woensdag 16 december 2015

Liturgia Horarum H. Irenæus: Gods plan met de Menswording



De glorie van de mens is God; maar het voorwerp van Gods werking en van al zijn wijsheid en macht
is de mens.
Zoals de geneesheer tot zijn recht komt in de zieken, zo wordt God openbaar in de mensen. Daarom
zegt ook Paulus: God heeft alles in ongeloof gevangen gehouden, om aan allen zijn barmhartigheid te
tonen. Dat zegt hij van de mens, die niet luisterde naar God en van zijn onsterfelijkheid vervallen
werd verklaard maar daarna barmhartigheid verwierf, toen hij door Gods Zoon zelf die aanneming
tot zoon  ontving. Want hij, die zonder zelfverheffing of grootspraak de heerlijkheid verstaat over de
schepping en de Schepper - over God, die almachtig over alles heerst en alles het bestaan geeft – en die in Gods liefde blijft, aan Hem onderworpen en Hem dankbaar is – zal ook van Hem grotere glorie ontvangen, voortgang maken, totdat hij gelijkvormig is geworden aan Hem, die voor hem is gestorven.
Hijzelf is tot een gelijkenis van het vlees der zonde geworden, om de zonde te veroordelen en ze juist als veroordeeld uit het vlees te bannen, en om de mens op te roepen op Hem te gelijken – om hem namelijk als zijn navolger aan God voor te stellen en voor hem een vaderlijke regeling te treffen om God om God te zien en de Vader te doen begrijpen -, Hij nu is het Woord Gods, dat woonde in een mens en mensenzoon geworden is, om de mens er aan te wennen God in zich op te nemen en God er aan te wennen in de mensen te wonen volgens de wens van de Vader.
Daarom dan ook gaf de Heer zelf het teken van ons heil, de Emmanuel uit de Maagd geboren, omdat de Heer zelf het was die hen redde, daar zij dit uit eigen kracht niet vermochten; daarom getuigt Paulus van de menselijke zwakheid als hij zegt: ik ben mij ervan bewust dat er in mijn vlees niets goeds woont, waarmee hij bedoelt, dat het goed van ons heil niet van ons zelf afhangt maar van God, en weer verder zegt hij: ik ongelukkige, wie zal mij bevrijden van dit lichaam des doods? En dan geeft hij terstond de bevrijder aan, de genade van Onze Heer Jezus Christus.
Dit zegt ook Jesaja: Versterkt uw slappe handen en knikkende knieën: vat moed, harten in angst, maakt u sterk, hebt geen vrees! Ziet hier is onze God, Hij voltrekt de wraak der vergelding. Zelf zal Hij komen om u ter verlossen.
Dat betekent dat wij niet uit onszelf, maar door Gods hulp zalig konden worden. 
(Tract. Adversus hæreses, Lib. 3, 20,2: SCh 34, 342-344)