Posts tonen met het label Hebdomada V Quadragesimae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada V Quadragesimae. Alle posts tonen

zondag 6 april 2025

Introitus 5e Zondag Veertigdagentijd "Iudica me Deus"


Lezingen H. Mis 5e zondag van de veertigdagentijd, jaar C “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.”

Eerste lezing (Jes. 43, 16-21)
Uit de Profeet Jesaja.
Zo spreekt de Heer,
die door de zee een weg legt,
een baan door de onstuimige golven;
en die wagen en paard daarover laat gaan,
leger en strijdmacht, gesloten aaneen,
maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op,
uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit.
Denk niet meer aan het verleden
en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is:
Ik onderneem iets nieuws,
het begin is er al: ziet ge het niet?
Een weg leg Ik door de steppe,
rivieren laat Ik stromen door de woestijn.
De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben,
de jakhalzen en de struisvogels;
want door de steppe laat Ik beken stromen,
rivieren door de woestijn,
zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven:
en dit volk dat Ik mij gevormd heb
zal mijn lof verkondigen!

Tweede lezing (Fil. 3, 8-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
Ik beschouw alles als verlies,
want mijn Heer Jezus Christus kennen
gaat alles te boven.
Om Christus heb ik alles prijsgegeven
en houd ik alles voor afval
als het er om gaat Hem te winnen
en één te zijn met Hem.
Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet;
mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus,
ze is een gave van God en steunt op het geloof.
Ik wil Christus kennen,
ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden
en de gemeenschap met zijn lijden,
ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven
om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.
Niet dat ik het al bereikt heb.
Ik ben nog niet volmaakt.
Maar ik streef er vurig naar het te grijpen,
gegrepen als ik ben door Christus Jezus.
Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn.
Alleen dit:
ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.
.
Evangelie (Joh. 8, 1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

The Conversion of Saint Paul - Bishop Barron Sunday Sermon Q5C

vrijdag 8 april 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada V Quadragesimæ sabbato Paschatis participes erimus.Wij zullen deel hebben aan het Pascha.


Ad Officium lectionis


Lectio altera

Ex Oratiónibus sancti Gregórii Nazianzéni epíscopi
(Oratio 45, 23-24: PG 36, 654-655)
Paschatis participes erimus
Páschatis partícipes érimus, nunc quidem adhuc týpice, tamétsi apértius quam in vétere lege (legále síquidem Pascha; nec enim dícere verébor, figúra erat figúræ obscúrior); aliquánto post autem perféctius et púrius, tum vidélicet cum Verbum novum illud nobíscum in regno Patris bibet, patefáciens ac docens, quæ nunc minus plene demonstrávit. Novum enim illud semper est, quod nunc intellégitur.
Quænam autem illa sit pótio atque percéptio, dícere nostrum est, illíus docére, discipulísque suis hanc doctrínam impertíri. Doctrína enim, eius quoque, qui alit, cibus est.
Age vero, nos quoque legis partícipes efficiámur, verum evangélice, non litteráliter; perfécte, non imperfécte; sempitérne, non temporárie. Caput nobis efficiámus, non terrénam Ierúsalem, sed cæléstem metrópolim; non eam, inquam, quæ nunc ab exercítibus calcátur, sed quæ ab ángelis laude et prædicatióne effértur.
Mactémus, non vítulos novéllos, nec agnos córnua producéntes et úngulas, quæ magna ex parte mórtua sunt, ac sensu carent; verum Deo in supérno altári cum cæléstibus choris sacrifícium laudis immolémus. Penetrémus primum velámen, ad secúndum accedámus, in sancta sanctórum prospiciámus.
Atque, ut maius áliquid dicam, immolémus nos Deo; immo, síngulis diébus nosmetípsos motúsque omnes immolémus. Omnia pro verbo excipiámus, per passiónes Passiónem imitémur, per sánguinem Sánguinem honorémus, crucem álacres conscendámus.
Si Simon Cyrenæus sis, crucem tolle, ac séquere.
Si, ut latro, cruci simul affíxus fúeris, ut vir probus, Deum agnósce; si ille quoque propter te tuúmque peccátum cum iníquis reputátus sit, tu propter illum iustus fias. Adóra tua causa suspénsum; et pendens ipse, lucri áliquid ex ipsa quoque improbitáte cóllige; morte salútem eme; cum Iesu paradísum ingrédere, ut intéllegas quibus bonis excíderas. Pulchritúdines illas contempláre; murmuratórem cum sua blasphémia foris mori sine.
Si Ioseph Arimathæus sis, ab eo, qui cruci affíxit, corpus pete; tuum fiat mundi piáculum.
Si Nicodémus sis, noctúrnus ille Dei cultor, funébribus unguéntis ipsum unge.
Si María quædam sis, si ália María, si Salóme si Ioánna, dilúculo lácrimas profúnde. Fac ut prima sublátum lápidem, ángelos étiam fortásse, atque ádeo Iesum ipsum, vídeas.
Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Gregorius van Nazianze, bisschop
(Oratio 45, 23-24: PG 36, 654-655)

Wij zullen deel hebben aan het Pascha

Wij zullen deel hebben aan het Pascha, nu nog wel symbolisch, hoewel al duidelijker dan in de Oude Wet (wat het wettelijk Pascha betreft, want ik aarzel niet het te zeggen, is de voorafbeelding nog dúisterder dan een voorafbeelding). Maar over een tijd zal het Pascha volmaakter en duidelijker zijn, namelijk wanneer het Woord het nieuwe Pascha met ons zal drinken in het Rijk van zijn Vader en waar Hij ons zal openbaren en leren, wat Hij nu minder duidelijk heeft geopenbaard. Wat nieuw is altijd wat men nu begrijpt.

Wat echter die drank is en de betekenis ervan, dat moesten we leren, maar Hij moest het ons onderwijzen en die leer aan zijn apostelen meedelen. Want ook zijn leer, die voedt, is een spijs.

Welaan dan, laten wij ook deelnemen aan de Wet, maar dan op evangelische wijze, niet naar de letter; op volmaakte wijze, niet onvolmaakt; voor eeuwig, niet voor tijdelijk. Laten we ons niet het aardse Jeruzalem tot hoofdstad nemen, maar de hemelse stad; niet die, zeg ik, die nu door legers wordt verwoest, maar die door de engelen met lofprijzingen wordt verheerlijkt.

Laten wij geen jonge veulens slachten of lammeren met hoorns en hoeven, die voor een groot deel dood zijn en geen gevoel hebben; maar laten wij aan God op het altaar daarboven met de hemelkoren een offer brengen van lof. Laten wij door het eerste voorhangsel heengaan naar het tweede en in het Heilige der Heiligen naar binnen schouwen.

En, om nog iets meer te zeggen, laten wij onszelf aan God opdragen; ja, iedere dag moeten wij onszelf en al ons doen en laten aan Hem offeren. Laten wij alles opvatten overeenkomstig het woord, zijn lijden navolgen door ons lijden, zijn Bloed eren door ons bloed, het kruis blijmoedig bestijgen.

Als ge een Simon van Cyrene zijt, neem uw kruis dan op en volg Hem.

Als ge evenals de moordenaar, tegelijk met Hem gekruisigd zijt als een goed mens, erken dan uw God; als Hij, ook voor u en om uw zonden, onder de misdadigers werd gerekend, wees gij dan een rechtvaardige om Hem. Aanbid Hem, die om u aan het kruis werd gehangen; en terwijl gij zelf daar ook hangt, tracht dan ook wat winst te behalen uit die smaad zelf; koop uw heil met uw dood; ga met Jezus het paradijs binnen om te begrijpen welke goederen u waren ontvallen. Beschouw die schoonheden daar; en laat hem, die mort, maar met zijn godslasterven daarbuiten sterven.

Zijt ge een Joseph Arimathea, vraag dan om het Lichaam aan hem, die Het aan het kruis sloeg: het verzoeningsmiddel voor de wereld worde uw bezit.

Zijt ge een Nicodemus, die nachtelijke Godsvereerder, zalf Hem dan net olie voor de begrafenis.

Zijt ge een Maria of een andere Maria of een Salome of een Joanna, stort dan overvloedig uw tranen in de morgenschemer. Zorg ervoor als eerste de steen te zien afgewenteld, misschien ook de engelen en zelfs Jezus te zien.

Kort commentaar op het Collectagebed Donderdag in de 5e week van de Veertigdagentijd - smeekbede om bescherming en barmhartigheid met kanttekening dat wij daartegenover ons best moeten doen.


Adesto, Domine, supplicibus tuis, et spem suam in tua misericordia collocantes tuere propitius, ut, a peccatorum labe mundati,

in sancta conversatione permaneant, 

et promissionis tuæ perficiantur heredes.


Heer, luister naar ons gebed en bescherm allen die hun hoop stellen op uw barmhartigheid. Geef dat zij, vrij van zondesmet, 

voortaan een heilig leven leiden 

en maak hen tot erfgenamen van uw belofte.


Het collectagebed is, op een enkele wijziging na, ontleend aan het Sacramentarium Leonianum (Verona, kapittelbibliotheek LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw, folio 915.

(permaneant et + consequentes sufficientiam temporalem) 

Uit de bede van de originele leoninische tekst is echter het gedeelte gewist dat God om “levensonderhoud voor de tijd van nu” vraagt, ofschoon dikwijls in de oraties van de H. Eucharistie om hulp/ genade voor deze tijd (op aarde) én voor de eeuwigheid wordt gebeden. Om dat wat voor het leven hier op aarde en om dat wat voor het eeuwige leven noodzakelijk is. Het eeuwige is hier het ‘beloofde erfdeel’, “de erfgenamen van uw belofte” (Altaarmissaal 1979, 282-283). Het weglaten van bovengenoemd tekstgedeelte heft de oorspronkelijke vorm van de bede (dit is het tweede deel van de oratie) op. De oorspronkelijke vorm bestond uit twee elementen, elk samengesteld uit een participiumvorm en een verbum in de coniunctivusvorm ter uitdrukking van een wens: “Mundati – permaneant” en “consequentes perficiantur heredes”, [opdat zij] gereinigd van zondesmet, voortaan in een heilig leven volharden en tijdelijk levensonderhoud verwervend, erfgenamen worden van uw beloften.

De oratie wordt geopend met het dikwijls voorkomende “adesto!” Wees ons nabij, help ons!

Het is een aangrijpende roep van vertrouwen als mensen in nood verkeren. Daarom gaat het ook aldus verder: “… allen die hun hoop stellen op uw barmhartigheid.” Om deze reden vraagt het gebed om bescherming, zoals in de dubbele, respectievelijk viervoudige bede uiteengevouwen wordt.

De Nederlandse versie van het Altaarmissaal zwakt het “adesto” af. Ook dat verstoort helaas de opbouw van de oorspronkelijke oratie: 

Adesto - tuere

Mundati permaneant – consequentes perficiantur heredes

Al bij al kan zonder voorbehoud worden geconstateerd dat de tekstuele veranderingen niet kunnen worden gekwalificeerd als verbeteringen.

Behouden is de boodschap dat we God om bescherming en barmhartigheid smeken, opnieuw met de kanttekening dat wij van onze kant ook moeten doen wat we kunnen (“heilig leven”).


woensdag 6 april 2022

Kort commentaar op het Collectagebed Woensdag in de 5e week van de Veertigdagentijd Wij mogen erop vertrouwen dat de Vader liefdevol en vol erbarmen naar ons luistert.

 



 Sanctificata per pænitentiam tuorum corda filiorum,

Deus miserator, illustra, et,

quibus præstas devotionis affectum,

præbe supplicantibus pium benigus auditum.

 

God van barmhartigheid,

verlicht het hart van uw kinderen dat door boetvaardigheid is geheiligd,

en schenk welwillend gehoor aan de smeekbede van hen die U met liefde mogen dienen.

 

Het collectagebed is grotendeels ontleend aan het Sacramentarium Leonianum (Verona, kapittelbibliotheek LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw, folio 866 en met een ander incipit (Sanctificato hoc jejunio ) is dit ook het collectagebed van woensdag na Passiezondag in het Missale Romanum, 1962.

Het collectagebed gaat ervan uit, dat het hart van de gelovigen reeds door boetvaardigheid is geheiligd, en vraagt vandaag dat de barmhartige God aan hen Zijn licht wil schenken. De oratie veronderstelt dat God de gelovigen het gevoelen van liefdevolle overgave zal geven en het vraagt dat Hij in zijn goedheid ook hun smeekbeden vol liefde wil verhoren.

De bede om verlichting van het hart past in deze Veertigdagentijd, tijd waarin de catechumenen in de vroege Kerk hun laatste voorbereiding op het ontvangen van het H. Doopsel in de Paasnacht ontvingen. Door de eerste christenen werd het Doopsel ‘photismós’ genoemd, ‘verlichting’’, en de pasgedoopte ‘photistheis’, ‘verlichte’. Deze zienswijze is afgeleid van Christus, het Licht der wereld, lux mundi, dat iedere mens, die in de wereld komt, verlicht. Aldus is ieder Doopsel ook te beschouwen als genezing van blindheid.

Het nieuwe licht verleent het hart de gesteldheid van liefdevolle overgave, van waaruit het, eenmaal vertroost, spontaan tot gebed komt. Daarom mogen wij erop vertrouwen dat de Vader vol liefde en erbarmen naar ons luistert.

 

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ V Quadreagesimæ feria III Crux Christi omnium fons benedictionum. Het Kruis van Christus: bron van alle zegeningen, oorzaak van alle genaden.


 Ad Officium lectionis


Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Leónis Magni papæ
(Sermo 8, De passione Domini, 6-8: PL 54, 340-432)

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Leo de Grote, paus
Sermo 8, De passione Domini, 6-8

Het Kruis van Christus: bron van alle zegeningen, oorzaak van alle genaden

Ons verstand, dat door de Geest der waarheid wordt verlicht, moet de glorie van het Kruis, dat in hemel en op aarde zijn licht uitstraalt, in een zuiver en vrij hart opnemen, en met innerlijke scherpzinnigheid moet men zien wat Christus bedoelde, toen Hij over zijn naderend lijden zei: Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen zal worden verheerlijkt; en dan:  nu is mijn ziel onrustig. Wat moet ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Zoon. Toen de stem van de Vader van de hemel kwam en zei: Ik heb U verheerlijkt en zal U wederom verheerlijken, antwoordde Jezus, zich tot de omstanders wendend: Niet om Mij was die stem, maar om u. Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats, nu zal de vorst van deze wereld worden buitengeworpen. En wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal Ik alles tot Mij trekken.

O wonderbare macht van het Kruis!
O onuitsprekelijke glorie van het lijden waarin de rechterstoel van de Heer, het oordeel over de wereld en de macht van de Gekruisigde is te zien.
Gij hebt, Heer, alles tot U getrokken, opdat wat in een joodse tempel onder duistere symbolen werd gevierd, nu door de eredienst van alle volken en overal zou worden gevierd in een volledig en duidelijk sacrament.

Want nu is de klasse der levieten duidelijker, de waardigheid van de oudsten groter en de zalving tot priester heiliger; omdat uw Kruis de bron is van alle zegeningen, de oorzaak van alle genaden. Door het Kruis wordt aan de gelovigen kracht geschonken uit zwakte, roem uit smaad, leven uit dood. Nu is er een einde gekomen aan de verscheidenheid van vleselijke offers en worden al die verschillende offers vervangen door het ene Offer van uw Lichaam en Bloed, omdat Gij waarlijk zijt het Lam Gods, dat de zonder der wereld wegneemt, en aldus in U alle mysteries voltrekt, opdat, zoals er nu één offer plaats heeft in de plaats van alle slachtoffers, zo ook één heerschappij over alle volkeren.

Laten wij daarom, zeergeliefden, belijden wat de heilige leermeester der heidenen de apostel Paulus, juichend beleden heeft: Dit woord is betrouwbaar en volkomen geloofwaardig: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden. Want daarom is zijn barmhartigheid jegens ons des te wonderbaarder, omdat Christus niet voor rechtvaardigen of voor heiligen, maar voor zondaars en goddelozen is gestorven, en ofschoon de natuur van de Godheid niet geraakt kan worden door de angel van de dood, heeft Hij toch datgene aangenomen – door uit ons geboren te worden – waardoor hij voor ons het offer kon brengen.

Want reeds vroeger bedreigde de macht van zijn dood onze dood, toen God door de profeet Osee zei: O dood, ik zal uw dood zijn, en Ik zal uw doodssteek zijn, onderwereld. Door te sterven was Hij onderworpen aan de wetten van de wereld, maar Hij heeft deze ontbonden door te verrijzen: en zo verbrak Hij de bestendigheid van de dood, zodat hij de dood van eeuwig tot tijdelijk maakte. Want zoals allen in Adam zijn gestorven, zo worden allen in Christus levend gemaakt.


Liturgy of the Hours Tuesday of the 5th week of Lent The Cross of Christ is the source of all blessings, the cause of all graces


Office of Readings
Second Reading
From a sermon by Saint Leo the Great, pope
The Cross of Christ is the source of all blessings, the cause of all graces
Our understanding, which is enlightened by the Spirit of truth, should receive with purity and freedom of heart the glory of the cross as it shines in heaven and on earth. It should see with inner vision the meaning of the Lord’s words when he spoke of the imminence of his passion: The hour has come for the Son of Man to be glorified.Afterward he said: Now my soul is troubled, and what am I to say? Father, save me from this hour. But it was for this that I came to this hour. Father, glorify your Son.When the voice of the Father came from heaven, saying, I have glorified him, and will glorify him again, Jesus said in reply to those around him: It was not for me that this voice spoke, but for you. Now is the judgement of the world, now will the prince of this world be cast out. And I, if I am lifted up from the earth, will draw all things to myself.
  How marvellous the power of the cross; how great beyond all telling the glory of the passion: here is the judgement-seat of the Lord, the condemnation of the world, the supremacy of Christ crucified.
  Lord, you drew all things to yourself so that the devotion of all peoples everywhere might celebrate, in a sacrament made perfect and visible, what was carried out in the one temple of Judea under obscure foreshadowings.
  Now there is a more distinguished order of Levites, a greater dignity for the rank of elders, a more sacred anointing for the priesthood, because your cross is the source of all blessings, the cause of all graces. Through the cross the faithful receive strength from weakness, glory from dishonour, life from death.
  The different sacrifices of animals are no more: the one offering of your body and blood is the fulfilment of all the different sacrificial offerings, for you are the true Lamb of God: you take away the sins of the world. In yourself you bring to perfection all mysteries, so that, as there is one sacrifice in place of all other sacrificial offerings, there is also one kingdom gathered from all peoples.
  Dearly beloved, let us then acknowledge what Saint Paul, the teacher of the nations, acknowledged so exultantly: This is a saying worthy of trust, worthy of complete acceptance: Christ Jesus came into this world to save sinners.
  God’s compassion for us is all the more wonderful because Christ died, not for the righteous or the holy but for the wicked and the sinful, and, though the divine nature could not be touched by the sting of death, he took to himself, through his birth as one of us, something he could offer on our behalf.
  The power of his death once confronted our death. In the words of Hosea the prophet: Death, I shall be your death; grave, I shall swallow you up. By dying he submitted to the laws of the underworld; by rising again he destroyed them. He did away with the everlasting character of death so as to make death a thing of time, not of eternity. As all die in Adam, so all will be brought to life in Christ.

Kort commentaar op het Collectagebed Dinsdag in de 5e week van de Veertigdagentijd Voor allen die in dienst van God zijn bestemd en mensen met een bijzondere roeping Gods lof te zingen.

  


Da nobis, quæsumus, Domine, perseverantem in tua voluntate famulatum,

ut in diebus nostris et merito et numero populus tibi serviens augeatur.

 

Heer, wij vragen U: geef ons een onwankelbare trouw in de dienst van Uw wil,

opdat in onze dagen het volk, dat U dient, toeneemt in verdiensten en aantal.

 

Het collectagebed is afkomstig uit het Sacramentarium Gregorianum (Hadrianum), 9e eeuw, (Ed. Lietzmann 1921) folio 4 en was in het Romeins Missaal 1962 de Oratio super populum op dinsdag na Passiezondag.

De biddende Kerk beschouwt al ons dagelijks doen en laten als een aan God bewezen dienst. Daarom moet ons werken overeen komen met de Wil van God, en wel bestendig. Het collectagebed (tijdens de H. Mis), dat in deze Veertigdagentijd tijd dag aan dag liturgisch hetzelfde is als de oratie in het Getijdengebed, vraagt ons de genade te geven om hiertoe in staat te zijn. Het collectagebed denkt daarbij niet alleen aan de individuele biddende persoon, maar ook aan het gehele Volk Gods, en het vraagt dat God door middel van dit gebed, het volk dat Hem dient ‘merito et numero’ (in verdienste en aantal) mag groeien.

Wij zouden zeggen ‘kwalitatief en kwantitatief’. Dus niet alleen maar kwalitatief. Het aantal bestaat immers uit de optelsom van alle individuele mensen, die God heeft geschapen, en die Hij ieder op zich heeft bestemd voor het eeuwige leven. Natuurlijk ook niet alleen maar kwantitatief. Want het aantal zou niets voorstellen, wanneer het individueel en collectief van nul en generlei waarde was.

Het gebed geldt voor alle mensen, omdat zij immers allen voor de dienst van God zijn bestemd, individueel en collectief.

De Kerk denkt echter ook bijzonder aan degenen die op grond van een speciale roeping dienst doen in het Huis van God. In dit opzicht is de oratie in meer specifieke zin een gebed om priesters en diakens alsook voor andere mannen en vrouwen die in de Kerk dag en nacht de lof van God in het Goddelijk Officie bezingen. 

Paratum cor meum, Deus, paratum cor meum, cantabo et psallam. 

O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmen jubelen.

maandag 4 april 2022

Kort commentaar op het Collectagebed Maandag in de 5e week van de Veertigdagentijd ”Wij doen ons best, God doet de rest!”


Deus, per cuius ineffabilem gratiam omni benedictione ditamur,

præsta nobis,

ita in novitatem a vetustate transire,

ut regni cælestis gloriæ præparemur.

God, door wiens onuitsprekelijke / overvloedige genade wij met alle zegening worden verrijkt,

verleen, dat wij zó overgaan van het oude naar het nieuwe,

dat wij geschikt worden (lett.: gereed worden gemaakt) voor de heerlijkheid van uw hemels rijk. 

Het collectagebed is ontleend aan het Sacramentarium Leonianum (Verona, kapittelbibliotheek LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw, folio 1297.

De oratie richt zich tot God, die ons verrijkt met zijn zegen. Zijn genade is nooit helemaal in woorden uit te drukken (ineffabilem gratiam) en, daarbij kan men bedenken dat onze dank deze onuitsprekelijke genade nooit zal kunnen evenaren of recht doen.

Deze rijkdom omvat de overgang van het oude naar het nieuwe, waardoor wij deelgenoot worden aan de goddelijke natuur, deelgenootschap eens in de eeuwige zaligheid tot voltooiing komt.

De transitus, de overgang van oud naar nieuw, van dood naar leven – begonnen in het Doopsel - betreft het leven van de gedoopte mens. Het nieuwe leven waardoor wij als kind van God werden geënt op de Boom des Levens en ondergedompeld in het goddelijke leven van de H. Drieëenheid, vraagt bij ons aardse leven actie die aan deze status beantwoordt. Dat wat in het wezen van het goddelijk kindschap is verankerd, moet in overeenkomstig leven en handelen zichtbaar worden. Dit streven past bij uitstek in de Veertigdagentijd als opgang naar Pasen, het hoogfeest van de Verrijzenis van de Heer.

De deelname aan het Eucharistisch Offer brengt in ons tot voltooiing wat ons in het Doopsel is geschonken. Derhalve maakt het Lichaam van Christus hen levend, die aan zijn Lichaam deelhebben.

Het is een ‘reeds’ in de overgang van aards naar toekomstig leven  maar ook een ‘nog niet volledig’. Hetgeen in ons leven reeds als ‘eeuwig leven’ aanwezig is, verwoordt de oratie als voorbereiding op de “heerlijkheid van het hemelrijk.”

Wij bidden om de vervulling van deze belofte. Het woordje ‘ita’ is belangrijk. De biddende gemeenschap van priester en gelovigen zou de overgang ‘zó’ moeten voltrekken, dat daaruit de voltooiing mogelijk wordt. In dit kleine woord ‘zó’ komt de menselijke inspanning tot uitdrukking, die niet achterwege kan blijven, ofschoon God wordt gevraagd: “præsta nobis’, verleen ons.

Exspoliantes vos veterem hominem cum actibus suis et induentes novum eum, qui renovatur in agnitionem secendum imaginem eius, qui creavit illum.

Leg de oude mens met zijn gedragingen af en bekleed u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn Schepper (Kol 3, 10).

‘Wij doen ons best, God doet de rest’!

 

zondag 3 april 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica V Quadragesimæ Festum Domini proximum non verbis sed operibus implemus. Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met daden.


Ad Officium lectionis


Lectio altera
Ex Epístolis paschálibus sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)

Tweede lezing

Uit de Paas-brieven van de H. Athanasius, bisschop
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)

Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met daden

Dat Woord is ons nabij, dat alles voor ons is geworden, ik bedoel: Onze Heer Jezus Christus, die belooft onafgebroken bij ons te zullen blijven.
Daarom roept Hij uit: Zie, Ik ben met u alle dagen der wereld. Maar zoals Hij de Herder is, de Hogepriester, de Weg en de Deur, en tegelijk alles voor ons geworden is, zo is ook dit feest en deze plechtigheid voor ons zichtbaar geworden, zoals de zalige Apostel zegt: Ons Paaslam Christus is voor ons geslachtofferd, De Christus, die werd verwacht. Maar het lichtte ook op bij het gebed van de Psalmist, toen hij sprak: Mijn gejubel, ontrukt mij aan hen die mij omringen.  Dit is het ware gejubel, dit is de echte plechtigheid, namelijk de uitbanning van alle kwaad. Opdat eenieder daartoe kome, moet hij onberispelijk zijn en met zijn geest zich oefenen in de rust, die in de vreze Gods opgesloten ligt.

Dat was ook het geval met de heiligen: zolang zij leefden verheugden zij zich heel hun leven lang als op een feest. Een van hen, namelijk de zalige David stond ‘s nachts op, niet eenmaal maar zeven maal, en stemde God gunstig door zijn gebeden. Een ander, de grote Mozes, verheerlijkte God in zijn gezangen en zong zijn lof om de overwinning op de Pharao behaald en op hen, die de Hebreeën met zware arbeid onderdrukt hadden. Later vervulden anderen met voortdurende vreugde hun heilig dienstwerk, zoals de grote Samuël en de zalige Elias, die door de verdienste van hun deugden de vrijheid verkregen en nu feest vieren in de hemel, terwijl zij zich verblijden over hun vroeger pelgrimeren in schaduw, maar thans de waarheid kunnen onderscheiden van de voorafbeelding.

Maar nu wij het plechtig feest vieren, welke wegen zullen wij dan inslaan? En nu wij dit feest naderen, wie zullen wij dan als leider hebben? Niemand anders voorzeker, mijn geliefden, dan Hem, die gij zelf met mij onze Heer noemt, Jezus Christus, die zegt: Ik ben de weg. Hij is het zoals de heilige Johannes zegt: die de zonden van de wereld wegneemt. Hij zuivert onze zielen, zoals de profeet Jeremias ergens zegt: Gaat op de wegen staan en kijkt en ziet welke de goede weg is en op de weg zult gij zuivering vinden voor uw zielen.

Vroeger was het bloed van bokken en de besprenkeling met de as van een jonge koe over onreinen geschikt slechts het lichaam te reinigen; maar nu wordt eenieder overvloedig gereinigd door de genade van het Woord Gods. Als wij nu bereid zijn Hem te volgen, zal het ons toegestaan zijn hier als in de voorhoven van het hemels Jeruzalem een voorsmaak te hebben van het eeuwig feest; zoals ook de zalige Apostelen, die de Verlosser als hun Leider volgden, en toen onze leermeesters waren van die genade en die dit nu nog zijn; want zij zeiden: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Wij volgen namelijk de Heer ook; en vieren het feest des Heren niet alleen met woorden maar ook met daden.



Reeks “Oratio super munera" Vijfde zondag Veertigdagentijd II Addendum

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd II 

Aanvulling Vaderteksten
G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
BISSCHOP CYRILLUS, BISSCHOP VAN JERUZALEM
Het Doopsel, het teken van het Lijden van Christus
Uit de Catechesen gehouden te Jeruzalem

Deze catechesen werden gehouden in de pas gereedgekomen H. Grafkerk te Jeruzalem en traditioneel toegeschreven aan de H. Cyrillus, bisschop van Jeruzalem 348-386
Wij bewaren van hem vierentwintig beroemde catechesen, die hij als bisschop tegen het jaar 350 gehouden heeft. Ingeleid door een Pro-catechese H. Cyrillus van Jeruzalem
Pro-catechese ()
als verwelkoming, zijn de eerste achttien daarvan gericht aan de catechumenen, of photizomenoi, dat is: degenen die verlicht moeten worden. De eerste (1-5) handelen elk respectievelijk over de gesteltenissen die voorafgaan aan het Doopsel, over de bekering vanuit de heidense gewoonten, over het sacrament van het Doopsel en over de tien dogmatische waarheden die vervat zijn in het Credo of Symbolum (samenvatting) van het geloof. De volgende (6-18) vormen een doorlopende catechese over het Symbolum van Jeruzalem, in anti-ariaanse toonzetting. Van de laatste vijf (19-23), de "mystagogische" genaamd, ontwikkelen de eerste twee een commentaar op de riten van het Doopsel, en gaan de laatste drie over het chrisma, over het Lichaam en Bloed van Christus en over de eucharistische liturgie. Daarin is de uitleg opgenomen van het Onze Vader (Oratio dominica): die vormt de basis van een initiatie in het gebed, die parallel verloopt aan de initiatie in de drie sacramenten van het Doopsel, het Vormsel en de Eucharistie.
Onderstaande catechese aan de neofieten of pasgedoopten vond oplaats na het ontvangen van de bovengenoemde initiatiesacramenten.
Gij zijt naar het heilig bad van het goddelijk Doopsel geleid, zoals Christus openlijk van het kruis naar het graf werd gedragen.
En eenieder van u werd ondervraagd, of hij geloofde in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Gij hebt uw heilzame belijdenis gedaan en werd driemaal ondergedompeld en zijt weer uit het water opgerezen; en hier hebt gij in beeld en symbool de drie dagen van Christus in het graf aangeduid.
Want zoals onze Verlosser drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verbleef, zo hebt gij met de eerste oprijzing uit het water de eerste dag en met de eerste onderdompeling de eerste nacht uitgebeeld, die Christus in de aarde doorbracht. Want zoals hij, die in de nacht ergens verblijft, niet langer kan zien, maar overdag in het licht wandelt, zo hebt gij bij de onderdompeling als in de nacht niets gezien, maar bij de oprijzing uit het water zijt gij als in het daglicht geplaatst; en op hetzelfde moment waart gij dood en geboren, en dat heilzame water werd voor u zowel een graf, als een moeder.
En wat Salomon van andere levensomstandigheden zegt, is uitstekend op u van toepassing. Want hij zei: Er is een tijd voor het baren en een tijd om te sterven. Voor u is dat juist omgekeerd: er is een tijd om te sterven en een tijd om geboren te worden; hier heeft de ene tijd beide bewerkt, en met uw dood viel uw geboorte samen.
O, wat een nieuw en ongehoord soort van dingen! Wij zijn niet in werkelijkheid gestorven noch echt begraven, noch als waarlijk gekruisigd verrezen; maar door het beeld werd de nabootsing ervan uitgedrukt; maar in werkelijkheid is ons heil hieruit geboren.
Christus is waarlijk gekruisigd, waarlijk begraven en waarlijk verrezen; en door de genade werd ons dit alles gegeven, opdat wij, die door de uitbeelding deelachtig geworden zijn aan zijn lijden, in waarheid het heil zouden verwerven.

O, wat een uitbundige liefde tot de mensen! Christus heeft in zijn onbesmette handen en voeten de spijkers ontvangen en de pijn doorstaan: en aan mij, onervaren in smart en lasten, schenkt Hij door de deelname aan zijn smarten het heil.
Laat niemand dus menen, dat de Doop enkel bestaat in de vergiffenis van de zonden en in de genade van de aanneming, zoals dit het geval was met het doopsel van Johannes, dat alleen vergiffenis van zonden schonk.  Wij weten integendeel heel beslist, dat zoals ons Doopsel de kracht bezit om de zonden af te wassen en ons de gave schenkt van de Heilige Geest, het ook een beeld is en de uitdrukking van het lijden van Christus. Want daarom roept ook Paulus hier terecht uit: “Gij weet toch, dat het Doopsel, waardoor wij met Christus Jezus in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in zijn dood? Door de Doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven”.

Cat. 20, Mystagogica 2, 44: PG 33, 1079-1082
Liturgia Horarum, Officium lectionbis, feria V infra octavam Paschæ.

BISSCHOP AUGUSTINUS VAN HIPPO:
Een nieuw schepsel in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.
Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader,vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.
Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.
Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.
Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.

Daarom ook gij, - nu nog wel niet feitelijk maar reeds met de vaste hoop, omdat gij hiervan een sacrament hebt en gij het onderpand van de Geest ontvangen hebt, - als gij verrezen zijt met Christus, verstaat dan wat boven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods; zoekt dan wat daarboven is, niet de dingen op aarde. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Als dan Christus zal verschijnen, uw leven, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841
Liturgia Horarum, Officium lectionis, dominica in octava Paschæ



Collectegebed vijfde zondag van de Veertigdagentijd - “Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”


“Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”

I n l e i d i n g
“Ambulate in dilectione, sicut et Christus dilexit nos et tradidit semetipsum pro nobis oblationem” -  Leid een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave (Ef 5,2).
Met deze aansporing en tegelijkertijd vermaning uit de Brief aan de Efeziërs hangt het collectegebed van deze zondag samen. Het “blijmoedig een leven van liefde leiden” in de Nederlandse vertaling is niets anders dan waarop de oratie doelt als zij zegt “ut in illa caritate…..inveniamur ipsi”, dat wij zelf in die liefde worden bevonden, dat is, dat wij zelf deze liefde beoefenen. “Die liefde” is de liefde “waarmee Christus ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgegeven”, “die liefde waarmee de Zoon de wereld heeft bemind en zich aan de dood heeft overgeleverd”. Het gebed verklaart verder waarin deze liefde zich manifesteert: “te opitulante, alacriter ambulantes” – om met uw hulp blijmoedig een leven van liefde te leiden.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Quæsumus, Domine, Deus noster,
 ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
uit liefde tot de wereld heeft uw Zoon zich aan de dood overgeleverd.
Wij bidden U: geef ons uw hulp om, naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden.

Werkvertaling
Wij bidden U, Heer onze God,
[op] dat wij ook zelf met uw hulp in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood overleverde, bevonden worden blijmoedig te leven.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed van vandaag kwam niet voor in de vorige edities van het Romeinse Missaal. Het is afkomstig uit het Liber Mozarabicus Sacramentorum, f.706. (De Mozarabische liturgie was ook de bron voor het collectegebed van de 2e zondag van de Veertigdagentijd en voor de Vastenhymne Attende Domine et miserere). De Mozarabische ritus die teruggaat tot op de 6e eeuw, is de tweede best gedocumenteerde Latijnse katholieke ritus voor wat betreft overgeleverde handschriften. In 1085 werd deze ritus afgeschaft behalve in een zestal parochies in Spanje. In 1500 werd een Mozarabisch Missaal uitgegeven waarin een aantal elementen uit de Romeinse ritus was opgenomen en dat vervolgens werd goedgekeurd door paus Julius II (+1513). Franciscus kardinaal Ximenez de Cisneros (+1517) richtte in Toledo een kapel en een college van 13 priesters op, wier taak het zou zijn de Mozarabische ritus te handhaven zelfs na de hervormingen van het Concilie van Trente en het opleggen van de Romeinse ritus. Een nieuwe editie van het Missale Hispano-Mozarabicum werd gepubliceerd in 1991; paus Johannes-Paulus II celebreerde de H.Mis volgens dit Missaal in de jaren 1992 en 2000.

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Quæsumus, Domine, Deus noster,
2.ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Ad 1
Opvallend andere opbouw van de eerste regel van het collectegebed. Aan de kop van de collecta
staat het praedicaat quæsumus, wij bidden, wij vragen [U], gevolgd door een drievoudige anaklese
van God: Domine, Deus noster in de vocativus. In deze aanspreekvorm is een alliteratie verwerkt, de
op elkaar volgende hoofdletters D benadrukken op stilistische wijze de grootheid van God tegenover
de kleinheid van de smekeling in het verbum quæsumus.
Quæsumus behoort als vorm tot de groep van de verba defectiva: onvolledige (>defecte=) werkwoorden waarvan slechts enkele alleenstaande vormen voorkomen, nl. quæso en quæsumus - ik bid, wij bidden. De liturgie van de Kerk hanteert bij voorkeur de meervoudsvorm die frequent voorkomt in de oraties, echter bij uitzondering aan de kop van het gebed zoals in onderhavige oratie van deze zondag. Ook de oratio post communionem van deze zondag begint opvallend met het verbum quæsumus gevolgd door de anaklese.
Ad 2
ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut, opdat, zodat.. die als object van de bede van r. 1 kan worden beschouwd. Deze bijzin wordt onderbroken door twee volgende bijzinnen: de relatieve bijzin qua..tradidit en een bijwoordelijke bijzin te opitulante met de constructie van een ablativus absolutus.
[ut] inveniamur ipsi […] alacriter ambulantes: opdat/zodat wij zelf worden bevonden: predicaat in de coniunctivus afhankelijk van het voegwoord ut, gevolgd door en verbonden met een bijwoordelijke bepaling in de participium præsentis activi-constructie alacriter ambulantes. Deze constructie preciseert het in de werkwoordsvorm inveniamur opgesloten subject nader: opdat/zodat wij blijmoedig levend worden bevonden. Te opitulante: bijwoordelijke bijzin in de ablativus absolutusvorm. Opitulari (deponens), helpen, hulp verlenen. De ablativus absolutus kan vertaald worden door een bijzin met bijwoordelijke betekenis of door een voorzetselbepaling /bijwoordelijke bepaling, zoals in het geval Te opitulante: met uw hulp [zoals in de werkvertaling]. Het persoonlijke voornaamwoord Te heeft als antecedent de in r. 1 genoemde vocativus.
In illa caritate, in die liefde: bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm die een gesteltenis aanduidt. Het begrip in illa caritate wordt nader uitgelegd door de relatieve bijzin qua….se tradidit die in de indicativus staat omdat het om een reëel feit gaat, waarin de participium præsensconstructie diligens mundi welke vertaald kan worden met een redengevende bijzin: omdat Hij de wereld beminde.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m

Alacriter, bijwoord afgeleid van de adiectiefvorm alacer,cris, cre, opgewekt, vrolijk, levendig. Alacritas, vrolijkheid.
Ambulantes, participium præsentis activi in het meervoud van het verbum ambulare, 1. Wandelen, reizen 2. Een levenswandel leiden, leven. (Vgl. de “Nederlandse”afleidingen, ambulance, ambulant)
Inveniamur, 1e pers. meervoud coniunctivus præsentis passivi van invenire, veni, ventum, 1. Vinden, aantreffen 2. Uitvinden, ontdekken 3. Bekomen, bereiken.

C o m m e n t a a r

De 5e zondag van de Veertigdagentijd werd traditioneel Passiezondag genoemd maar sinds de Novus Ordo draagt Palmzondag ook die naam, zodat de aanduiding 1e en 2e Passiezondag het onderscheid duidelijk moet maken. Met de 5e zondag begon de “Passietijd”. Deze zondag werd ook Iudica-zondag genoemd naar het beginwoord van de Introitus (Ps 42,1) en soms – maar niet in onze traditie – Repus, een afkorting van repositus (analoog begrip voor absconditus of “verborgen”) omdat vanaf deze liturgische dag tot het einde van de viering van de Passie van de Heer op Goede Vrijdag de kruisen en beelden in de kerken met paarse of rode doeken worden bedekt.  Het is als het ware een “reduceren” van de liturgie, de Kerk ondergaat een liturgische dood vóór het Paasfeest.
Het is een bijzondere gewaarwording, wanneer men vóór de 1e Vespers van deze zondag het koor betreedt en de kruisen met paarse doeken ziet bedekt en alle ornamenten uit kapel en kloostergangen zijn verwijderd nadat eerder bij het begin van de Vasten de muziek, de bloemen en het Alleluia reeds uit de liturgie waren verdwenen.
Na de Eucharistieviering in de avond van Witte Donderdag wordt het H.Sacrament naar een andere plaats overgebracht, het altaar wordt ontbloot, de klokken zwijgen vanaf het Gloria en de altaarschellen rinkelen niet langer maar worden vervangen door houten kleppers. Goede Vrijdag is een a-liturgische dag en bij het begin van de Paaswake zijn we zelfs beroofd van het licht! Deze liturgische dood van de Kerk geeft aan hoe Christus zichzelf van zijn heerlijkheid ontledigde om ons te verlossen van onze zonden en om ons te leren wie wij zijn. Als wij met hart en ziel ons kunnen invoegen in de liturgie van de Kerk waarin deze sacrale mysteries worden geactualiseerd en gevierd, delen we door onze actieve ontvankelijkheid in de verlossende mysteries van het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van Christus maar heeft dit delen ook diep ernstige consequenties voor ons eigen leven en dood. De actieve ontvankelijkheid steunt op de genade van ons Doopsel en de gewone staat van genade.

Er zijn parallellen tussen de collectegebeden van de Veertigdagentijd en die van de Advent. We zien thema’s van beweging, van een pelgrimstocht. Wij gaan inderdaad op naar een groot feest van de Kerk, maar belangrijker is dat we ons definitief op weg begeven naar de mysteries welke de oraties voor ons actueel ontvouwen.
Als we een blik slaan op de commentaren van de H. Augustinus van Hippo (+430), zijn wij als gedoopten die het Mystieke Lichaam van Christus vormen, de Kerk, met de Heer, het hoofd van de Kerk,  onderweg  naar Jeruzalem: het Jeruzalem van ons eigen lijden en het nieuwe Jeruzalem van onze verrijzenis. Christus legde deze tocht zó af dat wij deze ook kunnen maken en kunnen worden verlost. In de liturgie is de ene en de gehele mystieke Christus onderweg, met name gedurende de Veertigdagentijd. Elk jaar legt Christus in ons die weg van zijn Lijden af, en wij leggen in Hem de weg af die in liturgisch kader uitgezet is door onze heilige Moeder de Kerk en haar gewijde bedienaren. Wij moeten onszelf met hart, geest en wil verenigen met de mysteries die worden uitgedrukt in de liturgie.
“Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastbesloten de reis naar Jeruzalem” (Lc 9,51).
Ons lijden, onze weg naar Jeruzalem ligt in ons gewetensonderzoek en in een goede biecht, in onze werken van zelfversterving en van barmhartigheid.
Met het vertalen van het element in het collectegebed “te opitulante” met “geef ons uw hulp…” kunnen we op het terrein komen van de Pelagiaanse discussie. De Latijnse collectegebeden vermijden zelfs alles wat maar kan zwemen naar het Pelagianisme (1) als het gaat om Gods “hulp”. In het collectegebed van vandaag lezen we  (letterlijk): dat wij zelf in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood heeft overgeleverd, mogen worden bevonden”. In het Latijn spreken we over caritas, naastenliefde, offerliefde welke van de kant van God met betrekking tot ons vrije genadegaven zijn. Caritas is de theologische deugd die ons in staat stelt God vanwege Hem zelf te beminnen en onze naasten zoals onszelf. De Nederlandse vertaling van het collectegebed wil dat wij “naar zijn voorbeeld” een leven van liefde leiden. De “sensus catholicus” gaat echter verder. Zeker, Christus en zijn liefde zijn ons volmaakt “voorbeeld”. Maar de Latijnse versie  verbindt ons veel intiemer met die liefde, en wel in die mate dat Gods “hulp” actueel er in voorziet dat wij alles wat we doen in een diepe eenheid met Christus’ eigen liefde doen. Wij zijn zozeer één met Hem dat wij in onze liefde als Christus worden. Zijn liefde leeft en werkt in en door ons. Zij is de onze en wij zijn de zijne. Dat is meer dan een voorbeeld ter navolging of een steuntje in de rug Christus zelf is in ons werkzaam.
Onze krijgsdienst en discipline als milites Christi (“strijders van Christus) gaan veel verder dan het goede voorbeeld. De eerste eigen prefatie voor deze liturgische tijd wijst op het belang van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste en grotere trouw aan de sacramenten om in die gesteldheid met vreugde en een zuiver hart naar het Paasfeest op te gaan. Vooral heilzaam in dit kader is de volledige, actieve en bewuste deelname aan het de liturgie met name aan het mysterie van de H. Mis en de H. Biecht.
(1)    Het Pelagianisme, onder andere bitter bevochten door de H. Augustinus van Hippo in de 4e en 5e eeuw, was een ketters geloof dat stelde dat de erfzonde de menselijke natuur niet had verwond en dat onze wil in staat is het goede of kwade te kiezen zonder de hulp van Gods genade. Daarnaast geloofde hij wel dat Gods genade bij elke goede daad hielp. Pelagius geloofde niet dat de gehele mensheid schuldig in de zin van Adam was. Hij vond dat Adam de mensheid door zijn slechte voorbeeld had veroordeeld, en dat Christus' goede voorbeeld de mensheid een weg naar de verlossing bood, door het offer en door de opvoeding van de wil, maar dat de mensheid zelf volledig de verantwoordelijkheid droeg voor zijn redding.

(Tekst voor een deel onder dank ontleend aan  Father Zuhlsdorf,WDTPRS)