donderdag 21 juli 2022

John Henry Newman [1801-1890] De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (1)

John Henry Newman [1801-1890]
De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (1)

(…) Er is nog een derde, bekende persoonlijkheid in de H. Schrift, die wij verbinden moeten met deze twee grote Apostelen [Petrus en Paulus], als wij spreken van de Heiligen van boete en van liefde. Wie anders is het dan de minnende Magdalena? Wie bewijst duidelijker wat ik u tracht aan te tonen dan “de vrouw, die een zondares was” (Lc 7,37), die de voeten van de Heer besproeide met haar tranen, ze met haar hoofdhaar afdroogde, en met kostbare balsem zalfde? Welk een tijd voor zulk een handeling! Dat zij, die in de zaal gekomen was,. Als voor een feest, daar een acte van boete zou gaan doen! Het was een volledig feestmaal, dat een rijk Farizeeër  gegeven had om de Heer te eren, en tevens op de proef te stellen. Magdalena kwam, jong en schoon en genietend van haar jeugd, “volgend de lusten van haar hart en de begeerten van haar ogen”  (Pred 11,9); zij kwam als om aan dat feest luister bij te zetten, zoals vrouwen dat gewoon waren, met hun zoete geuren en zoete zalven voor het voorhoofd en de haren van de gasten. En hij, de trotse Farizeeër liet haar komen, als zij hem zelf maar niet aanraakte; liet haar komen, zoals wij huisdieren laten binnenkomen in onze vertrekken, zonder dat wij er veel om geven; liet haar misschien komen als een noodzakelijke versiering voor het feestmaal, maar als een wezen zonder ziel, of bestemd voor het verderf; in elk geval als iemand die voor hem niets betekende. Hij de trotsaard,  en zijn collega’s zouden “land en zee doorkruisen om één enkele bekeerling te maken” (Mt 33,15), maar het hart van zulk een proseliet te beschouwen, medelijden te hebben met de zonde, en die trachten te helen, dat kwam niet in hem op. Nee, hij dacht alleen aan de benodigdheden van zijn feestmaal, en liet haar komen om haar rol te spelen, onverschillig hoe haar leven was, als zij die rol maar goed speelde, en zich daartoe beperkte. Maar zie een wonderbaar schouwspel! Was het een plotselinge ingeving of een gerijpt besluit? Was het een daad van het ogenblik,  of het gevolg van een lange zielestrijd? – maar zie de arme bontgeklede zondares treedt nader om met haar zoete zalf dat hoofd te kronen van Hem, voor wie het feest werd gegeven; en zie, zij aarzelt. Haar blik heeft aanschouwd en zij onderkent de Onbevlekte, de Zoon van de Maagd, “de weerglans van het eeuwig Licht, en de vlekkeloze spiegel van Gods kracht” (Wijsh 7,26). Zij ziet op en herkent de Oude van Dagen (Dan 7,9), de Heer van leven en dood, haar Rechter. En opnieuw ziet zij op, en zij ontdekt in Zijn aanschijn en in Zijn trekken een schoonheid en een zachtheid, indrukwekkend, kalm, majestueus, groter dan mensenschoonheid, en heel de glans van die feestzaal verblekend. Opnieuw ziet zij op, met schroom, maar met spanning, en zij ontdekt in Zijn oog en in Zijn glimlach, de liefderijkheid, de tederheid, het medelijden, de erbarming van de Zaligmaker van de mensen. Zij ziet naar zichzelf, en ach, wat is zij, die straks nog zo ijdel was op haar bekoorlijkheden, nu afschuwelijk! Hoe is die bevalligheid verwelkt, die door haar bewonderaars zo hoog werd geprezen! Wat is de adem, die zij tot nu toe zo zoet vond, walgelijk geworden, slechts riekend naar die zeven boze geesten die in haar wonen! En zij zou daar blijven staan, zij had daar wel willen wegzinken, in haar beschaming en in haar wanhoop, indien zij niet een nieuwe blik had geworpen op dat alles beminnende, alles vergevende Gelaat. Hij ziet op haar neer:  het is de Herder, die ziet naar het verloren schaap, en het verloren schaap geeft zich aan Hem over. Hij spreekt niet, maar Hij werpt een blik op haar; en zij nadert Hem. Verheugt u, o Engelen! Zij nadert, en ziet niets dan Hem, en bekommert zich niet om de verachting der trotse aanwezigen, noch om de spotternijen van de losbandigen. Zij nadert, zonder te weten of zij gered zal worden of niet, zonder te weten of zij zal worden opgenomen, of wat er met haar gebeuren zal. Zij weet alleen dit, dat Hij de bron is van heiligheid en waarheid en van erbarming, en tot wie anders zou zij gaan dan tot Hem, die de woorden heeft van het eeuwige leven? “Israël, Ik zal u vernielen: wie zal u tegen Mij helpen?“ (Hos 13,9). “Bekeer u dan, en ik zal geen toornige blik op u werpen, want Ik ben genadig, Ik wrok niet voor eeuwig, als gij uw schuld maar bekent” (Jer 3,12).”Hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt Jahweh, onze God. Waarachtig, de hoogten waren bedrog, , bedrog het lawaai op de bergen: nee, bij onze God, bij Jahweh alleen ligt Israëls heil” (Jer 3,22-23).
Wordt vervolgd.

Uit: Toespraken gericht tot een gemengd gehoor.  Toespraak IV: Zuiverheid en liefde. (vertaling Dr. Aurelius Pompen ofm).