Posts tonen met het label Hebdomada IV Quadragesimae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada IV Quadragesimae. Alle posts tonen
zondag 30 maart 2025
Overweging God is anders - 4QC
Vooral in het verleden zagen zeer veel mensen God nooit zonder angst. In hun verbeelding ziet God somber neer op de aarde en zoekt met scherpe blik naar fouten. Hij controleert en haalt je zakken leeg als een douanier of Hij steekt zijn hand omhoog als een agent: ‘Meneer, u bent in overtreding!’ In hum ogen is God nooit tevreden. Ook als Hij van je houdt, ziet Hij je toch maar staan in je kleinheid , in je alsmaar overtreden van de wet. Zo’n kijk op God stoot af want van zo’n God mag niks. Dan is de God van het evangelie, die Jezus een vader noemde, heel anders. Hij is een God van leven en liefde en al het andere mag je vergeten, toorn, afstand, wraak, … Stel u God voor als een vader die door zijn zoon in de steek is gelaten en geen moment denkt aan wraak maar aan terugzien; die dagelijks met de hand boven de ogen de weg afzoekt en in de verte tuurt. En áls hij dan in de verte zijn kind ziet aankomen hem tegemoet snelt, kust en omhelst en een feest geeft. Waar is hier de zonde? Het verwijt? Waar vraagt de vader om verantwoording? De jongen nam wel het initiatief en ging terug naar zijn vader in het besef dat hij de plank had misgeslagen. Zijn vader heeft hem omhelsd. Afgelopen! Vergeven en vergeten. Het is jammer dat sommige christenen soms zo somber kijken. Ze kijken blijkbaar niet dat gevoel van innerlijke vrijheid dat hun geloof toch kan geven. Misschien beelden zij zich in dat God hun geen echte levensvreugde gunt. Dit, terwijl de Bijbel zegt: ‘Leef in vrijheid’. Natuurlijk spoort de Bijbel niet aan tot ongebondenheid: leef maar raak, doe maar aan, laat je maar gaan bij alles waarheen je gedreven wordt door bepaalde krachten. Maar het leven kan wél van een nieuwe, van een andere vrijheid worden doortrokken. Je bent je ervan bewust dat je door God gedragen wordt, dat je bij Hem geborgen bent. God schenkt ons een nieuw leven, stort Zijn kracht in ons uit. Tenslotte neemt Hij ons van het sterfbed mee naar een ander en gelukkiger leven. Dit leidt tot vertrouwen. Heeft Hij niet gezegd: ‘Wie gelooft in Mij, wie vertrouwt op Mij, die heeft eeuwig leven?’ Wanneer je iets wilt zeggen, heb je niet altijd woorden nodig. Je kunt de deur hard achter je dichtsmijten, op je voorhoofd tikken…. Iedereen begrijpt het. In het levensverhaal van Jezus spelen tekens een belangrijke rol. Mensen drukken hun geloof uit in een teken. Een zieke vrouw raakt de kleren van Jezus aan. Een andere kust de voeten van Jezus. Jezus begrijpt die tekens en zegt: ‘Uw geloof heeft u gered, ga in vrede.’ Jezus zelf gebruikte zelf ook tekens. Hij omhelsde kinderen om hen te zegenen. Hij legde zieken de handen op. In de tekens van brood en wijn geeft God zichzelf. Na de dood van Jezus begonnen tekenen een belangrijke plaats in te nemen in de gemeenschap van zijn volgelingen. Degenen die in God geloofden, maakten dit kenbaar door zich te laten dopen. Hun geloof maakten zij zichtbaar door tekens. Dit doen christenen nog steeds: denk maar eens aan de mis en aan de ziekenzalving. Waar deze tekens gesteld worden, is God aanwezig met zijn hulp, zijn goedheid, vrede en liefde.
Lezingen H. Mis 4e zondag van de veertigdagentijd, jaar C Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden.
Eerste lezing (Joz. 5, 9a.10-12)
Uit het boek Jozua.
In die dagen sprak de Heer tot Jozua:
“Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.”
Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren,
vierden zij het Paasfeest op de veertiende dag van de maand,
in de avond in de vlakte van Jericho.
En daags na Pasen, juist op die dag,
aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan
dat van het land zelf afkomstig was.
De volgende dag hield het manna op;
ze konden nu eten wat het land voortbracht.
Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer;
zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.
Tweede lezing (2 Kor. 5, 17-21)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
wie in Christus is, is een nieuwe schepping:
het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.
En dit alles komt van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd.
Ja God was het
die in Christus de wereld met zich verzoende:
Hij telde de fouten van de mensen niet
en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee.
Wij zijn dus gezanten van Christus,
God roept u op door ons woord.
Wij smeken u in Christus’ Naam:
laat u met God verzoenen!
Hem die geen zonde heeft gekend
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt,
opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.
Evangelie (Lc. 15, 1-3.11-32)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van het land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en teruggevonden.”
Uit het boek Jozua.
In die dagen sprak de Heer tot Jozua:
“Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.”
Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren,
vierden zij het Paasfeest op de veertiende dag van de maand,
in de avond in de vlakte van Jericho.
En daags na Pasen, juist op die dag,
aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan
dat van het land zelf afkomstig was.
De volgende dag hield het manna op;
ze konden nu eten wat het land voortbracht.
Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer;
zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.
Tweede lezing (2 Kor. 5, 17-21)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
wie in Christus is, is een nieuwe schepping:
het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.
En dit alles komt van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd.
Ja God was het
die in Christus de wereld met zich verzoende:
Hij telde de fouten van de mensen niet
en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee.
Wij zijn dus gezanten van Christus,
God roept u op door ons woord.
Wij smeken u in Christus’ Naam:
laat u met God verzoenen!
Hem die geen zonde heeft gekend
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt,
opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.
Evangelie (Lc. 15, 1-3.11-32)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van het land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en teruggevonden.”
maandag 2 mei 2022
Door het Paasfeest schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil
Die
God nu, mijn geliefden, die in het begin dit Paasfeest voor ons instelde, heeft
goedgevonden, dat het jaarlijks zou worden herhaald. Hij, die voor ons heil
zijn Zoon aan de dood overleverde, schenkt ons om dezelfde reden dit heilig
feest, dat op een bepaalde tijd in het jaar wordt gevierd. Dit feest leidt ons
door het verdriet en de zorg, die wij in deze wereld tegenkomen. Door dit feest
schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil, terwijl Hij ons tot
één grote familie bijeenbrengt, overal allen op geestelijke wijze samenbindt,
ons geeft dat wij tezamen bidden en ook gezamenlijk dankzeggen, zoals dat op
feestdagen gebruikelijk is. En dát is het wonder van zijn mildheid: God zelf
brengt de vér-verwijderden bijeen en die wellicht lichamelijk verwijderd zijn,
brengt hij nabij door eenheid van geloof.
Uit de Paasbrieven van de H. Athanasius, Ep 5, 2
zaterdag 2 april 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ IV sabbato Omnes hominis navitates in paschali mysterio purificandæ sunt. Alle menselijke bedrijvigheden moeten in het Paasmysterie worden gezuiverd.
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Constitutióne pastoráli Gáudium
et spes Concílii Vaticáni secúndi de Ecclésia in mundo huius témporis
(Nn. 37-38)
Tweede lezing
Uit de pastorale Constitutie
‘Gaudium et Spes’ van het IIe Vaticaans Concilie, over de Kerk in de wereld van
vandaag.
(Nrs. 37-38]
Alle menselijke bedrijvigheden moeten in het Paasmysterie worden
gezuiverd
De Heilige Schrift, met
welke de ondervinding van eeuwen overeenstemt, leert het menselijk geslacht,
dat de vooruitgang in de wereld wel een groot goed voor de mens is, maar grote
gevaren met zich meebrengt : want omdat de hiërarchie der waarden is verstoord
en zo het goede met het kwade is vermengd, hebben de mensen, ieder afzonderlijk
en gemeenschappelijk, nog alleen maar oog voor hun eigen belangen en niet voor
die van anderen.
Daardoor is er in de wereld
geen plaats meer voor ware broederliefde, terwijl de toename van menselijke
macht tenslotte het menselijk geslacht zelf dreigt te vernietigen.
Als men nu naar een
oplossing zoekt om deze ellende te boven te komen, dan zegt ons het
christendom, dat alle menselijke bedrijvigheid, die door de hoogmoed en de
ongeordende eigenliefde dagelijks in gevaar verkeert, door het kruis van
Christus en zijn verrijzenis gezuiverd moeten worden en tot volmaaktheid
gebracht.
Want door Christus verlost
en door de Heilige Geest tot een nieuw schepsel geworden, kan en moet de mens
de schepselen van God beminnen. Want hij ontvangt ze van God en beschouwt en
eerbiedigt ze als voortvloeiend uit Gods hand.
Voor dit alles dankt hij
zijn Weldoener en terwijl hij die schepselen gebruikt en ervan geniet in een
geest van onthechting en vrijheid, wordt hij ingeleid tot het ware bezit. Want alles is van u, maar gij zijt van
Christus en Christus is van God.
Het Woord van God toch,
waardoor alles is ontstaan, is zelf vlees geworden en is onder de mensen op
aarde komen wonen, als volmaakte Mens is Hij de geschiedenis der wereld
binnengegaan en heeft deze in Zich opgenomen en samen gebracht.
Hij openbaart ons, dat God liefde is, en leert ons tegelijk,
dat de grondwet van de menselijke vervolmaking, en dus van de omvorming van de
wereld, het nieuwe gebod van de liefde is.
Aan allen derhalve, die
geloven in de goddelijke liefde, geeft Hij de verzekering, dat de weg der
liefde voor alle mensen openstaat, en dat het niet zinloos is te trachten een
algemene broederlijke samenleving te vestigen. Tegelijk vermaant Hij ons, dat
deze liefde niet alleen gezocht moet worden in grote dingen, maar vooral in de
gewone omstandigheden van het leven.
Doordat Hij voor ons allen,
zondaars, de dood heeft willen ondergaan, leert Hij ons door zijn voorbeeld,
dat wij ook het kruis moeten dragen en het vlees en de wereld op de schouders
leggen van hen, die vrede en gerechtigheid nastreven.
Door zijn Verrijzenis tot
Heer aangesteld werkt Christus, aan Wie alle macht is gegeven in de hemel en op
aarde, nu in de harten van de mensen door de kracht van zijn Geest, niet alleen
door in hen het verlangen op te wekken naar de toekomstige wereld, maar door
dit verlangen bezielt, zuivert en versterkt Hij ook hun edelmoedige pogingen,
waardoor de mensheid haar eigen leven menselijker tracht te maken en zo heel de
wereld aan dit doel ondergeschikt wil maken.
Maar verschillend zijn de
gaven van de Geest: sommigen roept Hij om duidelijk te getuigen van hun
verlangen naar de hemelse woning, en dit onder de mensen levend te houden;
anderen roept Hij om zich te wijden aan de aardse dienst voor de mensen, om
door dit dienstbetoon zich stof te bereiden voor het hemelse Rijk.
Maar Hij maakt allen vrij
om, met verzaking van de eigenliefde, alle aardse krachten te gebruiken voor het
menselijk leven en zich open te stellen voor de toekomst, wanneer de mensheid
zelf een God aangename offerande zal worden.
vrijdag 1 april 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ IV Quadragesimæ feria VI Sacramentum paschale eos qui corpore remoti sunt, fidei unitate proximos fecit.Het Paasmysterie brengt hen, die lichamelijk van elkaar verwijderd zijn, nabij door eenheid van geloof.
Ad Officium lectionis
Lectio altera
Ex Epístolis paschálibus sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 5, 1-2: PG 26, 1379-1380)
Sacramentum paschale eos qui corpore remoti sunt, fidei unitate proximos fecit
Præclárum est, fratres mei, ab uno ad áliud festum perveníre, ab una ad áliam transíre oratiónem ab una dénique ad áliam sollemnitátem. Adest vidélicet illud tempus, quod nobis novum inítium affert, beáti nempe notítiam Páschatis, in quo Dóminus fuit immolátus. Nos útique véscimur, tamquam vitæ cibo, animámque nostram pretióso illíus sánguine semper oblectámus, ceu fonte quodam: et nihilóminus semper sitímus, sempérque ardémus. Ipse vero sitiéntibus adest, et ob suam benignitátem diéi festáli ádmovet illos qui sitiéntia víscera habent, iuxta eiúsdem Salvatóris nostri effátum: Si quis sitit, véniat ad me et bibat.
Non tunc tantúmmodo cum quisque accédit, sitim suam exstínguit; sed quotiescúmque étiam áliquis petit, libénter ei concéditur, ut ad Salvatórem accédat. Grátia festi haud uno témpore coarctátur, neque spléndidus eius rádius occásum pátitur, sed semper in promptu est illórum menti illuminándæ qui cúpiunt. Pollet autem contínua virtúte erga illos qui illuminátam mentem gerunt, et divínis libris atténdunt diu noctúque; velut homo ille qui beátus appellátur, prout in sancto psalmo scriptum est: Beátus vir, qui non ábiit in consílium impiórum et in via peccatórum non stetit, et in cáthedra pestiléntium non sedit; sed in lege Dómini volúntas eius, et in lege eius meditátur die ac nocte.
Porro ille Deus, dilécti mei, qui inítio festum hoc nobis instítuit, ut id quotánnis peragátur concédit. Ipse qui Fílium suum morti trádidit, propter nostram salútem, eádem de causa sanctum festum largítur, quod in anni cursu notátur. Festum hoc regit nos per occurréntes nobis in hoc mundo ærúmnas: et nunc lætítiam nobis salútis confert Deus ex hoc festo emicántem, dum nos ad unum conséssum addúcit, cunctos spiritáliter ubíque cópulans, nobísque commúniter oráre concédens, communésque gratiárum actiónes persólvere, prout in festo factitáre opus est. Hoc est benignitátis eius miráculum: ipse scílicet ad hoc festum longínquos cóngregat, et eos qui forte córpore remóti sunt, fídei unitáte próximos facit.
Tweede lezing
Uit de Paasbrieven van de H. Athanasius, bisschop
(Ep. 5, 1-2: PG 26, 1379-1380)
Het Paasmysterie brengt hen, die lichamelijk van elkaar verwijderd zijn, nabij door eenheid van geloof
Het is iets verhevens, mijn broeders, van het ene naar het andere feest over te gaan, van het ene naar het andere gebed, en tenslotte van de ene naar de andere plechtigheid. Wij zijn nu in die tijd, die ons een bieuw begin brengt, namelijk de kennis van het heilig Pasen, waarop e Heer werd geslachtofferd. Wij voeden ons vooral als met een voedsel voor het leven en genieten steeds in onze ziel van zijn kostbaar Bloed als van een bron: niettemin hebben wij steeds dorst en gloeien wij van liefde. Maar altijd is Hij aanwezig bij degenen die dorst hebben en om zijn milddadigheid leidt Hij hen, die een dorstig hart hebben, naar die feestdag, volgens de woorden van onze zelfde Zaligmaker: Als iemand dorst heeft, dan kome hij tot Mij en drinke.
Niet dan alleen komt iemand tot Hem, als hij zijn dorst wil lessen, maar telkens als iemand het vraagt, wordt het hem graag toegestaan om tot de Verlosser te komen. De genade van dit feest wordt niet tot een enkele tijd beperkt, en haar schitterende straal kent geen ondergang, maar is steeds bereid de geest te verlichten van hen, die dit verlangen. Ze oefent een voortdurende kracht uit op hen, die een verlichte geest hebben en dag en nacht zich aan de lezing van de heilige boeken wijden, zoals die man zalig wordt geprezen in de psalm: Zalig de man, die de raad der goddelozen niet volgt, niet de weg der zondaars betreedt, niet neerzit in de kring van de spotters; maar die zijn vreugde vindt in de Wet des Heren en dag en nacht zijn Wet overweegt.
Die God nu, mijn geliefden, die in het begin dit feest voor ons instelde, heeft goedgevonden, dat het jaarlijks zou worden herhaald. Hij, die voor ons heil zijn Zoon aan de dood overleverde, schenkt ons om dezelfde reden dit heilig feest, dat op een bepaalde tijd in het jaar wordt gevierd. Dit feest leidt ons door het verdriet en de zorg, die wij in deze wereld tegenkomen. Door dit feest schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil, terwijl Hij ons tot één grote familie bijeenbrengt, overal allen op geestelijke wijze samenbindt, ons geeft dat wij tezamen bidden en ook gezamenlijk dankzeggen, zoals dat op feestdagen gebruikelijk is. En dát is het wonder van zijn mildheid: God zelf brengt de vér-verwijderden bijeen en die wellicht lichamelijk verwijderd zijn, brengt hij nabij door eenheid van geloof.
Lectio altera
Ex Epístolis paschálibus sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 5, 1-2: PG 26, 1379-1380)
Sacramentum paschale eos qui corpore remoti sunt, fidei unitate proximos fecit
Præclárum est, fratres mei, ab uno ad áliud festum perveníre, ab una ad áliam transíre oratiónem ab una dénique ad áliam sollemnitátem. Adest vidélicet illud tempus, quod nobis novum inítium affert, beáti nempe notítiam Páschatis, in quo Dóminus fuit immolátus. Nos útique véscimur, tamquam vitæ cibo, animámque nostram pretióso illíus sánguine semper oblectámus, ceu fonte quodam: et nihilóminus semper sitímus, sempérque ardémus. Ipse vero sitiéntibus adest, et ob suam benignitátem diéi festáli ádmovet illos qui sitiéntia víscera habent, iuxta eiúsdem Salvatóris nostri effátum: Si quis sitit, véniat ad me et bibat.
Non tunc tantúmmodo cum quisque accédit, sitim suam exstínguit; sed quotiescúmque étiam áliquis petit, libénter ei concéditur, ut ad Salvatórem accédat. Grátia festi haud uno témpore coarctátur, neque spléndidus eius rádius occásum pátitur, sed semper in promptu est illórum menti illuminándæ qui cúpiunt. Pollet autem contínua virtúte erga illos qui illuminátam mentem gerunt, et divínis libris atténdunt diu noctúque; velut homo ille qui beátus appellátur, prout in sancto psalmo scriptum est: Beátus vir, qui non ábiit in consílium impiórum et in via peccatórum non stetit, et in cáthedra pestiléntium non sedit; sed in lege Dómini volúntas eius, et in lege eius meditátur die ac nocte.
Porro ille Deus, dilécti mei, qui inítio festum hoc nobis instítuit, ut id quotánnis peragátur concédit. Ipse qui Fílium suum morti trádidit, propter nostram salútem, eádem de causa sanctum festum largítur, quod in anni cursu notátur. Festum hoc regit nos per occurréntes nobis in hoc mundo ærúmnas: et nunc lætítiam nobis salútis confert Deus ex hoc festo emicántem, dum nos ad unum conséssum addúcit, cunctos spiritáliter ubíque cópulans, nobísque commúniter oráre concédens, communésque gratiárum actiónes persólvere, prout in festo factitáre opus est. Hoc est benignitátis eius miráculum: ipse scílicet ad hoc festum longínquos cóngregat, et eos qui forte córpore remóti sunt, fídei unitáte próximos facit.
Tweede lezing
Uit de Paasbrieven van de H. Athanasius, bisschop
(Ep. 5, 1-2: PG 26, 1379-1380)
Het Paasmysterie brengt hen, die lichamelijk van elkaar verwijderd zijn, nabij door eenheid van geloof
Het is iets verhevens, mijn broeders, van het ene naar het andere feest over te gaan, van het ene naar het andere gebed, en tenslotte van de ene naar de andere plechtigheid. Wij zijn nu in die tijd, die ons een bieuw begin brengt, namelijk de kennis van het heilig Pasen, waarop e Heer werd geslachtofferd. Wij voeden ons vooral als met een voedsel voor het leven en genieten steeds in onze ziel van zijn kostbaar Bloed als van een bron: niettemin hebben wij steeds dorst en gloeien wij van liefde. Maar altijd is Hij aanwezig bij degenen die dorst hebben en om zijn milddadigheid leidt Hij hen, die een dorstig hart hebben, naar die feestdag, volgens de woorden van onze zelfde Zaligmaker: Als iemand dorst heeft, dan kome hij tot Mij en drinke.
Niet dan alleen komt iemand tot Hem, als hij zijn dorst wil lessen, maar telkens als iemand het vraagt, wordt het hem graag toegestaan om tot de Verlosser te komen. De genade van dit feest wordt niet tot een enkele tijd beperkt, en haar schitterende straal kent geen ondergang, maar is steeds bereid de geest te verlichten van hen, die dit verlangen. Ze oefent een voortdurende kracht uit op hen, die een verlichte geest hebben en dag en nacht zich aan de lezing van de heilige boeken wijden, zoals die man zalig wordt geprezen in de psalm: Zalig de man, die de raad der goddelozen niet volgt, niet de weg der zondaars betreedt, niet neerzit in de kring van de spotters; maar die zijn vreugde vindt in de Wet des Heren en dag en nacht zijn Wet overweegt.
Die God nu, mijn geliefden, die in het begin dit feest voor ons instelde, heeft goedgevonden, dat het jaarlijks zou worden herhaald. Hij, die voor ons heil zijn Zoon aan de dood overleverde, schenkt ons om dezelfde reden dit heilig feest, dat op een bepaalde tijd in het jaar wordt gevierd. Dit feest leidt ons door het verdriet en de zorg, die wij in deze wereld tegenkomen. Door dit feest schenkt God ons een aangename blijdschap omtrent ons heil, terwijl Hij ons tot één grote familie bijeenbrengt, overal allen op geestelijke wijze samenbindt, ons geeft dat wij tezamen bidden en ook gezamenlijk dankzeggen, zoals dat op feestdagen gebruikelijk is. En dát is het wonder van zijn mildheid: God zelf brengt de vér-verwijderden bijeen en die wellicht lichamelijk verwijderd zijn, brengt hij nabij door eenheid van geloof.
donderdag 31 maart 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ IV Quadragesimæ feria IV Misericordia Domini erga pænitentes. De barmhartigheid van de Heer jegens de boetvaardigen.
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Epístolis sancti Máximi
Confessóris abbátis
(Epist. 11: PG 91, 454-455)
Tweede lezing
Uit de Brieven van de H.
Maximus, belijder en abt
De barmhartigheid van de Heer jegens de boetvaardigen
Alle predikers van de
waarheid en bedienaren van God genade, die er vanaf het begin tot nu toe
geweest zijn en in hun eigen tijd ons de heilzame wil Gods hebben verklaard,
zeggen dat er niets is, dat God zó dierbaar en welgevallig is als dat de mensen
uit ware boetvaardigheid zich tot Hem bekeren.
En om te tonen, dat dat het
meest verhevene is van alles wat er bestaat, heeft het goddelijk Woord van de
Vader (ja, als eerste en enige teken van de oneindige goedheid) zich
verwaardigd met ons in menselijke gedaante om te gaan op een wijze van
zelfvernedering en neerbuiging naar ons, die met geen woorden is te
beschrijven; toen heeft Hij dát gedaan, dát geleden en gepreekt, waardoor Hij
ons, toen wij zijn vijanden waren, met God de Vader moest verzoenen; om ons,
die van het gelukzalige leven waren buitengesloten, daarheen terug te voeren.
Want niet alleen heeft Hij
onze kwalen genezen door de kracht van zijn wonderen; Hij nam ook de zwakheden
op zich van onze hartstochten, en door zijn doodstraf, - alsof Hij zelf
schuldig was, die vrij was van alle schuld , - betaalde Hij onze schuld en
bevrijdde ons van vele vreselijke misdaden; ja, zelfs heeft hij ons ook op
velerlei wijze raad gegeven, zodat wij aan Hem gelijk konden worden door meer
toegewijde menslievendheid en volmaakte liefde voor elkaar.
Daarom riep Hij uit: Ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen,
maar om de zondaars te roepen tot boetvaardigheid. En: Niet de gezonden hebben een geneesheer nodig maar de zieken. Eveneens
was Hij gekomen
Eveneens was Hij gekomen om
het schaap te zoeken, dat verloren was. Daarom was hij gezonden naar de
verloren schapen van het huis van Israël. Hij was gekomen om het beeld te
herstellen, dat met het walgelijke vuil van de ondeugden was overdekt; dit
duidde Hij wat meer verborgen aan door de parabel van de drachme. En: voorwaar, Ik zeg u, er is vreugde in de
hemel over een zondaar. Die tot inkeer komt.
En verder: hem, die in
handen van rovers was gevallen, van zijn kleren werd beroofd en door zijn wonden
halfdood was achtergelaten, deed hij weer opleven met wijn en olie en door zijn
wonden te verbinden; hij legde hem op zijn lastdier en bracht hem naar een
herberg om hem daar te laten verzorgen; hij betaalde wat daarvoor nodig was en
beloofde op zijn terugweg te zullen aanvullen wat er nog meer aan kosten zou
bij komen.
In diezelfde geest sprak Hij
over die allerbeste vader, die zich over zijn verloren zoon bij diens terugkeer
heen boog, en omhelsde, omdat hij met berouw tot hem terugkeerde, herstelde hem
weer in de eervolle welstand van zijn vader, terwijl hij hem geen enkel verwijt
deed over hetgeen hij vroeger had misdaan.
Toen dan ook het schaapje,
dat zich van het goddelijk honderdtal had verwijderd, en op de bergen en
heuvels rondzwierf, gevonden werd, dreef de herder hem niet met geweld en
dreigementen noch met veel moeite naar de schaapstal terug, maar legde hij het
op zijn schouders en bracht het vol medelijden ongedeerd terug naar de kudde
van de achtergeblevenen.
Daarom riep Hij ook uit: komt tot Mij, allen die belast en beladen
zijt van hart, en Ik zal u verkwikken. En: Neem mijn juk op u; met dit juk de geboden bedoelend ofwel het
leven volgens de evangelische voorschriften; en over de last die door de
boetedoening zwaar schijnt te zijn en meer lastiger, zegt Hij: Mijn juk is zacht en mijn last is licht.
En op een andere plaats
houdt Hij ons de goddelijke gerechtigheid en goedheid voor ogen, en zegt bevelend:
Weest heilig, weest volmaakt, weest
barmhartig, zoals uw hemelse Vader. En: Vergeeft
en u zal vergeven worden. En: Al wat
ge wilt, dat de mensen doen, doet dat ook evenzo aan hen.
zaterdag 26 maart 2022
Collectegebed Vierde zondag Veertigdagentijd Geef dat uw volk zich met grote toewijding en levendig geloof voorbereidt op het komende paasfeest.
De liturgische benaming zondag Lætare is afkomstig van het eerste woord van het Introïtusgezang van de Mis van vandaag, "Verheugt u!" Op zondag Lætare is er een lichte ontspanning in de boetvaardige geest van de Vasten, omdat wij vandaag een vluchtige blik krijgen van de vreugde die met Pasen komt, nu al dichtbij. Wij kunnen vandaag rooskleurige gewaden zien en instrumentale muziek horen spelen (tijdens de Vasten mag er geen instrumentale muziek gespeeld worden en kan het orgel niet worden gebruikt tenzij voor het ondersteunen van het gezang van de gemeenschap). Het gebruik van rooskleurige gewaden is gebonden aan de Statie van de Kerken in Rome.De Statie voor Zondag Lætare is de Heilig Kruisbasiliek van Jeruzalem, waarheen de relieken van Kruis en Lijden uit het Heilige Land door de H. Helena (+c.329), moeder van Keizer Constantinus (+ 337) werden gebracht.
Het was op deze dag voor de Pausen de gewoonte om van goud gemaakte rozen waarvan sommige op
verbazingwekkende wijze waren bewerkt en voorzien van juwelen, die aan katholieke koningen, koninginnen en andere notabelen werden verstuurd. De Bijbelse verwijzing hiervan is Christus als de "bloem" die ontsproten is aan de wortel van Jesse (Is 11:1 - de Vulgaat flos "bloem”of "tak"). Zo werd Lætare ook genoemd Dominica de rosa ... zondag van de Roos. Er was niet veel verbeelding voor nodig om hieruit de rooskleurige gewaden te ontwikkelen. Denk er aan, de kleur van de gewaden wordt rooskleurig genoemd, niet rose.
Missale Romanum 1970
Deus, qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter
operaris,
præsta, quæsumus,
ut populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad ventura sollemnia valeat festinare.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
God, door uw Woord brengt Gij
op wonderbare wijze de verzoening van alle mensen met U tot stand.
Geef dat uw volk zich met grote
toewijding en levendig geloof
voorbereidt op het komende
paasfeest.
Werk vertaling
God, die door uw Woord op
wonderbare wijze de verzoening van het menselijke geslacht bewerkt,
verleen, vragen wij [U],
dat het christenvolk in staat
is zich met prompte toewijding en blijmoedig geloof
te haasten naar de komende [jaarlijks
terugkerende] plechtigheden.
Er is enige gelijkenis tussen het collectegebed van vandaag en dat van de Advent. Op de 2e zondag van de Advent hoorden wij: in tui occursum Filii festinantes..."hen die zich haasten om Uw Zoon te ontmoeten". Op de 3e Zondag (de tweeling-zondag van Gaudete (de enige andere dag voor rooskleurige gewaden) hoorden wij: votis sollemnibus alacri laetitia celebrare...) "om met enthousiaste jubel te vieren door middel van plechtige offeranden." Er is een rooskleurige verwachting in de collecte van vandaag net zoals die er was in de Advent. Het collectegebed van vandaag munt uit door prachtig Latijn.
Let op het prachtige samengaan van alacer fides en prompta devotione ... "enthousiast geloof" en "bereidwillige devotie". Wij weten dat fides "geloof" kan verwijzen naar de bovennatuurlijke deugd, die ons in het Doopsel is gegeven en eveneens naar de inhoud van wat wij geloven. Deze inhoud moet begrepen worden zoals andere dingen die wij kunnen leren en met liefde in herinnering brengen, maar veel belangrijker moeten wij de goddelijke Persoon leren kennen en hen met liefde beschouwen.
Er is een geloof waardoor wij geloven, de deugdzaamheid, die God ons geeft, en een geloof waarin wij geloven, de inhoud van het geloof. Aan de andere kant, terwijl fides een bovennatuurlijke deugd is, is devotio een "actieve" deugd volgens St. Thomas van Aquino in de Summa Theologica. De doctor angelicus schreef: "De innerlijke of menselijke oorzaak van devotie is beschouwing of meditatie. Devotie is een daad van de wil waardoor een mens zichzelf prompt aan de dienst van God geeft. Iedere wilsacte komt voort uit een of andere overweging van het intellect, aangezien het voorwerp van de wil een gekend goed is; of, zoals Augustinus zegt, het willen komt voort uit het begrijpen. Derhalve is meditatie de oorzaak van devotie aangezien de mens door meditatie het idee verwekt zichzelf aan de dienst van God te geven" (STh II-II 82,3).
De predikant Louis Bourdaloue, jezuïet (1632-1704) begreep devotie als "een devotie tot de plicht". Wat wij vóór alles moeten doen en dat geldt ook voor onze "devoties", is de geboden van God onderhouden en trouw blijven aan de plichten van onze levensstaat. Er is een wisselwerking tussen onze devoties en onze devotie.
Ieder van ons heeft een positie of een plaats in het leven, een levensstaat, een door God gegeven roeping, die wij verplicht zijn te volgen. Wij moeten gehecht zijn aan die staat in het leven, en de plichten die deze hier en nu meebrengt. Dat "hier en nu" is belangrijk. Wij moeten ons niet instellen op de staat, die wij eens gehad hebben, of wensen die te hebben, of gehad zouden hebben, of eens zouden hebben: dit zijn onwerkelijke en misleidende fantasieën, die ons afleiden van de werkelijkheid en de wil van God.
Indien wij werkelijk toegewijd zijn - in de zin van actieve deugd - om onze plichten van staat te vervullen zoals die hier en nu werkelijk is, dan zal God ons elke actuele genade geven die wij nodig hebben om onze roeping te vervullen. Waarom kunnen wij er moedig op vertrouwen dat God ons helpt? Indien wij de plichten van onze levensstaat vervullen, dan vervullen wij ook onze eigen rol in Zijn grote plan, Zijn opzet van nog vóór de schepping van het universum. God zal ons daarom zeker helpen. En als wij toegewijd zijn aan onze staat zoals die werkelijk is, dan kan God ons ook leiden naar een nieuwe roeping wanneer en als dat Zijn wil voor ons is. Getrouw aan wat wij hier en nu moeten doen, willen wij openstaan voor iets dat God ons later te doen wil geven. Dit hechten aan de werkelijkheid en de zin van plichtsgetrouwe gehoorzaamheid door de actieve deugd devotio is een noodzakelijk deel van godsdienst in overeenstemming met de Bijbelse principes in 1 Jo 2, 3-5:
En hieraan weten we, dat we Hem kennen: wanneer wij zijn geboden onderhouden. Wie zegt: Ik ken Hem, doch zijn geboden niet onderhoudt, hij is een leugenaar, en in hem is de waarheid niet. Maar wie zijn woord onderhoudt, in hem is waarlijk de volmaakte liefde tot God; hieraan erkennen we, dat we in Hem zijn. Wie beweert in Hem te blijven, die moet wandelen, zoals Hij heeft gewandeld.
Met toestemming onder dank overgenomen en vertaald.
Reeks Oratio super munera Vierde zondag Veertigdagentijd - Gaven aangeboden tot heil van de wereld
Vierde
zondag Veertigdagentijd / Zondag Lætare
Gaven, omringd met geloof en eerbied,
aangeboden tot heil van de wereld.
I
n l e i d i n g
De gaven die wij volgens de woorden van
de oratio Super munera van deze zondag “met vreugde aanbieden” zijn niet meer
louter brood en wijn, maar het “remedium sempiternum”, het eeuwige
redmiddel, “eeuwig” omdat het altijddurende
redding bewerkt. Dit heilsmiddel is het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Op
deze heilsmiddelen heeft de tweevoudige bede van de oratie betrekking:
God moge in Zijn goedheid bewerken (“perficias”) dat wij deze gelovig
vereren en op passende wijze (“met eerbied”) voor het heil van de wereld
offeren.
Het
gebed over de gaven van vandaag brengt ons volledig vertrouwen op God tot
uitdrukking. Hij schenkt ons de gave van een eeuwig heel-, heilsmiddel (remedium aeternum). Als het Latijn spreekt over een
remedie, is er impliciet sprake van een ziekte. Welke ziekte wordt hier
bedoeld? Dat is de ziekte die zonde heet. Het sacrament is het eeuwig
heelmiddel voor de ziekte van de zonde: de erfzonde en persoonlijke zonden. De
infectie van de zonde zou eeuwig zijn als God ons niet een heelmiddel voor
altijd zou hebben gegeven: de H. Eucharistie
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Remedii sempiterni munera,
Domine, lætantes offerimus,
suppliciter exorantes,
ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
suppliciter exorantes,
ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
– 1979
Heer, met vreugde brengen wij deze gaven die Gij
voor ons eeuwig heil hebt bestemd.
Wij vragen U ootmoedig: geef dat wij ze met geloof en
eerbied omringen
en op waardige wijze aanbieden voor het heil van de
wereld.
Werkvertaling
Diep gebogen biddend,
offeren wij, Heer, met vreugde de gaven van ons
eeuwig heilsmiddel,
opdat U bewerkt dat wij deze én gelovig vereren
én dienovereenkomstig voor het heil van
de wereld aanbieden.
L i
t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e
n
De vreugdevolle oratio Super munera of
het Gebed over de gaven was niet in het Romeinse Missaal 1962 opgenomen, maar
is met enkele kleine tekstverschillen (ipv fideliter: digni en ipv salute
mundi: salvandis) afkomstig uit het Sacramentarium Gelasianum Vetus, eerste
helft achtste eeuw. In deze collectie was de oratie de Secreta van de 4e zondag
van de Vasten en droeg de ondertitel
“scrutinium secundum”, tweede scrutinium, tweede onderzoek, waarmee het
onderzoek van de catechumenen die zich
op het H. Doopsel voorbereidden, wordt bedoeld. Het begrip scrutinium is ook de
naam voor stemming of een wijze van stemming, waarbij de meerderheid beslist,
in het bijzonder gebruikt voor de stemming bij de pauskeuze. Ook wordt het regelmatig onderzoek door
de bisschop van de kandidaten voor het priesterschap op het seminarie met deze
term aangeduid. Ook in kloosters wordt de stemming over de toelating van
candidaten tot de verschillende fasen van het Godgewijde status (noviciaat en
professies) aangeduid als scrutinium.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Remedii sempiterni munera,
Domine, lætantes offerimus,
2. suppliciter exorantes,
3. ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
2. suppliciter exorantes,
3. ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin,
op te splitsen in de hoofdzin (r. 1-2) in de indicativus waarin de actuele en
dubbele status van de gemeenschap wordt omschreven: offerend en biddend. De
hoofdzin omvat de tussenzin suppliciter
exorantes die gevolgd wordt door een finale / doelaanwijzende of consecutieve /
gevolghebbende bijzin (r. 3) met eveneens een dubbele bede tot God dat zijn
genade haar uitwerking mag hebben ten voordele
van ons als offerende en biddende gelovigen alsmede voor het heil van de
wereld.
Opmerkelijk
is dat de oratie zes vormen van het verbum bevat. Zoveel actie in een oratie
van vier regels.
Onmiddellijk doet deze oratie ook denken aan de
tekst “Hostias et preces tibi Domine laudis offerimus” van het offertorium uit
de liturgie van de overledenen, het Requiem, bijvoorbeeld van de componisten Mozart, Fauré, Verdi en Perosi.
Ad 1
Offerimus, wij offeren – prædicaat met ingesloten
subject, vergezeld van de kwalificerende bijstelling lætantes, 1e
persoon meervoud mannelijk en vrouwelijk van het participium præsens van het
deponens lætari congruerend met het subject.
Object van het prædicaat is de woordengroep remedii
sempiterni munera: munera staat in de accusativusvorm meervoud onzijdig en
wordt toegelicht door de bijvoeglijke bepaling in twee congruerende
genitivusvormen: genitivus explicativus of te lezen als een genitivus
objectivus: offergaven die dienen tot een red-, hulpmiddel voor de eeuwigheid.
Lætantes (r. 1) en exorantes r. 2) kennen klank- en
eindrijm.
Domine, [o] Heer – anaklese in de vocativusvorm.
Ad 2
Tussenzin bestaande uit een volgende bijstelling:
exorantes suppliciter, eveneens meervoudsvorm van het participium præsens
exorans congruerend met het subject van
offerimus, vergezeld van de bijwoordelijke bepaling suppliciter, smekend.
Hiermee wordt de betekenis van de compositumvorm exorare [ex-orare = smeken,
smekend bidden], dat een intensivering van het simplex orare aanduidt, nog eens
extra onderstreept.
Suppliciter: bijwoordelijke bepaling in de
adverbiumvorm van supplex,-cis
Ad 3
Deze bijzin, ingeleid door het voegwoord
ut en met het prædicaat perficias in de coniunctivusmodus vanwege het
wenskarakter, eigen aan de gebedscultus , omvat de eigenlijke bede die zoals
boven gezegd een tweevoudig doel beoogt. Dit prædicaat regeert twee a.c.i. constructies bestaande uit de
subjectsaccusativus nos die ook in het tweede deel als zodanig fungeert met de twee infinitivusvormen venerari en exhibere, op klassieke wijze onderscheiden door de
et…et (en..en.., zowel…als)-constructie.
De accusativus eadem vervult in de a.c.i. constructie de functie van
objectsaccusativus.
Ut… [perficias] eadem: eadem,
persoonlijk voornaamwoord onzijdig meervoud van idem, eadem, idem: dezelfde,
heeft het substantivum munera in r. 1 als antecedent en congrueert hiermee. Zoals hierboven
aangegeven is eadem de objectsaccusativus binnen de a.c.i constructie.
Fideliter: bijwoordelijke bepaling in de
adverbiumvorm: op gelovige wijze. De uitgang op –iter vormt een parallellie van
het eindrijm met supliciter van r. 1. Met de uitgang – er van het adverbium
congruenter vormen supliciter en
fideliter een tweede parallellie.
Ut…[perficias eadem] nos…venerari: de
tweede accusativusvorm (subjectsaccusativus) nos
vormt met de infinitivusvormen venerari en exhibere een a.c.i. (accusativus cum
infinitivo)-constructie.
Congruenter: bijwoordelijke bepaling in de adverbiumvorm. Voor de betekenis zie
onder Vocabularium.
Exhibere, bui, bitum
2, - tonen. vertonen, voorstellen 2. verschaffen 3. opdragen, aanbieden.
met het substantivum exhibitio, - onis: 1. het
tonen 2. de beoefening; ook in het Nederlands ingeburgerd met de betekenissen: tentoonstelling, beurs, exhibitie, expo, expositie,
salon, show, uitstalling, vertoning.
Pro salute mundi: bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de ablativusvorm salute
gedicteerd door de præpositie pro en nader bepaald door de genitivusvorm mundi:
genitivus explicativus of genitivus obiectivus, voor/ten behoeve van de wereld.
In de H. Eucharistie, alsook in de aanbieding van
de gaven die daartoe voorbereiden, vinden we soteriologische (uit het Grieks
σωτηρ, sootèr, redder) elementen: concepten die betrekking hebben op de redding
of verlossing van de mens zoals de Kerk deze leert. Ondanks de verlossende en
verzoenende dood aan het Kruis van Christus blijft de mens de wonden dragen van
de erfzonde en is zijn dagelijks leven getekend door vele zonden en tekorten.
De mens kan zelf niets doen om zijn eigen heil en dat van anderen te bewerken. De
liturgische handeling van de offerande representeert de sacramentele aanvang van de eeuwige
redding van hen die deze gaven offeren. De oratio Super munera van de 4e
zondag door het jaar (zie aldaar): Altaribus tuis, Domine etc. vraagt niet dat
de offeraars en de offergaven die naar het altaar worden gebracht in zich geheiligd
worden maar dat zij worden tot sacrament van onze verlossing. De oratie van
vandaag drukt de wens uit dat ook anderen mogen delen in de genade van de
verlossing die tot heil van/voor de wereld strekt.
De
vernieuwde liturgie (Missale Romanum 1970) stemt niet alleen met het Romeins
Missaal van 1962 en de vroegere missaaledities overeen in de gelovige
overtuiging dat wij, dat de Kerk, het Lichaam en Bloed van Christus mogen
offeren, maar ook dat wij dit “voor het heil van de wereld” doen. Het is het
oeroude geloof dat in de Romeinse Canon tot op vandaag in het “Memento
vivorum”- de gedachtenis van de levenden wordt uitgesproken: “Qui tibi offerunt
hoc sacrificium laudis pro se suisque omnibus…”, die U dit offer van lof
brengen voor henzelf en al hun dierbaren (Sacramentarium Gelasianum 1245). Dat
dit offer slechts mogelijk is omdat wij bij de Eucharistieviering in het
mysterie van het Offer van Christus worden opgenomen, is voor het christelijk
geloof vanzelfsprekend.
V o
c a b u l a r i u m
Venerari, veneratus sum dep. 1: 1. vereren,
eerbied betonen, aanbidden 2. ootmoedig smeken, dringend bidden 3. ook met
passieve betekenis: vereerd worden. De infinitivus vererari hebben we de
priester dikwijls horen zingen in de welluidende oratie na het Tantum ergo: […]
tribue, quæsumus, ita nos Corporis et Sanguinis tui sacra mysteria venerari; ut
redemptionis tuæ fructum in nobis iugiter sentiamus. Geef ons, vragen wij, de
heilige geheimen van Uw Lichaam en Bloed zo te vereren, dat wij de vrucht van
Uw verlossing voortdurend in ons mogen ervaren.
Congruere, congrui heeft als adverbium congruenter. De kernbetekenis van dit verbum is het
samengaan van allerlei aspecten of onderdelen tot een passend geheel of
harmonisch verband. met als vertaalvarianten: samenlopen, samenkomen,
samentreffen, overeenkomen, treffen,
samenvallen, overeenstemmen, passen, overeenkomstig zijn, overeenkomen met,
harmoniëren.
Het adverbium congruenter betekent
derhalve: gepast, overeenkomstig,
evenredig en in de muziek: eenstemmig (van tonen).
In
de Latijnse en Griekse grammatica is congruentie/congrueren met het verschijnsel dat
woorden of woordgroepen kenmerken van andere woorden of woordgroepen overnemen.
Het gaat hierbij om één of meer van de
volgende kenmerken: het getal
d.w.z. enkelvoud en meervoud, het geslacht m/v/n en de naamval.
Een Latijns remedium is “iets dat opnieuw
heelt, geneest: een kuur, remedie, maar ook “een heel-, genees-, hulp- en
redmiddel en in religieuze zin: heilsmiddel.
De term wordt zelfs gebruikt voor magische toverspreuken of
amuletten. En zelfs voor de “bedeltjes”
aan een armband. Ook bij heidens gebruik was er dus een spiritueel element ter
genezing van of bescherming voor ziekten.
Op perficio, perfeci, perfectum gaat het
Nederlandse woord “perfect” terug. De basisbetekenissen van perficio zijn 1. “voltooien,
ten einde brengen, afwerken, afmaken, 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden
4. doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen.”
Het verbum betekent dus een manier van “perfect maken”, “tot stand brengen”. Het
wordt dikwijls gevolgd door het voegwoord ut. Van het participium perfecti passivi perfectus is het
“Nederlandse” begrip perfect afgeleid. De tweede vorm van de stamtijden in het
Latijn, in dit geval perfeci, wordt het perfectum genoemd, de voltooid
tegenwoordige tijd.
Suppliciter is de adverbiumvorm
van het adiectivum supplex, icis, dat op zijn beurt weer
is afgeleid van het verbum supplicare met de betekenis: “neerknielen of
zichzelf vernederen, nederig bidden of smeken, nederig afbedelen, aanroepen”en
“bidden of smeken als tot een god, bidden, aanbidden”. In het Latijn komen dikwijls
velerlei vormen van dit verbum voor. De betekenis kunnen we vinden door naar de
wortels van dit verbum te kijken. Het compositum (samengestelde werkwoord) verbum supplicare, bestaande uit
het voorzetsel sup/sub- en -plicare wijst plastisch op de houding
van een smekeling: in gebogen houding, geknield en onderdanig, met een, als het ware “gevouwen” of “geplooid”
lichaam.
Supplicatio, onis betekent
“smeekbede, deemoedig gebed” maar ook “plechtig smeekgebed”. De vorm supplex
(adiectief), “smekend, deemoedig” is dezelfde als het substantief, te
vertalen met “smekeling”.
Herinneren deze Latijnse woorden ons niet aan wat
de Heilige Mis behoort te zijn?
C o m m e n t a a r
Repetitio mater scientiæ est – Herhaling is de moeder van de wetenschap.
Daarom allereerst nog enkele opmerkingen over zondag Lætare. Deze zondag heet in de liturgie zondag Lætare.
Het is de Latijnse intredezang (introïtus) en betekent: “Verheug u, Jeruzalem,
ja laat allen die haar liefhebben, juichen om haar”. Een tekst genomen uit de
profeet Jesaja (66,10). En ook vanwege de Gradualezang die luidt: “Laetatus sum
in his quae dicta sunt mihi : Ik ben verheugd om wat ze mij zeiden: wij gaan op
naar Jeruzalem” (Psalm 122,1). Op deze
dag zijn we over de helft van de vastentijd en komt Pasen in zicht. De priester
mag een kazuifel dragen dat roze van kleur is, iets tussen het rood van de dood
en het wit van de opstanding in. Op deze zondag worden de doopleerlingen aan
een tweede examen onderworpen als voorbereiding op hun Doop in de nacht van
Pasen.
Het gebed over de gaven van vandaag wijst ons op de elementaire notie dat de
zonde ons, op gevaar af verloren te gaan,
doet verzinken in de donkere schaduwen van de tot sterven gedoemde
dingen. Als wij ons niet met Gods genade laten leiden over deze gevaarlijke
paden van het leven, weg van alle mogelijke infecties, zullen wij zeker voor
altijd verloren gaan. Wij weten dat wij zondigen. Aan de zonde is nauwelijks te
ontkomen. Alleen Maria was en bleef zonder zonde, als Moeder van God, door wie
God op aarde kwam als mens. Voor onze zonden verdienen we straf. Deze moeten
worden uitgeboet. Maar de eeuwige remedie van de kant van God tegen het voor
altijd verloren gaan noopt ons tegelijkertijd
zelf te buigen als nederige
smekelingen en onze handen en harten naar de hemel te heffen daar we ons mogen
verheugen over het geluk dat Gods genade ons schenkt. Wij brengen onze gaven
daarom met vreugde: lætantes offerimus. Hiermee attendeert ook op deze plaats
in het liturgische jaar - halverwege de Veertigdagentijd - de liturgie van
vandaag ons op de vreugde van Pasen: Laetare Jerusalem! Onze dankbare ootmoed
zet ons aan de Heer te smeken zijn werk van genade in ons voort te zetten van
dag tot dag, en ons in staat te stellen de gaven zelf met eerbied te omringen
en deze ook aan anderen bekend te maken. Wij wensen dat ook anderen delen in de
genade van Zijn Verlossing. Christus heeft liefdevol bewerkt dat onze vreugde
mag toenemen. Dit is een serieuze opgave voor zondag Lætare maar de liturgie
van de Kerk schenkt ons zonder voorbehoud deze anticiperende vreugde, op de
korte termijn gericht op de Verrijzenis van Christus, gevierd in het feest van
Pasen, op de lange termijn gericht op de vreugde van de hemel wanneer wij mede
verrezen met Christus herschapen zullen zijn: het nieuwe Jeruzalem waar alle
leed geleden is en alle tranen zullen zijn weggewist (Apocalyps 21, 1-4). Zij
toont ons altijd haar realistische kijk op het leven en de heerlijkheid die de
beloofde Verlossing omvat zonder haar stem ooit te laten verstommen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






