zaterdag 9 juli 2022

Collectegebed 15e zondag door het jaar - "Geef dat christenen afwijzen wat afbreuk doet aan de benaming christen"

I n l e i d i n g
Centraal in het collectegebed staan allen die zich christenen noemen, die openlijk de Naam van Christus hebben bewaard en in de wereld, in sommige landen tot bij de belastingdienst aan toe, uitdragen dat zij christen zijn. Door hun Doopsel hebben zij deze heilige Naam ontvangen, waardoor zij zich tot Christus bekennen en Christus toebehoren.
De Naam van Christus verplicht. Maar menselijke zwakheid brengt met zich mee dat ook de drager van deze Naam kan afwijken van de hem voorgeschreven weg. God laat hem dan niet in de steek, maar de oratie spreekt zich uit in een groot vertrouwen dat God dwalenden door het licht van zijn Waarheid opnieuw de rechte weg zal wijzen.
Christenen ontvangen het licht op velerlei manieren. Het collectegebed van vandaag  echter reikt een principe aan dat in alle eenvoud werkelijk licht van de Waarheid kan zijn en daarom aan God wordt gevraagd: in de Naam van Christus is Christus het itinerarium, de reisroute. Mijd dus wat in tegenspraak met deze Naam is en volg wat overeenkomt met deze Naam! In deze frase van de oratie vinden we het ontwerp voor een levensprogram van iedere christen die die naam waard wil zijn.
Deze grondregel van de oratie heeft ongetwijfeld grote betekenis, niet alleen voor  degene die zelf deze Naam draagt en die door deze Naam een vaste oriëntering kent. De Naam van Christus, christen, is voor hem ook een waarborg van zijn geloofwaardigheid. De geloofwaardigheid van de Kerk die volledig op geloof is aangewezen, hangt af van de mate waarin de gelovigen in levensbeschouwing en levenshouding aan deze Naam beantwoorden.
De Kerk leed reeds grote schade omdat christenen zich in strijd met hun naam gedroegen en nalieten wat recht aan deze Naam had moeten doen. We dragen een zeer grote verantwoordelijkheid; ook in dit opzicht is dit korte gebed van groot gewicht.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui errantibus, ut in viam possint redire, veritatis tuæ lumen ostendis,
da cunctis qui christiana professione censentur,
et illa respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et ea quæ sunt apta sectari.

Altaarmissaal – 1979
God, om dwalenden de weg te wijzen laat Gij het licht schijnen van uw waarheid.
Geef dat allen die zich christenen noemen afwijzen wat afbreuk doet aan deze naam en nastreven wat daaraan beantwoordt. 

Werkvertaling  
O God, die aan de dwalenden, opdat zij zouden kunnen terugkeren op de [rechte] weg het licht van uw waarheid toont,
geef  dat allen/velen die worden gekenmerkt door [het belijden van] het christelijk geloof, 
niet alleen verafschuwen wat met die naam strijdig is,  maar ook volgen wat ermee overeenkomt.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het collecte-  of openingsgebed voor deze 15e zondag door het jaar in de “gewone vorm van de Romeinse Ritus” wordt in de “buitengewone vorm van de Romeinse ritus” ook gebruikt op de 3e zondag na Pasen. In de “gewone vorm” is dit ook het collectegebed van maandag in de 3e week van de Paastijd.
De oratie van vandaag gaat terug tot het Sacramentarium Gelasianum (Vat. Reg. Lat. 316), 1ste helft van de 8ste eeuw. Een sacramentarium is een collectie van teksten die behoren tot de christelijke liturgie. Het Sacramentarium Gelasianum is het op één na nog bestaande oudste liturgische boek van het Westen. Alleen het Sacramentarium Veronense of Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, 2de helft 6de eeuw) is ouder.
De Pius V-editie van het Missale Romanum (1570) en de volgende editie van het Missale Romanum (1962) hebben de invoeging van de term  “in viam possint redire iustitiæ” ("opdat zij op de [rechte] weg kunnen terugkeren"), die niet  aanwezig in de oudere versie van het collectegebed in het Gelasianum (ofschoon weer wel in enkele andere oude sacramentaria zoals het Leonianum).
Het Missale Romanum 1970 – de postconciliaire missaaleditie en de “gewone vorm van de Romeinse ritus” -  hebben de term iustitiæ laten vallen.

H i s t o r i s c h e  c o n t e x t
We weten niet precies welke bronnen dit collectegebed kunnen hebben beïnvloed. Zeker is gedacht aan Johannes 14 zoals hierna verder te bespreken. Misschien is in de Collecte ook een spoor vinden van de Romeinse staatsman Cassiodorus ( + ca, 585 – consul in 514 en vervolgens Boethius’ opvolger als magister officiorum (1) onder de Ostrogotische koning Theodorik. Cassiodorus schreef: “Sed potest aliquis et in via peccatorum esse et ad viam iterum redire iustitiæ? - Maar kan iemand zich tegelijk op een zondige weg bevinden en weer terugkeren tot de weg der gerechtigheid? (cf. Expos. Ps. 13). Van de andere kant kan er ook invloed zijn uitgegaan van de belangrijke bisschop Ambrosius van Milaan (+ 397) of zelfs en meer waarschijnlijk van Augustinus van Hippo (+ 430) die gelijksoortige tekstpatronen hanteert.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l v o r m e n
1. Deus, qui errantibus, ut in viam possint redire, veritatis tuæ lumen ostendis,
2.da cunctis qui christiana professione censentur,
3.et illa respuere, quæ huic inimica sunt nomini, et ea quæ sunt apta sectari.

Stilistisch is dit een oratie, die direct to the point komt, met een fraaie alliteratie: et illaet ea en een krachtig ritme in de laatste zin. Viermaal worden de relatieve voornaamwoorden qui, qui, quæ en quæ gebruikt.

Ad 1
Deus, anaklese in de vocativusvorm, wordt gevolgd door een betrekkelijke bijzin die een voortdurende goddelijke heilsdaad  memoreert. Omdat dit een ervaren werkelijkheid is staat het prædicaat ostendis in de indicativus met als object veritatis tuæ lumen, uit te splitsen in de accusativusvorm lumen met, ter nadere precisering, de bijvoeglijke bepaling veritatis tuæ in twee congruerende genitivusvormen: genitivus explicativus. Errantibus: ppa (participium præsentis activi) in de dativus pluralis en kan als tegenwoordig deelwoord of met een relatieve bijzin worden vertaald. Er ontstaat aldus in de vertaling een bijzin in een bijzin. De dativus heeft de functie van dativus commodi (het licht van de waarheid wordt getoond ten voordele van “hen die dwalen”.
De bijzin qui …ostendis wordt onderbroken door finale/doelaanwijzende of consecutieve /gevolgaanduidende bijzin ingeleid door het voegwoord ut met het prædicaat possint  in de coniunctivusvorm (wenskarakter). Possint redire: prædicaatsgroep; in viam: bijwoordelijke bepaling samen gesteld uit het præpositum in + accusativusvorm viam die een richting aanduidt.
Ad 2
Da, geef -  prædicaat in de imperativusvorm, leidt de strikte hoofdzin in verbonden met de bijwoordelijke bepaling cunctis (dativus pluralis commodi). De vorm cunctis wordt nader verklaard door de afhankelijke bijzin qui christiana professione censentur; voor de benoeming van  het  prædicaat censentur verbonden met de bijwoordelijke bepaling christiana professione in twee congruerende ablativusvormen: zie beneden onder Klein Vocabularium.
Ad 3
Het zinsdeel  et…sectari , samengesteld uit twee korte zinnen, kan in zijn geheel gelezen worden als het object van het prædicaat da en kan nader opgesplitst worden in twee afzonderlijk objecten, elk bestaande uit een accusativus (illa en ea) en een infinitivus (respuere en sectari) waarbij sectari een deponens is. Men spreekt hier van een parallelle zinsbouw door de identieke opbouw van de zinsdelen. Elk van deze beide  zinsdelen wordt gevolgd door een afhankelijke toelichtende bijzin ingeleid door het reflexivum quae.
De afhankelijke bijzin quæ..nomini bevat een hyperbaton (huic…nomini).
Inimica: prædicaatsnomen congruerend met het reflexivum quæ en het antecedent hiervan illa; huic..nomini: de dativus wordt opgeroepen door de adiectivusvorm inimicus,-a, - um: vijandig aan, in strijd met.

K l e i n  v o c a b u l a r i u m
Het werkwoord censeo betekent – bij vele betekenissen – allereerst  “schatten, wegen, taxeren, waarderen”. Het wordt gebruikt voor “van mening zijn” en iets “beschouwen, overwegen, wegen”. Er is een speciale constructie met censeo, censeri aliqua met de betekenis: “gewaardeerd, onderscheiden, gevierd worden voor een of andere kwaliteit”, ”door iets bekend zijn” en ook “erkend worden door iets”. Dit verklaart de passieve vorm in het collectegebed met de ablatief christiana professione. Censeo heeft hier de betekenis van “gerekend worden onder, geteld worden onder”. Vergelijk de verschillende betekenissen van census in het Nederlands: cijns, belasting, volkstelling, kiesrecht enz. Het meest gericht lijkt hier de vertaling “gekenmerkt, onderscheiden”, waarin de betekenis “gerekend worden onder” en “gevierd worden voor een of andere kwaliteit” zijn vervat.
Bijna vanzelfsprekend roept het begrip censeo de hamerslag “Ceterum censeo Carthaginem esse delendam” toegeschreven aan de Romeinse senator Cato Maior [234-194 v. Chr.] op, die de senaat ten tijde van de Punische oorlogen bij elke toespraak waar deze ook maar over ging wees op het dreigende gevaar van de tegenpartij Carthago, welke stad tenslotte in 146 v. Christus werd verwoest.
Christianus, -a, - um,  is een adjectief (bijvoeglijk naamwoord) met daarnaast het substantief (zelfstandig naamwoord) professio. Bij vertalingen van het Latijn naar het Nederlands moeten soms de adjectieven apart geplaatst worden en anders worden uitgedrukt. Te denken is aan “christelijk geloof”, maar deze adjectief-constructie betekent hier “de belijdenis van Christus: het belijden van Christus”. Eenzelfde probleem is te vinden in begrippen zoals oratio dominica, dat letterlijk betekent “het Heer-lijke Gebed” maar toch minder problematisch in het Nederlands vertaald moet worden met “het Gebed des Heren”.
Respuo betekent letterlijk “uitspuwen” en dus “verwerpen, verdrijven, weigeren”. De basisbetekenis kan goed weergegeven worden als “krachtig verwerpen”. 
Het deponens sector betekent “voortdurend of ijverig volgen” in positieve of negatieve zin. Sector werd bijvoorbeeld gebruikt voor een groep volgelingen die filosofen uit de Oudheid begeleidden, waar de oorsprong ligt van ons woord “sekte”. Mogelijk komt deze afleiding van seco, secui, sectum met de betekenissen ”snijden, afsnijden, doorsnijden”.
Het substantief via vereist onze aandacht. Het betekent “een weg, methode, route, richting, modus, manier van iets te doen, koers”, dus een neutraal begrip. Via heeft echter ook een morele inhoud zoals  “de juiste, rechte of goede weg”, “de ware methode, modus of manier, gedragslijn”. 
Sedes Sapientiae Romaans, Montcornador
C o m m e n t a a r
De antieke filosofen (het woord komt uit het Grieks en betekent  “minnaar van wijsheid“) waren gewoon in het openbaar rond te wandelen op hun sandalen en in hun gedrapeerde op toga’s lijkende gewaden. Theologisch-filosofische denkers zoals Aristoteles werden “peripatici“ genoemd vanwege hun praktijk van het rondwandelen (Grieks peripatein) onder overdekte zuilengalerijen van het Lyceum in Athene (Grieks peripatos) terwijl zij onderwezen.
Hun leerlingen zwermden om hen heen en hingen aan hun lippen, debatterend met hen en lerend hoe te denken en te redeneren.  Zij bespraken de diepere vragen die onvermijdelijk de menselijke geest en het hart raken en in deze zin waren zij theologen.  Wij moeten voorzichtig zijn om niet de moderne scheiding van filosofie en theologie aan de antieken op te leggen. In oude Christelijke mozaïeken wordt Christus soms afgebeeld in het gewaad van de filosoof terwijl Hij zijn hand geheven houdt op de wijze van het antieke onderwijsgebaar. Hij is de Mens geworden Wijsheid en de volmaakte Leraar. Hij is Degene van Wie wij over God en over onszelf zouden moeten leren.  Na Christus Zelf, hebben wij ook Zijn Kerk, die Mater et Magistra - Moeder en Lerares is. Op sommige afbeeldingen zien wij de kleine Christus gezeten op de schoot van Zijn Moeder alsof zij Zijn onderwijsstoel, of cathedra was. Wanneer Maria zo wordt afgebeeld wordt zij Zetel van de Wijsheid genoemd. Zie ook de eerder geplaatste Mei-meditatie van kardinaal Newman.
De tekst doet ook denken aan de eerste regels op van La Divina Commedia, de Goddelijke Komedie geschreven door de verbannen Florentijnse dichter Dante Alighieri (+1321) die in hoge mate werd gevormd en beïnvloed door de Ethica van Aristoteles en de gechristianiseerde  Platoonse filosofie, gebezigd door Boëthius (+525) en de H.  Thomas van Aquino. (+1274).


Deel 1, de Hel begint aldus:
Juist midden op de reistocht van ons leven
Zag ik mij in ’n donker woud verloren,
Daar ik van het goede pad was afgeweken.
Helaas, hoe ’t was dat woud, valt zwaar te zeggen.
Zo wild, was  ’t en zo woest, zo dicht en donker,
dat in mijn dromen de angsten vaak herleven.
Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Dante, de hoofdrolspeler van zijn eigen epos, beschrijft zijn fictieve zelf en zijn spirituele groei. Zijn poëtische persoon, in het midden van het leven (35 jaar oud), is vastgelopen in zonde en irrationeel gedrag. Hij is van de rechte weg van het leven van de rede afgedwaald en diep in het “donkere woud“ geweest. Het leven van voortdurende zonde is een leven zonder ware rede, want de menselijke rede is verlamd wanneer deze aan zichzelf is overgelaten zonder het licht van de genade.  Dante vergelijkt zijn verwarde staat met de dood. Hij moet door de hel reizen en terug. Hij maakt dan de reiniging van het vagevuur door, om terug te komen tot het leven van deugd en rede.
In de loop van de driedelige Komedie vindt hij de juiste weg terug naar het licht, de Waarheid en de rede door de tussenkomst van op Christus gelijkende personificaties  zoals Beatrice en Lucia en door Christus zelf.
In de Divina Commedia krijgt Dante het gebruik van de rede terug. Zijn gehele persoon is gere-integreerd (heel gemaakt)  in en door het licht van de Waarheid.
Vaak worden mensen die onwetend, verward of ronduit dom zijn aangeduid als “wandelend in de duisternis“. Deze duisternis heerst ook voor  mensen die volharden in de zonde. 
Door hun keuzes en weerstand tegen Gods genade hebben zij het licht van de Waarheid verloren.  Gods genade maakt het voor ons mogelijk om de juiste weg terug te vinden, hoe ver wij ook in het verleden van deze weg zijn afgedwaald.

Wanneer wij zondigen verbreken wij onze relatie met Christus.  Als wij uit luiheid  weigeren om Hem beter te kennen (elke dag), verliezen wij het zicht op onszelf en op onze naaste uit het oog. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft duidelijk gesteld dat Christus in de wereld kwam om de mens aan zichzelf vollediger te openbaren (Gaudium et Spes, nr. 22).
Christus, het Mensgeworden Woord, spreekt tot ons in Zijn woorden tot de Apostel Thomas:
“Laat uw hart niet verontrust worden.  Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Als dit niet zo was, dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.  En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg (via) daarheen is u bekend”. Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar Gij heengaat, hoe moeten wij dan de weg (via) kennen? Jezus antwoordde hem: ´Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook de Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem….Hij die Mij  heeft gezien, heeft de Vader gezien” (cf Jo 14,1-6).
We hebben niet alleen de woorden en daden van Christus in de H. Schrift, maar God heeft ons in de Katholieke Kerk zelf een veilige weg geschonken naar het geluk.  We kunnen van dit pad af raken . Elke weg, te ver naar links of te ver naar rechts, doet ons belanden in diepe duisternis. Als we van het rechte pad zijn afgeweken en Christus, de Weg, hebben verlaten, kunnen we weer bij zinnen komen en worden verzoend met God en onze naaste door de Sacramenten, toevertrouwd aan de Katholieke Kerk, en wel speciaal in het Sacrament van de Biecht waarna een waardig ontvangen van Christus in de Heilige Communie weer mogelijk is.
Wij, rooms katholieken, die publiek zelf aanspraak durven maken op de Naam van Christus, moeten wanneer tijd en omstandigheden dit vragen, opstaan en in het openbaar als zodanig worden erkend (censentur) en scherp verwerpen (respuere) wat in strijd is met de Naam van Christus.
Andere mensen moeten het Licht van Christus zien weerkaatsen in wat wij zeggen en doen. Het stralende Gelaat van Christus moet in de beleving van ieders persoonlijke roeping herkenbaar zijn. 
Zoals lenzen en reflectoren schoon moeten zijn om optimaal het licht te laten reflecteren, zo moeten wij als dragers van Christus’ Licht zuiver zijn. Als we weten dat we niet rein  (genoeg) zijn, moeten we ons zo spoedig mogelijk laten reinigen  zodat we gered kunnen worden en kunnen bijdragen aan de redding van anderen. Het is goed om ook geestelijke werken van barmhartigheid te beoefenen om ook daardoor het Licht van de Waarheid te brengen naar onwetenden en degenen die al of niet door eigen toedoen in de duisternis verkeren. 
(1)  Magister officiorum – Meester der ambten: ambt, door Constantijn de Grote ingesteld, te omschrijven als dat van opperkamerheer aan het keizerlijk hof. Hij regelde de audiënties en oefende rechtspleging uit tussen al de personen van de hofhouding

Met dank aan o.a. Father J. Zuhlsdorf, WDTPRS)