Posts tonen met het label liturgie (eredienst). Alle posts tonen
Posts tonen met het label liturgie (eredienst). Alle posts tonen

zaterdag 30 mei 2026

Het Kruisteken: In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.


Iedere keer als wij het kruisteken maken, verwijzen wij daardoor naar de grote geheimen van ons geloof: de Heilige Drievuldigheid en het lijden van Christus aan het Kruis voor onze -persoonlijke- verlossing; in die zin is het kruisteken een geloofsbelijdenis. Als wij beseffen waar het kruisteken voor staat, zullen wij dat vanzelf met gepaste eerbied doen.

Christenen hebben vanaf de vroegste tijden het kruisteken gemaakt. Tertullianus (omstreeks 240) schrijft: "Bij het begin en onder het werk, bij het binnenkomen en naar buiten gaan, bij het aankleden, bij het slapen gaan en bij alles wat wij doen, tekenen wij het voorhoofd met het kruisteken".

In de lezingendienst van het feest van Kruisverheffing (14 september)is een preek opgenomen van de H. Andreas, bisschop van Kreta (overleden 740), waarin onder meer vermeld: "Was er geen kruis, dan was Christus niet gekruisigd. Bestond er geen kruis, dan was het leven niet aan het kruishout genageld. Was dat niet gebeurd, dan was er uit de zijde van Christus niet de bron van onsterfelijkheid opgeweld, bloed en water die de wereld reinigen, de oorkonde van onze zondigheid was niet verscheurd, wij hadden de vrijheid niet gekregen, niet van het levenshout mogen genieten, het paradijs was niet opengesteld. Was er geen kruis geweest, dan was de dood niet neergeslagen, de hel niet van zijn wapens beroofd".

zaterdag 19 april 2025

Præfatio Paschalis (Pius XII) Cum Pascha nostrum immolatus est Christus



U danken wij, Heer God, omwille van uw heerlijkheid, en om heil en genezing te vinden zullen wij uw Naam verkondigen, al onze dagen, maar vooral (in deze heilige nacht) op deze dag die Gij gemaakt hebt bezingen wij U. Want ons paaslam, Christus, is voor ons geslacht. Hij, die voor ons geworden is, het Lam dat wegdraagt de zonden der wereld. Onze dood is Hij gestorven, voorgoed heeft Hij de dood ontwapend en gedood; Hij is opgestaan ten leven en alles heeft Hij nieuw gemaakt. Vreugde om het paasfeest vervult ons, mensen die op aarde wonen; vreugde vervult de engelen in de hemel, de machten en krachten die U loven, die U dit lied toejuichen zonder einde:

zaterdag 9 november 2024

9 november: Wijding basiliek Jan van Lateranen


Op 9 november gedenkt de Kerk de wijding van de Sint Jan van Lateranen in Rome. De Jan van Lateranen is de oudste pauselijke basiliek. Het stuk grond behoorde ooit toe aan Plautius Lateranus.  Daarom wordt de kerk aangeduid met “van Lateranen”. Dit is de kerk van de bisschop van Rome, de paus.

De eerste versie van de kerk werd in de vierde eeuw door keizer Constantijn gebouwd.  Op deze plaats zou keizer Constantijn het heilig Doopsel hebben ontvangen, 

Na aardbeving, brand en plundering werd de kerk enkele malen, laatstelijk in 1589, opnieuw opgetrokken.

De andere pauselijke kerken zijn: de Santa Maria Maggiore, de Sint Paulus buiten de Muren en de Sint Pieter. De  Sint Pieter is de kerk boven het graf van Petrus. Volgens traditie zou in het altaar van de Jan van Lateranen een deel van de zetel (cathedra) van Petrus opgenomen zijn.  Het kerkgebouw is toegewijd aan Sint Jan de Doper en Sint Jan de Evangelist, maar op de eerste plaats aan Christus de Verlosser.

De liturgische feestdag van de kerkwijding van de Sint-Jan is 9 november. Sinds de 12de eeuw wordt het feest op deze dag gevierd. “Deze gedachtenis was aanvankelijk beperkt tot de stad Rome, maar werd uiteindelijk uitgebreid naar de universele kerk. De reden daarvoor was het gegroeide inzicht dat de bisschop van Rome, wiens cathedra in de Sint-Jan staat, de opvolger is van de apostel Petrus en daarom het hoofd is van de gehele liefdesgemeenschap van Christus, zoals Ignatius van Antiochië schreef”, zie ook rkk.nl. 

Met de liturgische feestdag gedenken we geen gebouw van stenen en mortel, maar de Godgewijdheid van een plaats waar sinds vele eeuwen mensen samen komen om de sacra mysteria (heilige geheimen) te vieren. Die gedachte klinkt door in de teksten van deze dag, zie ook hierna.  

zaterdag 30 juli 2022

Liturgia Horarum H. Petrus Chrysologus Het gebed klopt aan, vasten verkrijgt en barmhartigheid ontvangt

Uit een preek van de heilige Petrus Chrysologus, bisschop van Ravenna († ca. 450)

Het gebed klopt aan, het vasten verkrijgt en de barmhartigheid ontvangt.
Drie dingen zijn er, broeders en zusters, drie dingen waardoor ons geloof sterk staat, onze toewijding standvastig is en onze deugd blijvend, namelijk gebed, vasten en barmhartigheid. Door te bidden kloppen wij aan, door te vasten verkrijgen wij, door barmhartigheid ontvangen wij. Gebed, vasten en barmhartigheid: deze drie zijn één, zij geven elkaar het leven.
Immers, de ziel van het gebed wordt gevormd door het vasten en het vasten leeft pas echt als wij barmhartigheid betonen. Laat niemand deze drie uit elkaar trekken, want zij willen niet gescheiden worden. Wie er van de drie slechts één bezit of ze niet tegelijk beoefent, bezit niets. Dus, wie bidt, moet vasten en wie vast, moet barmhartig zijn. Wie wil dat zijn gebed verhoord wordt, moet ook zelf luisteren naar een verzoek. Hij vindt gehoor bij God, als hij zijn eigen oor niet sluit voor een smeekbede.
De mens die vast, moet begrijpen wat vasten is. Hij moet voelen wat honger lijden is, als hij wil dat God zijn honger aanvoelt. Hij moet barmhartigheid tonen, als hij op barmhartigheid hoopt.
Wie goedheid wil ervaren, moet goed doen. Wie verlangt dat men geeft, moet zelf geven. Wie voor zichzelf vraagt wat hij een ander ontzegt, vraagt op de verkeerde manier.
Voor ons als mens moet dit de norm van onze barmhartigheid zijn: je ondervindt barmhartigheid zoals je wilt, zoveel als je wilt en zo vlug als je wilt, maar heb dan medelijden met anderen, ook zo, evenveel, even vlug.
Gebed, barmhartigheid en vasten moeten dus onze ene bescherming zijn bij God, onze ene voorspraak, ons ene drievormige gebed.
Wat wij door misprijzen hebben verloren, moeten wij door vasten herwinnen. Ons leven moeten wij offeren door te vasten, want er is niets beters dat wij God kunnen aanbieden. Dit bewijst het woord van de psalmist: ‘Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid; een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af’ (Ps. 51 (50), 19).
Offer dus je leven aan God, bied je vasten aan als een zuiver en heilig offer, een levend offer dat van jou blijft en aan God gegeven wordt. Wie dit niet aan God schenkt, is niet te verontschuldigen, want ieder bezit zichzelf om weg te schenken.
Maar om jouw gaven aanvaardbaar te maken is barmhartigheid onmisbaar. Want vasten brengt geen vrucht, als de akker niet besproeid wordt met barmhartigheid. Het vasten kwijnt weg, als de barmhartigheid opdroogt. Wat de regen is voor het land, dat is de barmhartigheid voor het vasten. Iemand die vast, kan wel zijn gezindheid verzorgen, zijn vlees zuiveren, ondeugden uitroeien en deugden zaaien, maar als hij de barmhartigheid niet laat stromen, oogst hij geen vrucht.
Als jij vast en jouw barmhartigheid vast ook, dan lijdt jouw akker honger. Maar als je vast en uit barmhartigheid rondstrooit, dan vult zich daarmee jouw schuur in overvloed. Lijd daarom geen verlies door te bewaren, maar verzamel door te geven. Geef aan een arme en geef zo aan jezelf. Alleen wat je aan een ander laat, zul je zelf bezitten.

maandag 25 juli 2022

Liturgia Horarum 25 juli H. Jacobus (de Meerdere), apostel


Jakobus, zoon van Zebedeüs en broer van de apostel Johannes, werd in Betsaida geboren. Hij mocht getuige zijn van de belangrijkste wonderen van de Heer. Hij werd omstreeks het jaar 42 op last van Herodes ter dood gebracht. Sedert onheuglijke tijden wordt hij bijzonder vereerd in Compostela (Spanje), waar een basiliek aan hem is gewijd.

Uit een preek van de heilige Johannes Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over het evangelie van Matteüs

Deelgenoten aan het lijden van Christus.

De zonen van Zebedeüs vallen Jezus lastig met de vraag: ‘Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand mag zitten’ (Mc. 10, 37; vgl. Mt. 20-21). En zij dringen aan: ‘Zeg het ons!’ Wat antwoordt Hij? Hij maakt hun duidelijk dat zij niets geestelijks vragen, maar dat zij, als zij geweten hadden wat zij vroegen, het niet gewaagd zouden hebben iets dergelijks te vragen. Hij zegt: ‘Ge weet niet wat ge vraagt.’ Immers, hoe groot, hoe wonderlijk is dat en hoezeer gaat het zelfs de hemelse machten te boven! Vervolgens zegt Jezus: ‘Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink, en met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt word?’ Hij wil daarmee zeggen: ‘Gij hebt het met mij over eer en zegekransen, maar Ik heb het over strijd en lijden. Het is nu niet de tijd voor kransen en evenmin zal mijn roem nu daarin zichtbaar worden. Het heden is juist een tijd van moord, oorlog en gevaar.’
Zie eens met welke vragen Hij hen vermaant en nader tot zich brengt. Hij zegt niet: ‘Zijt ge in staat de dood te ondergaan? Zijt ge in staat uw bloed te vergieten?’ Maar wat zegt Hij? ‘Zijt ge in staat de beker te drinken?’ Dan gaat Hij verder: ‘Die Ik ga drinken.’ Hij voegt dit toe opdat zij door zich met Hem te verenigen, des te bereidwilliger zullen zijn dat alles te ondergaan. Dat noemt Hij dan weer een doopsel om aan te tonen dat de wereld een grote loutering zal ondergaan door wat er met Hem gebeurt. Zij zeggen tegen Hem: ‘Ja, dat kunnen wij.’ Bereidwillig beloven zij dit te doorstaan; zij weten echter niet wat ze zeggen, maar verwachten wel te verkrijgen wat ze vragen.
Wat zegt Hij nu? ‘De beker die Ik drink, zult gij drinken, en met het doopsel waarmee Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden.’ Hij voorspelt hun een groot goed: gij zult het martelaarschap waardig gekeurd worden en gij zult lijden wat Ik zal lijden. Door een gewelddadige dood zult gij uw leven beëindigen en daarin zult gij met Mij delen. ‘Het is echter niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.’ Nadat Hij hun gedachten op een hoger plan gebracht en hen tegen smart gewapend heeft, verbetert Hij hun vraag.
‘Toen werden de tien anderen kwaad op de beide broers’ (Mt. 10, 24). Ziet gij nu hoe onvolmaakt allen nog waren? Zowel degenen die zich boven de tien anderen willen verheffen, als degenen die de twee benijden. Toon mij echter eens wat er later met hen gebeurd is en ge zult zien dat zij dan van al dat soort hartstochten bevrijd zijn. Hoor dan hoe de apostel Johannes, degene dus die Jezus met bovenstaande vraag benaderde, overal aan Petrus de eerste plaats laat. Hij doet dat niet alleen wanneer Petrus tot het volk spreekt, maar ook als Petrus wonderen doet, zoals wij kunnen lezen in de Handelingen van de Apostelen. Jakobus op zijn beurt leefde niet lang meer na deze gebeurtenissen: hij werd vanaf het begin door een zo vurige ijver bezield en hij steeg met achterlating van het menselijke tot een zo grote hoogte dat hij spoedig gedood werd.


vrijdag 15 juli 2022

Zr. M. Benedicta a Cruce (Edith Stein) Het zwijgen en het spreken van Maria


Maria, de Moeder van het Kind van Bethlehem en de Moeder onder het Kruis, omvat ons steeds met moederlijke trouw. Zij kan ons laten zien hoe men stil kan zijn. Door deze zuivere, deemoedige stilte was Zij voor God ontvankelijk.

Haar hart lijkt op een bewegingloze zeespiegel, rustend in zich zelf, omdat Zij God kent. Als we naar haar kijken, helpt dat ons het beschouwende leven te begrijpen. Niet alleen het kijken naar Maria zoals Zij op aarde was, maar ook zoals Zij nu in de hemelse heerlijkheid leeft. Als de stille weerklank van de verheerlijkte en verheven Heer, die aan der Rechterhand van de Vader zit. Hem wil Zij slechts. Dat Hij verheerlijkt en bemind mag worden. Zij wil niets voor zichzelf. Alle verering die men haar schenkt, neemt Zij liefdevol in ontvangst met het oog op Hem die ook in zijn Moeder moet worden geëerd. Zij is in het diepst van haar wezen zo stil, zoals alleen de grote, zuivere, zelfvergeten liefde het kan zijn. Zij wil ons in haar stilte binnenleiden, in de diepe wijsheid van haar stilheid. Als ik mijn blik naar haar richt, begrijp ik wat ik nodig heb…

De woorden die de evangelisten van haar hebben opgetekend zijn gering in aantal, maar ze zijn kostbaar en wegen dóór.

Dat getuigt ook Zr. Theresia Benedicta van het Kruis OCD (Edith Stein, 1891-1942): Voor 16 juli 1940, hoogfeest van O.L.Vrouw van de Berg Karmel, schreef Edith Stein een toespraak voor Zuster Miriam van de Kleine H. Theresia, die op die dag haar tijdelijke professie zou doen. Daar staat: “Es sind uns von der allerseligsten Jungfrau nur wenige kurze Worte im Evangelium überliefert. Aber diese wenigen Worte sind wie schwere Körner lauteren Goldes. Wenn sie in der Glut liebender Betrachtung schmelzen, werden sie überfliessend hinreichen um unser ganzes Leben in Leuchtenden Goldglanz zu tauchen”.

In onze opgang naar Kerstmis overwegen we met Maria het mysterie van de Menswording van God.

zondag 10 juli 2022

Liturgia Horarum 11 juli H. Benedictus, abt, patroon van Europa

Uit de regel van de heilige Benedictus, abt van Monte Cassino († 547)

Volstrekt niets boven Christus stellen.

Allereerst: wat voor goeds u ook onderneemt, vraag God in een volhardend gebed, dat Hij het tot een goed einde brengt. Dan zal Hij die ons nu reeds tot zijn zonen heeft willen rekenen, nooit over ons slecht gedrag bedroefd behoeven te zijn. Te allen tijde moeten wij Hem dan ook met zijn eigen gaven die Hij ons geschonken heeft, gehoorzamen; anders zou Hij ons, zijn zonen, weleens als een vertoornde Vader kunnen onterven, of wat nog erger is: als een geducht meester die door ons
wangedrag geërgerd is, zou Hij ons kunnen overleveren aan de eeuwige straf als slechte dienaren die Hem niet hebben willen volgen naar de heerlijkheid.
Laten wij dan eindelijk eens opstaan, gewekt door het woord van de Schrift: ‘Het uur om uit de slaap te ontwaken is reeds aangebroken’ (Rom. 13, 11). Onze ogen geopend voor het goddelijk licht, moeten wij met een aandachtig oor luisteren naar wat Gods stem ons dagelijks vermanend toeroept: ‘Luistert heden naar zijn stem: weest niet halsstarrig’ (Ps. 95 (94), 8), en verder: ‘Wie oren heeft hore wat de Geest tot de kerken zegt’ (Apok. 2, 7). En wat zegt Hij? ‘Komt, kinderen, luistert naar wat ik u zeg; ik leer u de Heer te vrezen’ (Ps. 34 (33), 12). ‘Gaat uw weg, zolang gij het licht van het leven hebt, opdat het duister van de dood u niet moge overvallen’ (vgl. Joh. 12, 35).
En terwijl de Heer te midden van al de mensen, die Hij dit toeroept, zijn arbeiders zoekt, spreekt Hij nogmaals: ‘Wie is er bij u die het leven liefheeft en dagen van voorspoed verlangt?’ (Ps. 34, (33), 13). Wanneer u dit hoort en antwoordt: ik, dan zegt God tot u: ‘Als gij het ware en eeuwige leven wilt hebben, weerhoud dan uw tong van boosaardige taal, uw lippen van leugenachtige woorden. Vermijd dan het kwade en doe slechts wat goed is, streef naar vrede en laat die niet los’ (Ps. 34 (33), 14-15).
Wanneer gij dit doet, rusten mijn ogen op u en luisteren mijn oren naar uw gebeden, en nog vóór gij Mij aanroept, zal Ik zeggen tot u: ‘Hier ben Ik’ (Ps. 34 (33), 16; Jes. 58, 9; 65, 24).
Wat is er aanlokkelijker voor ons, geliefden, dan deze stem van de Heer die ons uitnodigt? Zie, in zijn goedheid toont de Heer ons de weg ten leven. Laten wij dan onze lendenen omgorden met het geloof en met de trouw in het volbrengen van het goede, en gaan wij dan, geleid door het evangelie, voort op zijn wegen, om Hem te mogen aanschouwen die ons naar zijn rijk geroepen heeft (Ef. 6,14-15; 1 Tess. 2, 12; vgl. Jes. 11, 5). Indien wij in zijn tent, dat wil zeggen: in dat rijk, willen wonen, zullen wij daar slechts kunnen komen als wij ons erheen spoeden door het goede te doen.

Zoals er een slechte ijver is - vrucht van verbittering - die van God verwijdert en naar de hel voert, zo is er ook een goede ijver die van de ondeugd verwijdert en naar God voert en naar het eeuwig leven. Op deze ijver nu moeten de monniken zich met de vurigste liefde toeleggen; dat wil zeggen: ‘Zij moeten anderen hoger achten dan zichzelf’ (Rom. 12, 10); zij moeten elkanders zwakheden, lichamelijke zowel als morele, met het grootste geduld verdragen; om strijd moeten zij elkaar
gehoorzaamheid betonen; niemand zoeke wat hij voor zichzelf voordelig acht, maar
veeleer wat goed is voor de ander.
Op onbaatzuchtige wijze leggen zij zich toe op de broederliefde. In liefde vrezen zij God. Hun abt beminnen zij met een oprechte en nederige genegenheid. Volstrekt niets stellen zij boven Christus, die ons allen te zamen tot het eeuwig leven moge geleiden.

De heilige Benedictus liet huis en erfdeel achter zich; hij was er enkel op bedacht God te behagen en hij koos het monnikskleed om een heilig leven te leiden. Hij trok zich terug: ongeschoold had hij veel kennis, ongeletterd was hij wijs.En hij koos het monnikskleed om een heilig leven te leiden.

vrijdag 1 juli 2022

Liturgia Horarum Maria op zaterdag Ruusbroec Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.

Uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec († 1381)

Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.

Wij moeten onze lieve Heer Jezus Christus lof en dank brengen om de waardigheid van Maria, zijn lieve moeder. Want uit heel de wereld koos Hij haar uit om zijn moeder te zijn. Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid dat zij Hem ontving van de heilige Geest, Hem droeg en Hem ter wereld bracht zonder smet en zonder smart, Moeder en Maagd. En Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid om aan haar borst gevoed te worden. De engelen zongen Hem toe: Eer aan God in de hemel, en Hij schreide in de kribbe bij zijn moeder. Zij aanbad Hem en keek naar Hem als naar haar God en haar zoon. Zij diende Hem met grote eerbied en Hij op zijn beurt diende haar zoals een goed kind zijn lieve moeder. Zij mocht tot Hem bidden als tot haar God en Hem gebieden als haar zoon. Zo’n groot wonder werd nooit gezien.
De adel van Maria’s deugden en van haar heilig leven kan men niet beschrijven noch uiteenzetten. Zij is diep in ootmoedigheid, hoog in reinheid, wijd en breed in liefde, lang in barmhartigheid jegens de zondaars die haar aanroepen, want zij is de moeder van de goedertierenheid en van alle genade en zij is onze voorspreekster en middelares tussen ons en haar zoon. Hij kan haar niet weigeren wat zij vraagt, want zij is zijn moeder en zit aan zijn rechterzijde als de koningin die met Hem gekroond is, als de vrouw die machtig is in de hemel en op de aarde, verheven boven alle schepselen en Hem het meest nabij.
Hierom moeten wij Hem danken en loven voor de grote eer, die Hij geschonken heeft aan zijn moeder naar de menselijke natuur, die ook de moeder van ons allen is. Want ondankbaarheid zou de bron van Gods genade doen opdrogen.

donderdag 28 april 2022

Liturgia Horarum Catharina van Siena "Wil Uw schepselen genadevol Uw barmhartigheid bewijzen"

Liturgia Horarum
Lezing op de 18e zondag door het jaar
H. Catharina van Siena:

Uit de Dialoog over de goddelijke Voorzienigheid


Mijn allerzoetste Heer, richt uw barmhartige ogen welwillend op dit volk, tegelijk ook op het mystieke Lichaam van uw Kerk, want het betekent voor uw heilige Naam een groter glorie zo’n grote menigte van uw schepselen te sparen, dan alleen mij, beklagenswaardige, die zozeer uw Majesteit heb beledigd. Hoe zou ik mij kunnen troosten, als ik zag, dat ik zelf van het leven genoot, maar uw volk zag sterven en als ik in uw zo beminde bruid de duisternis van de zonden zou zien, met als oorzaak mijn eigen tekortkomingen en die van anderen van uw schepselen?
Ik verlang dan en vraag het als een bijzondere gunst, dat die onschatbare liefde, die U er toe bracht de mens te scheppen naar uw beeld en gelijkenis, dit bewerkte. Wat of wie, bid ik U, bracht U er toe de mens in zo’n waardigheid te plaatsen?  Ongetwijfeld alleen die onschatbare liefde, waarmee Gij uw schepsel in U zelf hebt beschouwd en waarop Gij als ‘verliefd’ zijt geworden. Maar ik erken openlijk, dat het schepsel om zijn zondeschuld terecht die waardigheid verloren heeft, waarin Gij het had geplaatst.
Gij echter,  door diezelfde liefde ontstoken, wilde genadevol het mensengeslacht met U verzoenen, en Gij hebt ons het Woord van uw Eniggeboren Zoon gegeven, die in werkelijkheid de tussenpersoon en de Middelaar tussen U en ons is geworden.  Hij is onze rechtvaardiging geworden, die al onze ongerechtigheden en misdaden wreekte en op Zich heeft genomen uit gehoorzaamheid, die Gij, eeuwige Vader, Hem had opgelegd, toen Gij besloten had, dat Hij zelf onze mensheid op Zich moest nemen. O onschatbare afgrond van Liefde! Wat is dat voor een hart, dat zo versteend is, dat het in zijn geheel behouden kan blijven bestaan, en niet in het minst verscheurd wordt bij het zien, hoezeer en hoe diep onze mensheid bij zo’n goddelijke verhevenheid tot zulk een diepe afgrond en verworpenheid is gedaald.
Wij zijn uw beeld en Gij zijt een beeld van ons door de vereniging, die Gij met de mens zijt aangegaan, door uw eeuwige Godheid te omhullen met de armoedige wolk en de bezoedelde massa van Adams vlees. Vanwaar dit? Alleen uw onuitsprekelijke liefde is daarvan de oorzaak. Bij de onschatbare liefde, bid ik daarom nederig uw Majesteit uit alle kracht van mijn ziel, dat Gij uw ellendige schepselen genadevol uw barmhartigheid wilt bewijzen.

(4,13) 

zaterdag 9 april 2022

Collectegebed Palmzondag “Zijn lijden ter harte nemen en deelhebben aan Zijn verrijzenis”


I n l e i d i n g

We gaan de Goede Week binnen, de Heilige Week - Hebdomada Sancta -  volgens de liturgie van de Kerk. De dagen van deze Heilige Week worden ‘heilig’ genoemd, het zijn immers gezegende dagen waarin de barmhartigheid van God zich nog meer opent voor de mensen. De Goede Week vormt het hoogtepunt van de vieringen van heel de liturgische cyclus en tegelijkertijd is zij de eindstreep waarop heel de praktijk en de beleving van de veertigdagentijd zich hebben gericht. Als het ware   samengebald ontrolt zich deze dagen de historische heilsgeschiedenis, vooral in de liturgische vieringen, die de mysteries van lijden, sterven, verlossing en verrijzenis actueel, altijd nieuw en levendig present stellen en niet louter als herinnering in de geest oproepen.
De essentie van de Goede Week is haar sacramentele karakter, culminerend in de Sacramenten van Doopsel en Eucharistie tijdens de Paaswake. Het is niet ongerijmd dat hier en daar, vooral in de Zuid-Europese landen, accenten worden gelegd op historische verbeelding en processies. Palmzondag is het perfecte portaal met de viering van de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem en van de lijdende Christus in zijn week van lijden en sterven.
Op de dagen tussen Palmzondag en Witte Donderdag klinkt reeds de droeve toon van de tragedie die nadert en van de dood die op handen is. De zalving van Jezus (maandag), de overlevering (dinsdag) en het verraad van Judas (woensdag) voeren ten volle naar het “Triduum Sacrum” waarvan elke viering een eigen intense onderdompeling in het Paasmysterie van onze verlossing betekent.
Het Paastriduum (triduum van [spatium] tijdsruimte van trium dierum) - de laatste drie dagen vóór Pasen) omvatte vroeger verplichte liturgische dagen waarop de mensen, vrijgesteld van slafelijk werk aan de liturgische vieringen die toen ’s morgens werden gehouden, konden deelnemen. In de 17e eeuw verviel deze verplichting onder invloed van de veranderende maatschappelijke en religieuze omstandigheden. Dit bracht mee dat de gelovigen het zicht op deze mooie liturgische plechtigheden verloren en deze over het algemeen nog slechts bekend waren bij priesters en religieuzen in de kloosters.
In 1951 begon paus Pius XII, teneinde een grotere bekendheid te geven aan Het Paastriduum, met de restauratie van de liturgische plechtigheden en verordende dat de Paasvigilie in de avond diende te worden gevierd. In 1953 volgde de permissie dat op sommige dagen de H. Mis ‘avonds kon worden gevierd. Een nieuwe Ordo voor de Goede Week verscheen in 1955 en werd praktisch ingevoerd op 25 maart 1956. Toen kreeg ook de Zondag van de Goede Week de naam van “Tweede Passiezondag”, of Palmzondag. Van het koorgebed dienden Metten en Lauden (De zogenaamde “Tenebræ” – “Donkere Metten” ‘s morgens worden gezongen. De H. Mis van Witte Donderdag mocht niet eerder worden gevierd dan vanaf 17.00u en niet later dan 20.00u. Het argument was de deelname van de gelovigen aan al deze belangrijke liturgische vieringen te vergemakkelijken.
De voornaamste ceremonies van de Mis van Palmzondag zijn de wijding van de palmtakken (of olijftakken op andere plaatsen in de wereld, zoals in Rome) en een processie rond de kerk met plechtige intrede in de kerk. In het huidige Missale Romanum roept een interessante rubriek aangaande de processie de oude christelijke tijden op:
“Op een geschikte tijd komt men bijeen (vindt de “collecte” = verzameling plaats (fit collecta) in een bijkerk, kapel of op een andere geschikte plaats buiten de kerk waar men in processie naar toe zal gaan.”
Hier is ons woord “collecta” gebruikt als term voor een verzameling van mensen.
De rubrieken zijn dus nuttig om het begrip “actieve deelname” te begrijpen:
“De priester richt zich tot de gelovigen om de betekenis van het feest uit te leggen waarmee de gelovigen worden uitgenodigd tot actieve en bewuste deelname (actuose et conscie participandam) aan de viering van deze dag”.
De woorden actief en bewust zijn zeer belangrijk.  Wanneer het Tweede Vaticaanse Concilie de term actuosa participatio of “actieve deelname gebruikt, bedoelde het voornamelijk inwendige deelname, de betrokkenheid van verstand, hart en wil. De concilievaders doelden niet primair op uitwendige deelname. Uitwendige deelname is immers het natuurlijke effect van inwendige deelname: wij proberen uitwendig uit te drukken wat wij inwendig ervaren. Hoewel de twee bewegingen elkaar beïnvloeden, heeft inwendige participatie logischerwijs prioriteit omdat deze verreweg belangrijker is.
Wanneer de priester bij het altaar is aangekomen bewierookt hij het en zegt onmiddellijk ter afsluiting van de processie het collectegebed.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
qui humano generi, ad imitandum humilitatis exemplum, Salvatorem nostrum carnem sumere, et crucem subire fecisti,
concede propitius,
ut et patientiæ ipsius habere documenta et resurrectionis consortia mereamur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige eeuwige God,
om aan de mensen een voorbeeld te geven van nederigheid hebt Gij gewild dat onze Verlosser mens werd zoals wij en de dood onderging aan het kruis.
Geef dat wij ter harte nemen wat zijn lijden ons te zeggen heeft en deel hebben aan zijn verrijzenis.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
[Gij] die ten behoeve van het menselijk geslacht onze Zaligmaker het vlees hebt laten aannemen en het kruis op Zich nemen, ter navolging van [Zijn] voorbeeld van nederigheid,
Verleen, genadig als Gij zijt,
dat wij zowel de voorbeelden van juist dat lijdzaam dulden als ook het deelgenootschap aan [Zijn] verrijzenis verdienen te bezitten.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n

Bovenstaand collectegebed was opgenomen in oudere uitgaven van het Missale Romanum en daarvóór in het Sacramentarium Gelasianum (Vat. Reg. lat. 316 f. 329), 1e helft achtste eeuw. In het Gelasianum staat een extra dienstig et: Salvatorem nostrum et carnem sumere, et crucem subire. Wonderlijke alliteratie! De uitgever van het Gelasianum laat een komma achterwege, waardoor het fragment: qui humano generi ad imitandum… begrijpelijker wordt. Mogelijk heeft de tekst een vleugje van Sint Augustinus’ invloed meegekregen. In Brief 194.3 van Sint Augustinus komen de begrippen humilitatis en exemplum in een nauwe verbinding met documentum voor en in zijn Commentaar op Psalm 29 en 2.7 (Enarr. 29;2.7) staan de begrippen documentum en patientiæ in de nabijheid van exemplum. In de context van het Lijden zegt Augustinus: “Om die reden stond de Heer zelf, Rechter over levenden en doden, voor een menselijke rechter (Pilatus), om ons een uitgesproken les van nederigheid en geduld te geven (humilitatis et patientiæ documentum), niet als was Hij verslagen, maar om de soldaat een voorbeeld te geven hoe te strijden (pugnandi exemplum): …”
Afgezien van het collectegebed van de 1e zondag van de Vasten hebben alle collectegebeden van de Vastenzondagen in het herziene missaal van 1970 qui-zinnen en de collecta van de 3e zondag van de Vasten in hetzelfde missaal heeft hetzelfde aantal woorden als de collecta van Palmzondag (31).

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Omnipotens sempiterne Deus,
2.qui humano generi, ad imitandum humilitatis exemplum, Salvatorem nostrum carnem sumere, et crucem subire fecisti,
3.concede propitius,
4.ut et patientiæ ipsius habere documenta et resurrectionis consortia mereamur.

Ad 1
De oratie opent met een drievoudige anaklese waarbij in de gebruikte adiectieva voor God zijn almacht en eeuwigheid worden uitgedrukt.

Ad 2
Relatieve bijzin (r.2) die ongewoon uitvoerig is en die een goddelijke heilsdaad uitdrukt die voorvloeit uit zijn almacht. De terminologie vat de hymne samen van  Paulus’ Brief aan de Filippenzen 2,5-9.
De relatieve bijzin is complex en bevat de bijwoordelijke bepaling ad imitandum humilitatis exemplum; ad imitandum: een gerundium-constructie van het deponente verbum imitari en kan hier gezien het voorzetsel ad als een zelfstandig naamwoord worden vertaald: ter navolging van.. Humilitatis exemplum: kan worden gelezen als object van ad imitandum; humilitatis is een bijvoeglijke bepaling in de genitivusvorm die het substantivum exemplum nader preciseert (genitivus explicativus). In deze bijzin wordt het doel verwoord van de heilsdaad van r.2.
De relatieve bijzin bevat vervolgens twee infinitivusvormen sumere en subire, beide geregeerd door het predicaat fecisti; met de accusativusvorm Salvatorem nostrum vormen deze een dubbele a.c.i.-constructie (accusativus cum infinitivo).
Het subject van de goddelijke heilsdaad is “onze Verlosser” die ons het eerste voorbeeld van nederigheid heeft gegeven door Mens te worden en het tweede in het ondergaan van de onuitsprekelijk schandelijke dood aan het kruis – iets waartoe een Romeins burger nooit werd veroordeeld. Dit zijn feitelijke gebeurtenissen uitgedrukt in de indicativus-modus van het verbum fecisti (perfectumvorm van het verbum facere; doen, bewerkstelligen)
De prominente positie van de bijwoordelijke bepaling humano generi (congruerende adiectivus- en substantivusvormen in de dativus van voordeel, dativus commodi, accentueert twee feiten: 1. ten behoeve van het menselijk geslacht heeft de almachtige God onze Verlosser Mens laten worden en 2. de mensen moeten met de genade meewerken om in de vruchten van de verlossing te kunnen delen.

Ad 3 concede, verleen, schenk, sta…toe: gezegde in de imperativus, gebiedende wijs, gemilderd door de bijwoordelijke bepaling propitius, genadig, goedgunstig, genegen, in uw goedheid.

Ad 4
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klasssiek ingeleid door het voegwoord ut dat de coniunctivus van het gezegde mereamur oproept (wenskarakter): opdat/zodat wij [mogen] verdienen. Mereamur: 1e pers. meervoud van het deponens (werkwoord in het passivum met actieve betekenis) wordt gevolgd door de infinitivusvorm habere. Dit verbum heeft uitgebreide betekenissen. De gewone betekenis is “hebben”, maar dit werkwoord duidt ook concepten aan als “houden, vasthouden, vastpakken, aanzien voor, beschouwen, houden voor” alsook “een bepaalde gesteltenis, gewoonte, bijzonderheid of karakteristiek bezittend”. Habere heeft feitelijk hier een dubbele functie met twee objecten, documenta en consortia hetgeen in de Nederlandse versie van het collectegebed niet wordt gepreciseerd. Meer letterlijk zou de vertaling kunnen luiden: (…) verleen in Uw goedheid dat wij waardig mogen zijn zowel de lessen van zijn geduld te ontvangen alsook deel te hebben aan Zijn verrijzenis. Het delen in de Verrijzenis van Christus is het uiteindelijke doel van de lessen van Christus’ patientia.
Patientiæ ipsius: twee bijwoordelijke bepalingen waardoor het eerste object documenta nader wordt omschreven: genitivus explicativus. De bijvoeglijke bepaling resurrectionis bij het tweede object, de accusativusvorm consortia, is eveneens een genitivus explicativus.
De et..et constructie somt twee elementen op die niet aan elkaar ondergeschikt zijn, grammaticaal tenminste niet.

V o c a b u l a r i u m

De vocabulaire van het collectegebed van vandaag is nogal complex. We kunnen slechts enkele begrippen aanstippen.

De collecte geeft twee woorden voor “voorbeeld”: exemplumdocumenta. Deze woorden komen beide voor in talloze klassieke en patristische teksten. Onze nuttige toeverlaat Lewis & Short Dictionary meldt ons dat het substantief exemplum betekent: “voorbeeld ter navolging, monster, staal, proef(stuk), specimen, model, maatstaf, origineel, exempel” (letterlijk: van eximo, van emo: iets dat uit een menigte andere dingen van dezelfde soort is uitgekozen). Exemplum is een term uit de klassieke rhetorica, een begrip dat in de ontwikkeling van de christelijke doctrine gedurende het eerste millennium schering en inslag was.
Voor de kerkvaders, allen goed getraind in de rhetorica – hoe welkom is deze vaardigheid vandaag de dag niet ! – duidde exemplum op een reeks van begrippen inclusief de mens als beeld van God, Christus als Leraar, en de inhoud van goddelijk geïnspireerde verkondiging.  In de Griekse en Romeinse rhetorica en filosofie, kon een exemplum auctoritas, “autoriteit” hebben: de overtuigende kracht van een argument. Wanneer we de collecta van vandaag beluisteren met klassieke oren, is exemplum niet slechts een “voorbeeld” dat navolgenswaardig is, maar het wijst op een gebeurtenis in het verleden met zo’n grote gezaghebbende kracht dat degene die deze navolgt, transformeert. In het collectegebed horen we spreken over humilitatis exemplum, het gezagvolle model van nederigheid dat Christus is – Christus in actie, of beter Christus in zijn Passie, die omwille van ons Zijn lijden op Zich neemt. Het concept imitandum  is krachtig en nadrukkelijk, het breidt het begrip exemplum uit en versterkt het.
Dit wordt het fundamentele en gezaghebbend patroon van de christelijke ervaring: zelf-ontlediging in de Menswording en in de Passie die voert tot de Verrijzenis. Het begrip exemplum wordt later nog meer uitgebreid in de oratie met documenta. Documentum is dus een model voor navolging zoals exemplum maar heeft ook in sommige contexten de betekenis van “een proef”, dat is een concrete demonstratie dat hetgeen wordt beweerd waar is: een evidentie.
In dit geval is het een paradigma waarnaar wij ons eigen leven moeten vormen en modelleren. Maar dit patroon of model bezit zelf actueel de kracht om ons te modelleren. Christus transformeert, herschept ons, gedoopten, die zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, naar zijn volmaakt exemplum en die Zijn exempla en documenta navolgen, Zijn woorden en daden.
Consortium (van con-sors… hetzelfde lot/doel, dezelfde bestemming met iets of iemand anders delend) betekent in klassieke zin “gemeenschap van goederen” en “gemeenschap, gezelschap, deelgenootschap”.
Patientia komt van patior, passum sum, “verdragen, ondergaan, lijden, verduren, dulden, gedogen”, en bevat alle connotaties alsook de betekenis van “geduld”. Hiervan is het woord passie afgeleid.
De ‘documenta’ werden eeuwen geleden aan de wereld gegeven, toen onze Heer leed en stierf op het kruis; bijgevolg hoeven we vandaag niet te bidden om te verkrijgen wat we reeds bezitten. Zo kan ‘Et patientiæ ipsius habere ducumenta’ dienen als achtergrond of contrast met betrekking tot het tweede zinsdeel ‘et resurrectionis ipsius habere consortia mereamur’. We vragen dat ‘we mogen verdienen deel te hebben aan Zijn verrijzenis’ zoals wij de lessen van Zijn geduld bezitten’, of anders gezegd ‘dat wij mogen verdienen de leesen van Zijn geduld zo te bezitten als deel te mogen hebben aan Zijn Verrijzenis.
Merk tenslotte op dat nostrum hoort bij Salvatorem en niet bij carnem: caro, carnis is vrouwelijk en de vorm had dan moeten zijn nostram carnem.
In de volheid van de tijd heeft de Tweede Persoon van de H. Drieëenheid, God de Zoon, het eeuwige Woord, door Wie al het zichtbare en onzichtbare is gemaakt, door de wil van de Vader Zichzelf ontledigd van Zijn heerlijkheid en onze menselijke natuur aangenomen in een onverkorte vereniging met Zijn eigen Godheid. Hij kwam naar ons, zondaars, om ons te verlossen van onze zonden en ons duidelijk te maken wie wij zijn (cf Gaudium et spes 22).  Deze reddende zending begon met zelfontlediging (in het Grieks: kenosis).
Probeer een ogenblik de nederigheid van de Verlosser te doorgronden, die Zichzelf ontledigt van Zijn goddelijke majesteit, en Zich onderwerpt aan Zijn nederig en verborgen leven vóór zijn openbaar dienstwerk. Toen de tijd van Zijn leven en van Zijn zending voltooid waren, gaf Hij Zichzelf opnieuw over, ontledigde Hij zich opnieuw tot het uit handen geven van Zijn eigen leven toe. Elk moment van Jezus’ aardse leven, elk woord en elke daad, zijn doortrokken van nederigheid. Dit is ons volmaakt voorbeeld ter navolging, een voorbeeld zo volmaakt dat het de kracht heeft ons te transformeren.
Op de 2e zondag van de Vasten presenteert de Kerk ons in het Evangelie de Gedaanteverandering van de Heer Christus Jezus waarin we Christus niet alleen zien in zijn verheerlijkte staat maar ook de toekomst waartoe we zijn geroepen. Vandaag, vol ijver en zorg dat de les van de Goede Week niet te moeilijk moge zijn herinnert zij ons opnieuw aan de zege van de Verrijzenis.
Kom, nu de Goede Week begint en het Triduum Sacrum wordt gevierd, met nederige zelfontlediging naar de heilzame sacramenten. Maak plaats voor Christus.
Onder dank gedeeltelijk geput uit F. John Zuhlsdorf WDTPRS, J.Pascher, Die Orationen des Missale Romanum Papst Paul VI. en L.Pristas, The Collects of the Roman Missals

zondag 3 april 2022

Collectegebed vijfde zondag van de Veertigdagentijd - “Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”


“Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”

I n l e i d i n g
“Ambulate in dilectione, sicut et Christus dilexit nos et tradidit semetipsum pro nobis oblationem” -  Leid een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave (Ef 5,2).
Met deze aansporing en tegelijkertijd vermaning uit de Brief aan de Efeziërs hangt het collectegebed van deze zondag samen. Het “blijmoedig een leven van liefde leiden” in de Nederlandse vertaling is niets anders dan waarop de oratie doelt als zij zegt “ut in illa caritate…..inveniamur ipsi”, dat wij zelf in die liefde worden bevonden, dat is, dat wij zelf deze liefde beoefenen. “Die liefde” is de liefde “waarmee Christus ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgegeven”, “die liefde waarmee de Zoon de wereld heeft bemind en zich aan de dood heeft overgeleverd”. Het gebed verklaart verder waarin deze liefde zich manifesteert: “te opitulante, alacriter ambulantes” – om met uw hulp blijmoedig een leven van liefde te leiden.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Quæsumus, Domine, Deus noster,
 ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
uit liefde tot de wereld heeft uw Zoon zich aan de dood overgeleverd.
Wij bidden U: geef ons uw hulp om, naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden.

Werkvertaling
Wij bidden U, Heer onze God,
[op] dat wij ook zelf met uw hulp in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood overleverde, bevonden worden blijmoedig te leven.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed van vandaag kwam niet voor in de vorige edities van het Romeinse Missaal. Het is afkomstig uit het Liber Mozarabicus Sacramentorum, f.706. (De Mozarabische liturgie was ook de bron voor het collectegebed van de 2e zondag van de Veertigdagentijd en voor de Vastenhymne Attende Domine et miserere). De Mozarabische ritus die teruggaat tot op de 6e eeuw, is de tweede best gedocumenteerde Latijnse katholieke ritus voor wat betreft overgeleverde handschriften. In 1085 werd deze ritus afgeschaft behalve in een zestal parochies in Spanje. In 1500 werd een Mozarabisch Missaal uitgegeven waarin een aantal elementen uit de Romeinse ritus was opgenomen en dat vervolgens werd goedgekeurd door paus Julius II (+1513). Franciscus kardinaal Ximenez de Cisneros (+1517) richtte in Toledo een kapel en een college van 13 priesters op, wier taak het zou zijn de Mozarabische ritus te handhaven zelfs na de hervormingen van het Concilie van Trente en het opleggen van de Romeinse ritus. Een nieuwe editie van het Missale Hispano-Mozarabicum werd gepubliceerd in 1991; paus Johannes-Paulus II celebreerde de H.Mis volgens dit Missaal in de jaren 1992 en 2000.

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Quæsumus, Domine, Deus noster,
2.ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Ad 1
Opvallend andere opbouw van de eerste regel van het collectegebed. Aan de kop van de collecta
staat het praedicaat quæsumus, wij bidden, wij vragen [U], gevolgd door een drievoudige anaklese
van God: Domine, Deus noster in de vocativus. In deze aanspreekvorm is een alliteratie verwerkt, de
op elkaar volgende hoofdletters D benadrukken op stilistische wijze de grootheid van God tegenover
de kleinheid van de smekeling in het verbum quæsumus.
Quæsumus behoort als vorm tot de groep van de verba defectiva: onvolledige (>defecte=) werkwoorden waarvan slechts enkele alleenstaande vormen voorkomen, nl. quæso en quæsumus - ik bid, wij bidden. De liturgie van de Kerk hanteert bij voorkeur de meervoudsvorm die frequent voorkomt in de oraties, echter bij uitzondering aan de kop van het gebed zoals in onderhavige oratie van deze zondag. Ook de oratio post communionem van deze zondag begint opvallend met het verbum quæsumus gevolgd door de anaklese.
Ad 2
ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut, opdat, zodat.. die als object van de bede van r. 1 kan worden beschouwd. Deze bijzin wordt onderbroken door twee volgende bijzinnen: de relatieve bijzin qua..tradidit en een bijwoordelijke bijzin te opitulante met de constructie van een ablativus absolutus.
[ut] inveniamur ipsi […] alacriter ambulantes: opdat/zodat wij zelf worden bevonden: predicaat in de coniunctivus afhankelijk van het voegwoord ut, gevolgd door en verbonden met een bijwoordelijke bepaling in de participium præsentis activi-constructie alacriter ambulantes. Deze constructie preciseert het in de werkwoordsvorm inveniamur opgesloten subject nader: opdat/zodat wij blijmoedig levend worden bevonden. Te opitulante: bijwoordelijke bijzin in de ablativus absolutusvorm. Opitulari (deponens), helpen, hulp verlenen. De ablativus absolutus kan vertaald worden door een bijzin met bijwoordelijke betekenis of door een voorzetselbepaling /bijwoordelijke bepaling, zoals in het geval Te opitulante: met uw hulp [zoals in de werkvertaling]. Het persoonlijke voornaamwoord Te heeft als antecedent de in r. 1 genoemde vocativus.
In illa caritate, in die liefde: bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm die een gesteltenis aanduidt. Het begrip in illa caritate wordt nader uitgelegd door de relatieve bijzin qua….se tradidit die in de indicativus staat omdat het om een reëel feit gaat, waarin de participium præsensconstructie diligens mundi welke vertaald kan worden met een redengevende bijzin: omdat Hij de wereld beminde.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m

Alacriter, bijwoord afgeleid van de adiectiefvorm alacer,cris, cre, opgewekt, vrolijk, levendig. Alacritas, vrolijkheid.
Ambulantes, participium præsentis activi in het meervoud van het verbum ambulare, 1. Wandelen, reizen 2. Een levenswandel leiden, leven. (Vgl. de “Nederlandse”afleidingen, ambulance, ambulant)
Inveniamur, 1e pers. meervoud coniunctivus præsentis passivi van invenire, veni, ventum, 1. Vinden, aantreffen 2. Uitvinden, ontdekken 3. Bekomen, bereiken.

C o m m e n t a a r

De 5e zondag van de Veertigdagentijd werd traditioneel Passiezondag genoemd maar sinds de Novus Ordo draagt Palmzondag ook die naam, zodat de aanduiding 1e en 2e Passiezondag het onderscheid duidelijk moet maken. Met de 5e zondag begon de “Passietijd”. Deze zondag werd ook Iudica-zondag genoemd naar het beginwoord van de Introitus (Ps 42,1) en soms – maar niet in onze traditie – Repus, een afkorting van repositus (analoog begrip voor absconditus of “verborgen”) omdat vanaf deze liturgische dag tot het einde van de viering van de Passie van de Heer op Goede Vrijdag de kruisen en beelden in de kerken met paarse of rode doeken worden bedekt.  Het is als het ware een “reduceren” van de liturgie, de Kerk ondergaat een liturgische dood vóór het Paasfeest.
Het is een bijzondere gewaarwording, wanneer men vóór de 1e Vespers van deze zondag het koor betreedt en de kruisen met paarse doeken ziet bedekt en alle ornamenten uit kapel en kloostergangen zijn verwijderd nadat eerder bij het begin van de Vasten de muziek, de bloemen en het Alleluia reeds uit de liturgie waren verdwenen.
Na de Eucharistieviering in de avond van Witte Donderdag wordt het H.Sacrament naar een andere plaats overgebracht, het altaar wordt ontbloot, de klokken zwijgen vanaf het Gloria en de altaarschellen rinkelen niet langer maar worden vervangen door houten kleppers. Goede Vrijdag is een a-liturgische dag en bij het begin van de Paaswake zijn we zelfs beroofd van het licht! Deze liturgische dood van de Kerk geeft aan hoe Christus zichzelf van zijn heerlijkheid ontledigde om ons te verlossen van onze zonden en om ons te leren wie wij zijn. Als wij met hart en ziel ons kunnen invoegen in de liturgie van de Kerk waarin deze sacrale mysteries worden geactualiseerd en gevierd, delen we door onze actieve ontvankelijkheid in de verlossende mysteries van het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van Christus maar heeft dit delen ook diep ernstige consequenties voor ons eigen leven en dood. De actieve ontvankelijkheid steunt op de genade van ons Doopsel en de gewone staat van genade.

Er zijn parallellen tussen de collectegebeden van de Veertigdagentijd en die van de Advent. We zien thema’s van beweging, van een pelgrimstocht. Wij gaan inderdaad op naar een groot feest van de Kerk, maar belangrijker is dat we ons definitief op weg begeven naar de mysteries welke de oraties voor ons actueel ontvouwen.
Als we een blik slaan op de commentaren van de H. Augustinus van Hippo (+430), zijn wij als gedoopten die het Mystieke Lichaam van Christus vormen, de Kerk, met de Heer, het hoofd van de Kerk,  onderweg  naar Jeruzalem: het Jeruzalem van ons eigen lijden en het nieuwe Jeruzalem van onze verrijzenis. Christus legde deze tocht zó af dat wij deze ook kunnen maken en kunnen worden verlost. In de liturgie is de ene en de gehele mystieke Christus onderweg, met name gedurende de Veertigdagentijd. Elk jaar legt Christus in ons die weg van zijn Lijden af, en wij leggen in Hem de weg af die in liturgisch kader uitgezet is door onze heilige Moeder de Kerk en haar gewijde bedienaren. Wij moeten onszelf met hart, geest en wil verenigen met de mysteries die worden uitgedrukt in de liturgie.
“Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastbesloten de reis naar Jeruzalem” (Lc 9,51).
Ons lijden, onze weg naar Jeruzalem ligt in ons gewetensonderzoek en in een goede biecht, in onze werken van zelfversterving en van barmhartigheid.
Met het vertalen van het element in het collectegebed “te opitulante” met “geef ons uw hulp…” kunnen we op het terrein komen van de Pelagiaanse discussie. De Latijnse collectegebeden vermijden zelfs alles wat maar kan zwemen naar het Pelagianisme (1) als het gaat om Gods “hulp”. In het collectegebed van vandaag lezen we  (letterlijk): dat wij zelf in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood heeft overgeleverd, mogen worden bevonden”. In het Latijn spreken we over caritas, naastenliefde, offerliefde welke van de kant van God met betrekking tot ons vrije genadegaven zijn. Caritas is de theologische deugd die ons in staat stelt God vanwege Hem zelf te beminnen en onze naasten zoals onszelf. De Nederlandse vertaling van het collectegebed wil dat wij “naar zijn voorbeeld” een leven van liefde leiden. De “sensus catholicus” gaat echter verder. Zeker, Christus en zijn liefde zijn ons volmaakt “voorbeeld”. Maar de Latijnse versie  verbindt ons veel intiemer met die liefde, en wel in die mate dat Gods “hulp” actueel er in voorziet dat wij alles wat we doen in een diepe eenheid met Christus’ eigen liefde doen. Wij zijn zozeer één met Hem dat wij in onze liefde als Christus worden. Zijn liefde leeft en werkt in en door ons. Zij is de onze en wij zijn de zijne. Dat is meer dan een voorbeeld ter navolging of een steuntje in de rug Christus zelf is in ons werkzaam.
Onze krijgsdienst en discipline als milites Christi (“strijders van Christus) gaan veel verder dan het goede voorbeeld. De eerste eigen prefatie voor deze liturgische tijd wijst op het belang van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste en grotere trouw aan de sacramenten om in die gesteldheid met vreugde en een zuiver hart naar het Paasfeest op te gaan. Vooral heilzaam in dit kader is de volledige, actieve en bewuste deelname aan het de liturgie met name aan het mysterie van de H. Mis en de H. Biecht.
(1)    Het Pelagianisme, onder andere bitter bevochten door de H. Augustinus van Hippo in de 4e en 5e eeuw, was een ketters geloof dat stelde dat de erfzonde de menselijke natuur niet had verwond en dat onze wil in staat is het goede of kwade te kiezen zonder de hulp van Gods genade. Daarnaast geloofde hij wel dat Gods genade bij elke goede daad hielp. Pelagius geloofde niet dat de gehele mensheid schuldig in de zin van Adam was. Hij vond dat Adam de mensheid door zijn slechte voorbeeld had veroordeeld, en dat Christus' goede voorbeeld de mensheid een weg naar de verlossing bood, door het offer en door de opvoeding van de wil, maar dat de mensheid zelf volledig de verantwoordelijkheid droeg voor zijn redding.

(Tekst voor een deel onder dank ontleend aan  Father Zuhlsdorf,WDTPRS)

zaterdag 26 maart 2022

Collectegebed Vierde zondag Veertigdagentijd I Zondag Lætare Voorbereiden op het komend Paasfeest





 I n l e i d i n g

Het collectegebed roemt God vanwege zijn wonderbaarlijk verzoeningswerk. Hij bewerkt dit door zijn Woord, en deze goddelijke zorg voor de mensen is geenszins afgesloten. Zoals immers de tegenwoordige tijd van het werkwoord “operaris” laat zien, duurt deze in het heden nog voort: “Pater meus usque modo operatur et ego operor” – “Tot op de dag van vandaag is mijn Vader voortdurend aan het werk, en houd ook Ik niet op met werken”(Jo 5,17).
Het is wellicht geen toeval, dat hier niet van de Zoon van God, maar van Hem als het Woord wordt gesproken. Want daarmee wordt de relatie gelegd met de Proloog van het Evangelie van Sint Jan, waar staat geschreven: “Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso est nihil, quod factum est” – “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is” (Jo 1,3). Ook de Brief aan de Hebreeën verwijst naar het Woord, de Zoon van God “die alles in stand houdt door zijn machtig woord”( Hebr 1,3b).
“Zijn Mensheid immers was, in vereniging met de Persoon van het Woord, het instrument van ons heil. Daarom is in Christus de volmaakte verzoening voor ons herstel tot stand gekomen en werd ons de volheid geschonken van de goddelijke eredienst” (Sacrosanctum Concilium, nr.5).

T e k s t

Missale Romanum 1970
Deus, qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter operaris,
præsta, quæsumus,
ut populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad ventura sollemnia valeat festinare.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
God, door uw Woord brengt Gij op wonderbare wijze de verzoening van alle mensen met U tot stand.
Geef dat uw volk zich met grote toewijding en levendig geloof
voorbereidt op het komende paasfeest.

Werk vertaling
God, die door uw Woord op wonderbare wijze de verzoening van het menselijke geslacht bewerkt,
verleen, vragen wij [U],
dat het christenvolk in staat is zich met prompte toewijding en blijmoedig geloof
te haasten naar de komende [jaarlijks terugkerende] plechtigheden.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed is een nieuwe compositie voor het postconciliaire Romeinse Missaal: alleen de anaklese van God met de betrekkelijke bijzin tot en met het “præsta, quæsumus” is afkomstig uit het Gelasianum Vetus en andere codices (1) en wordt aangevuld met “prompta devotione et alacri fide”, een gedeelte van de 2e preek van de H. Paus Leo de Grote (+ 461) over de Vastentijd.
Een mooi stukje onomwonden Latijn: helder, duidelijk, zonder opsmuk.

B i j b e l s e  c o n t e x t

Col 1,19-20
Quia in ipso complacuit omnem plenitudinem habitare et per eum reconciliare omnia in ipsum, pacificans per sanguinem crucis eius, sive quæ in terris sive quæ in cælis sunt.
Want in Hem heeft de ganse Volheid van God willen wonen, en door Hem alles met Zich willen verzoenen - alles, wat op aarde is en in de hemel - nadat Hij vrede had gebracht door het Bloed van zijn Kruis.

Col 1, 22
Nunc autem reconciliavit in corpore carnis eius per mortem exhibere vos sanctos et immaculatos et irreprehensibiles coram ipso.
Ook u heeft Hij thans in zijn vleselijk Lichaam verzoend door de dood, om u heilig en vlekkeloos voor zijn aanschijn te doen staan.

Rom 5,10-11
Si enim cum inimici essemus reconciliati sumus Deo per mortem Filii eius, multo magis reconciliati salvi erimus in vita ipsius; non solum autem, sed et gloriamur in Deo per Dominum nostrum Iesum Christum, per quem nunc reconciliationem accepimus.
Want zo we met God zijn verzoend door de Dóód van zijn Zoon, toen we nog vijanden waren, hoeveel te meer zullen we gered worden door het Léven, nu we met Hem zijn verzoend. En dit niet alleen; maar we roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus, door wie we thans de verzoening hebben verworven.

G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s

Fulgentius Ruspensis, Tractatus De fide ad Petrum (Cap. 22. 62: CCL 91A, 726.750)
Iste iitur est, qui in se uno totum exhibuit quod esse necessarium ad redemptionis nostræ sciebat effectum, idem scilicet sacerdos et sacrificium, idem Deus et templum; sacerdos, per quem sumus reconciliati; sacrificium, quo reconciliati; templum, in quo reconciliati; Deus, cui reconciliati. Solus tamen sacerdos, sacrificium et templum, quia hæc omnia Deus secundum formam servi; non autem solus Deus, quia hoc cum Patre et Spíritu Sancto secundum formam Dei.



Deze is het, die in zich alleen alles uitvoerde, wat Hij wist dat nodig was voor de voltooiing van onze verlossing; Hij was namelijk tegelijk Priester en Offer, God en Tempel: Priester, door wie wij zijn verzoend; Offer, waardoor wij zijn verzoend; Tempel, waarin wij zijn verzoend, en God met Wie wij zijn verzoend. Hij alleen was: de Priester, het Offer en de Tempel: dit alles was God in de gestalte van een dienstknecht; maar God was Hij niet alleen, want God was Hij met de Vader en de Heilige Geest.

Origines, Ex Homiliis in Leviticum, Hom. 9, 5. 10: PG 12, 515.523
Si ergo considerem verum pontificem meum, Dominum Iesum Christum, quomodo, in carne quidem positus, per totum annum erat cum populo, annum illum de quo ipse dicit: Evangelizare pauperibus misit me, et vocare annum Dómini acceptum, et diem remissionis, adverte quomodo semel in anno isto, in die repropitiationis intrat in sancta sanctorum, hoc est, cum impleta dispensatione penetrat cælos, et intrat ad Patrem, ut eum propitium humano generi faciat, et exoret pro omnibus credentibus in se.
Hanc repropitiationem eius, qua hominibus repropítiat Patrem, sciens Ioannes apostolus, dicit: Hæc dico, filioli, ut non peccemus. Quod et si peccaverimus, advocatum habemus apud Patrem, Iesum Christum, iustum, et ipse est repropitiatio pro peccatis nostris.
Sed et Paulus similiter de hac repropitiatione commemorat, cum dicit de Christo: Quem posuit Deus propitiationem in sanguine ipsius per fidem. Igitur dies propitiationis manet nobis usquequo finem mundus accipiat.

Als ik dan mijn ware Hogepriester aanschouw, de Heer Jezus Christus, in het vlees verschenen, geheel het jaar door bij het volk, in dát jaar namelijk waarvan Hij zelf zegt: Hij heeft Mij gezonden om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen, en een genadejaar af te kondigen van de Heer en de dag der vergiffenis, bemerk dan, dat Hij eenmaal in dat jaar, op de dag van de Verzoening, in het Heilige der Heiligen binnentrad, dat wil zeggen, wanneer Hij, na de vervulling van zijn zending, de hemelen binnenging naar de Vader, om Hem te verzoenen met het menselijk geslacht, en daar te bidden voor allen die in Hem geloven.
In het bewustzijn van deze zijn Verzoening, waarmee Hij de Vader met de mensen verzoent, schrijft de apostel Johannes: Kinderen, dit schrijf ik u, opdat gij niet zoudt zondigen. En mocht iemand zondigen, dan hebben wij een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. En Hij is de verzoening voor onze zonden. Maar ook Paulus spreekt in diezelfde zin over de verzoening als hij van Christus zegt: Die God als verzoening heeft gesteld in zijn Bloed door het geloof. Dus blijft die dag der verzoening voor ons tot de wereld een einde neemt.

Maximus, Epistola11: PG 91,454-455
(...) divinum Dei ac Patris Verbum (quinimmo, primum illud solumque infinítæ bonitatis insigne), nulla verborum vi explicabili demissionis modo, inque rem nostram inclinationis, nobíscum per carnem versari dignatum est; illa tum operatum, tum passum ac locutum quibus decebat nos, cum inimici ac hostes essemus, Deo et Patri reconciliari; ac qui extranei a beata vita facti eramus, ad eam rursus revocari.

(...) Het goddelijk Woord van de Vader heeft (ja, als eerste en enige teken van de oneindige goedheid) zich verwaardigd met ons in menselijke gedaante om te gaan op een wijze van zelfvernedering en neerbuiging naar ons, die met geen woorden is te beschrijven; toen heeft Hij dát gedaan, dát geleden en gepreekt, waardoor Hij ons, toen wij zijn vijanden waren, met God de Vader moest verzoenen; om ons, die van het gelukzalige leven waren buitengesloten, daarheen terug te voeren.

Gregorius Nazianzenus, Oratio 45,23-24: PG 36, 645-655
Si Joseph Arimathæus sis, ab eo, qui cruci affixit, corpus pete; tuum fiat mundi piaculum

Zijt gij een Joseph van Arimathea, vraag dan om het Lichaam aan hem, die Het aan het kruis sloeg: het verzoeningsmiddel voor de wereld worde uw bezit.

Isaac Abbas, Sermo 42: PL 194, 1832

Iustus in seipso, et iustificans seipsum ipse. Solus Salvator, solus salvatus; qui in corpore suo super lignum pertulit, quod de corpore suo per aquam abstulit. Iterum per lignum et aquam salvatus, Agnus Dei, qui tollit, quæ pertulit, peccata mundi, sacerdos et sacrificium, et Deus qui, se sibi offerens, se per se sibi, sicut Patri et Spiritui Sancto, reconciliavit.

Hij [Christus] is rechtvaardig in zichzelf en rechtvaardigt zichzelf. Hij alleen is de Verlosser, alleen de verloste: Die in zijn lichaam op het kruis als last tot het einde heeft gedragen, wat Hij door het water van de Doop van zijn lichaam heeft afgewassen. Hij maakt zalig zowel door het kruis als door het water. Het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, die Hij gedragen heeft. priester en offerande, en God, zichzelf aan zichzelf opdragend, die Zich door Zichzelf heeft verzoend met Zichzelf, alsook met de Vader en de Heilige Geest.

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Deus, qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter operaris,
2.præsta, quæsumus,
3.ut populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad ventura sollemnia valeat festinare.

Ad 1
Deus, aan de kop van de oratie is de anaklese, de aanspreekvorm, de vocativus, gevolgd door een relatieve bijzin met het reflexivum qui, het subject: God, die….waarin een heilsdaad uit het verleden en in het heden actueel, wordt gememoreerd. Operaris, het prædicaat (gezegde), 2e persoon enkelv. van het deponens operari, in de indicativus præsentis omdat Gods verzoenend en verlossend werken een waarneembare feitelijkheid is. Mirabiliter, bijwoordelijke bepaling bij het gezegde: op wonderbare wijze. Humani generis reconcilationem: object van het verbum en samengesteld uit de accusativusvorm reconciliationem, nader gepreciseerd door de bijvoeglijke bepaling humani generis waarvan de genitivusvorm generis congrueert met de adiectivusvorm humani.
Per Verbum tuum: bijwoordelijke bepaling (van middel of oorzaak) samengesteld uit twee congruerende accusativusvormen afhankelijk van het voorzetsel per, door, door middel van.

Ad 2  
Præsta, quæsumus: de imperativusvorm præsta, verleen, geef, verzacht door het aanvullende quæsumus, bidden wij, vormt de eigenlijke bede.

Ad 3
Ut … festinare.
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin klassiek ingeleid door het voegwoord ut, opdat/zodat.. met het prædicaat valeat in de coniunctivus gevolgd door de infinitivus festinare. Subject van valeat is populus christianus.
Prompta ….. fide: bijwoordelijke bepaling bij de werkwoordgroep valeat festinare.
Ad ventura sollemnia: bijwoordelijke bepaling met congruerende accusativusvormen geregeerd door het voorzetsel ad, die als object gelezen kan worden.
Ventura: bijvoeglijk gebruikt PFA (participium futurum actief) in de accusativus meervoud onzijdig bij sollemnia, afgeleid van het verbum venire.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m

Operari, deponens operari (= verbum met passieve vormen maar met actieve betrekenis): 1. Bezig zijn met 2. Arbeiden, werken, bewerken 3. Beschouwen. Verg. “onze” begrippen: operatie, operatief, opera, enz.
Reconciliatio,-onis, vr.: Verzoening
Humanus: Menselijk, ook: vriendelijk, beleefd, “humaan”.
Genus, -eris, onz.: 1. Geboorte, afstamming (genealogie) 2. Geslacht, stam, familie 3. Volksstam, volk 4. Soort, wijze, manier.
Valere: 1. Krachtig, sterk, gezond zijn (Vgl. de Latijnse afscheidsgroet: vale, valete! vaarwel) en “onze” begrippen valide, invalide, validiteit, valideren enz. 2. Macht, invloed hebben 3. Gelden, waard zijn 4. Vermogen, in staat zijn, kunnen.
Alacer, cris, cre: levendig, kwiek, fris, actief, opgewekt, blij, gelukkig, vrolijk".
Promptus komt van het werkwoord promo en betekent 1. Voor de dag gehaald, zichtbaar, openbaar 2. Voor de hand, gereed, vaardig, vlug 3. geschikt, geneigd, bekwaam gereed, bereidwillig
Ventura sollemnia: congruerende nominativus- of [hier] accusativusvormen onzijdig meervoud; sollemnia :
onzijdige meervoud van het adiectief solemnis dat jaarlijks betekent, dat wat vastgesteld is voor ieder jaar. In relgieuze conteksten komen we vertalingen tegen als "religieus, feestelijk". Als substantief is het "een religieuze of plechtige ritus, ceremonie, feest, offer, plechtige spelen, een festival, plechtigheid".  Sollemne, het onzijdige zelfstandig naamwoord, betekent ook "gebruik, gewoonte, toepassing". In wettelijke teksten kan het "formaliteit" betekenen. In latere, christelijk Latijnse woorden verwant aan sollemnis kreeg het de betekenis van de viering van de Eucharistie.

C o m m e n t a a r

Hetgeen de oratie roemt als werk van God door het Woord, de volledige schuldvereffening tot onze verzoening (2) is niets minder dan een tweede schepping. Dat Hij de menselijke natuur wonderbaarlijk heeft geschapen en op nog wonderbaarlijker wijze heeft hersteld, is immers een in de liturgie geliefde gedachte: vgl. de oratie van het Lezingenofficie en de Dagmis van Kerstmis:
Deus, qui humanæ substantiæ dignitatem et mirabiliter condidisti et mirabilius reformasti, (...) Liturgia Horarum editio altera 1985, dl. 1 [LH1], p. 350,356. (God, op wonderbare wijze hebt Gij de mens geschapen en op nog wonderlijker wijze in zijn waardigheid hersteld)

Op de vraag waarom God de eerste mens niet verhinderd heeft te zondigen geeft de heilige Leo de Grote als antwoord: “Door de onuitsprekelijke genade van Christus hebben wij een groter goed ontvangen dan dat wij door de afgunst van de demon verloren hadden” (Sermo 73,4). En de heilige Thomas van Aquino zegt: “Niets verzet zich ertegen dat de menselijke natuur na de zonde tot een hoger doel bestemd is. God laat immers toe dat er kwaad geschiedt om er een groter goed uit te doen ontstaan. Vandaar wordt in Rom 5,20 gezegd: ‘Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos’ terwijl de Kerk in het Exsultet uitroept: ‘O gelukkige schuld, waaraan wij een zodanige en zo’n grote Verlosser danken!’ ” (S. Th. 3,1,3 ad 3) (3).

Terwijl het wonderbaarlijk herstel in de Kersttijd op de Menswording wordt teruggevoerd, komt de liturgie met het motief van “de nieuwe schepping” in de Boetetijd vóór Pasen, wanneer het Paasmysterie van de Dood en de Verrijzenis van Christus wordt gevierd.
Pascha”, ”overgang”, dat wil zeggen dat Goede Vrijdag en Pasen de beslissende dagen zijn.
Om deelachtig te worden aan het genadewerk van God door het Woord, past het de gelovigen zich te haasten naar de “komende plechtigheden”. Daarbij moeten een prompte toewijding en een blijmoedig, levendig geloof aan hun voeten vleugels geven.

Dit jaar, het C-jaar, leest men op deze zondag 2 Kor 5,17‑21. Paulus schrijft hier grandioze zinnen over de verzoening, die God door Christus bewerkt. Ook deze passage is een passend commentaar bij de openingszin van het collectegebed van deze zondag. Ook hier is de uitwerking van de verzoening de nieuwe schepping: “Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen”(5,17). 


Het werk van verzoening door Christus eenmaal op het Kruis door het Offer van zijn Lichaam en Bloed tot stand gebracht, wordt door de Kerk - Christus= woord: Doet dit tot mijn gedachtenis indachtig - in het H. Misoffer voortgezet zoals het Gebed over de Gaven van deze zondag getuigt. De gaven die God blijmoedig worden aangeboden zijn niet enkel brood en wijn, maar remedium sempiternum - het eeuwige heilsmiddel: het Lichaam en Bloed van Jezus Christus.

De inhoud van het tweede gedeelte van de oratie, de eigenlijke bede in de finale bijzin: dat de christenen in staat mogen zijn zich met prompte toewijding en blijmoedig geloof naar de komende plechtigheden te haasten, komt overeen met de liturgische plaats van de oratie op zondag Lætare, de 4e zondag van de Vasten, half-vasten. De eerste woorden van de Introitus Lætare, Jerusalem geven de stemming van deze dag weer en heel de liturgie spreekt van blijdschap. De Kerk nodigt uit tot een ogenblik verpozing met de opwekking om met prompte bereidwilligheid en blijmoedig geloof naar Pasen te snellen. Op te merken is dat in de 3e eeuw te Rome het strenge vasten eerst nu moest beginnen. 
Een vergelijkbare verpozing met eveneens een vreugdevolle aansporing bevat de oratie Deus, qui conspicis populum tuum op zondag Gaudete, 3e zondag van de Advent.

(1)    Vat. reg. lat. 316; 1e helft 8e eeuw. Uitg. C. Mohlberg 1960 en E. Moeller, J.M. Clément en  B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum III, D, pars altera, Turnhout 1993, nr. 1998
(2)    Cf Sacram. Veronense (Leonianum). Uitg. C. Mohlberg, Rome, 1956, n.1265, p.162

(3)    KKK 412