Posts tonen met het label Maria Magdalena. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maria Magdalena. Alle posts tonen

donderdag 21 juli 2022

John Henry Newman [1801-1890] De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (2)

John Henry Newman [1801-1890] 
De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (2)

Wonderbare ontmoeting tussen de diepste zonde en de hoogste reinheid! Die wellustige handen, die besmeurde lippen hebben aangeraakt, hebben gekust de voeten van de Eeuwige, en Hij onttrok zich niet aan die hulde. En terwijl zij over die voeten gebogen lag en deze besproeide uit haar volle ogen, hoe laaide toen haar liefde voor die grote en toch zo zachte vriend op tot een hevige brand, die nooit meer uit zou doven vanaf dat ogenblik tot in de eeuwigheid! En tot welk een overmaat groeide die liefde, toen ij in tegenwoordigheid van alle mensen haar vergeving verkondigde en de beweegreden daartoe! “Haar vele zonden zijn haar vergeven; want zij heeft veel liefde getoond. Wie weinig vergeven wordt, toont weinig liefde. Nu sprak Hij tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede” (Lc 7, 47-48.50).
Van nu af aan was de liefde voor haar, zoals voor de H. Augustinus en later voor de H. Ignatius van Loyola (grote boetelingen in hun tijd), als een wonde in de ziel, zó vol verlangen dat het een foltering werd. Zij kon niet leven buiten de tegenwoordigheid van Hem in wie zij haar vreugde had gesteld: haar geest smachtte naar Hem, als zij Hem niet zag; en diende Hem, stil, eerbiedig, peinzend, als zij in Zijn gezegende tegenwoordigheid was. Wij lezen van haar (als zij het tenminste was), hoe zij eens aan Zijn voeten zat en luisterde naar zijn woorden, en Hij verklaarde haar dat zij het beste deel had verkozen dat haar niet zou ontnomen worden. En na Zijn verrijzenis verdiende zij door haar volharding Hem te zien zelfs nog vóór de Apostelen. Zij wilde het graf niet verlaten, toen Petrus en Johannes weggingen, maar bleef schreiend bij de ingang staan; en toen de Heer haar verscheen maar teven haar ogen belette Hem te herkennen, zei zij op klagende toon tot de vermeende tuinman: “Zeg me, waar gij Hem hebt neergelegd, dan zal ik Hem weghalen” (Jo 20,15). En toen Hij zich eindelijk aan haar bekend maakte, wendde zij zich om, en snelde onstuimig toe om Zijn voeten te omhelzen, zoals eertijds; maar als om het plichtsgevoel van haar liefde op de proef te stellen, verbood Hij het haar: “Houd Mij niet vast”, zei Hij, “want nog ben Ik niet naar de Vader opgestegen,. Maar ga naar Mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar Mijn en uw Vader, naar mijn en uw God” (Jo 20,17). En daarom moest zij nog smachtend wachten op de tijd dat zij Hem zien zou, en Zijn stem zou horen, en Zijn glimlach zou genieten, Hem zou mogen dienen, voor altijd in de hemel”.

Is de liefde van de onschuldigen kalm en onbewogen, de liefde van de boetelingen is vurig en onstuimig, gewoonlijk strijdbaar tegenover de wereld, en zich uitputtend in goede werken. En dit is de liefde, mijn broeders, die gij moet hebben naar uw eigen maat, als gij nog op redding hoopt. Want gij zijt zondaars geweest; hetzij door een openbare en moedwillige verachting van de godsdienst, of door stille overtreding, of door onverschilligheid, of door zorgeloosheid en lauwheid, of door toegeven aan slechte gewoonten, of door uw hart te verpanden aan de dingen van de wereld, en uw eigen wil te doen in plaats van Gods Wil, hebt gij, meen ik te mogen zeggen, verzoening met Hem nodig gehad, of hebt die nog nodig. Gij hebt deze nodig gehad of nog nodig, om dichter bij Hem gebracht te worden, en uw zonden te laten afwassen in Zijn Bloed en uw vergiffenis vermeld te zien in de hemel”. (…)

Uit: Toespraken gericht tot een gemengd gehoor.  Toespraak IV: Zuiverheid en liefde. (vertaling Dr. Aurelius Pompen ofm)

John Henry Newman [1801-1890] De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (1)

John Henry Newman [1801-1890]
De heilige Maria Magdalena, een heilige van boete en van liefde (1)

(…) Er is nog een derde, bekende persoonlijkheid in de H. Schrift, die wij verbinden moeten met deze twee grote Apostelen [Petrus en Paulus], als wij spreken van de Heiligen van boete en van liefde. Wie anders is het dan de minnende Magdalena? Wie bewijst duidelijker wat ik u tracht aan te tonen dan “de vrouw, die een zondares was” (Lc 7,37), die de voeten van de Heer besproeide met haar tranen, ze met haar hoofdhaar afdroogde, en met kostbare balsem zalfde? Welk een tijd voor zulk een handeling! Dat zij, die in de zaal gekomen was,. Als voor een feest, daar een acte van boete zou gaan doen! Het was een volledig feestmaal, dat een rijk Farizeeër  gegeven had om de Heer te eren, en tevens op de proef te stellen. Magdalena kwam, jong en schoon en genietend van haar jeugd, “volgend de lusten van haar hart en de begeerten van haar ogen”  (Pred 11,9); zij kwam als om aan dat feest luister bij te zetten, zoals vrouwen dat gewoon waren, met hun zoete geuren en zoete zalven voor het voorhoofd en de haren van de gasten. En hij, de trotse Farizeeër liet haar komen, als zij hem zelf maar niet aanraakte; liet haar komen, zoals wij huisdieren laten binnenkomen in onze vertrekken, zonder dat wij er veel om geven; liet haar misschien komen als een noodzakelijke versiering voor het feestmaal, maar als een wezen zonder ziel, of bestemd voor het verderf; in elk geval als iemand die voor hem niets betekende. Hij de trotsaard,  en zijn collega’s zouden “land en zee doorkruisen om één enkele bekeerling te maken” (Mt 33,15), maar het hart van zulk een proseliet te beschouwen, medelijden te hebben met de zonde, en die trachten te helen, dat kwam niet in hem op. Nee, hij dacht alleen aan de benodigdheden van zijn feestmaal, en liet haar komen om haar rol te spelen, onverschillig hoe haar leven was, als zij die rol maar goed speelde, en zich daartoe beperkte. Maar zie een wonderbaar schouwspel! Was het een plotselinge ingeving of een gerijpt besluit? Was het een daad van het ogenblik,  of het gevolg van een lange zielestrijd? – maar zie de arme bontgeklede zondares treedt nader om met haar zoete zalf dat hoofd te kronen van Hem, voor wie het feest werd gegeven; en zie, zij aarzelt. Haar blik heeft aanschouwd en zij onderkent de Onbevlekte, de Zoon van de Maagd, “de weerglans van het eeuwig Licht, en de vlekkeloze spiegel van Gods kracht” (Wijsh 7,26). Zij ziet op en herkent de Oude van Dagen (Dan 7,9), de Heer van leven en dood, haar Rechter. En opnieuw ziet zij op, en zij ontdekt in Zijn aanschijn en in Zijn trekken een schoonheid en een zachtheid, indrukwekkend, kalm, majestueus, groter dan mensenschoonheid, en heel de glans van die feestzaal verblekend. Opnieuw ziet zij op, met schroom, maar met spanning, en zij ontdekt in Zijn oog en in Zijn glimlach, de liefderijkheid, de tederheid, het medelijden, de erbarming van de Zaligmaker van de mensen. Zij ziet naar zichzelf, en ach, wat is zij, die straks nog zo ijdel was op haar bekoorlijkheden, nu afschuwelijk! Hoe is die bevalligheid verwelkt, die door haar bewonderaars zo hoog werd geprezen! Wat is de adem, die zij tot nu toe zo zoet vond, walgelijk geworden, slechts riekend naar die zeven boze geesten die in haar wonen! En zij zou daar blijven staan, zij had daar wel willen wegzinken, in haar beschaming en in haar wanhoop, indien zij niet een nieuwe blik had geworpen op dat alles beminnende, alles vergevende Gelaat. Hij ziet op haar neer:  het is de Herder, die ziet naar het verloren schaap, en het verloren schaap geeft zich aan Hem over. Hij spreekt niet, maar Hij werpt een blik op haar; en zij nadert Hem. Verheugt u, o Engelen! Zij nadert, en ziet niets dan Hem, en bekommert zich niet om de verachting der trotse aanwezigen, noch om de spotternijen van de losbandigen. Zij nadert, zonder te weten of zij gered zal worden of niet, zonder te weten of zij zal worden opgenomen, of wat er met haar gebeuren zal. Zij weet alleen dit, dat Hij de bron is van heiligheid en waarheid en van erbarming, en tot wie anders zou zij gaan dan tot Hem, die de woorden heeft van het eeuwige leven? “Israël, Ik zal u vernielen: wie zal u tegen Mij helpen?“ (Hos 13,9). “Bekeer u dan, en ik zal geen toornige blik op u werpen, want Ik ben genadig, Ik wrok niet voor eeuwig, als gij uw schuld maar bekent” (Jer 3,12).”Hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt Jahweh, onze God. Waarachtig, de hoogten waren bedrog, , bedrog het lawaai op de bergen: nee, bij onze God, bij Jahweh alleen ligt Israëls heil” (Jer 3,22-23).
Wordt vervolgd.

Uit: Toespraken gericht tot een gemengd gehoor.  Toespraak IV: Zuiverheid en liefde. (vertaling Dr. Aurelius Pompen ofm).

Medieval Songs for Saint Mary Magdalen - van oudsher vereerd binnen Orde van het H. Graf en ook in onze Basiliek - zelfs met een eigen raam!

Uit het MARTYROLOGIUM ROMANUM 22 juli - Heilige Maria Magdalena

MARTYROLOGIUM ROMANUM
22 juli - Heilige Maria Magdalena

De gedachtenis van de heilige Maria Magdalena, die door de Heer werd bevrijd van zeven demonen, zijn leerlinge werd en Hem volgde tot op de Calvarieberg.
In de vroege Paasmorgen mocht zij als eerste de Heiland zien, toen Hij verrees uit de doden, en aan de andere leerlingen de boodschap brengen van zijn verrijzenis.

Mgr. Dr. Jan Hendriks De vrouwen bij het Heilige Graf - Vertrouw op Hem, helemaal! Wandel in het licht!

Vrouwen in het evangelie
De rol van vrouwen in het evangelie is heel onderscheiden. Er zijn vrouwen die Jezus volgen na genezen te zijn door Hem, zoals Maria Magdalena; er zijn rijke vrouwen die uit eigen middelen Zorgen voor Jezus en de twaalf apostelen op hun tocht (Lc. 8, 1 -3) Er zijn vrouwen die Jezus bedienen en ontvangen als hun gast zoals Martha (Jo. 12; Lc. 10) en de schoonmoeder van Simon Petrus; er zijn vrouwen die Jezus beschouwen, naar Hem luisteren en Hem zalven, zoals Maria ( Jo. 12,3; Mt. 26,6 - 13; Mc.14, 3 - 9); er zijn de vrouwen die naar het graf gingen en de vrouwen die klagend en wenend Jezus begeleiden op zijn kruisweg (Lc. 22, 26); er staan vrouwen naast het kruis van Jezus (Jo. 19, 25 - 27) en er is boven-al Onze Lieve Vrouw, Maria die met overtuiging haar “fiat” gesproken heeft om de Moeder van onze Heer te worden, zij die was uitverkoren boven alle schepselen.

Beuzelpraat?
Vrouwen worden in het evangelie niet altijd erg hoog aan­ge­sla­gen door de mannen. Zij worden beschouwd als niet zo betrouwbaar, eenvoudig en van minder belang. Als de vrouwen die van het graf van Jezus terugkomen bij­voor­beeld, de bood­schap van Zijn verrijzenis overbrengen, vinden de apostelen hun verhaal maar onzin, beuzelpraat, vrouwenpraat en zij geloofde hen niet, zoals St. Lucas in zijn evangelie zegt ( 24, 9 - 11); en de leerlingen op weg naar Emmaus zeggen tot de vreemdeling in hun midden: “Enkele vrouwen uit ons midden hebben ons in de war gebracht” (Lc. 24,22). Dat klinkt nogal neerbuigend.

Wijzen naar een ander of wijzen naar jezelf?
Maar om eerlijk te zijn: er is helemaal geen reden en niets waars in wat ze zeggen. Ze zouden daarentegen beter zichzelf zo beoordeeld hebben, want zij hadden niet veel betrouwbaarheid laten zien in tijden dat dat juist zo nodig was geweest: in de hof van Olijven en tijdens de kruisweg. Terwijl de vrouwen er waren, waren zij bevangen door schrik en angst.

Dus in de ogen van de mensen, van de mannen, worden de vrouwen gezien als zwak en klein, als kinderen; maar in werkelijkheid tonen ze geloof, hoop en liefde en innerlijke kracht. En zij weten en bidden samen met Maria:
“Mijn geest verheugt zich in God mijn redder, want Hij heeft op zijn eenvoudige, kleine dienstmaagd neergezien” (Lc. 1,47)

Herboren worden
Het is goed en van het grootste belang, dat wijzelf en iedere man en vrouw ons dat eigen maken in ons doen en laten: het geestelijk kind­schap.

In het evangelie van Johannes vinden we het gesprek van Jezus met Nicodemus, een van de Joodse leiders, een man van groot gewicht, maar zo vol angst, dat hij Jezus alleen ’s nachts durft te ontmoeten. Hij volgde Jezus niet openlijk en bij Zijn begrafenis had hij een mengsel nodig van mirre en aloë van meer dan honderd pond - wat een geweldige hoeveelheid is - om Zijn geweten te kalmeren. Hij was geacht en werd als belangrijk gezien, maar in feite was hij een lafaard.

In dit gesprek met Nicodemus spreekt Jezus over opnieuw geboren worden van omhoog, van geboren worden uit de Geest, als een klein kind, dat alles heeft ontvangen en ontvangt van Zijn ouders, zelfs zijn leven ontvangt hij door hen. Wat Jezus aan deze belangrijke Nicodemus wil meegeven is dit:

Als je aan jezelf wordt overgelaten zul je sterven, ben je stervende, ben je verloren. Maar God heeft de wereld liefgehad en Hij heeft jou liefgehad en Zijn Zoon gezonden. Daarom kun je gered worden; Gods Zoon is de reden dat je eeuwig leven in volheid en geluk zult bezitten.

Vertrouw op Hem als een kind, als een vrouw
Vertrouw en steun dus niet op jezelf en op je eigen positie, je krachten, je intelligentie, je capaciteiten, maar vertrouw op Hem, helemaal, als een vrouw, als een kind op zijn Vader. Wandel in het licht.

Ja, de vrouwen in het evangelie vertegen­woor­digen op een speciale wijze het contemplatieve element in de Kerk, omdat zij - ook al zijn hun taken, is hun rol onderling heel verschillend - een ding gemeen hebben: zij zijn werkelijk nederig, zij vertrouwen volledig op Jezus, onze Heer en onze Verlosser, hun wezen is geconcentreerd op Hem, wat zij ook doen: of zij Hem dienen als hun gast, beschouwen en contempleren, Hem zalven, wenen over wat Hem treft of gewoon bij Hem zijn.

Dat is wat de belangrijke Nicodemus moet leren, dat is ook waar wij om mogen vragen als een genade: dat we inderdaad meer en meer ons echt klein en nederig mogen voelen en in alles op God mogen vertrouwen, dat we van Hem alles mogen verwachten, want dat is een noodzakelijke voorwaarde voor ieder echt christelijk leven.

Elkaar aanvullend
Niet wij zijn de makers van het leven, maar Hij is de gever van alle werkelijke leven en van alles dat goed is.

Er zijn verschillende roepingen en bedieningen in de Kerk. Die mogen we niet zien als hoger en lager, maar als elkaar aanvullend, ieder vanuit zijn eigen zending. Maar aan niemand wordt de mogelijkheid en de roeping onthouden zichzelf helemaal aan Christus te geven.

Met dank overgenomen van de eigen website van Mgr. Hendriks arsacal.nl

22 juli - Maria Magdalena "Apostel van de Verrijzenis"

22 juli Gedachtenis van de H. Maria Magdalena

Magdalenaraam in de basiliek van Sint Odiliënberg
“Dic nobis, Maria, quid vidisti in via?
Sepulcrum Christi viventis et gloriam vidi resurgentis;
Angelicas testes, sudarium et vestes.
Surrexit Christus spes mea!” (Victimæ paschal)

Zeg het ons, Maria, wat is het dat gij gezien hebt?
Het graf van Christus die leeft, de glorie van Hem die is verrezen;
Engelen als getuigen, de zweetdoek en de zwachtels.
Christus, mijn hoop is verrezen!

Maria Magdalena behoorde tot de vrouwen die Christus op zijn tochten volgden. Zij stond dichtbij het kruis op de Calvarieberg toen Hij stierf, was aanwezig bij zijn graflegging en mocht Hem na zijn Verrijzenis het eerste zien (Mc 16,9). Haar verering is vooral in de 12e eeuw in de westerse Kerk verbreid.

Maria Magdalena wordt door de Kanunnikessen van het Heilige Graf vereerd als “Apostel van de verrijzenis”, een naam die haar symbolisch ook toekomt omdat zij werkelijk voldeed aan de voorwaarde van “getuige van de Verrijzenis” zoals de Apostelen deze formuleerden toen een ander het dienstwerk, waaraan Judas de verrader ontrouw was geworden, moest overnemen namelijk “behorend tot ons gezelschap gedurende de tijd dat de Heer onder ons verbleef” (vgl. Luc 1,21-25).

Voor de kerk van Sint Odiliënberg vervaardigde de Roermondse glazenier Joep Nicolas (1897-1972) rond 1954 een raam in de reeks van vrouwelijke heiligen die met de historie van de kerkberg en met die van de Orde van het H.Graf zijn verbonden.

Toen het “restkapittel” – de nazaat van het Utrechtse kapittel waarvan sedert de schenking van Lotharius II aan bisschop Hunger van Utrecht in 858 kanunniken op de Sint Petrusberg te Sint Odilienberg de eredienst uitoefenden en daar woonden – zich in 1361 vestigde binnen de stad Roermond bleef de pastoor in Sint Odiliënberg achter voor de bediening van twee altaren waarvan een het Magdalena-altaar was. Met recht kunnen we zeggen dat op de Kerkberg eeuwenlang de H. Maria Magdalena vereerd wordt en daar gaan wij mee door tot op de dag van vandaag! Getuigen van de Verrijzenis is voor de Orde van het Heilig Graf en iedere kanunnikes kernactiviteit!

Op het betreffende raam van de H.Maria Magdalena staat zij afgebeeld als boetelinge: in een haren kleed, met loshangend haar, pelgrimsstok, doodskop en betraand gelaat. Vóór haar het vat met kostbare specerijen dat staat voor de balseming van Jezus’ voeten. Op de achtergrond een woestijnlandschap dat doet denken aan die andere vroeg christelijke boetelinge: de H. Maria van Egypte (344-421), die wordt vereerd als patrones van vrouwen die boete doen.

Oratie van de gedachtenis van de H. Maria Magdalena:

God, aan de heilige Maria Magdalena heeft onze Heer vóór alle anderen het goede nieuws van Pasen toevertrouwd. Wij vragen op haar voorspraak, dat ook wij getuigen van de Verrijzenis en eens de heerlijkheid aanschouwen van uw Gezalfde: Jezus onze Heer. Die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest in de eeuwen der eeuwen. Amen.

22 juli H. Maria Magdalena, apostel van de Verrijzenis

Priorij Thabor: 22 juli - Maria Magdalena "Apostel van de Verrijzenis"
Maria Magdalena behoorde tot de vrouwen die Christus op zijn tochten volgden. Zij was aanwezig toen Hij stierf en mocht Hem na zijn verrijzenis het eerst zien (Mc. 16, 9). Haar verering is vooral in de 12e eeuw in de westerse kerk verbreid. In onze Basiliek herinnert een raam in de Basiliek aan de devotie voor de H Maria Magdalena die in ieder geval vanaf de veertiende eeuw hier bestond. Zij had een eigen devotie-altaar in de Basiliek waaraan zelfs na de vlucht van de Kanunniken van het aarsbisdom Utrecht in Roermond een priester de gestichte H. Mis las. Op dit venster is zij afgebeeld als boeteling geknield met de schedel (memento mori, gedenk te sterven), met de staf van de pelgrim en de Kelk van de H, Eucharistie, brood van eeuwig leven.

22 juli Uit het getijdengebed: de H. Maria Magdalena

22 juli Gedachtenis van de H. Maria Magdalena

Lezing uit Liturgia Horarum / Getijdengebed

Uit de Homilieën op de Evangeliën, van de H. Gregorius de Grote, paus

Zij brandde van verlangen naar Christus, toen zij geloofde, dat men Hem had weggenomen

Toen Maria Magdalena bij het graf was gekomen en daar het Lichaam van de Heren niet vond, geloofde zij, dat men Hem had weggenomen en ging het aan de leerlingen vertellen. Toen dezen bij het graf kwamen, zagen zij en geloofden, dat het was zoals de vrouw hun had gezegd. En terstond daarna staat er over hen geschreven: Daarop keerden de leerlingen naar huis terug. Maar onmiddellijk wordt eraan toegevoegd: Maria echter stond bij het graf te schreien.

Hier nu moeten we overdenken welk een liefdekracht de geest van de vrouw bezielde, toen ze zelfs, nadat de leerlingen waren heengegaan, niet van het graf van de Heer kon scheiden. Zij bleef zoeken naar Hem, die zij niet gevonden had, weende onder dat zoeken, en van liefde ontstoken brandde zij van verlangen naar Hem, van Wie zij geloofde, dat men Hem had weggenomen. Daarom viel het haar ten deel, dat zij alleen Hem toen zag, omdat ze was blijven zoeken, want de kracht van het goede werk bestaat in de volharding, en de stem van de Waarheid zegt: Maar wie ten einde toe volhardt, zal zalig worden.

Zij zocht dus in het begin, maar vond niets. Zij bleef zoeken en daarom mocht zij vinden. Haar verlangens groeiden naarmate zij op de vervulling moest wachten, maar die groeiende verwachtingen kregen wat ze zochten. Heilige verlangens toch groeien door het uitstel van de vervulling. Als verlangens evenwel door het uitstel van de vervulling verzwakken, zijn het geen echte verlangens. Maar ieder die van deze liefde brandde, kon tot de waarheid komen. Vandaar zegt dan ook David: Mijn ziel dorst naar de levende God; wanneer mag ik opgaan en Gods aanschijn aanschouwen? Vandaar ook de Kerk in het Hooglied: Ik ben door liefde gewond. En wederom: Mijn ziel kwijnt van liefde.

Vrouw, waarom weent gij?  Wie zoekt gij? Er wordt gevraagd naar de oorzaak van haar smart, om het verlangen te verhevigen, zodat door het noemen van Hem, die zij zocht, zij nog vuriger zou branden in haar liefde voor Hem.

Jezus zegt tot haar: Maria. Nadat Hij haar met de algemene naam van ʻvrouwʼ heeft aangesproken en zij Hem niet herkende, noemt Hij haar bij haar eigen naam. Alsof Hij haar wilde zeggen: ʻHerken Hem, door Wie gij herkend wordt. Ik ken u niet als anderen, in het algemeen, maar Ik ken u in het bijzonderʼ. Omdat Maria dus bij haar naam wordt genoemd, herkent zij Degene, die sprak, en noemt Hem terstond ʻRabboniʼ dit is ʻMeesterʼ, omdat ook Hij haar uitwendig vroeg, maar haar inwendig onderrichtte om Hem te zoeken.

(Hom. 25, 1-2. 4-5: PL 76, 1189-1193)

22 July St. Mary Magdalene

Guerrero: Maria Magdalene - madrigaal

zondag 3 januari 2016

Tweede zondag na Kerstmis Uit het Getijdengebed:


Dirk Bouts, 1455-1460, De H. Maagd met het Kind Jezus.
Olieverf op hout, 21x16 cm. Metropolitan Museum, New York.


Antifoon bij het Benedictus:
Virgo semper fidelis,
et si Verbum genuit incarnatum,
virgo mansit et post partum,
quam laudantes omnes dicimus:
Benedicta tu in mulieribus.

De altijd trouwe Maagd,
die het mensgeworden Woord heeft gebaard,
is na de geboorte van Jezus Maagd gebleven.
Laat ons haar bezingen met de woorden:
gezegend zijt Gij boven alle vrouwen.