Uit het leven van de maagd Lidwina door Thomas van Kempen († 1471)
Tijdens haar langdurig lijden ontving zij in rijke mate goddelijke vertroosting.
‘Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op’ (Ps. 94 (93), 19). Deze uitspraak van de heilige Schrift is op ondubbelzinnige wijze letterlijk door God vervuld in deze heilige maagd, in Lidewiges (Lidwina), die Hij eerst met allerlei lichamelijk en geestelijk lijden overstelpte om haar te louteren, maar die Hij later te midden van haar vele pijnen en kwalen bezocht om haar telkens weer te vertroosten en te verblijden.
Toen er ongeveer drie of vier jaren voorbij waren sinds het begin van haar ziekte, was zij nog ongeduldig onder Gods kastijding en nog niet uit eigen beweging onderworpen aan God, door wie toch niets op aarde zonder reden geschiedt. Wanneer zij haar vriendinnen die haar kwamen bezoeken, gezond en vrolijk zag, terwijl zij zelf zwaar ziek was, verlangde zij er meer naar samen met de anderen gezond te zijn van lijf en leden, dan innerlijk gelukkig te zijn door de deugd van geduld. En omdat zij nog geen smaak had in het geestelijke en niet wist wat God het meest behaagde, klaagde zij soms en treurde zij vaak over haar lijden. Dan weende zij zulke bittere tranen dat zij door niemand getroost wilde worden.
Toen nu haar biechtvader, de heer Johannes Pot, die gewoon was haar tweemaal per jaar de heilige communie te brengen, haar kwam bezoeken, trachtte hij met zijn troostende woorden haar te bewegen voortaan haar tranen te bedwingen en haar droefheid te matigen. Daarom gaf hij haar de goede raad zich welbewust aan Gods wil over te geven en zich toe te leggen op de overweging van het lijden des Heren, en hij verzekerde haar dat zij hierdoor gemakkelijk goede troost zou ontvangen. Zij vroeg de priester dus hoe zij deze vrome oefening moest verrichten en leerde van hem een methode voor deze heilzame overweging. Maar toen zij er niet onmiddellijk baat bij vond - want zij proefde niet terstond honing uit de rots of wonderbaar brood - voelde zij tegenzin opkomen en wierp zij als bittere alsem weg, wat zij in haar hart had opgenomen maar wat nog niet diep was geworteld.
Toen evenwel deze priester er sterker op aandrong en haar krachtiger aanspoorde zich geweld aan te doen om door te gaan met wat zij begonnen was en haar tegenzin te overwinnen, liet zij zich door die goede raadgevingen leiden en gaf zij gewillig gehoor aan hetgeen haar biechtvader haar zei. Nadat zij zich tenslotte met grote inspanning de goede gewoonte had eigen gemaakt over God te mediteren, schonk dit haar na verloop van tijd zoveel troost dat zij gaarne verklaarde zich volmaakt te willen verloochenen. Want als zij door het bidden van één Weesgegroet haar algehele genezing zou kunnen verkrijgen, zou zij dit toch niet doen of wensen.
Ongetwijfeld was deze verandering te danken aan de Allerhoogste zelf die zijn hand naar de behoeftige uitstak en haar, tijdens haar langdurig lijden, ’s nachts vertroostte op haar ziekbed. Want aangetrokken en verlokt door de verborgen zoetheid van ’s Heren lijden, overwoog zij dag en nacht op gezette tijden het lijdensverhaal in zeven gedeelten, overeenkomstig het getal van de kerkelijke getijden. Hierin vond zij het verborgen manna, en zij werd met vreugde over zoveel zoetheid vervuld. En het was alsof niet zijzelf, maar Christus - wiens lijden zij overwoog - verdroeg wat zij tot dan toe zelf had geleden. Toen kon zij, door de Geest onderwezen, uit eigen ervaring met de profeet Jesaja zeggen: ‘Waarlijk, Gij zijt een verborgen God’ (Jes. 45, 15) en luide zijn woorden herhalen: ‘Iedere nacht verlang ik naar U; ik hunker naar U met heel mijn ziel. Voor U waak ik vanaf de vroege morgen’ (Jes. 26, 9).
Posts tonen met het label Moderne devotie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Moderne devotie. Alle posts tonen
zaterdag 14 juni 2025
maandag 25 juli 2022
25 juli 1471 - Sint Jacobsdag: Sterfdag Thomas van Kempen
25 juli 1471 - Sint Jacobsdag: Sterfdag Thomas van Kempen
* Geboren tussen eind 1379 en midden 1380 in Kempen am Niederrhein in Noordrijn-Westfalen
† 25 juli in het klooster Sint Agnietenberg, Zwolle
† 25 juli in het klooster Sint Agnietenberg, Zwolle
“Eodem anno in
festo sancti Iacobi maioris post completorium obiit prædilectus frater noster
Thomas Hemerken de Kempis natus, civitatis diœcesis Coloniensis, anno ætatis
suæ xcii et investitionis suæ lxiii, anno autem sacerdotii sui lviii”.
In ditzelfde jaar [1471]
stierf op het feest van de heilige Jacobus de Meerdere na de Completen onze
zeer geliefde broeder Thomas Hemerken, geboortig uit Kempen, een stadje in het
bisdom Keulen, in zijn 91e levensjaar, het 63e jaar van
zijn inkleding, in het 58e jaar van zijn priesterschap.
Zo begint het bericht van het overlijden
van Thomas van Kempen, opgetekend in het “Chronicon Montis S. Agnetis”, de
Kroniek van de Sint Agnietenberg, een werk waarmee hij enkele weken voor zijn
dood nog bezig was. Zijn naam werd het meest bekend door zijn meesterwerk De Imitatione Christi – (Over) de Navolging van Christus, (1420). Aan
de kroniek van zijn klooster heeft hij heel zijn leven als kloosterling gewerkt.
Een andere hand zou zijn overlijden boekstaven.
Thomas Hemerken kwam in 1392 naar
Deventer om daar te worden opgenomen in het convict (1) van de Broeders van het
Gemene Leven dat geleid werd door Heer Florens Radewijns. Hier stond hij mede aan
de wieg van de Moderne Devotie, een laat middeleeuwse spirituele
vernieuwingsbeweging, gedragen door de Broeders en Zusters van het Gemene
(Gemeenschappelijk] leven binnen de Rooms-Katholieke Kerk met als inspirator
Meester Geert Grote (1340-1384) uit Deventer.
De Moderne Devotie beoogde een grotere
verinnerlijking op kerkelijk en maatschappelijk gebied waarbij het beleven van het kloosterlijke
ideaal samen moest gaan met het verrichten van werken van barmhartigheid.
In 1399 trad hij in het een jaar eerder
gestichte klooster van de Augustijner kanunniken op de Sint Agnietenberg bij
Zwolle in; zijn oudere broer Johannes was hem daarheen voorgegaan. Hij ontving de kloosternaam Donatus en in
1407 legde hij de kloostergeloften af, waarna in 1414 de priesterwijding volgde.
Thomas bekleedde meerdere malen het ambt
van prior en tegelijkertijd dat van novicenmeester. Hij geldt als
vertegenwoordiger bij uitstek van de Moderne Devotie en stelde uitstekende
geschriften samen, waaronder de thans nog altijd bekende reeds genoemde
“Navolging van Christus”, een werk dat uit vier Boeken bestaat met als
thematiek middels verzaking aan de wereld en toekering tot God te leven naar
het voorbeeld van Christus. Talrijke teksten wijzen hierop zoals het volgende
citaat uit Boek II, hfdst 1, nrs. 1,3-4,7,9-10: “Het koninkrijk Gods is in u (Lc 17,20,21), zegt de Heer. Keer terug
met heel uw hart tot God, en laat deze
armzalige wereld voor wat ze is en uw ziel zal rust vinden. Want het Rijk Gods
is vrede en vreugde in de heilige Geest (Rom 14,17), dat niet gegeven wordt aan
goddelozen. Christus zal tot u komen en u zijn vertroosting laten ervaren, als
gij Hem tenminste binnen in u een waardige woonplaats hebt bereid. Daarom
trouwe Christusvriend, maak voor deze Bruidegom uw hart gereed, zodat hij zich
gewaardigt tot u te komen en in u te wonen. Maak dus plaats voor Christus. Als
ge Christus bezit, zijt ge rijk en is u dat voldoende. Hijzelf zal voor u
zorgen en u getrouw in alles bijstaan, zodat het voor u niet nodig is op mensen
te vertrouwen”. (Vertaling B. Naaykens).
Hij stelde verder bijna 40 ascetisch en
spirituele geschriften samen die als vormende literatuur grote verbreiding vonden in kloosters en wereld.
Al zijn werken werden – dankzij de nieuwe
techniek van de boekdrukkunst - nog in de 15e eeuw wijd verspreid; tussen 1601
en 1759 werden zijn volledige werken negen keer gedrukt.
Spoedig na Thomas’ dood werd zijn
biografie geschreven, in 1672 werd zijn gebeente naar Zwolle overgebracht en
rustte daar in de Sint Michaëlskerk tot 1965, het jaar waarin deze kerk werd
gesloopt en ook het specifieke Thomas a Kempis-grafmonument (1895) van F.W.
Mengelberg verloren ging. Zijn relieken gingen vervolgens naar de nieuwe Sint-Michaëlkerk
en na sluiting van deze kerk naar de Basiliek van
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopnemening.
Meerdere malen werd de zaligverklaring
ingeleid, maar niet voltooid.
De nieuwe
kroniekschrijver vervolgt:
“Hic in
iuvenili ætate fuit auditor domini Florentii in Daventria, et ab eo directus
est ad fratrem suum germanum, tunc temporis priorem montis sanctæ Agnetis, anno
ætatis suæ xx, a quo post sex annos probationis suæ investitutus est“.
Hij [Thomas] was in zijn jeugd toehoorder (leerling) van
Heer Florens in Deventer en werd door hem op twintigjarige leeftijd naar zijn broer
gestuurd, die toen prior was op de Sint Agnietenberg. Door hem werd hij na zes
proefjaren ingekleed.
Thomas kreeg
dus ruimschoots de tijd om zich te oefenen in het canonieke kloosterleven
alvorens hij tot het noviciaat werd toegelaten.
“Et sustinuit
ab exordio monasterii magnam penuriam, temptationes et labores.
Scripsit autem
Bibliam nostram totaliter et alios multos libros pro domo et pro pretio.
Insuper composuit varios tractatulos ad ædificationem iuvenum in plano et
simplici stilo, sed prægrandes in sententia et operis efficacia“.
Vanaf het begin van het klooster verdroeg hij grote
ontberingen, beproevingen en de lasten van zware arbeid. Hij kopieerde echter
ook onze Bijbel volledig en schreef veel andere boeken ten behoeve van het huis
en voor de verkoop. Bovendien stelde hij verschillende tractaatjes samen tot
stichting van de jongeren in een klare en eenvoudige stijl, groots echter qua
strekking en effect.
![]() | |||||
| Reliekschrijn in de basiliek van O.L.Vrouw-ten-Hemelopneming, Zwolle |
“Fuit
etiam multum amorosus in passione Domini et mire consolativus temptatis et
tribulatis. Tandem circa senium suum vexatus hydropisi in cruribus obdormivit
in Domino, sepultus est in ambitu oriental ad latus fratris Petri Herbort”.
Voor
het lijden van de Heer koesterde hij een zeer innige liefde en wist hen die
bekoord en gekweld werden op een bewonderenswaardige wijze te troosten. In zijn
ouderdom leed hij aan waterzucht in zijn botten en overleed tenslotte in de
Heer. Hij werd begraven in de oostelijke kruisgang, naast broeder Petrus
Herbort.
1) Convict: (uit het Latijn: samenleving) huis waar priesterstudenten en priesters samenwonen zonder aan een kloosterregel te zijn gebonden.
vrijdag 1 juli 2022
Liturgia Horarum Maria op zaterdag Ruusbroec Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.
Uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec († 1381)
Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.
Wij moeten onze lieve Heer Jezus Christus lof en dank brengen om de waardigheid van Maria, zijn lieve moeder. Want uit heel de wereld koos Hij haar uit om zijn moeder te zijn. Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid dat zij Hem ontving van de heilige Geest, Hem droeg en Hem ter wereld bracht zonder smet en zonder smart, Moeder en Maagd. En Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid om aan haar borst gevoed te worden. De engelen zongen Hem toe: Eer aan God in de hemel, en Hij schreide in de kribbe bij zijn moeder. Zij aanbad Hem en keek naar Hem als naar haar God en haar zoon. Zij diende Hem met grote eerbied en Hij op zijn beurt diende haar zoals een goed kind zijn lieve moeder. Zij mocht tot Hem bidden als tot haar God en Hem gebieden als haar zoon. Zo’n groot wonder werd nooit gezien.
De adel van Maria’s deugden en van haar heilig leven kan men niet beschrijven noch uiteenzetten. Zij is diep in ootmoedigheid, hoog in reinheid, wijd en breed in liefde, lang in barmhartigheid jegens de zondaars die haar aanroepen, want zij is de moeder van de goedertierenheid en van alle genade en zij is onze voorspreekster en middelares tussen ons en haar zoon. Hij kan haar niet weigeren wat zij vraagt, want zij is zijn moeder en zit aan zijn rechterzijde als de koningin die met Hem gekroond is, als de vrouw die machtig is in de hemel en op de aarde, verheven boven alle schepselen en Hem het meest nabij.
Hierom moeten wij Hem danken en loven voor de grote eer, die Hij geschonken heeft aan zijn moeder naar de menselijke natuur, die ook de moeder van ons allen is. Want ondankbaarheid zou de bron van Gods genade doen opdrogen.
Lof en dank aan God om de waardigheid van Maria.
Wij moeten onze lieve Heer Jezus Christus lof en dank brengen om de waardigheid van Maria, zijn lieve moeder. Want uit heel de wereld koos Hij haar uit om zijn moeder te zijn. Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid dat zij Hem ontving van de heilige Geest, Hem droeg en Hem ter wereld bracht zonder smet en zonder smart, Moeder en Maagd. En Hij achtte het niet beneden zijn waardigheid om aan haar borst gevoed te worden. De engelen zongen Hem toe: Eer aan God in de hemel, en Hij schreide in de kribbe bij zijn moeder. Zij aanbad Hem en keek naar Hem als naar haar God en haar zoon. Zij diende Hem met grote eerbied en Hij op zijn beurt diende haar zoals een goed kind zijn lieve moeder. Zij mocht tot Hem bidden als tot haar God en Hem gebieden als haar zoon. Zo’n groot wonder werd nooit gezien.
De adel van Maria’s deugden en van haar heilig leven kan men niet beschrijven noch uiteenzetten. Zij is diep in ootmoedigheid, hoog in reinheid, wijd en breed in liefde, lang in barmhartigheid jegens de zondaars die haar aanroepen, want zij is de moeder van de goedertierenheid en van alle genade en zij is onze voorspreekster en middelares tussen ons en haar zoon. Hij kan haar niet weigeren wat zij vraagt, want zij is zijn moeder en zit aan zijn rechterzijde als de koningin die met Hem gekroond is, als de vrouw die machtig is in de hemel en op de aarde, verheven boven alle schepselen en Hem het meest nabij.
Hierom moeten wij Hem danken en loven voor de grote eer, die Hij geschonken heeft aan zijn moeder naar de menselijke natuur, die ook de moeder van ons allen is. Want ondankbaarheid zou de bron van Gods genade doen opdrogen.
zondag 2 januari 2022
Thomas a Kempis - Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest
THOMAS A KEMPIS OVER HET GEVEN VAN DE HEILBRENGENDE NAAM JEZUS
Ik zegen U en zeg U dank, Heer Jezus Christus, omdat U een nieuwe, heilbrengende en aanbiddelijke Naam gegeven werd, die Jezus luidde. Deze werd het eerst door de engel toevertrouwd aan de oren van de zalige Maagd Maria. Later werd hij aan Josef in de slaap geopenbaard. Maar op deze dag is hij U gegeven door uw ouders.
O zoete Naam, boven elke naam in de hemel en op aarde gezegend. Uw lof, o Jezus, reikt als uw Naam tot aan de grenzen der aarde. Van de opgang tot de ondergang van de zon zij uw Naam geprezen en van nu af tot in eeuwigheid verheerlijkt naar zijn volle grootheid. Van eeuwigheid werd deze allerheiligste en eerbiedwaardige Naam voor U door de Vader bestemd, maar in de tijd aan de mensen bekend gemaakt. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. Daarom buige zich terecht voor U iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong belijde, dat Gij zijt Jezus Christus, ons heil en onze verlossing. O allerdierbaarste Jezus, hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde. Want verheerlijkt is uw Naam boven de naam van Salomon en boven alle koningen, die vóór hem geweest zijn en die na hem zullen heersen. Daarom zullen alle vorsten der aarde U huldigen. En alle volken en tongen zullen U dienen, omdat Gij zijt de Heer onze God, Koning en Heiland van alle christenen.
O verrukkelijke heilbrengende Naam Jezus, die alle kwaal geneest, de geest verlicht en de harten ontvlamt; die droefheid verdrijft, toorn stilt, vrede en eendracht schenkt, de liefde voedt en in kwelling vreugde schenkt.
Deze hoogst beminnenswaardige Naam werd van de hemel uit door een engel op aarde gebracht, door de apostelen als een blijde boodschap verkondigd over heel de wereld. Voor deze Naam hebben martelaren geleden. Die Naam hebben belijders met luide stem geleraard, die Naam hebben heilige maagden vurig liefgehad. Die Naam prijzen en bezingen grijsaards en kinderen en duizenden en nog eens duizenden gelovigen verkozen de dood boven de verloochening van de honingzoete Naam Jezus.
Deze heilbrengende Naam wordt thans door koningen en vorsten aanbeden, door priesters en leraren verkondigd. Die Naam wordt bijzonder vereerd en bemind door allen, die in Christus geloven, die met verzaking aan de wereld en duivel in Jezus’ Naam op verlossing hopen. Want Jezus is het heil en de schutse van al de zijnen, in wier ziel geloof en liefde wonen.
O allerdierbaarste Jezus. Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest. Laat die Naam daar gegrift staan en eeuwig blijven ingeprent zó diep, dat voor-, noch tegenspoed mij ooit van uw liefde kunnen vervreemden. Wees Gij mij een sterke Toren tegen de vijand, een Trooster in droefheid en een Raadsman bij twijfels. Wees mij een Redder in benauwdheid, een helpende hand, zo ik vallen mocht, een Leermeester in alles, wat eerbaar is en een Gids, die mij van dwaalwegen terugroept. Wees mij door zoveel gevaren van bekoringen een trouwe Leidsman naar het hemels vaderland.
Ik zegen U en zeg U dank, Heer Jezus Christus, omdat U een nieuwe, heilbrengende en aanbiddelijke Naam gegeven werd, die Jezus luidde. Deze werd het eerst door de engel toevertrouwd aan de oren van de zalige Maagd Maria. Later werd hij aan Josef in de slaap geopenbaard. Maar op deze dag is hij U gegeven door uw ouders.
O zoete Naam, boven elke naam in de hemel en op aarde gezegend. Uw lof, o Jezus, reikt als uw Naam tot aan de grenzen der aarde. Van de opgang tot de ondergang van de zon zij uw Naam geprezen en van nu af tot in eeuwigheid verheerlijkt naar zijn volle grootheid. Van eeuwigheid werd deze allerheiligste en eerbiedwaardige Naam voor U door de Vader bestemd, maar in de tijd aan de mensen bekend gemaakt. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. Daarom buige zich terecht voor U iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong belijde, dat Gij zijt Jezus Christus, ons heil en onze verlossing. O allerdierbaarste Jezus, hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde. Want verheerlijkt is uw Naam boven de naam van Salomon en boven alle koningen, die vóór hem geweest zijn en die na hem zullen heersen. Daarom zullen alle vorsten der aarde U huldigen. En alle volken en tongen zullen U dienen, omdat Gij zijt de Heer onze God, Koning en Heiland van alle christenen.
O verrukkelijke heilbrengende Naam Jezus, die alle kwaal geneest, de geest verlicht en de harten ontvlamt; die droefheid verdrijft, toorn stilt, vrede en eendracht schenkt, de liefde voedt en in kwelling vreugde schenkt.
Deze hoogst beminnenswaardige Naam werd van de hemel uit door een engel op aarde gebracht, door de apostelen als een blijde boodschap verkondigd over heel de wereld. Voor deze Naam hebben martelaren geleden. Die Naam hebben belijders met luide stem geleraard, die Naam hebben heilige maagden vurig liefgehad. Die Naam prijzen en bezingen grijsaards en kinderen en duizenden en nog eens duizenden gelovigen verkozen de dood boven de verloochening van de honingzoete Naam Jezus.
Deze heilbrengende Naam wordt thans door koningen en vorsten aanbeden, door priesters en leraren verkondigd. Die Naam wordt bijzonder vereerd en bemind door allen, die in Christus geloven, die met verzaking aan de wereld en duivel in Jezus’ Naam op verlossing hopen. Want Jezus is het heil en de schutse van al de zijnen, in wier ziel geloof en liefde wonen.
O allerdierbaarste Jezus. Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest. Laat die Naam daar gegrift staan en eeuwig blijven ingeprent zó diep, dat voor-, noch tegenspoed mij ooit van uw liefde kunnen vervreemden. Wees Gij mij een sterke Toren tegen de vijand, een Trooster in droefheid en een Raadsman bij twijfels. Wees mij een Redder in benauwdheid, een helpende hand, zo ik vallen mocht, een Leermeester in alles, wat eerbaar is en een Gids, die mij van dwaalwegen terugroept. Wees mij door zoveel gevaren van bekoringen een trouwe Leidsman naar het hemels vaderland.
vrijdag 24 december 2021
Kerstmeditatie Thomas a Kempis: "in het zalige vertrouwen dat de mens door Uw genade opnieuw is geboren".
THOMAS A KEMPIS
MEDITATIE OVER DE GEBOORTE EN DE ARMOEDE VAN DE HEER JEZUS
Ik aanbid en breng U dank, Heer Jezus Christus, Enige Zoon van de Vader, vóór alle tijden geboren. Door onuitsprekelijk medelijden bewogen hebt Gij U verwaardigd geboren te worden in een vuile stal, en uit liefde voor de heilige armoede te worden neergelegd in een nauwe voederbak.
Ik prijs U, allerbeminnelijkste Jezus, voor uw luisterrijke oorsprong, voor uw glorierijke geboorte uit de zuivere Maagd Maria; voor uw armoede en voor uw nederigheid te willen liggen in zo'n arme en gemene kribbe. Wie zou kunnen mediteren over de gedachte van de allerhoogste God, die zich omwille van ons zo vernederde? O, welke dank is het menselijke geslacht Hem verschuldigd die om het te verlossen verkoos te liggen in een nauwe voederbak!
O oneindige tederheid, o beminnelijkheid bovenmate, o zoetste liefde God geboren als een hulpeloos kind, gewikkeld in lelijke windsels, liggend in een nauwe voederbak, met rauwe beesten om Hem heen!
O nederigheid die de menselijke gedachten te boven gaat, dat de Heer van alle heren Zich niet te goed acht om dienaar te worden van zijn eigen dienaren!
Maar, o mijn Heer en mijn God, het scheen U te gering toe mijn Schepper en ook mijn Vader te zijn: Gij achtte het zelfs niet beneden Uw waardigheid mijn Broeder te worden, en Vlees geworden van mijn vlees, in volle waarheid mijn natuur aan te nemen, behalve de zondigheid.
O Geboorte, buiten de loop van de natuur, triomferend over de natuurlijke orde van onze geboorten en uit goddelijke kracht de tranen verzachtend welke wij storten opdat door uw geboorte onze natuur mag worden hersteld!
O hoe aanbiddelijk en hoe lieflijk was uw Geboorte, o zoetste Jezus, Kind van de roemrijke Maagd, die door uw Geboorte uit de schoot van uw hoogverheven Moeder Maria, de geboorte van alle mensen herstelt, onze menselijke staat vernieuwt, onze veroordeling opheft en de handtekening van de tegen ons gerichte schuldbrief uitwist; en wel zó als iemand die klaagt geboren te zijn uit de stam van Adam, zich mag verheugen in uw zuivere Geboorte en in het zalige vertrouwen dat hij door Uw genade opnieuw is geboren.
Dank breng ik aan uw onverdiende en roemrijke Geboorte, Jezus Christus, enige Zoon van God. Door U immers hebben wij toegang gekregen tot de genade, waarin wij bevestigd zijn en waardoor wij vertrouwen op de heerlijke hoop van de kinderen Gods, ons vanuit de hemel beloofd. Gij die het onderpand van onze verlossing en de eeuwige hoop van alle mensen zijt, tot U, die ons tevoren al gezocht hebt toen wij U nog niet kenden, tot U nemen wij, nietswaardige zondaars, onze toevlucht.
MEDITATIE OVER DE GEBOORTE EN DE ARMOEDE VAN DE HEER JEZUS
Ik aanbid en breng U dank, Heer Jezus Christus, Enige Zoon van de Vader, vóór alle tijden geboren. Door onuitsprekelijk medelijden bewogen hebt Gij U verwaardigd geboren te worden in een vuile stal, en uit liefde voor de heilige armoede te worden neergelegd in een nauwe voederbak.
Ik prijs U, allerbeminnelijkste Jezus, voor uw luisterrijke oorsprong, voor uw glorierijke geboorte uit de zuivere Maagd Maria; voor uw armoede en voor uw nederigheid te willen liggen in zo'n arme en gemene kribbe. Wie zou kunnen mediteren over de gedachte van de allerhoogste God, die zich omwille van ons zo vernederde? O, welke dank is het menselijke geslacht Hem verschuldigd die om het te verlossen verkoos te liggen in een nauwe voederbak!
O oneindige tederheid, o beminnelijkheid bovenmate, o zoetste liefde God geboren als een hulpeloos kind, gewikkeld in lelijke windsels, liggend in een nauwe voederbak, met rauwe beesten om Hem heen!
O nederigheid die de menselijke gedachten te boven gaat, dat de Heer van alle heren Zich niet te goed acht om dienaar te worden van zijn eigen dienaren!
Maar, o mijn Heer en mijn God, het scheen U te gering toe mijn Schepper en ook mijn Vader te zijn: Gij achtte het zelfs niet beneden Uw waardigheid mijn Broeder te worden, en Vlees geworden van mijn vlees, in volle waarheid mijn natuur aan te nemen, behalve de zondigheid.
O Geboorte, buiten de loop van de natuur, triomferend over de natuurlijke orde van onze geboorten en uit goddelijke kracht de tranen verzachtend welke wij storten opdat door uw geboorte onze natuur mag worden hersteld!
O hoe aanbiddelijk en hoe lieflijk was uw Geboorte, o zoetste Jezus, Kind van de roemrijke Maagd, die door uw Geboorte uit de schoot van uw hoogverheven Moeder Maria, de geboorte van alle mensen herstelt, onze menselijke staat vernieuwt, onze veroordeling opheft en de handtekening van de tegen ons gerichte schuldbrief uitwist; en wel zó als iemand die klaagt geboren te zijn uit de stam van Adam, zich mag verheugen in uw zuivere Geboorte en in het zalige vertrouwen dat hij door Uw genade opnieuw is geboren.
Dank breng ik aan uw onverdiende en roemrijke Geboorte, Jezus Christus, enige Zoon van God. Door U immers hebben wij toegang gekregen tot de genade, waarin wij bevestigd zijn en waardoor wij vertrouwen op de heerlijke hoop van de kinderen Gods, ons vanuit de hemel beloofd. Gij die het onderpand van onze verlossing en de eeuwige hoop van alle mensen zijt, tot U, die ons tevoren al gezocht hebt toen wij U nog niet kenden, tot U nemen wij, nietswaardige zondaars, onze toevlucht.
donderdag 2 december 2021
2 december: de zalige Johannes Ruusbroec - over de Godservaring
Martyrologium Romanum
2 december 2016 : de zalige Johannes Ruusbroec
In het klooster van Groenendaal in de streek van Brussel in Brabant de zalige Johannes Ruusbroec, priester en regulier kanunnik, die onderricht gaf in de wonderbaarlijke eigenschappen van de verschillende graden binnen het geestelijk leven.
Voormalige visvijvers van het klooster Groenendaal
Uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec (†
1381)
De
godservaring.
Wil de mens God
genietend ervaren, dan zijn drie voorwaarden daartoe nodig: hij moet waarlijk
in diepe vrede leven, inwendig stil zijn en liefdevol met God verbonden leven.
Om waarlijk met God in diepe vrede te leven, moet hij God zó liefhebben, dat
zijn hart vrij is. Daartoe moet hij ter ere Gods aan elke ongeordende
levenswijze en liefde verzaken. Hij moet eveneens aan elk bezit of verlangen
naar bezit, strijdig met Gods eer, verzaken. Dat is een eerste voorwaarde; die
moet bij iedere mens aanwezig zijn. Hij moet inwendig stil zijn; dat is een
tweede voorwaarde. Wat betekent dat hij zichzelf en zijn verbeelding moet ledig
maken van al wat hij zag of hoorde. Hij moet ten derde in liefde met God
verbonden leven - wat reeds een wijze van genietende Godservaring is. Want die
uit pure liefde, en niet uit zelfvertroeteling, niet God verbonden leeft,
ervaart reeds God genietend. Want hij voelt dat hij God bemint en door God
bemind wordt.
Illustr.: Detail van het glasraam van Eug. Yoors in de
kapel van het Ruusbroec-Genootschap te Antwerpen.
Maar er zijn
nog drie andere hogere (mystieke) toestanden, die de mens in God bevestigen en
hem geschikt maken om God steeds ervarend te genieten en door Hem aangegrepen
te worden, wanneer de mens zich daartoe wil openstellen. De eerste toestand is
die van rust: rusten in Hem die men genietend ervaart. Deze rust treedt in,
wanneer de minnaar door de Beminde overweldigd wordt. De minnaar is door de
Beminde in bezit genomen met een onvermengde liefde tot in de kern van zijn
wezen. De minnaar is in de Beminde in liefde verzonken. Beiden behoren elkaar
algeheel toe. Het is één bezitten, één rusten in elkaar. De tweede toestand is
een zich verliezen in God, dat als een ontslapen is: de menselijke geest
ontzinkt aan zichzelf en de mens beseft niet meer wie hij is, waar hij is en hoe
hij is. De derde toestand - de laatste die men kan verwoorden - is een
beschouwen van de geest in het duister, een duisternis waar de mens met zijn
rede niet binnen kan. In deze duisternis voelt hij zich als gestorven en
verloren, maar tevens één met God, alsof er geen onderscheid meer was. En nu
hij zich zo één met God weet, is God zelf zijn vrede, zijn zaligheid en zijn
rust. Daarom is alles voor hem als een bodemloze diepte, waarin hij een zalige
dood moet sterven, maar waaruit hij tevens moet verrijzen tot een vernieuwd
deugdenleven, wanneer de Minne en het aangegrepen worden door God het gebieden.
2 december - sterfdag Jan van Ruusbroec
Thomas a Kempis over de dood van
Johannes Ruusbroec, de eerste prior van Groenendaal, klooster van reguliere
kanunniken van Sint Augustinus in het zoniënwoud bij Brussel.
Johannes
Ruusbroec [1293-1381] is
een van de grootste mystici van de zuidelijke Nederlanden. Hij ervoer op een
uitzonderlijke manier Gods tegenwoordigheid. En hij was in staat om zijn kennis
van het goddelijk mysterie aan anderen mee te delen. Deze uitzonderlijk
mystieke roeping werd door zijn directe omgeving algemeen erkend en
gerespecteerd. Zijn
invloed verspreidde zich snel over Europa, talrijke machtige en edele personen
kwamen hem in Groenendaal opzoeken, klerken zowel als meesters en doctors in de
theologie. Kort na zijn dood kreegt hij de bijnaam 'admirabilis' ("de
wonderbare").
Ruusbroec was ook de inspirator
van Meester Geert Grote [1340-1384], de initiatiefnemer voor de grote 15e
eeuwse geestelijke vernieuwingsbeweging van de Moderne Devotie - voor de oprichting en organisatie van het
klooster Windesheim voor reguliere kanunniken.
De hervormer van de H.Graforde
in de Nederlanden Jan van Abroek [Bree ca 1440- Hoogcruts 1510] groeide op in
de vernieuwingssfeer van de Moderne Devotie en gaf ons Kanunnikessen van het H.
Graf de idealen van deze geestelijke beweging door.
Uit de
Kroniek van Thomas van Kempen
(hoofdstuk II dat geen
betrekking heeft op het klooster Sint Agnietenberg, het klooster waar Thomas
praktisch zijn hele leven verbleef, maar dat hij wel wilde boekstaven)
In het jaar 1381 stierf op
2 december, de octaafdag van Sint-Catharina, in Brabant [1] de eerbiedwaardige
en hoogst devote pater Johannes Ruusbroec. Hij was de eerste prior van het
klooster Groenendaal bij Brussel, dat behoorde tot de orde van de reguliere
kanunniken. Hij was 87 jaar oud en werd begraven, naar het noorden gekeerd, in
het koor voor het hoogaltaar. [2] Als 60-jarige nam hij in voornoemde plaats
samen met de allereersten het kloosterkleed aan. Met Gods hulp vervulde hij 64
jaar lang het priesterambt. De gewijde en uitmuntende leer die hij verkondigde,
lichtte overal op in het Duitse land, waar zij wijd en zijd verspreid raakte.
Hem zocht meester Geert Grote persoonlijk op, in gezelschap van de rector van
de Zwolse school, meester Johannes. [3] Zijn werken beschouwde hij als
vergelijkbaar met die van de grootste kerkleraren. Tal van zeer devote en van
diep inzicht getuigende boeken in de volkstaal [4] deed Ruusbroec met
scherpzinnigheid het licht zien. En de gave van hemelse liefelijkheid die hij
van God ontvangen had, strooide hij met grote vrijgevigheid uit over allen in
de Kerk die hem nabij waren en die na hem zouden komen. Elf boeken zijn het,
die hij, zowel in het klooster als vóór zijn intrede, tot groot voordeel heeft
geschreven; en opdat dit aantal niet een onvolkomen getal zou zijn, wordt het
door een boek met brieven tot twaalf aangevuld.
[1]
Met Brabant wordt in het algemeen het hele Zuid-Nederlandse Bourgondische
gebied aangeduid, het voormalige hertogdom Brabant.
[2]
Dat wil zeggen: met het hoofd naar de linkerzijmuur van de kerk.
[3]
Johannes Cele namelijk.
[4]
Het zogenaamde Middelnederlands, vroeger ook wel Diets genoemd.
Thomas
van Kempen [1380-1471], het jaar vóór het sterfjaar van Ruusbroec geboren,
heeft Ruusbroec noch Geert Grote gekend. De bewondering en de genegenheid voor
Ruusbroec van Geert Grote en de kringen van zijn volgelingen heeft de jonge
broeder Thomas al vroeg meegekregen in het Agnietenbergklooster zodat hij
Ruusbroec “de gave van hemelse lieflijkheid” kon toeschrijven. Die hemelse gave
dichter bij de mensen brengen verstond Ruusbroec; Titus Brandsma [1881-1942], hoogleraar
in de Middelnederlandse mystiek en zelf mysticus heeft dit concept in zijn
colleges verder uitgewerkt.
De
passage uit de Kroniek van Thomas a Kempis werd met vriendelijke toestemming
overgenomen uit: U.de Kruijf+, H.Kummer en F.Pereboom+ (red.), Een klooster ontsloten. De kroniek van
Sint-Agnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen in vertaling en met commentaar.
Stichting IJsselacademie, Kampen, 2000, blz. 129.
maandag 1 november 2021
De heiligen, onze voorsprekers (Thomas a Kempis) Sluit vriendschap met heiligen
1. Sluit vriendschap met de heiligen
Verzuim niet de voorspraak van de heiligen, die met Christus in de hemel heersen, voortdurend aan te houden; want zoals je ziet, leef je in het dal der tranen en verkeer je dagelijks tussen vreemden en vijanden en ben je nog ver verwijderd van God in een vreemd land. Beijver je dus zolang je als pelgrim onderweg bent vriendschap te onderhouden met de heiligen en de vrienden van God alsook je bijzondere aan hen te binden, terwijl je de omgang en het spreken met mensen die je geen geestelijk voordeel brengen beter kunt vermijden. De voorspraak van een heilige is beter voor je dan een bezoek van op de wereld georiënteerde vrienden. Christus zal je meer in de stilte vertroosten dan lange gesprekken van vrienden met veel gelach dat bij de maaltijd kunnen doen. Hij die rechtvaardig wil leven bezit een innerlijke vreugde die een zinnelijk ingesteld mens die op het aardse uit is, niet begrijpt. Als je armoede en eenvoud bemint, zal Jezus dikwijls bij je zijn met de heilige Engelen en zal je onzichtbaar en innerlijk met een woord vreugde brengen. Zalig, die zijn genoegen niet bij de mensen zoekt, maar in godgewijde lezing/ lectio divina en aandachtig gebed. Zo kan hij vroom leven en vreugde vinden in hemelse dingen zoals ook de heiligen hebben gedaan, voor wie de zichtbare dingen niets betekenden.
2. Organiseer je leven naar hun voorbeeld
Iedereen is gesteld op zijns gelijken: een consciëntieus ingestelde persoonlijkheid zoekt een ander consciëntieuze persoonlijkheid, een bescheiden mens een bescheiden mens, een heilige een heilige, een ongedurige een ongedurige, een uitgelaten persoon een andere uitgelaten persoon. Verlang je te heersen met de heiligen in de hemel, zo zul je om Godswil veel lijden en je op aarde met de heiligen verootmoedigen; want het is van weinig nut dat je de heiligen met de mond eert, maar hen in je doen weerstreeft. Wil je God en de heiligen aangenaam zijn, beheers dan je zintuigen, breek je eigen wil, trek ten strijde tegen lasterpraat, span je in deugdzaam te leven, overweeg de levens van de heiligen, verdiep je in hun onderrichtingen, opdat je met de heiligen heilig kunt worden, en van hen hulp ontvangt, door hen onderricht, verhoord en gekroond wordt. IJverig naar de hemel verlangen is hen aangenaam, ook het berouwen van je zonden, de beheersing van de tong, het vaste voornemen je te beteren, het verlangen naar vooruitgang, geduld bij droefheid en dankzegging voor ontvangen weldaden.
Welluidend gezang is de heiligen aangenaam, opgewektheid bij het waken, lof- en psalmgezang, belijdenis van zonden/je zonden biechten en gebed om vergeving, het meevieren van de heilige Mis, het vergieten van godsvruchtige tranen bij het gebed en het volmaakt onderhouden van de kloosterregel. Wie lui is en nalaat goede werken te doen, verliest de genade van aandachtige toeleg, is God niet aangenaam, noch bij de Engelen geliefd, maar staat God en alle heiligen tegen. Want wie uit God is, hoort God woord, leest en schrijft graag Gods woord, waakt, bidt en werkt graag, doorstaat graag kritiek, zwijgt en dient God in vreugde. Hij vertoeft graag in de kerk of in zijn cel om spoedig deze of gene heilige aan te roepen en op de knieën om genade te smeken teneinde zijn fantasieën te overwinnen, te weerstaan aan aanvechtingen waardoor hij wordt belaagd, opdat hij door de voorspraak van de heiligen in vrome en goede gesteltenis mag blijven alsmede na de doorstane strijd in dit leven de woning van de eeuwige rust mag bereiken waar alle heiligen met Christus gelukzalig heersen.
3. Vertrouw op hun voorspraak
Het gebed tot de heiligen dat tot hun eer vanuit een goede mening geschiedt zal immers niet tevergeefs zijn. Zij, die zo ijverig voor hun vijanden hebben gebeden toen zij door hun tegenstanders werden gekweld, hoe meer ijverig zullen zij nu voor hun vereerders ten beste spreken opdat deze zich bij hen mogen voegen in de hemelse vreugde. Zij weten immers van hen dat zij zich dagelijks beijveren om God te dienen en onder zuchten en tranen moeite doen het eeuwige leven te verwerven. Heb dus een groot vertrouwen! Roep de heiligen aan! Net als wij waren zij sterfelijke en zondige mensen die zich met vele fouten zagen behept en in aanvechtingen verstrikt. Maar door de genade van God daarvan bevrijd en gerechtvaardigd, danken zij nu Christus, die hen uit zoveel kwaad heeft gered.
Uit Thomas a Kempis "De disciplina claustralium"
Verzuim niet de voorspraak van de heiligen, die met Christus in de hemel heersen, voortdurend aan te houden; want zoals je ziet, leef je in het dal der tranen en verkeer je dagelijks tussen vreemden en vijanden en ben je nog ver verwijderd van God in een vreemd land. Beijver je dus zolang je als pelgrim onderweg bent vriendschap te onderhouden met de heiligen en de vrienden van God alsook je bijzondere aan hen te binden, terwijl je de omgang en het spreken met mensen die je geen geestelijk voordeel brengen beter kunt vermijden. De voorspraak van een heilige is beter voor je dan een bezoek van op de wereld georiënteerde vrienden. Christus zal je meer in de stilte vertroosten dan lange gesprekken van vrienden met veel gelach dat bij de maaltijd kunnen doen. Hij die rechtvaardig wil leven bezit een innerlijke vreugde die een zinnelijk ingesteld mens die op het aardse uit is, niet begrijpt. Als je armoede en eenvoud bemint, zal Jezus dikwijls bij je zijn met de heilige Engelen en zal je onzichtbaar en innerlijk met een woord vreugde brengen. Zalig, die zijn genoegen niet bij de mensen zoekt, maar in godgewijde lezing/ lectio divina en aandachtig gebed. Zo kan hij vroom leven en vreugde vinden in hemelse dingen zoals ook de heiligen hebben gedaan, voor wie de zichtbare dingen niets betekenden.
2. Organiseer je leven naar hun voorbeeld
Iedereen is gesteld op zijns gelijken: een consciëntieus ingestelde persoonlijkheid zoekt een ander consciëntieuze persoonlijkheid, een bescheiden mens een bescheiden mens, een heilige een heilige, een ongedurige een ongedurige, een uitgelaten persoon een andere uitgelaten persoon. Verlang je te heersen met de heiligen in de hemel, zo zul je om Godswil veel lijden en je op aarde met de heiligen verootmoedigen; want het is van weinig nut dat je de heiligen met de mond eert, maar hen in je doen weerstreeft. Wil je God en de heiligen aangenaam zijn, beheers dan je zintuigen, breek je eigen wil, trek ten strijde tegen lasterpraat, span je in deugdzaam te leven, overweeg de levens van de heiligen, verdiep je in hun onderrichtingen, opdat je met de heiligen heilig kunt worden, en van hen hulp ontvangt, door hen onderricht, verhoord en gekroond wordt. IJverig naar de hemel verlangen is hen aangenaam, ook het berouwen van je zonden, de beheersing van de tong, het vaste voornemen je te beteren, het verlangen naar vooruitgang, geduld bij droefheid en dankzegging voor ontvangen weldaden.
Welluidend gezang is de heiligen aangenaam, opgewektheid bij het waken, lof- en psalmgezang, belijdenis van zonden/je zonden biechten en gebed om vergeving, het meevieren van de heilige Mis, het vergieten van godsvruchtige tranen bij het gebed en het volmaakt onderhouden van de kloosterregel. Wie lui is en nalaat goede werken te doen, verliest de genade van aandachtige toeleg, is God niet aangenaam, noch bij de Engelen geliefd, maar staat God en alle heiligen tegen. Want wie uit God is, hoort God woord, leest en schrijft graag Gods woord, waakt, bidt en werkt graag, doorstaat graag kritiek, zwijgt en dient God in vreugde. Hij vertoeft graag in de kerk of in zijn cel om spoedig deze of gene heilige aan te roepen en op de knieën om genade te smeken teneinde zijn fantasieën te overwinnen, te weerstaan aan aanvechtingen waardoor hij wordt belaagd, opdat hij door de voorspraak van de heiligen in vrome en goede gesteltenis mag blijven alsmede na de doorstane strijd in dit leven de woning van de eeuwige rust mag bereiken waar alle heiligen met Christus gelukzalig heersen.
3. Vertrouw op hun voorspraak
Het gebed tot de heiligen dat tot hun eer vanuit een goede mening geschiedt zal immers niet tevergeefs zijn. Zij, die zo ijverig voor hun vijanden hebben gebeden toen zij door hun tegenstanders werden gekweld, hoe meer ijverig zullen zij nu voor hun vereerders ten beste spreken opdat deze zich bij hen mogen voegen in de hemelse vreugde. Zij weten immers van hen dat zij zich dagelijks beijveren om God te dienen en onder zuchten en tranen moeite doen het eeuwige leven te verwerven. Heb dus een groot vertrouwen! Roep de heiligen aan! Net als wij waren zij sterfelijke en zondige mensen die zich met vele fouten zagen behept en in aanvechtingen verstrikt. Maar door de genade van God daarvan bevrijd en gerechtvaardigd, danken zij nu Christus, die hen uit zoveel kwaad heeft gered.
Uit Thomas a Kempis "De disciplina claustralium"
maandag 11 oktober 2021
Johannes Ruusbroec [1293-2 december 1381] - Goede raad over wijze versterving
Zijn raad aan de
claris Margaretha van Meerbeke over
Wijze
versterving
Wees niet te bezorgd voor uzelf , maar
aanvaard wat uw lichaam behoeft, zoals God er in voorziet. Zoek niet uw smaak
of lust of gemakzucht te voldoen, maar stel u tevreden met eenvoudige spijzen
en wat van anderen overblijft, tenminste als uw gestel het verdraagt. Wees
bescheiden en voorzichtig; tracht te weten wat uw natuur en uw gezondheid nodig
hebben en wat zij kunnen missen. Want: geeft ge uw lichaam te veel en meer dan
het nodig heeft, dan versterkt ge uw vijand; maar geeft ge het te weinig, dan
verzwakt ge uw knecht, waarmee gij God moet dienen.
Het
voorbeeld van de woestijnvaders en de ordestichters
Beschouw de vroegere oudvaders, die in de
woestijn leefden. Zij aten hun brood afgewogen en dronken water met mate:
zozeer hielden zij van onthouding, derven en schrale kost. En toch waren zij
vrijgevig voor hen die zij te gast ontvingen. Men vindt dit ook vermeld van de
ordestichters en van hen die de regels opstelden en ernaar leefden, als Augustinus,
Franciscus, Benedictus (Bernardus en Dominicus) (1). Zij waren voor zichzelf
hard en streng, sober en matig en nauwgezet in het voldoen van hun nooddruft.
Maar voor hun medebroeders en voor wie bij hen verbleven waren zij zacht en
genadig, royaal en mild in alles wat die behoefden.
(Ontleend aan Vanden VII Sloten of Een dag contemplatief
leven en werken. Oorspr. tekst met juxta-vert. in modern Nederlands door
dr. Lod. Moereels s.j., p. 47-48)
(1) Bijgevoegd in enkele handschriften.
Jan van Ruusbroec (1381) - "Om één te zijn met U in liefde"
Heer,
open mijn hart en mijn mond,
en laat mij uw lof en eer verkondigen.
Zie mij aan en haast U mij te helpen;
dan kan ik U loven en uw dienst volbrengen.
U hebt mij sinds de eeuwigheid
aangezien en bemind,
geroepen en uitverkoren,
als ik maar in U wil geloven
en Uw wil volbrengen tot mijn dood.
Want U hebt ons geschapen naar uw beeld;
dat is: om één te zijn met U in liefde.
U hebt ons geschapen naar uw gelijkenis,
opdat wij door uw genade
in alle vormen van deugd
op U zouden gelijken.
U hebt zich vernederd tot het uiterste
en ons verheven boven alles wat geschapen is.
U hebt ons zozeer bemind,
dat U ons tegemoet bent gekomen in onze ellende.
U hebt ons mens-zijn aangenomen
en zich daarmee bekleed.
U werd in de nacht
uit Maria geboren,
en in een kribbe neergelegd
klein en bescheiden
tussen twee beesten.
U hebt de nacht gesierd met uw geboorte.
De engelen zongen U lof.
De mensen van goede wil
bezitten in U eeuwige vrede.’
open mijn hart en mijn mond,
en laat mij uw lof en eer verkondigen.
Zie mij aan en haast U mij te helpen;
dan kan ik U loven en uw dienst volbrengen.
U hebt mij sinds de eeuwigheid
aangezien en bemind,
geroepen en uitverkoren,
als ik maar in U wil geloven
en Uw wil volbrengen tot mijn dood.
Want U hebt ons geschapen naar uw beeld;
dat is: om één te zijn met U in liefde.
U hebt ons geschapen naar uw gelijkenis,
opdat wij door uw genade
in alle vormen van deugd
op U zouden gelijken.
U hebt zich vernederd tot het uiterste
en ons verheven boven alles wat geschapen is.
U hebt ons zozeer bemind,
dat U ons tegemoet bent gekomen in onze ellende.
U hebt ons mens-zijn aangenomen
en zich daarmee bekleed.
U werd in de nacht
uit Maria geboren,
en in een kribbe neergelegd
klein en bescheiden
tussen twee beesten.
U hebt de nacht gesierd met uw geboorte.
De engelen zongen U lof.
De mensen van goede wil
bezitten in U eeuwige vrede.’
donderdag 1 juli 2021
Thomas a Kempis en vrouwelijke religieuzen
Thomas van Kempen (*Kempen 1379/1380 - +Zwolle 25 juli 1471), Augustijner kanunnik van Windesheim, is voor vrouwelijke religieuzen geen onbekende naam. Als men over hem hoort spreken of lezen wordt men onmiddellijk aan zijn diepe innerlijk herinnerd. Alsof hij de binnenkant van de mensen kon doorschouwen, zo schetst hij in zijn geschriften het beeld van de naar Gods Beeld geschapen mens en tegelijk van de mens getekend door het menselijk tekort.
Thomas van Kempen is jarenlang novicenmeester geweest en heeft zijn lessen en instructies opgeschreven. We weten uit de “Navolging” dat hij met een grote zekerheid slechts over wezenlijke zaken spreekt waarop het bij iedereen aankomt, wil men gelukkig worden.
Zijn taal is eenvoudig, nuchter, pakkend en transparant. Tot op de dag van vandaag zijn zijn woorden van algemeen geldende betekenis.
Thomas van Kempis behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de laatmiddeleeuwse vernieuwings-beweging, de Moderne Devotie. Deze werd in gang gezet door Geert Grote (1340-1384).
dinsdag 25 mei 2021
Uit het Nederlands getijdengebed Florens Radewijns Verdieping van Innerlijk leven Zuiverheid van hart en liefde tot God
Verdieping van innerlijk leven.
Er bestaat een korte methode om werkelijk het innerlijk leven te verdiepen: een mens moet voortdurend erop bedacht zijn en zich moeite geven om - door soberheid, overdenking, goede lectuur en overweging van de heilige Schrift - twee zaken na te streven. Hij moet door deze genoemde middelen zijn innerlijk zuiveren van verkeerde neigingen en schadelijke hartstochten, en daarna goede eigenschappen ontwikkelen, vooral de liefde tot God en tot de medemens, en in gemeenschap leven met God en de medemens.
Deze twee, de zuiverheid van hart en de liefde tot God, zijn de twee doeleinden in het leven van een mens die - naargelang hij er dichterbij komt - zijn volmaaktheid bevorderen.
Echte liefde bestaat alleen in een mensenhart dat zuiver is van slechte neigingen en karaktertrekken, en dat goede eigenschappen en trekken bezit. ‘Liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in, zij zoekt zichzelf niet,’ zoals Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de christenen van Korinte (13, 4-5).
Op deze twee zaken moet een mens voortdurend georiënteerd zijn bij zijn doen en laten, als op het hem gestelde doel. Een boogschutter let goed op de schietschijf, en hoe dichter hij het middelpunt van de schijf benadert, des te betere schutter is hij.
Hoe meer een mens zijn hart zuivert van slechte neigingen en ongeordende verlangens, des te meer wordt hij een mens met goede eigenschappen en vooral met liefde. Daarom zegt Augustinus in het derde boek van zijn Christelijke Leer: ‘Hoe meer de wanorde verbannen wordt, des te meer liefde is er.’
Om echter goed te weten wat het betekent zijn hart te zuiveren en zich deugden eigen te maken, moet een mens overdenken dat aan alle mensen mogelijkheden en capaciteiten en geesteseigenschappen gegeven zijn die aansporen tot het goede. Dat zijn: verstand, affectiviteit, geheugen en gevoelens als liefde, vrees, haat, hoop, blijdschap, droefheid. Met zijn verstand kan een mens God kennen, met zijn hart en zijn wil Hem beminnen, met zijn geheugen zich geborgen weten. Vrees brengt hem ertoe God niet te beledigen en niet van Hem gescheiden te raken; hoop doet hem vertrouwen op Gods goedheid; liefde doet hem God beminnen boven alles, en zichzelf en zijn medemensen omwille van God. Het genoegen dat hij in de schepping beleeft, dankt hij aan God; vreugde doet hem blij zijn en zich verheugen in God.
Maar de erfzonde heeft al dit goede aangetast en scheef doen groeien, waardoor er een neiging ontstaat naar minder goede zaken. We kunnen waarheid vaak niet onderscheiden van onwaarheid; we kiezen iets verkeerds in plaats van iets goeds; ons geheugen is onstandvastig en denkt wisselend aan van alles, zodat we onrustig worden; we zijn soms alleen huiverig voor materiële tegenslag, lichamelijk ongemak en voor miskenning door anderen. Onze hoop is scheefgegroeid omdat we minder verwachten dan noodzakelijk, of meer dan juist is.
Een mens kan standvastig blijven als hij deze eigenschappen tot ontwikkeling brengt, en zo zuivert hij zijn hart en ordent hij zijn innerlijk.
Daarom zegt Bernardus in een preek over de hemelvaart van de Heer: ‘Twee zaken moeten gezuiverd worden: ons verstand en ons gemoed; het verstand om tot juiste kennis te komen, en het gemoed om een mens van goede wil te zijn.’ En in diezelfde preek zegt hij nog: ‘Alleen daarin bestaat de volmaakte godsdienstigheid en de godsdienstige volmaaktheid.’
woensdag 28 april 2021
Versterving - geen heiligheid zonder onthechting en zonder geestelijke strijd
Tot de fundamentele ascese van het kloosterleven behoort de versterving. Dat kunnen we lezen, en tussen vele regels door, begrijpen, uit de Regel en de Constituties. De weg van de volmaaktheid gaat via het Kruis. Er is geen heiligheid zonder onthechting en zonder geestelijke strijd. Geestelijke vooruitgang houdt ascese in en versterving. Zij voeren trapsgewijs naar een leven in de vrede en in de vreugde van de zaligsprekingen (CKK 2015).
Voor de woenstijnmonniken , de ordestichters en voor zovele heiligen in de loop der eeuwen was versterving een weg om daadwerkelijk Christus te kunnen navolgen. Sterven aan onszelf is nodig om Christus de volle ruimte in ons hart en in ons leven te geven.
„Ik moet kleiner worden en Hij groter“, zei Sint Jan de Doper (Jo 3,30) en hij had het goed begrepen.
„Wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt is Mij niet waardig“, zegt Jezus (Mt 10,38).
En bij de evangelist Lucas lezen we: „Maar tot allen sprak Hij: Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden (9,23-24).
Op sommige dagen denk ik: „Waar is de versterving gebleven“… die vraag stel ik ook mezelf… maar tegelijk weet ik ook zeker dat buiten de maaltijden en het vele andere dat we genieten er andere mogelijkheden tot versterving zijn en dat die ook benut worden.
Deze dagen viel mij een tekst van de heilige carmelites zr. Teresa Benedicta van het H. Kruis (Edith Stein) in handen waarin zij uitlegt wat het betekent „Het kruis van Jezus opnemen“. Dat is een pittige tekst voor een volgende keer.
Vandaag lezen wij wat de H. Petrus Canisius zegt over de versterving. De tekst behoort tot zijn „Exhortationes domesticæ“ [nr. 150]: het zijn woorden van aansporing waarmee hij zijn huisgenoten opwekte en aanvuurde tot zelverloochenbing. (Verzameld door pater Georg Schlosser s.j., Roermond 1876).
„Zelfoverwinning is nodig om ons zelf te versterven en slechte neigingen en onvolmaakt- heden af te leggen. „Als immers de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij rijke vruchten voort“ (Jo 12,24).
Zo ook moeten wij, die op aarde zijn, sterven, en door de gehoorzaamheid een andere natuur aannemen - een betere versie van onszelf, gericht op vereniging met Christus. Op deze wijze, aan onze zinnelijkheid afgestorven, en in versterving levend, kunnen wij vruchten voortbrengen.
Hoe méér de mens zijn zinnelijkheid aflegt, hoe méér goddelijke genade hij kan ontvangen.
Wij moeten zaaien in tranen, om met blijdschap te kunnen oogsten, zegt Psalm 125,5.
Christus Zelf leert, dat versterving nodig is. Wat heeft Hij al niet geleden vanaf zijn kinderjaren tot aan zijn dood! Hij had geen oog voor rijkdommen, maar voor armoede; niet voor eer, maar voor gehoorzaamheid; niet voor genoegens, maar voor alle hardheid, die het leven bracht. "Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?" (Lc. 24, 26). Als Christus moest lijden, moeten ook wij dan niet lijden?
Ook de Heiligen leren versterving: zij waren moedig in het overwinnen van zichzelf , in het dragen van het kruis, in het beleven van armoede, in het beoefenen van alle deugden, volgens het woord van de H. Schrift: „Tracht binnen te gaan door de enge poort“ (Mt 7,13).
De -onze- natuur zelf leert (ieder van) ons de noodzakelijkheid hiervan: immers zij is ten kwade geneigd, en behoeft van onze kant een voortdurende waakzaamheid en onderwerping. Een voorbeeld vinden we in de smid die het ijzer wil smeden en daartoe vuur en hamer gebruikt, omdat de kracht van zijn handen niet volstaat. Onze natuur is van ijzer. Wij moeten dus, om ons hart bewerkelijk te maken, het vuur van de goddelijke liefde en de hamer van de versterving gebruiken.
Ook een kunstenaar die een prachtig beeld wil houwen, werkt eerst langzaam de ruwheid van de steen weg. Dán meet hij er de verschillende delen op af, polijst het en geeft er tenslotte de gewenste vorm aan. Van buiten naar binnen.
Zo moet ook de wol veel bewerkingen ondergaan, voordat zij tot het kleed wordt dat de mens siert. Vuil vanaf het schaap naar de fijnste kleding.
Welnu, op dezelfde manier kan onze ziel niet versierd worden met het kleed van Christus, en Christus niet aandoen: tenzij zij éérst veel doorstaat. "Wie klimt houdt nooit op van begin naar begin te gaan; men houdt nooit op te beginnen. Wie klimt houdt nooit op te verlangen naar wat hij al kent" (H. Gregorius van Nyssa, Preek bij het Hooglied, In Canticum homilia)
Zie ook onze eerdere reeks van Jan van Ruusbroec "De kloosterling draagt Christus’ kleed"
Abonneren op:
Posts (Atom)













