Posts tonen met het label Paastijd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paastijd. Alle posts tonen

zondag 24 mei 2026

Veni Sancte Spiritus - Sequentia van Pinksteren



Kom, o Geest des Heren, kom uit het hemels heiligdom, waar Gij staat voor Gods gezicht. Kom der armen troost, daal neer, kom en schenk uw gaven, Heer, kom wees in de harten licht.

Kom o trooster, heil’ge Geest, zachtheid die de ziel geneest, kom verkwikking zoet en mild. Kom o vrede in de strijd, lafenis voor ‘t hart dat lijdt, rust die alle onrust stilt.

Licht dat vol van zegen is, schijn in onze duisternis, neem de harten voor U in. Zonder uw geheime gloed, is er in de mens geen goed, is de ziel niet rein van zin.

Was wat vuil is en onrein, overstroom ons dor domein, heel de ziel die is gewond, maak weer zacht wat is verstard, koester het verkilde hart, leid wie zelf de weg niet vond.

Geef uw gaven zevenvoud ieder die op U vertrouwt, zich geheel op U verlaat. Sta ons met uw liefde bij, dat ons einde zalig zij, geef ons vreugd die niet vergaat.

zaterdag 23 mei 2026

Lezingen H. Mis Pinksteren

Eerste lezing (Hand. 2,1-11)
Uit de Handelingen van de Apostelen.
Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen, die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. Toen dat geluid ontstond, liepen die te hoop en tot hun verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn taal. Zij waren buiten zichzelf en zeiden vol verwondering: “Maar zijn al die daar spreken dan geen Galileeërs? Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, van Pontus en Asia, van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden.”

Tweede lezing (1 Kor. 12,3b-7.12-13)
Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, niemand die zegt: “Jezus is vervloekt” staat onder invloed van de geest van God; en niemand kan zeggen: “Jezus is de Heer” tenzij door de heilige Geest. Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest. Er zijn vele vormen van dienstverlening, maar slechts één Heer. Er zijn allerlei soorten werk, maar er is slechts één God, die alles in allen tot stand brengt. Maar aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van allen. Het menselijk lichaam vormt met zijn vele ledematen één geheel; alle ledematen, hoe vele ook, maken te zamen één lichaam uit. Zo is het ook met de Christus. Wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door de doop één enkel lichaam geworden en allen werden wij gedrenkt met één Geest.

Evangelie (Joh. 20, 19-23)
In de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: “Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: “Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Na deze worden blies Hij over hen en zei: “Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.”


zondag 11 mei 2025

Collectegebed – Vierde zondag van Pasen Zondag van de Goede Herder

Ego sum pastor bonus

De Paasliturgie van de Kerk is het getrouwe spiegelbeeld van de eerste blijde tijd van het christendom. Elk alleluia van de Paastijd is één dank- en juichkreet van het verloste leven, dat vrij is van zonde.
Deze dankbare jubel en lof van de Kerk geldt Christus de Heer. Machtig sterk ontvlamt de liefde tot Hem. Hij heeft de verlossing gebracht. In Hem is Gods liefde mens geworden en heeft zij het werk der verlossing onder veel smarten ten einde gebracht. Hij is de Leidsman van het nieuwe leven. Hij voert de rei der verlosten naar de Vader. Daarom vult Hij heel het denken en leven van de Kerk. Zij ziet Hem onder telkens nieuwe beelden, Hem haar Verlosser. Hij is de overwinnaar, de held en triomfator, die dood en hel overwonnen en de slang de kop vertrapt heeft. Hij is de bruidegom, die de gevangen bruid – de zondige mensheid – verlost heeft. Hij is de kostbare vrucht aan de nieuwe levensboom van het kruis: de nieuwe appel, die geen dood en ontbinding te proeven geeft, maar geurt van verrijzenis en onsterfelijkheid. Hij is de goddelijke melk, het ongedesemde brood, de wijn van het nieuwe leven. Hij is de Heer van de bruiloft en het feestelijke maal van de genodigden. Hij is de ram, die geslacht werd om de schapen te verlossen – «het Lam (de ram) verloste de schapen (1) » –, en Hij is ook de Herder van de zijnen.
In de wondervolle eenheid van alle aardse beelden, die in de alles omvattende godheid van het Oertype samenvallen, zijn herder en ram één.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus,
deduc nos ad societatem caelestium gaudiorum,
ut eo perveniat humilitas gregis,
quo processit fortitudo pastoris.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Almachtige, eeuwige God,
leid ons op de weg naar de eeuwige vreugde.
Geef dat de kleine kudde
de Herder daarheen mag volgen waar Deze
 – machtig en groot – is voorgegaan.
Werkvertaling
Almachtige, eeuwige God,
voer ons naar de gemeenschap van de hemelse vreugde
zodat de nederigheid van de kudde daar aankomt
van waar de machtige verhevenheid van de Herder is voortgekomen.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e de n t e n
Het collectegebed kwam niet voor in de preconciliaire edities van het Missale Romanum maar gaat terug op het Sacramentarium Gelasianum, 524, (Vat. Reg. Lat.316), 1e helft 8e eeuw. Voor het nieuwe Romeinse Missaal van Paulus VI werden zoals bekend een aantal collectegebeden uit de Pius V- editie van Trente geschrapt en vervangen door oudere bronnen zoals het Gelasianum vetus en het Leonianum 2e helft 6e eeuw. Ook werd voor het postconciliaire Romeinse Missaal geput uit de Ambrosiaanse, Gallicaanse en Visigotische tradities of “componeerde” men nieuwe versies door het adapteren van bestaande formuleringen en zinswendingen (centonisatie) zoals dat ook werd toegepast op het terrein van het gregoriaanse repertoire.
De vierde zondag van Pasen wordt de “Zondag van de Goede Herder” genoemd vanwege de lezing van het 10e hoofdstuk uit het Evangelie van Johannes. Het collectegebed bevat pastorale motieven zoals gregis (van de kudde), pastoris (van de herder) en misschien het werkwoord deduco (leiden).
In de preconciliaire kalender was de derde zondag van Pasen aan de Goede Herder gewijd.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t I j l f I g u r e n
1.Omnipotens sempiterne Deus,
2.deduc nos ad societatem caelestium gaudiorum,
3.ut eo perveniat humilitas gregis,
4. quo processit fortitudo pastoris.
Het collectegebed van deze zondag is een kleine parel! In één enkele smeekbede wordt met fraaie retorische motieven God gevraagd om wat iedere mens nodig heeft.
Ad 1
God wordt in de anaklese met drie vocativusvormen, retorisch aangesproken met twee adiectieven die een feitelijk statement uitdrukken: de almacht van God roept de bede op dat Hij ons zal voeren naar het gezelschap van hen die de vreugde van de hemel genieten.
Ad 2
Deduc, voer, leid, is het prædicaat in de imperativusvorm; nos, ons,  het object van het verbum deduc; nos kan begrepen worden als degenen die herboren zijn in de Heilige Geest – alle gedoopten. Het eerste verhoopte effect is dat God degenen die herboren zijn in de Geest de genade mag schenken zijn koninkrijk binnen te gaan. Ad societatem caelestium gaudiorum, bijwoordelijke bepaling bij het verbum in de accusativusvorm, bepaald door het præpositum ad (naar, tot, aan, bij) en op te splitsen in het substantivum societatem gevolgd door twee congruerende genitivusvormen, die genoemd substantief nader illustreren: genitivus explicativus.
Ad 3
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin ingeleid door het voegwoord ut die Interpretatief het effect verwoordt van de eerste bede aan de hand van een mooi en kunstig parallellisme: dat de humilitas, de nederigheid van de kudde daar mag arriveren, vanwaar de fortitudo, de kracht, de verheven macht van de herder is gekomen.
De aardige constructie eo…quo springt onmiddellijk in het oog. Ook de genitivusvormen gregis en pastoris op het einde van de laatste twee zinnen vormen samen een enkel concept en maken de oratie zingbaar.
De stijlfiguur hier is een synchesis (Grieks
σύγχυσις) een “vermenging”, dikwijls gebruikt door Latijnse en Griekse schrijvers om de lezer te concentreren op de betekenis van woorden door een bepaalde plaatsing in de zin: een parallelisme van grammaticale vormen: “ut A-B-C-D, A-B-C-D” die een antithese vormen: eo/quo, perveniat/processit, humilitas/fortitudo en gregis/pastoris.
Het voegwoord ut heeft het verbum perveniat in de coniunctivusvorm bij zich vanwege het wenskarakter (optativus). Subject is humilitas gregis en dit subject samen met het subject fortitudo pastoris (r. 4) zijn twee voorbeelden van synecdoche (Grieks συν-εκδοχή), iets wat samen met iets anders wordt verstaan, een deel dat in werkelijkheid een groter geheel aanduidt, een vorm van beeldspraak.
Eo …quo (r.4): bijwoordelijke bepalingen die de verba perveniat en processit vergezellen; eo, oude dativusvorm van is, ea, id en quo, oorspronkelijk quoi, dativus- en ablativusvormen van het neutrum van qui, quæ, quod.
Ad 4
Processit, is voortgekomen, is voorgegaan, prædicaat in de indicativusvorm perfecti vanwege de feitelijkheid.
In de woordstructuur van de oratie klinkt het ordelijke voortschrijden als bij een processie.
Het is goed te bedenken hoe deze oraties, gespróken, klinken, en vooral als ze worden gezongen. Het zijn heel vaak kleine stukjes poëzie vol schoonheid. Die dimensie kan gemakkelijk over het hoofd worden gezien als de oratie alleen maar in stilte vanaf het blad wordt gelezen. Het zou goed zijn wanneer toekomstige vertalers van de Latijnse oraties deze gebeden bij hun vertaalarbeid luid zouden lezen en zelfs zingen!

B i j b e l s e  c o n t e x t
Het beeld van de herder en zijn kudde komt veel voor in het O.T. als beeld van het Godsvolk en de leiding en zorg van God of de Messias. Enkele vindplaatsen: Jes 40,11; Jer 23,1-4; Ez 34; Ps 73,1; 76,21; 78,13; 79,2; 94,7.
N.T.: Mt 9,36; 18,12; Joh 10; 21,17; Hebr 13,20, 1 Pe 2,25 (geen volledige opsomming)

C h r i s t e l i j k e  l i t e r a t u u r
Tegenwoordig is het gewoon Christus de “Goede Herder” te noemen. In de oude Kerk werd Christus afgebeeld als een jonge herder met een schaap over zijn schouders. Als titel (aanspreekvorm) evenwel was “Bone Pastor” niet gebruikelijk in oude tijden.


De benaming werd slechts eenmaal gebruikt door de H. Augustinus van Hippo († 430) in een belangrijke preek tegen de Donatisten (Sermo 138) over Christus als de “Goede Herder” (Cf Jo 10). Na Augustinus schijnt de benaming niet vaak meer gebruikt te zijn tot de Carmina van Sedulius Scotus († 828) niet te verwarren met Coelius Sedulius [† 5e eeuw] van wie enkele verzen werden bewaard in het getijdengebed. De H. Thomas van Aquino († 1274) gebruikt “Bone Pastor” in zijn sequens Lauda Sion: “Bone pastor, panis vere … O, goede Herder, O, waarlijk Brood”. Deze zinsnede van de sequens was ooit een gewild aflaatgebed bij de opheffing van de H.Hostie.

Talloos zijn de overwegingen en de preken over het beeld van Christus als de Goede Herder. Wij noemen enkele die als tweede lezing in het Lezingenofficie van het Getijdengebed zijn opgenomen:
· Homilie van de H. Asterius van Amasea (13) Over de navolging van het herderschap van de Heer (donderdag na de 1e zondag van de Vasten)
· Homilie van de H. Gregorius de Grote (14,3-6) Christus, de goede Herder (4e zondag van Pasen)
· Preek van de H.Augustinus (Sermo 47, 1.2.36 Over de schapen (maandag 13e week door het jaar)
· Commentaar van de H. Thomas van Aquino op Johannes 10 (maandag 21e week).
· Preek van de H. Augustinus Over de herders (Sermo 46) (24e zondag t/m vrijdag 25e week). Schitterend commentaar op Ezechiël 34.
· Commentaar van de H. Gregorius van Nyssa op het Hooglied: Gebed tot de goede Herder (donderdag 33e week door het jaar).

V o c a b u l a r i u m
Societas, atis betekent “gezelschap, genootschap, vereniging, associatie, verbond, gemeenschap, samenleving”. Het is meer dan een toevallig bijeengebrachte groep en wel een groep die bijeengebracht is voor een gemeenschappelijk doel. Het begrip roept ook het concept “communio” op: een in het Nieuwe Testament gebezigde term voor de gemeenschap van de gelovigen in de richting gaat van de relatie die we in de hemel zullen hebben en daaraan anticipeert. In de Nederlandse vertaling van de oratie bleef dit begrip dat in het christelijk Latijn frequent wordt gebruikt onvertaald. De teksten van de H.Mis verdienen een mooie en zorgvuldige vertaling. Incorrecte versies doen geen recht aan degenen die de vertaalopdracht geven en de gelovigen die een correcte vertaling verwachten.
Er is een mooi contrast tussen humilitas en fortitudo. Het lijken tegenstellingen. Overeenkomstig het oudromeinse taalgevoel heeft humilitas de negatieve connotatie van “laagheid”, in de zin van verachtelijkheid, minderwaardigheid of ellende. Daarentegen betekent fortitudo “kracht” en zelfs “moed, getoond bij het verduren of op zich nemen van ontbering; onverschrokkenheid, dapperheid,”. In het Sacramentarium Gelasianum van de 8e eeuw waaruit de collecte van vandaag afkomstig is, stond in plaats van fortitudo oorspronkelijk celsitudo. De Lewis and Short-dictionary geeft als betekenissen: 1. Verheven lichaamshouding en 2. In later Latijn een titel: Uwe Hoogheid. Fortitudo kan een dichterlijke verwijzing zijn naar Christus’morele kracht en vastberaden volharding in zijn Lijden en Dood. Bovendien kiest de Heer de zwakken uit en maakt hen sterk met zijn kracht, zijn fortitudo (vgl. 1 Kor 1,26-28). Zwakheid en kracht moeten ook hier niet gewogen worden naar wereldse successen.
Slechts zelden werd in het klassieke Latijn fortitudo gebruikt ter aanduiding van louter fysieke kracht. Dus betekent het “standvastigheid, moed getoond bij het verduren of op zich nemen van ontbering, dapperheid en vastberadenheid”.

Hedendaagse vertalers veranderen soms een abstract idee dat klinkt als een bezit (een troop synecdoche genoemd), zoals “de nederigheid van de kudde” of “de macht van de herder” in een karakteristiek van de bezitter, zoals in “de kleine kudde” of “de machtige herder”. Heel zeker gaat daarbij schoonheid van de Latijnse tekst verloren.

Procedo betekent “tevoorschijn komen, voor de dag komen, voorspruiten” maar ook “voortbewegen, vooruitgaan, voorgaan”. In overdrachtelijke zin krijgt het de betekenis van ”gunstig uitpakken voor, voordelig aflopen” of iets dergelijks.

In het collectegebed hebben we een beeld van Christus als Herder van de schapen die met grote vastberadenheid zijn kleine kudde leidt naar de hemelse vreugden die geen einde kennen.

Hij voert ons terug naar dat waaruit Hij eerst voortkwam, de communio met de Vader en de H. Geest. In de Griekse neoplatoonse filosofie die het vroegchristelijke gedachtegoed voedde, vinden we dikwijls het paradigma van het voortgaan (Grieks: πρó-οδος, of in het Latijn exitus), een rondgaan en een terugkeer (Grieks: επι-ςτροφη, of Latijn reditus). De oude oratie van deze zondag lijkt een echo te zijn van dit algemeen klassieke patroon.

Het collectegebed van deze zondag roept welhaast vanzelf de mozaïeken in de absiden van de oude basilieken in Rome en Ravenna op. (Zie de illustraties)

Deze kunstwerken van het vroege christendom, vervaardigd uit uiterst kleine stukje gekleurde steen en glas zijn samengevoegd tot schitterende werken van grote spirituele betekenis. In zekere zin is de Kerk, het Mystieke Lichaam van Christus, met een mozaïek te vergelijken: wij, kleine individuele katholieken met een verschillende roeping, op diverse plaatsen en zelfs met historische afstanden, hebben elk hun eigen aandeel bij het realiseren van een groter werk: iedere steen (of tessera) dient om de schoonheid van de andere te vergroten, iedere steen heeft een functie ten opzichte van de andere alsof zij leden waren van een societas. Op zichzelf beschouwd zijn de individuele steentjes niet de moeite van het bekijken waard, en blijven onopgemerkt. Eenmaal echter door de hand van de kunstenaar bijeengebracht in een bepaalde ordening, hebben ze iets verbluffends.



In deze absismozaïeken is Christus soms glorierijk afgebeeld met keizerlijke attributen. Aan zijn beide zijden staan dikwijls Apostelen en heiligen als zijn keizerlijke hof, gekoppeld aan voorstellingen van Bethlehem of van het aardse en hemelse Jeruzalem als begin- en eindpunt. Dikwijls ziet men in deze mozaïeken onder de voeten van de verheerlijkte Christus enkele rijen schapen die naar een veilige groene plaats met stromend water – symbool van de Jordaan en ons eigen Doopsel - worden geleid.

Het collectegebed herinnert ons aan het grote werk van de Verlosser bij zijn intrede in deze wereld. Hij heeft ook beloofd terug te zullen komen. De tweede Persoon van de H. Drieëenheid, komt van alle eeuwigheid voort (procedit) uit de Vader. Hij vertoonde zich (procedebat) dus in deze wereld met een machtige gebaar van zelfontlediging om ons te verlossen van onze zonden, om ons te leren wie wij zijn en om ons uit het verderf van de eeuwige dood te voeren naar het glorievolle geluk in vereniging met God in de hemel. Hij kwam bij zijn eerste komst in nederigheid (in humilitate) om onze ellende (humilitas) op Zich te nemen. Bij zijn tweede komst zal Hij, bekleed met zijn eigen fortitudo, ons weiden in de nieuwe societas in de hemel.

(1) Sequens Victimæ paschali laudes van Pasen.

Commentaar gedeeltelijk met toestemming en onder dankzegging ontleend aan wdtprs.com (Father John Zuhlsdorf)

zaterdag 19 april 2025

Præfatio Paschalis (Pius XII) Cum Pascha nostrum immolatus est Christus



U danken wij, Heer God, omwille van uw heerlijkheid, en om heil en genezing te vinden zullen wij uw Naam verkondigen, al onze dagen, maar vooral (in deze heilige nacht) op deze dag die Gij gemaakt hebt bezingen wij U. Want ons paaslam, Christus, is voor ons geslacht. Hij, die voor ons geworden is, het Lam dat wegdraagt de zonden der wereld. Onze dood is Hij gestorven, voorgoed heeft Hij de dood ontwapend en gedood; Hij is opgestaan ten leven en alles heeft Hij nieuw gemaakt. Vreugde om het paasfeest vervult ons, mensen die op aarde wonen; vreugde vervult de engelen in de hemel, de machten en krachten die U loven, die U dit lied toejuichen zonder einde:

zaterdag 4 juni 2022

Spiritus Domini replevit orbem terrarum - Pinksteren - Introitus

Prefatie van Pinksteren




Heilige Vader, machtige eeuwige God, om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil en genezing te vinden zullen wij U danken, altijd en overal.

Aan hen die door de gemeenschap met uw Zoon uw kinderen zijn geworden, hebt Gij op deze dag de Heilige Geest geschonken om het Paasmysterie te voltooien.
Hij was met uw Kerk op het eerste Pinksterfeest: alle volken heeft Hij de ware God doen kennen, alle talen heeft Hij één gemaakt in de belijdenis van hetzelfde geloof.

Vreugde om het Paasfeest vervult ons, mensen die op aarde wonen, vreugde vervult de Engelen in de hemel, de machten en de Krachten die U loven, die U dit lied toejuichen zonder einde:
Sanctus, Sanctus, Sanctus!

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Pinksteren Moge de Heilige Geest ons de volle waarheid ontsluiten

 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Moge de Heilige Geest ons de volle waarheid ontsluiten

I n l e i d i n g
Het gebed over de gaven van Pinksteren smeekt de H. Geest ons te verlichten om het offer van Christus, steeds opnieuw geactualiseerd in de H. Mis, beter te begrijpen. In het Evangelie legt Christus zelf ons de betekenis van de komst van de H. Geest uit:
“Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is” (Joh. 16, 12-15).

Vandaag met Pinksteren spreken alle gebedsteksten, van de H. Mis maar ook van de getijden over de werking van de H. Geest niet alleen in de Kerk, het mystiek Lichaam van Christus, maar ook in ieder van ons afzonderlijk. In de Latijnse tekst van de oratio super munera van vandaag  valt direct het gebruik van het woord “arcanum” ( vertaald: “geheim”, in dit geval “heilig geheim”) op. “Mysterium Fidei”- dit is het geheim van het Geloof- zegt de priester in de H. Mis na de consecratie – het gebed waarin de instelling van H. Eucharistie wordt herdacht èn tegenwoordig gesteld. Rationeel is dat niet te bevatten, maar ook de moderne mens ontkomt er niet aan zich af en toe af te vragen , of “er niet meer tussen hemel en aarde is dan een mens kan bevatten”- “There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy”, schrijft Shakespeare in Hamlet.

Het Geheim van het Geloof vieren we iedere keer opnieuw in  de H. Mis. De Heilige Geest helpt ons  dat beter te begrijpen – niet om het te doorgronden want daarvoor is het geheim, te groot en te diep. Er zijn zaken van het verstand, van cognitieve geloofskennis en geheugen, maar er zijn ook zaken van het hart en van de ziel die wij ons niet eigen kunnen maken, maar waaraan wij af en toe kunnen raken – die aanrakingen zijn niet ons ongestoord bezit maar worden ons gegeven als genadegave van de Heilige Geest – soms even!

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Præsta, quæsumus, Domine,
 ut, secundum promissionem Filii tui,
Spiritus Sanctus huius nobis sacrificii copiosius revelet arcanum,
et omnem propitius reseret veritatem.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U,
dat de belofte van uw Zoon vervuld mag worden :
Laat de Heilige Geest ons het geheim van dit Offer beter doen kennen
en ons de volle waarheid ontsluiten.

Werkvertaling 
Geef, vragen wij [U], Heer,
dat overeenkomstig / volgens de belofte van uw Zoon,
de Heilige Geest ons het geheim van dit Offer overvloediger onthult/ontsluiert,
en [ons] genadiger de volle waarheid ontsluit.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De  tekst van deze oratio is een nieuwe compositie voor het Romeinse Missaaal 1970, op onderdelen refererend aan het Sacramentarium Bergomense, Bibl. di S. Alessandro in Colonna, de Bergamo, XIe eeuw.
(Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VII, P-Q, Brepols, Turnhout 1995, p. XI (Sources).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
De oratio super munera is samengesteld uit één enkele zin, opgebouwd uit een openingszin, - met adres, prædicaat in de imperativusvorm, afgezwakt door de losse werkwoordsvorm quæsumus – gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin in de coniunctivusvorm, afhankelijk van het voegwoord ut, welke bijzin in twee zelfstandige delen  uiteenvalt die verbonden zijn door de coniunctie et. De bijzin ut wordt onderbroken door een tussenzin met een bijwoordelijk karakter, die informatie geeft over de hoedanigheid van hetgeen aangeduid wordt door de prædicaten revelet en reseret, die inhoudelijk aan elkaar verwant zijn (hoe wordt geopenbaard, hoe wordt ontsloten).
De vrij krachteloze vertaling uit het Altaarmissaal roept als het ware om een werkvertaling die nauw verbonden blijft met hetgeen er staat in het Latijn.

Ad 1
1. Præsta, quæsumus, Domine,
2a. ut, 3. secundum promissionem Filii tui,
Spiritus Sanctus huius nobis sacrificii copiosius revelet arcanum,
2b. et omnem propitius reseret veritatem.
Præsta, quæsumus, Domine, verleen/schenk, vragen wij [U], Heer, openingszin van de oratie met de imperativusvorm præsta van præstare als prædicaat, die zich richt tot de Heer, Domine, anaklese in de vocativusvorm. Zoals dikwijls het geval is worden imperativusvormen aan de spits van de oratie, zoals ook hier, gemilderd door de losse werkwoordsvorm quæsumus, vragen/bidden wij [U].
Ad 2a
ut, […] Spiritus … arcanum.
Finale/consecutieve bijzin met het prædicaat revelet (3e pers. enkelv. præsentis activi van het verbum revelare in de coniunctivusvorm afhankelijk van het voegwoord ut (coniunctivus optativus).
Spiritus Sanctus, de Heilige Geest – subject van het revelet in twee congruerende nominativusvormen met klank-/eindrijm op –us en alliteratie van de beginletter s.
Arcanum huius sacrificii, het geheim van dit Offer – object van het prædicaat revelet, bestaande uit de accusativusvorm arcanum (van het substantivum arcanum, -i n.) vergezeld van twee congruerende genitivusvormen huius [nobis] sacrificium die de accusativusvorm arcanum nader toelichten (genitivus explicativus). De bij elkaar horende genitivi  huius en sacrificii zijn uiteengeplaatst: de stijlfiguur hyperbaton.
Nobis, voor ons – bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm van het pronomen personale nos: dativus commodi (van voordeel).
Copiosius, overvloediger – bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat revelet; copiosius is de vergrotende trap (comparativus) neutrum van de adiectivumvorm copiosus adverbiaal gebruikt. De comparativusvorm kan verklaard worden vanuit de gedachte dat de H. Geest op grond van de belofte van de Zoon voor ons het verborgen geheim van dit Eucharistische Offer in meer heilsdimensies mag ontsluieren dan zonder de belofte het geval zou zijn geweest.
Ad 2b
2ab. ut, […] 2b. et omnem propitius reseret veritatem.
Het tweede deel van de ut-bijzin, is door het nevenschikkende et en het prædicaat reseret (3e pers. enkelv. præsentis activi in de coniunctivusvorm van het verbum openen, ontgrendelen, onthullen, eveneens van het voegwoord ut afhankelijk en is synoniem met revelet (r. 2a). Revelet en reseret bevatten alliteratie van begin- en eindletters en klankrijm op e.
Subject van het prædicaat reseret is Sanctus Spiritus van r. 2a.
Object van het prædicaat: omnem veritatem in twee congruerende accusativusvormen in een tweede hyperbaton uiteengeplaatst.
De dativus commodi nobis kan ook bij het prædicaat reseret in gedachte worden aangevuld.
Propitius: prædicatieve bepaling bij het verbum reseret. Propitius (van pro en peto): genegen, genadig, gunstig. Hier in de comparativus en in het neutrum zoals de praedicatieve bepaling dat vraagt.
Copiosius en propitius bevatten eindrijm op –iu  en alliteratie van de eindletter –s.

V o c a b u l a r i u m
Arcanus, -a, -um, adiect., gesloten, vergrendeld, en vandaar stil, stilzwijgend en in uitgebreide zin: geheimzinnig, geheim, vooral van godsdienstige plechtigheden (ex. arcana sacra, geheime plechtigheden, d.i. slechts voor ingewijden toegankelijk). Arcanum, -i, (meestal in de pluralis): geheimenis, geheim.
‘Arcanum divinæ sapientiæ’, het geheim van de goddelijke wijsheid - zijn de beginwoorden van de encycliek over het christelijk huwelijk die paus Leo XIII op 10.2.1880 uitvaardigde.

In contrast met iets dat geheim is, mysterieus vergrendeld en verborgen, bevat de oratie het verbum resero. Hier zou verwarring kunnen ontstaan. In onze woordenboeken vinden we resero, resevi van de 3e conjugatie dat betekent opnieuw zaaien, - planten, - poten en ook resero, -avi, -atum van de 1e conjugatie met betekenissen als 1. ontgrendelen, openen 2. openbaren, onthullen. Met dit laatste verbum hebben we vandaag te doen. Tijdens de Heilige Mis en de actualisering van het Offer van Christus opent God voor ons iets dat lang geleden door onze zonden werd dichtgeslagen en vergrendeld: de deur van de hemel.

Revelare, -avi, -atum, 1,: 1. blootleggen, onthullen (letterl.: het velum, de sluier verwijderen), 2. openbaren, mededelen 3. pass.: aan het licht komen. Enkele voorbeelden uit de liturgie: secreta cælestia revelare, hemelse geheimen openbaren; qui investigabiles divitias (cf Ef 3, 8) Cordis tui beatæ Margaritæ Mariæ virgini mirabiliter revelasti, die de onnaspeurlijke rijkdommen  van Uw Hart aan de heilige Margaretha Maria, maagd, hebt geopenbaard (collectegebd 17 okt.); en uit het Sacramentarium Leonianum 1281, waar gesproken wordt over Sint Jan, Evangelist: qui ab Unigenito tuo sic familiariter est dilectus et immensæ gratiæ revelationibus inspiratus, ut omnem transgrediens creaturam excelsa mente conspiceret et evangelica voce proferret, quia “In principio erat Verbum…” die door Uw Eniggeboren Zoon zo vertrouwelijk werd bemind en geïnspireerd door openbaringen van niet te meten genade, zodat hij heel de schepping overstijgend schouwde met zijn tot God verheven geest en met de stem van zijn evangelie verkondigde: “In het begin was het Woord..
Velum, -i,  etymologisch verwijzend naar het verbum veho, betekent: hetgeen zich beweegt, en heeft aldus volgende betekenissen: 1.  zeil, meestal pluralis: vela dare in altum (Livius), uitzeilen, de zee opzeilen; velis remisque: met alle macht (met zeilen en roeiriemen); pandere vela orationis, de loop van de redevoering volgen 2. Het zeil meer als bedekking: voorhang, gordijn, hulsel, doek, voile, sluier (bij vrouwelijke religieuzen heet de ritus van de oplegging van de sluier of sluiername: velatio (Augustinus).
Tot de paramenten nodig voor het H. Misoffer behoort het kelkvelum, dat de kelk met toebehoren op credenstafel bedekt. Het schoudervelum wordt gebruikt bij de zegen met het allerheiligste Sacrament.

Verwante substantiva: velamen, inis,: kleed, bedekking, omhulsel, gewaad; velamentum, -i,: deksel, bedeksel , omhulsel.

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Cyrillus van Jeruzalem:
De nadering van de Heilige Geest is rustig en zacht, aangenaam en geurig is het Hem te gevoelen; zijn juk is zeer licht. Schitterende stralen van licht en kennis gaan aan zijn komst vooraf. Hij komt met het hart van de waarlijk echte voogd. Want Hij komt om te redden, te genezen, te onderrichten, te vermanen, te versterken, te troosten en de geest te verlichten, op de eerste plaats van hem, door wie Hij wordt aanvaard, daarna ook van anderen door hem.

En zoals hij, die eerst in duisternis verkeerde, maar, toen daarna plotseling de zon zichtbaar werd, met het oog van zijn lichaam het licht opvangt en dan, wat hij eerst niet zag, hu helder waarneemt, zo ook wordt hij die de gave van de Heilige Geest waardig wordt gekeurd, in zijn ziel verlicht, en ziet dan boven het menselijke verheven wat hij eerst niet kende.”
(Cat. 16, De Spiritu Sancto 1,16: PG 33, 939-942)

H. Basilius de Grote:
“Zoals heldere en doorzichtige voorwerpen, als zij worden bestraald, zelf bovenmate schitterend worden en nog een glans naar buiten uitstralen, zo worden ook de zielen, die de Geest in zich dragen en door de Geest verlicht worden elf geestelijk en brengen de genade over op anderen.
Vandaar de kennis van toekomstige dingen, het inzicht in mysteries, het begrijpen van het verborgene, de verscheidenheid in gaven, hemelse gesprekken en de reidans met de engelen. Vandaar ook een nooit eindigende vreugde, vandaar de volharding in de liefde Gods, vandaar de gelijkenis met God en het meest verhevene dat men verlangen kan, vandaar dat gij wordt als god”.
(Ex Tractatu De Spiritu Sancto, 9, 23: PG 32, 110)
H. Hilarius, bisschop.
Wat nu de taak is van de Geest in ons, kunnen wij vernemen in de woorden van de Heer zelf. Hij zegt immers: Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Want het is goed voor u, dat Ik heenga; als Ik ga, zal Ik de Helper tot u zenden.
En elders:  Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Helper geven, om voor altijd bij u te blijven, de Geest der waarheid. Hij zal u tot de volle waarheid brengen: want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij van het Mijne in ontvangst zal nemen.
Dit is op verschillende plaatsen in de Schrift gezegd om ons te doen begrijpen. Daarin ligt de wil van de Gever en de betekenis en de aard van het geschenk uitgedrukt. En omdat onze zwakheid noch de Vader noch de Zoon kan omvatten, zal de gave van de Heilige Geest, door een soort band van middelaarschap, ons geloof verlichten.
(Ex Tractatu De Trinitate, Lib. 2, 1. 35: PL 10, 73-75)

H. Augustinus
Begin van Sermo 229A, gehouden te Hippo 410-412, op Paaszondag.
Na de woorddienst en de wegzending van de niet-gedoopte aanwezigen richt de bisschop zich voornamelijk tot de pasgedoopte christenen, die nu de gehele Mis zullen bijwonen.

”U die tot een nieuw leven bent herboren en daarom ‘kinderen’ (infantes) wordt genoemd, u vooral die dit nu te zien krijgt,  moet nu goed luisteren, want wij gaan u vertellen – zoals we hadden beloofd, wat dit te betekenen heeft. […]
Wat u op de tafel van de Heer ziet [brood en wijn], bent u ook gewend, voor wat de uiterlijke aanblik van de dingen betreft, op uw eigen tafels te zien. De aanblik is dezelfde, maar de kracht is niet dezelfde. Zo bent ook u immers dezelfde mensen die u vroeger was: u bent niet met nieuwe gezichten hier bij ons gekomen. En toch bent u nieuwe mensen: de oude bent u in uw lichamelijke gestalte, de nieuwe bent u door de heiligende genade, zoals ook dit hier nieuw is. Zeker, op het ogenblik is het nog wat u ziet: brood en wijn. Daar komt dan de heiliging (Noot: de term consecratio bestond al wel, maar werd nog niet algemeen gebruikt) bij, waardoor het brood het Lichaam, de wijn het Bloed van Christus zal zijn. Dat wordt teweeggebracht door de Naam van Christus, teweeggebracht door de genade van Christus. Daardoor is er dan hetzelfde te zien wat er tevoren gezien werd en is de uitwerking toch niet gebleven dat zij was.  Want wanneer men het tevoren had gegeten, had het de buik gevuld; wanneer het nu wordt gegeten, wordt men er geestelijk door opgebouwd”.

Passage uit Sermo 232, gehouden in de paasweek over de Verrijzenis van Christus volgens Sint Lucas, waarin Augustinus een toespeling maakt op de heilige Eucharistie. De disciplina arcana legde hem in tegenwoordigheid van de catechumenen een zekere reserve op.

“7. Hoort nu verder, mijn geliefden, over het grote geheim, dat wij kennen. Hij liep met hen [ de twee leerlingen op weg naar Emmaüs], Hij wordt gastvrij onthaald. Hij breekt het brood en Hij wordt herkend. Laten wij niet zeggen dat wij Christus niet kennen: wij kennen Hem als wij geloven. ‘Wij kennen Hem als wij geloven” is te zwak: wij hebben Hem als wij geloven. Zij hadden Christus aan hun tafel, maar wij hebben Hem binnen in ons hart. HHet is meer, Christus in zijn hart te hebben, dan in zijn huis. Want ons hart is toch inniger met ons verbonden, dan in zijn huis. Waaraan moet een gelovige Hem dus kennen? De gelovige weet het, wie echter nog catechumeen is, weet het niet. Maar niemand mag de deur voor hem sluiten en verhinderen dat hij het ook weet”.
C o m m e n t a a r
Alle mysteriegodsdiensten (dus ook de niet-christelijke), kenden een “geheimhouding” voor niet-ingewijden: disciplina arcani. Als beweegreden voor de heidense disciplina arcani gold de vrees voor het bekend worden aan buitenstaanders van de cultus der stamgoden waardoor men hun bescherming kon verliezen. Later, bij uitbreiding van de mysteriegodsdiensten buiten het stamverband werd het motief van de disciplina arcani meer algemeen de huiver voor het goddelijke die tot zwijgen noopt. Ook met de pedagogische overweging dat hetgeen verborgen wordt gehouden des te gretiger en beter wordt opgenomen. Men wilde het mysterie niet prijsgeven aan de nieuwsgierigheid van niet-ingewijden.
Bij de Joden verwees eveneens het begrip arcum naar een sacrale cultus of gereserveerde sacrale plaats. In de Vulgaat geeft bijvoorbeeld Exodus 7, 11 een beschrijving van het speciale heiligdom van God en van Zijn als een schat bewaarde en gekoesterde plaats Jeruzalem (Ez 7, 22).
Binnen de christelijke traditie omvat de disciplina arcani het wezenlijke van de inwijdingsrituelen: H. Doopsel, H. Vormsel en H. Eucharistie. Het verzwijgen van het Symbolum  en het Onze Vader was een eerste arcanum uit de liturgische traditie. Het Symbolum omdat het de samenvatting van de geloofsleer was en het Onze Vader het gebed van de gelovigen bij uitstek.
De inleiding in de disciplina arcani geschiedde in de laatste periode van het catechumenaat. In de week na de opname van de geloofsleerlingen in de Kerk handelde de inleiding in de disciplina arcani speciaal over de H. Eucharistie.