens delen in de vreugde van uw Koninkrijk.

Werkvertaling
God, die door de vernedering van uw Zoon de terneerliggende wereld hebt opgericht,
verleen uw gelovigen een heilige blijdschap,
opdat Gij hen die Gij aan de slavernij van de zonde hebt ontrukt, de eeuwige vreugden doet / laat genieten.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n   
Het collectegebed lijkt op dat van de 2de zondag na Pasen in het Romeins Missaal van 1962. Het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 514,  uit de 1ste helft van de achtste eeuw heeft een vroegere versie die kennelijk als basis heet gediend.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l fi g u r e n
1. Deus, qui Filii tui humilitate iacentem mundum erexisti,
2. fidelibus tuis sanctam concede lætitiam,
3. ut, quos eripuisti a servitute peccati, gaudiis facias perfrui sempiternis.
Ad 1
Deus, God, anaklese in de vocativusvorm aan de spits van de oratie, gevolgd door een relatieve bijzin waarin de bidder God diens hoogste liefde tot de mensen onder ogen brengt: de Vader heeft immers zijn eniggeboren en geliefde Zoon uitgeleverd om de mens die zich tot slaaf had gemaakt van de zonde op te richten: “O onschatbaar bewijs van uw liefde: om de slaaf vrij te kopen hebt Gij de Zoon prijsgegeven”, zingt de diaken in het Exsultet van de Paasnacht bij de herdenking van het verlossingsmysterie. Weer is het de verwondering over het – menselijkerwijs gesproken – paradoxale in de openbaring van de goddelijke liefde, die zich hier doet horen. Weerloos en ongewapend – slechts met het ontwapenende van Zijn nederigheid die tegelijk Zijn schoonheid is – heeft de Zoon – Pastor bonus maar tegelijk Agnus Dei - de neerliggende kudde weer opgericht. Erexisti: prædicaat, 2e persoon van de perfectumvorm van erigere. Iacentem mundum: object bij erexisti in twee congruerende accusativusvormen waarbij iacentem (participium præsentis activi) een bijvoeglijke bepaling is bij mundum. Filii tui humiliate: bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat samengesteld uit de ablativusvorm humilitate (ablativus instrumentalis vergezeld van twee congruerende genitivusvormen: geniticus explicativus)
Ad 2
Regel 2 van het collectegebed bevat de strikte bede en staat mooi in het midden van de oratie.
Concede: imperativusvorm, uiteraard niet op te vatten als een strikt gebieden, maar eerder als een “opwekking” met als object sanctam laetitiam in twee congruerende accusativusvormen en met het verbum concede een hyperbaton stijlfiguur vormend. Fidelibus tuis: bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen: dativus commodi.
Ad 3
ut, quos eripuisti a servitute peccati, gaudiis facias perfrui sempiternis.
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolgaanduidende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut die een wenskarakter heeft. Deze bijzin wordt onderbroken door de afhankelijke zin quos…peccati. [ut] facias perfrui: prædicaat, bestaande uit twee werkwoordsvormen met de bijwoordelijke bepaling gaudiis…sempiternis die eveneens een hyperbaton vertoont, bij zich. De congruerende ablativusvormen worden bepaald door het verbum perfrui (zie toelichting in het Vocabularium). In dit zinsdeel is het antecedent eos, waarvan quos in de afhankelijke bijzin het relativum is, verzwegen: opdat/zodat Gij hen die Gij aan de slavernij van de zonde hebt ontrukt, de eeuwige vreugden doet / laat genieten. Eripuisti: prædicaat, gevolgd door de bijwoordelijke bepaling a servitute peccati: servitute: ablativusvorm geregeerd door het præpositum a, nader gepreciseerd met de bijvoeglijke bepaling peccati: genitivus explicativus.

V o c a b u l a r i u m
 Perfruor (“volkomen/voortdurend genieten”) is een van die weinige deponente werkwoorden (werkwoordsvormen in het passivum maar met actieve betekenis) die gewoonlijk het bijbehorende “object” (dat wezenlijk meer is dan een instrument) in de ablativus heeft staan, bijvoorbeeld: fruor, “ik geniet van… /ik profiteer van…).
Gaudium en laetitia kunnen beide worden vertaald met “vreugde” maar “vreugde” kent meerdere facetten.  Gaudium verwijst volgens sommigen vooral naar innerlijke vreugde terwijl laetitia meer op de uitwendige uitdrukking van vreugde doelt. Maar gaudium in het meervoud, zoals in de oratie van vandaag, kan volgens anderen ook betekenen “uitwendige uitdrukkingen van vreugde” als in “onbegrensd geluk” of “eindeloze gelukzaligheid”, terwijl laetitia eenvoudig “voorspoed” is. Er is dus een geestelijk-materieel onderscheid, maar deze nuances moeten ook weer niet te zeer worden benadrukt. De voorschriften van klassieke redenaarskunst – deze oratie is tamelijk oud – vereisten niet alleen een rijke woordenschat, maar ook het vermijden van herhaling en eentonigheid – tenzij opzettelijk als stijlfiguur. Daarom kent ook “oratietaal” een grote gelaagdheid die in het Latijn al moeilijk te vatten is, laat staan in een Nederlandse vertaling op een bepaald moment. Zo valt bij deze oratie in de vertaling van het Altaarmissaal op dat zonder noodzaak het woord “vrijwillige” is toegevoegd alsof in de heilsorde denkbaar zou kunnen zijn dat God de Vader de Zoon tot iets dwong, laat staan tot de vernedering van het Kruis.
Erigo is “’opheffen, opzetten, oprichten” en ook  “wekken, opwekken, prikkkelen” terwijl iaceo is “liggen” zoals in “ziek of dood liggen, ter neer liggen, gevallen” of “neergeworpen, neergesmakt zijn, onbeweeglijk op de grond liggen”. A. Blaise zegt in zijn dictionnaire van liturgisch Latijn dat humilitas,laagheid, nederigheid, nederige staat”, een meer theologische betekeneis heeft, namelijk de “vernedering” van de Mens-geworden God die de gestalte van een “slaaf” aannam (vgl. Fil 2,7). Blaise citeert het collectegebed van deze zondag onder het lemma “humilitas”. Humilitas komt van humus, “modder, slijk, aarde, grond”.

C o m m e n t a a r
De laatste zin van het collectegebed doet denken aan andere bekende Latijnse gebeden. In het afsluitende gebed van de Lauretaanse Litanie van O.L.Vrouw wordt gebeden: “(…) a praesenti liberari tristitia, et aeterna perfrui laetitia – “dat we verlost mogen worden van de tegenwoordige droefheid en de eeuwige vreugde mogen genieten”; we zien de overgang van droefheid naar vreugde. Verder, wanneer een priester zich kleedt voor de H.Mis zegt hij traditiegetrouw speciale gebeden bij  het zich bekleden met elk onderdeel van de liturgische gewaden.  Bij de albe bidt hij: Dealba me, Domine, et munda cor meum, ut in sanguine agni de albatus gaudiis perfruar sempiternis, dat is vertaald: “Zuiver mij, o Heer en maak mijn hart rein, opdat ik in het Bloed van het Lam gezuiverd, de eeuwige vreugde moge genieten”. Eerst het Offer, vervolgens de vreugde.
Bij een eerdere bespreking van de collectegebeden zagen we een patroon van descendere en ascendere, van “afdalen en opklimmen”, van “weggaan en terugkeren”.  Vóór de Verrijzenis komt de Passie, het Lijden. Vóór verheffing is er vernedering. Afdaling, lijden en vernedering brengen verrijzenis, terugkeer en vreugde: beide bewegingen omvatten zowel het inwendige als het uitwendige van de mens, kortom heel de mens in alle facetten van zijn bestaan.
Zoals gezegd vertoont het collectegebed van vandaag gelijkenis met een gebed uit het Romeinse Missaal van 1962. De postconciliaire versie zegt: (…) quos eripuisti a servitute peccati (…) – “die Gij uit de slavernij van de zonde hebt bevrijd” en de collecte van het Romeinse Missaal 1962 zegt: (…) quos perpetuæ mortis eripuisti casibus (…) – “die Gij hebt ontrukt aan de ondergang in de eeuwige dood”.
We hebben in de twee versies van de oratie te doen met een verschillende typering van degenen die dit gebed uitspreken.  De oude versie (1962) paste volledig in de opgeroepen klassieke aanschouwelijkheid van de op vallen en weer opgericht worden ingestelde oratie. De neerliggende wereld, door de zonde ten val gebracht, liep het gevaar verder naar beneden te storten in een niet meer omkeerbare beweging tot in de afgrond van de eeuwige dood. Dit gevaar is afgewend door de Dood van Christus – zijn diepste vernedering in volledige zelfontlediging. De Dood van Christus heeft een oneindig gewicht, triomfeert over de eeuwige dood in de Verrijzenis van de Heer én in die van de zijnen.


In de postconciliaire editie van het gebed in de Novus Ordo ontbreken de ondubbelzinnige concepten van zonde, schuld en veroordeling, ten gunste van een wellicht iets minder bedreigend begrip van “bevrijding uit de slavernij van de zonde”. De veranderde postconciliaire versie zou door Fil 2 geïnspireerd kunnen zijn, waar de vernedering van Christus aan een bestaan als slaaf wordt gerelateerd. De goddelijke heilsdaad van het oprichten van de terneerliggende wereld, zoals de Novus Ordo versie van de oratie het formuleert, is echter nog steeds niets anders dan de bevrijding uit de knechtschap van de slavernij, veroorzaakt door de zondeval.
Wanneer men de realiteit van de “slavernij van de zonde” diep geestelijk tot zich laat doordringen is dit besef verschrikkelijk. Het "loon" van de zonde is immers de dood (vgl. Rom 6,23)… Om deze slavernij te keren werd de Zoon van God  zelf “als een slaaf” (vgl. Fil 2,7). In de oratie van vandaag bidden we te mogen delen in de vreugde van Gods Koninkrijk nadat God ons allen uit de slavernij van de zonde heeft bevrijd; daar bidden we morgen speciaal voor in het collectegebed en ook op andere liturgische momenten op vele manieren, maar deze bede hoort ook rotsvast in ons eigen geestelijk leven verankerd te zijn: zonder God kunnen we niets en met Gods  genade kunnen we alles.
(Bewerking van en vertaling van diverse commentaren, onder dank aan FatherZuhlsdorf, WDTPRS)


Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 14e zondag per annum / door het jaar Van dag tot dag een leven leiden dat meer gericht is op de hemel.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Van dag tot dag een leven leiden dat meer gericht is op de hemel

I n l e i d i n g
Wanneer wij, zoals de teksten bij de bereiding van de offergaven zeggen, brood en wijn, “voor het Aanschijn van God brengen”, worden zij onttrokken aan het profaan gebruik en worden zij daardoor reeds God toegewijd. Met het begrip ‘dicata’, toegewijd,  is in het Gebed over de gaven van deze zondag meer bedoeld. Het is reeds een anticiperen op de Consecratie. Het zou denkbaar kunnen zijn dat reeds het gereedmaken van de heilige gaven van brood en wijn met zoveel liefde geschiedt, dat deze liturgische handeling het hart reeds zuiverde.  Maar dan zou zeker het tweede deel van de oratie niet gerealiseerd kunnen worden. Is de wijding echter de Consecratie, dan vermag deze dag aan dag steeds nieuwe daden op te wekken die kwalitatief zijn voor het eeuwige, hemelse leven.
Zijn de gaven van brood en wijn middels de transsubstantiatie overgegaan in de gedaante  van het Lichaam en Bloed van de Heer, dan kunnen zij ook iedere daad van het dagelijkse leven in een daad voor het hemelse leven herscheppen. Dat is de bede die de Vader in deze oratie wordt voorgelegd.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Oblatio nos, Domine, tuo nomini dicata purificet,
et de die in diem ad cælestis vitæ transferat actionem.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, deze gaven wijden wij toe aan uw Naam.
Mogen ze ons zuiveren en ons helpen een leven te leiden dat van dag tot dag meer gericht is op de hemel.

Werkvertaling
Moge, Heer, de aan Uw Naam opgedragen offergave ons zuiveren,
en [ons] van dag tot dag meer brengen tot een hemelse levenswandel.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 563, Vat. Reg. lat. 316, eerste helft van de achtste eeuw.
(E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, V, I-O, Brepols, Turnhout 1994, nr. 3604, p. 272-273. De verschillende codices geven de brontekst in twee versies met slechts de variant: ‘dicata’ respectievelijk ‘dicanda’)
In de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970 was deze oratie de secreta van de tweede zondag na Pinksteren met de variant ‘dicanda’ in plaats van ‘dicata’ (MR 1970). In deze versie wordt met de gerundivumvorm ‘dicanda’ (letterlijk: [het offer] dat gewijd moet worden) verwezen naar de Consecratie in het vervolg van de H. Mis, terwijl ‘dicata’ begrepen kan worden als anticipatie.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Oblatio nos, Domine, tuo nomini dicata purificet,
2. et de die in diem ad cælestis vitæ transferat actionem.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele hoofdzin, te verdelen in twee zelfstandige halfzinnen verbonden door de coniunctie et. De eerste halfzin met een coniunctief karakter (optativus) behelst de bede dat God de offergaven die Hem zijn toegewijd, zuivert. In de tweede halfzin, eveneens gesteld in de coniunctivus optativus, wordt de wens uitgesproken dat de offergaven ons van dag tot dag dichter bij een hemelse levenswandel brengen.
In de gezongen versie vormt de structuur van de oratie een mooie melodische cursus.

Ad 1
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van Dominus. De oratie richt zich tot God als “Heer”. Domine, “Heer” of “Meester” is de meest basale, directe en gebruikelijke benaming waarmee de Kerk God aanspreekt in de super oblata. In 28 oraties wordt deze aanspreekvorm gebruikt.
Purificet, hij, zij, het moge zuiveren, - prædicaat in de 3e pers. enkelv. van het præsens activi coniunctivi van het verbum purificare vanwege het gebedskarakter. Oblatio is het subject bij genoemd prædicaat in de nominativusvorm; nos het object in de accusativusvorm van het persoonlijk voornaamwoord nos (1e pers. pluralis).
Naast de algemene betekenissen van ‘purificeren’ in het Nederlands zoals reinigen, zuiveren, schoonmaken, heeft dit begrip in de liturgie de betekenis van het reinigen van het sacrale vaatwerk, zoals de purificatio van de kelk en pateen na de Communie van de priester in de H. Mis.
Tuo nomini dicata: aan uw Naam toegewijd, bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit twee de congruerende dativusvormen tuo en nomine (dativus commodi) en het participium perfecti passivi van het verbum dicare, hier ook als een adiectivumvorm te lezen bij het substantivum oblatio.   Het verbum dicare en zijn synoniem de-dicare roepen naar hun aard een dativus op (toewijden aan).
Waarom zouden we iets offeren aan Gods Naam? Eerstens weten we dat de Naam van God heilig is en niet oneigenlijk of ijdel gebruikt mag worden (cf Exodus 20, 7). Blaise’s “Le vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques” (Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas o.s.b., Turnhout 1966) zegt op p. 283 dat in het Hebreeuwse denken, een naam niet alleen een persoon aanduidt, maar uitdrukking is van geheel de persoon. In Johannes 3, 18 lezen we over de reddende macht van de Naam van God: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God”. 
Ad 2
Transferat, moge hij, zij, het overbrengen, - prædicaat van het verbum transferre in de 3e pers. enkelvoud præsentis coniunctivi (coniunctivus optativus), terugverwijzend naar het in regel 1 genoemde subject oblatio.
Ad cælestis vitæ […] actionem, naar een hemelse levenswandel (letterl.: naar een levenswandel van hemelse kwaliteit), - voorzetselbepaling vanwege de præpositie ad + accusativus, bestaande uit de accusativusvorm actionem, nader gepreciseerd door de twee congruerende genitivusvormen cælestis vitæ (genitivus explicativus of qualitatis).
De die in diem, van dag tot dag, dagelijks, - bijwoordelijke bepaling van tijd, die een  versterkend, cumulatief karakter heeft.

De oratie toont meervoudig gebruik van o- en i-klanken.
Alliteratie in regel 1: Domine, dicata en regel 2: de die [in] diem

V o c a b u l a r i u m

Het begrip oblatio, - onis, v., komt negenmaal voor in de ‘orationes super oblata’ , de gebeden over de offergaven op de zondagen I, VI, XIV, XVIII, XXII, XXIV, XXVI, XXVIII en XXXI door het jaar. Evenals hostia, -æ, f., donum, i, n. en munus, eris, n. verwijst het naar de gaven die voor de H. Eucharistie worden geofferd, naar het Eucharistische gebed zelf, of naar de offerande als liturgische handeling.

Dicare, dicavi, dicatum, 1., aan God toewijden, (een intensivum van dico, dícere, 3) betekent allereerst: luid, plechtig verkondigen en vervolgens wijden, plechtig aan een godheid wijden, toewijden, opdragen. Het verbum is synoniem met consacreren, iets apart zetten, reserveren voor God in een rituele handeling. Als een zeer technische term afkomstig van de oude Romeinse gebeden, wordt dit verbum bijna uitsluitend in de adiectieve vorm of het voltooid deelwoord gebruikt. De gaven die worden geofferd worden genoemd munera…, hostias…, of sacrificia dicata. Op het eerste gezicht denkt men eenvoudigweg aan de betekenis: “geofferd aan God”.  Wij vragen God de gaven die wij aanbieden te aanvaarden: “Hostias nostras…tibi dicatas assume, aanvaard onze offergaven U toegewijd” (Secr. 1e zondag na Pinksteren, MR 1962) of om deze te heiligen : “Munera tibi, Domine, dicata sanctifica”, heilig de gaven die wij U wijden” (Secr. 18 juni Ss. Martyrum Marci & Marcelliani). God heeft bevolen dat de materiële schepping,  die Hij in het bestaan heeft geroepen de mens ten dienste zou staan, maar ook, gedeeltelijk, als gaven gereserveerd zouden worden tot Zijn eer: “Tuo quoque nomini munera jussisti dicanda constitue”,  (Secr. feria V post Dom. Pass.). Ook eren we de heiligen door middel van gaven aan God aangeboden: quem (S. Donatus) ad laudem nominis tui dicatis muneribus honoramus, (Secr. 7 aug. Pro S. Donato). Het laatste voorbeeld “muneribus dicatis” laat een rituele connotatie zien van “ritueel heilig zijnde”, “apart gezet voor God”. De munera zijn ritueel heilig, dat wil zeggen dat deze deel uitmaken van de sacrale handeling zodra zij zijn geofferd. Het Gebed over de gaven van vandaag toont dat eveneens. (Vgl. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S, Remarks on the Vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum, Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 138-139)

Transferre, transtuli, translatum: 1. over iets heen brengen of dragen 2. overdragen, overplaatsen 3. verplaatsen. verzetten 4. verschuiven. uitstellen 5. verwijderen, vergeven 6. afschrijven; 7. pass.: afvallen, afvallig worden. Het bijbehorende substantivum translatio betekent 1. overbrenging, het overdragen 2. het plaatsen, het verschuiven 3. vertaling.
Het Latijnse leenwoord translatie heeft in het Nederlands vele betekenissen.
In liturgische zin verstaan men specifiek onder translatie de overbrenging van het lichaam (of de relieken) van een heilige uit het oorspronkelijke graf naar een nieuwe rustplaats of ook wel de overbrenging van relieken uit de ene schrijn of kerk, naar de andere. De translatio gaat terug tot de vierde eeuw toen de relieken van martelaren en belijders vanuit de catacomben en kerkhoven naar de Romeinse stadsbasilieken werden overgebracht, dikwijls als onderdeel van het ritueel van kerkwijding, en daar werden bijgezet in een combinatie van altaar en martelaarsgraf (confessiealtaar). In de geschiedenis van de liturgische heiligenverering heeft de translatio / translatie een grote rol gespeeld: zij gold als een tweede depositio (begrafenis) hetgeen aanleiding gaf tot een jaarlijkse gedenkdag van de bepaalde heilige; bovendien was de translatie sinds de middeleeuwen tot de 13e eeuw een vorm van heiligverklaring; gehoor gevend aan de vox populi gelastte de plaatselijke bisschop de opgraving (elevatio) van de stoffelijke resten van de bepaalde persoon, erkende deze als diens lichaam (recognitio), liet deze overbrengen naar de kerk, waar ze op plechtige wijze onder (later ook: boven of achter) het altaar werden bijgezet, en stelde een jaarlijks herdenkingsfeest in. De op de translatio volgende bijzetting werd soms exaltatio genoemd (vgl.  de uitdrukking “tot de eer van de altaren verheffen”) vooral als hieraan een plechtige toning ter openbare verering van de relieken verbonden was (vgl. het feest Exaltationis Crucis, Kruisverheffing, 14 sept.).

Actio, -onis vr. – heeft als betekenissen 1. het handelen 2.  handeling, daad, werk, gratiarum actio (als kwalificatie van de lofzang ‘Te Deum’), dankbetuiging 3. kracht 4. levenswandel. In religieus opzicht kan actio, samenhangend met ágere, verwijzen naar een rituele of morele handeling. Vaak wordt opgemerkt dat ágere en actio verwijzen naar technische termen met betrekking tot de H. Eucharistie als zodanig of in nog ruimere zin de viering van de liturgie in het algemeen. In deze oratie heeft actio een morele betekenis: dat wij van dag tot dag groeien naar een moreel leven dat in overeenstemming is met, en het resultaat is van de cultische handeling: moge dit offer ons zuiveren en ons dagelijks meer brengen tot een op de hemel gerichte levenswandel.
C o m m e n t a a r
Waarom biedt Jezus zich aan ons juist als voedsel aan? Is het niet merkwaardig, ja, bijna ondenkbaar, dat Christus voor ons tot voedsel wilde worden? We staan hier voor een wonderbare werkelijkheid. Christus is tot geestelijk voedsel geworden om ons te tonen dat wij Hem noodzakelijk nodig hebben – zonder voedsel kan men niet leven. Hij is werkelijk voedsel voor ons innerlijk leven, voor onze persoon, voedsel dat eeuwig leven betekent; wij allen hebben dit voedsel nodig, en als we willen kunnen we ons tot ons geluk allen daarmee voeden, met Jezus Christus in ‘gemeenschap’ treden en één worden. Ons leven van iedere dag  ontvangt innerlijke kracht door dit voedsel en het belooft ons ook de onsterfelijke volheid van de eeuwigheid, ‘pignus futuræ gloriæ’ (onderpand van de toekomstige heerlijkheid).
Nog een tweede vraag kan worden gesteld: Waarom wilde Jezus bij dit Sacrament twee verschillende gedaanten, namelijk brood en wijn, ofschoon dit toch zichtbare omhulsels zijn voor een andere, wezenlijke inhoud? Slechts om onder deze gedaanten de honger en de dorst van onze zielen met spijs en drank te stillen (vgl. Thomas van Aquino, III, 73, 2)? Ja. Maar het antwoord bevat eigenlijk meer en moeilijkers. Als gelovigen christenen weten we dat Jezus aan dit Sacrament de betekenis van een tweevoudig Offer [oblatio] wilde geven. Enerzijds verving Hij met de H. Eucharistie het Joodse Pascha. Om die reden maakte Jezus zichzelf tot Paaslam, dat voor ons verlossing bewerkt. Anderzijds zou dit Offer in het teken van het komende Kruisoffer staan, waarbij uit het gefolterde Lichaam van Jezus bloed ten bate van onze redding vloeide. Jezus is in de H. Eucharistie het Offerlam, dat in zichzelf het enige, geldige verlossingsoffer weerspiegelt, namelijk het Offer aan het Kruis; wanneer wij communiceren delen wij in dit Offer en worden wij zo aan de vruchten van het verlossende Offer deelachtig.
Welk een grootse samenhang! Hoeveel geheimen vloeien in dit mysterie samen, dat in het middelpunt van ons geloof in de waarachtige aanwezigheid van Christus in de H. Eucharistie staat! We kunnen er hier onmogelijk over uitweiden. Maar laten we ons afvragen: hoe kunnen we de H. Eucharistie in ons persoonlijk leven en in dat binnen de gemeenschap van de Kerk aan kracht doen gewinnen? Wij hoeven ons slechts het woord van Jezus te herinneren: “Komt allen tot Mij!” Ja: “Komt allen tot Mij die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaat! Ik zal u rust en verlichting schenken” (Mt 11, 28).
In de Heilige Eucharistie gaat het om een Aanwezigheid,  die uitnodigt. Jezus nodigt ons uit als een vriend, doordat Hij ons zijgend tegemoet komt. Hij wacht onvermoeibaar, bereid om allen te ontvangen. Hij nodigt ons uit tot een Maaltijd, dat tegelijkertijd een unieke viering van eenheid, lijden en liefde is. Zijn uitnodiging geldt vooral hen die het meeste te lijden en te dragen hebben; de armen, degenen die wenen; de eenzamen en hen die verlaten zijn; degenen die worden vervolgd, de kleinen en onschuldigen. Jezus roept hen en nodigt hen uit.
Zijn stem bereikt ook degenen die ver verwijderd zijn, de ontgoochelden, de vluchtelingen, hen die van de rechte weg zijn afgedwaald. Kom, de deur staat open voor allen die hun zonden berouwen en geloven. Kom, zegt Hij, “Ik ben de Weg, de Waarheid en het leven” (Jo 14, 6).
Dit is zijn stem, die ook vandaag de dag nog altijd vanuit dit door stilte en zwijgen omhulde Sacrament te vernemen is, omdat Hij midden onder ons tegenwoordig is. In ieder H. Misoffer roept Hij, voor alle aanwezigen omhoog geheven, met heel zijn goddelijke en menselijke indringendheid ons toe wat Hij reeds in het Evangelie, over het water wandelend in de nachtelijke storm zijn leerlingen toeriep: “Vrees niet, Ik ben het, heb vertrouwen!” (Mt 14, 27). Kom!

(Bewerkt gedeelte uit de Homilie van paus Paulus VI op Sacramentsdag gehouden  in een van de Romeinse parochies, 13 juni 1974) 

zaterdag 10 juli 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XIV per annum Sabbato Verus Salomon Dominus Iesus Christus. De ware Salomon is de Heer Jezus Christus.



Lectio altera

Ex Enarratiónibus sancti Augustíni epíscopi in psalmos
(Ps 126, 2: CCL 40, 1857-1858)
Tweede lezing

Uit de commentaren op de Psalmen, van de H. Augustinus, bisschop
(Ps 126, 2: CCL 40, 1857-1858)

De ware Salomon is de Heer Jezus Christus

Salomon bouwde voor de Heer een tempel; deze was als een voorafbeelding en een beeld van de toekomstige Kerk en van het Lichaam des Heren. Vandaar zegt de Heer in het Evangelie: Breekt deze Tempel af, en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen; omdat Hij zelf die tempel gebouwd had, bouwde de ware Salomon, namelijk onze Heer Jezus Christus, de ware Vreedzame, voor zich die Tempel. Want de naam Salomon betekent ‘vreedzame’, Christus nu is de ware Vreedzame van Wie de Apostel zegt: Want Hij is onze vrede, die beide (testamenten) tot één heeft gemaakt. Hij de ware vreedzame, die de twee muren, die van verschillende zijden kwamen, in Zich heeft verenigd, voor welke Hij de hoeksteen is geworden: voor het volk van de gelovigen uit de Besnijdenis én voor het volk van de gelovigen uit de heidenen; van beide volken maakte Hij één Kerk; voor beide werd Hij de hoeksteen en aldus de ware Vreedzame.

Deze is dus de ware Salomon. Maar Salomon die zoon van David, uit Bethsabee geboren en koning van Israël, droeg in zich de voorafbeelding van deze Vrede-vorst. Om nu te voorkomen, dat men zou menen, dat de eerste Salomon, toen hij de tempel bouwde, degene was die voor God een huis bouwde, toont de Schrift ons die andere Salomon in de psalm, waar deze begint met de woorden: Als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers tevergeefs. De Heer dus bouwde het huis, dat de Heer Jezus Christus bouwde zijn huis. Velen werkten mee bij het bouwen; maar als Hij niet zou bouwen, werkten de bouwers ervan tevergeefs.

Wie zijn die werkers bij de bouw? Allen die in de Kerk het woord Gods prediken, de bedienaren van de sacramenten Gods. Wij allen lopen, wij allen werken, wij allen bouwen nu; en vóór ons waren er anderen die liepen, werkten en bouwden; maar Als de Heer het huis niet bouwt, werken de bouwers tevergeefs. Zo zagen de Apostelen dat sommigen zich beijveren, en Paulus in het bijzonder zei: Gij houdt u aan bepaalde dagen, maanden, seizoenen en jaren! Ik ben bang, dat ik mij tevergeefs voor u heb afgetobd. Omdat hij wist, dat hij inwendig door de Heer gebouwd werd, beklaagde hij die anderen, omdat hij tevergeefs onder hen gewerkt had. Wij dus spreken uitwendig maar Hij bouwt inwendig. Wij bemerken wel hoe gij luistert; maar Hij alleen weet, wat gij denkt, Hij die uw gedachten ziet. Hij is het, die bouwt, die vermaant, die dreigt: Hij opent het begrip, Hij vestigt uw zinnen op het geloof; en toch werken ook wij als arbeiders.

woensdag 7 juli 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XIV per annum feria IV De Eucharistia. De Eucharistie


  

Lectio altera

Ex antíquo opúsculo «Doctrína duódecim Apostolórum» nuncupáto
(Nn. 9, 1 — 10, 6; 14, 1-3: Funk 2, 19-22. 26)

Tweede lezing

Uit ‘De Leer van de Twaalf Apostelen’ (De Didaché)
(Nn 9, 1 – 10, 6; 14, 1-3: Funk 2, 19-22. 26)

De Eucharistie

Aldus moet uw dankzegging luiden: Eerst over de klk: ‘Wij danken U, onze Vader, voor de heilige Wijnstok van David, uw dienaar, die Gij hebt doen kennen door Jezus, uw Dienaar; U zij eer tot in eeuwigheid. ’

Bij het breken van het Brood: ‘Wij danken U, onze Vader, voor het leven en voor de kennis, die Gij ons geopenbaard hebt door Jezus, uw Dienaar; U zij eer tot in eeuwigheid. Zoals dit brood (namelijk deze graankorrels) verspreid lag op de bergen en na verzameld te zijn één (brood) werd, laat zo uw Kerk vanaf de grenzen der aarde verzameld worden tot uw Rijk; want U is de glorie en de kracht, door Jezus Christus in eeuwigheid.’

Niemand ete of drinke dus van uw ‘Dankzegging’ dan alleen zij, die gedoopt zijn in de Naam des Heren; want hierover zegt de Heer: Wilt het Heilige niet aan de honden geven.

Na verzadigd te zijn moet gij aldus danken: ‘Wij danken U, heilige Vader, voor de heilige Naam, die Gij een plaats hebt gegeven in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij ons geopenbaard hebt door Jezus Christus, uw Dienaar; U zij de glorie in eeuwigheid’.
‘Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen om uw Naam. Spijs en drank hebt Gij de mensen tot voedsel gegeven, opdat zij U zouden danken. Ons hebt Gij echter een geestelijke spijs en drank geschonken en het eeuwig leven door uw Dienaar. Vóór alles danken wij U, omdat Gij machtig zijt; U zij de glorie in eeuwigheid’.
‘Gedenk, Heer, uw Kerk, dat Gij haar moogt verdedigen tegen alle kwaad en haar vervolmaken in uw liefde. Verzamel haar vanuit de vier windstreken, haar de geheiligde, tot uw Rijk, dat Gij haar bereid hebt; want U is de kracht en de glorie in eeuwigheid’.
‘Moge uw genade komen en moge deze wereld vergaan! Hosanna de God van David. Als iemand heilig is, hij kome nader: zo niet, laat hem boete doen: Maranatha. Amen’.

Op de dag des Heren bijeengekomen moet gij het Brood breken en dankzeggen, nadat gij uw zonden beleden hebt, opdat uw Offerande rein zij. Ieder evenwel die een onenigheid heeft met zijn naaste, kome niet met u samen vóór zij zich verzoend hebben, opdat uw Offer niet ontwijd worde. Want zo is het gezegd door de Heer: Op elke plaats en op elke tijd moet Mij een rein Offer worden opgedragen, want Ik ben de grote Koning, zegt de Heer, en mijn Naam is wonderbaar onder de volken.