Posts tonen met het label Drievuldigheidszondag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Drievuldigheidszondag. Alle posts tonen

zondag 31 mei 2026

Het Mysterie van de Heilige Drieëenheid uitgebeeld door de icoon van Geert Hüsstegen

 Vandaag, het hoogfeest van de Heilige Drieëenheid, bidt de Kerk het volgende Collectegebed:

God en Vader,
die door het Woord der waarheid en de Geest van heiliging in de wereld te zenden
uw wonderbaar mysterie aan de mensen bekend hebt gemaakt,
geef dat wij in de belijdenis van het ware geloof, de glorie van de eeuwige Drieëenheid erkennen en de Eenheid in de macht van uw majesteit aanbidden.

De prachtige icoon van Geert Hüsstegen verzinnebeeldt dit gebed.




















De icoon is gebaseerd op het Bijbelverhaal uit Genesis 18, waarin drie geheimzinnige reizigers (engelen) op bezoek komen bij Abraham en Sara bij de eik van Mamre. In de christelijke traditie wordt dit bezoek gezien als een voorafbeelding van de Heilige Drie-eenheid.
De drie engelen zitten rond een tafel en vormen samen een perfecte, harmonieuze cirkel die symbool staat voor oneindigheid en eenheid.
Aan de voorkant van de tafel is een open ruimte gelaten. Dit nodigt de toeschouwer uit om symbolisch aan te schuiven en deel te nemen aan de goddelijke gemeenschap.
Abraham en Sara op de icoon staan afgebeeld; dit duidt op de wisselwerking tussen de mens en het goddelijke .
De icoon is een directe lofzang op de oosterse gastvrijheid. Abraham en Sara ontvangen drie wildvreemde reizigers met het allerbeste wat ze hebben (een geslacht kalf en vers gebakken brood). De diepere spirituele betekenis hiervan is dat wie openstaat voor de medemens, onbewust God zelf kan ontmoeten. Dit verwijst direct naar de Bijbeltekst uit Hebreeën 13,2: "Houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen herberg verleend."
Abraham en Sara dragen eten en drinken aan. Dit geeft hen de rol van dienaren. Dit heeft een diepe liturgische betekenis: zij symboliseren de mensheid die de gaven van brood en wijn (en het offer van het kalf) aanbiedt aan God, wat rechtstreeks verwijst naar de voorbereiding van de Eucharistie. Dit wordt weer kernachtig verwoord door

GEBED OVER DE GAVEN in de H. Mis vandaag:

Heilig, [zo] smeken wij [U], Heer, onze God,
door het aanroepen van uw Naam
deze gaven van onze toegewijde dienst,
en maak ons zelf door deze offergaven tot een eeuwige offergave voor U.



zaterdag 30 mei 2026

De Pastoor van Ars over het kruisteken:

In de Naam van de vader, de Zoon en de Heilige Geest…
Voor de duivel is het kruisteken iets verschrikkelijks, omdat wij aan hem ontkomen door het kruisteken . . . Met grote eerbied moeten wij het kruisteken maken. Men begint bij het hoofd waarmee op het Hoofd, de schepping, de Vader wordt gewezen. Dan volgt het hart: de Liefde, het Leven, de Verlossing – de Zoon; tenslotte de schouders: de Kracht – de Heilige Geest. Alles herinnert ons aan het kruis. Wij zijn zelf in de vorm van een kruis geschapen.

Het Kruisteken: In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.


Iedere keer als wij het kruisteken maken, verwijzen wij daardoor naar de grote geheimen van ons geloof: de Heilige Drievuldigheid en het lijden van Christus aan het Kruis voor onze -persoonlijke- verlossing; in die zin is het kruisteken een geloofsbelijdenis. Als wij beseffen waar het kruisteken voor staat, zullen wij dat vanzelf met gepaste eerbied doen.

Christenen hebben vanaf de vroegste tijden het kruisteken gemaakt. Tertullianus (omstreeks 240) schrijft: "Bij het begin en onder het werk, bij het binnenkomen en naar buiten gaan, bij het aankleden, bij het slapen gaan en bij alles wat wij doen, tekenen wij het voorhoofd met het kruisteken".

In de lezingendienst van het feest van Kruisverheffing (14 september)is een preek opgenomen van de H. Andreas, bisschop van Kreta (overleden 740), waarin onder meer vermeld: "Was er geen kruis, dan was Christus niet gekruisigd. Bestond er geen kruis, dan was het leven niet aan het kruishout genageld. Was dat niet gebeurd, dan was er uit de zijde van Christus niet de bron van onsterfelijkheid opgeweld, bloed en water die de wereld reinigen, de oorkonde van onze zondigheid was niet verscheurd, wij hadden de vrijheid niet gekregen, niet van het levenshout mogen genieten, het paradijs was niet opengesteld. Was er geen kruis geweest, dan was de dood niet neergeslagen, de hel niet van zijn wapens beroofd".

Collectegebed Eerste zondag na Pinksteren - Heilige Drieëenheid - "In macht en majesteit te aanbidden"



Collectegebed Eerste zondag na Pinksteren

Heilige Drieëenheid

Vandaag belijden we ons vast geloof in de leer van de H. Drieëenheid, het vaste fundament van de christelijke waarheid en het meest geheimnisvolle van alle dogma’s.

Binnen de cyclus van het kerkelijk jaar heeft dit feest een passende plaats: na de Hemelvaart van de Zoon naar de Vader, de Komst van de H.Geest met Pinksteren en de zondag daarna de H. Drieëenheid. Toen de Apostelen met Pinksteren de H. Geest hadden ontvangen, begonnen zij te prediken en te dopen, volgens het bevel, dat Christus hun had gegeven, toen Hij tot hen sprak: “Gaat dan en onderwijst alle volken, en doopt hen in de Naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest, en leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt 28,19). Het feest van de H. Drievuldigheid volgt dus heel logisch onmiddellijk op het Pinksterfeest.

God de Vader heeft ons door de Zoon geschapen die ons heeft verlost en ons juist door de openbaring van de Vader en diens liefde, voor onszelf duidelijk heeft gemaakt (cf Gaudium et Spes, 220). God de Heilige Geest heiligt ons in Christus’ Kerk zodat wij mogen delen in het trinitaire leven van Vader, Zoon en Heilige Geest, nu en in de toekomst.

Collectegebed

Latijn (Missale Romanum 1970)

Deus Pater, qui, Verbum veritatis et Spiritum sanctificationis mittens in mundum,
admirabile mysterium tuum hominibus declarasti,
da nobis, in confessione verae fidei,
aeternae gloriam Trinitatis agnoscere,
et Unitatem adorare in potentia maiestatis.


Nederlands Altaarmissaal - 1979
God onze Vader,
Gij hebt het Woord der waarheid en de Geest die heilig maakt, in de wereld gezonden om aan de mensen het verheven mysterie van uw Godheid te openbaren.
Geef dat wij het ware geloof belijden door de glorie van de eeuwige Drievuldigheid te erkennen en door haar eenheid in macht en majesteit te aanbidden.

Meer letterlijke vertaling
God en Vader, die door het Woord der waarheid en de Geest van heiliging in de wereld te zenden uw wonderbaar mysterie aan de mensen bekend hebt gemaakt,
geef dat wij in de belijdenis van het ware geloof, de glorie van de eeuwige Drieëenheid erkennen en de Eenheid in de macht van uw majesteit aanbidden.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
In de vroege Kerk was er geen aparte dag voor de Allerheiligste Drieëenheid, maar ter bestrijding van de ariaanse ketterij kwamen er geloofsbelijdenissen en ook een officieformulier voor de zondag met cantica, responsories, een prefatie en hymnen. In het Sacramentarium Gregorianum Vetus (9e eeuw) staan gebeden en een prefatie van de H. Drieëenheid. In 920 stelde bisschop Stephanus van Luik een afzonderlijk feest in ter ere van de H. Drieëenheid en paus Johannes XXII (+ 1334) breidde dit feest uit tot de universele Kerk, te vieren op de 1e zondag na Pinksteren. Deze dag werd verhoogd tot de waardigheid van een feest 1e klas door paus Pius X (+ 1914). In de Novus Ordo kreeg het de rang van sollemnitas.

Het collectegebed is een centonisatie – een mettertijd steeds verder uitgebreide verfraaiing – van divers materiaal: tekstfragmenten uit de collecte van het Romeinse Missaal 1962 en van elders, en mogelijk een nieuwe compositie. De opmerkelijke formulering admirabile mysterium werd reeds gebruikt om de leer over de H. Drieëenheid uit te drukken in de Gesta collationis Carthaginiensis habitæ inter Catholicos et Donatistas… de verhandelingen van het Concilie van juni 411 te Carthago waaraan katholieke en Donatistische bisschoppen deelnamen. Sint Augustinus van Hippo (+ 430) speelde een belangrijke rol bij deze conferentie. Dit en de formulering confessio veræ fidei suggereren dat deze oratie, ofschoon een nieuwe compositie, wezenlijk is gebaseerd op Augustinus’ werk De Trinitate, het eerste grote tractaat op het terrein van de systematische theologie in het Latijn, en dat verrast niet.

In het collectegebed treedt allereerst de directe anaklese van God als Vader in het oog, in een betrekkelijke lange bijzin gevolgd door een memoreren van twee fundamentele heilsfeiten waarin de Vader zijn heilswil openbaart en voltrekt. Het “tribue nobis” of een “quæsumus” dat men zou kunnen verwachten in de oratie als opmaat naar de eigenlijke vraag ontbreekt hier. De eigenlijke tweeledige bede omvat –direct verbonden met de belijdenis van het ware geloof – de erkenning en aanbidding van de Drieëne God in zijn macht en majesteit.

Er weerklinken voorts echo’s van de openbaringen (epiphanieën) van de H. Drieëenheid zoals die zijn beschreven in de H. Schrift: bij het doopsel van Jezus door Johannes in de Jordaan toen de H. Geest als een duif verscheen en de stem van de Vader werd gehoord (cf Lc 3) en toen Jezus van gedaante veranderde voor de ogen van Petrus, Johannes en Jacobus (cf Mt 17). God “maakte bekend, openbaarde, manifesteerde, toonde, verkondigde in het openbaar” (declarasti, een verkorte vorm van declaravisti, van declaro) het wonderbaarlijk mysterie (admirabile mysterium) dat Hij is Drie in Eén, een Drieëenheid van goddelijke Personen, God de Vader, God het Woord van Waarheid, God de Geest van heiliging, één ondeelbare God.

Waarachtig christelijk geloof (vera fides) veronderstelt noodzakelijkerwijs dat wij erkennen (agnoscere – “ons eigen maken, bekendmaken, toestaan, toelaten, toegeven dat iets iemands eigendom is, erkennen, herkennen, accepteren, toegeven te zijn) dat God is Drie-Een, Eén God met één goddelijke natuur, in een volmaakte eenheid van drie verschillende Goddelijke Personen. Mensen kunnen door zelf te redeneren bij deze waarheid uitkomen, zoals Neoplatoonse filosofen in het klassieke Griekenland. Maar alleen door de genade van het geloof kunnen wij dit mysterie belijden (confiteor) op authentiek christelijke wijze. Hoe redeneringen en intellect ook trachten deze Waarheid te benaderen, de Openbaring en de genade van het geloof zijn noodzakelijk om de rede aan te vullen.

In het collectegebed aanbidden wij de gloria Trinitatis, de maiestas Unitatis. Zij bezitten “kracht/macht” (potentia). Het concept maiestas is in de geschriften van de Latijnse Vaders verweven met het begrip gloria. Bij vroege Latijnse Vader zoals de H. Hilarius van Poitiers (+368), de H. Ambrosius (+ 397) en in vroege liturgische teksten betekenen maiestas /gloria veel meer dan eenvoudig “schittering”, “glans”, “faam”, “éclat”. De Latijnse liturgische begrippen gloria en maiestas zijn gerelateerd aan het bijbels Griekse doxa en het Hebreeuwse kabod.

“Glorie” en “majesteit” drukken vanuit menselijk perspectief de erkenning van God als God uit en wijzen ook op die machtige goddelijke karakteristiek die God met ons wil delen en waardoor Hij ons wil omvormen. “Glorie” en “majesteit” roepen in onze liturgische gebeden gezien deze eschatologische, onvoorstelbare betekenis de Laatste Werkelijkheid op.

De glorierijke heerlijkheid waartoe God ons omvormt en waarin wij in de hemel ten volle mogen delen is voorafgebeeld in de ontmoetingen van Mozes met God, toen Hij in de wolk (Hebreeuws: shekina) op de Tent van samenkomst neerdaalde. Na deze ontmoetingen schitterde het gelaat van Mozes zó stralend als de zon, dat hij de glans met een sluier moest bedekken.

Laten we met ontzag en eerbied uitzien naar de gave die ons wacht, als we tenminste sterven als vrienden van God. We zullen niet langer zien in een wazige spiegel en tastend zoeken naar God, maar zullen dan oog in oog staan (cf 1Kor 13,12) met het Mysterie van de H. Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Moge de Heilige Drieëenheid ons, anticiperend, alle genade geven reeds nu te mogen delen in de goddelijke glorie. Moge deze band van liefde en waarheid met de Drieëne God ook te herkennen zijn in de manier waarop we met onze naasten omgaan en in de huiver waarmee we de Drieëne God mogen en moeten aanbidden.

Prefatie Hoogfeest H. Drieëenheid zondag na Pinksteren

Heilige Vader, machtige eeuwige God,
om recht te doen aan uw heerlijkheid,
om heil en genezing te vinden,
zullen wij U danken, altijd en overal.

Met uw veelgeliefde Zoon en met de Heilige Geest
zijt Gij één God en onze enige Heer.
Wat wij weten en geloven van U, Vader,
dat weten en geloven wij ook van uw Zoon en van de Heilige Geest.
En wij belijden dat Gij God zijt,
eeuwig, waarachtig en trouw,
Gij, drie Personen, even goddelijk voor ons en even groot,
o heilige Drieëenheid,
Gij één van hart, één God die wij aanbidden.
En ook de Engelen aanbidden U,
de Cherubs voor uw troon, de Serafijnen,
zij roepen dag aan dag,
als uit één mond:

Sanctus, Sanctus, Sanctus!

zondag 15 juni 2025

The Theology of the Trinity - Bishop Barron's Sunday Sermon

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Sanctissimæ Trinitatis sollemnitas


  

Lectio altera

Ex Epístolis sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 1 ad Serapionem, 28-30: PG 26, 594-595. 599)


Tweede lezing

Uit de Brieven van de H. Athanasius, bisschop
(Ep. 1 ad Serapionem, 28-30: PG 26, 594-595. 599)

Licht, glans en genade in de Drieëenheid en dóór de Drieëenheid

Het zal niet zonder nut zijn de oude traditie, de leer en het geloof van de katholieke Kerk te onderzoeken, die de Heer heeft overgeleverd, die de Apostelen hebben gepreekt en die de Vaders hebben bewaard. Want daarop is de Kerk gegrondvest. Als iemand dáár ontrouw aan wordt, kan hij om geen reden nog langer christen zijn of genoemd worden.

Derhalve is de Drieëenheid heilig en volmaakt, die in de Vader en de Zoon en de heilige Geest wordt erkend. Zij bezit niets wat haar vreemd is of wat van buiten haar komt. Zij bestaat niet uit Schepper en schepsel, maar bezit de volle macht om te scheppen en te vormen; ook gelijkt Zij alleen op Zichzelf en is enig in haar natuur, één ook in haar kracht en haar werking. Want de Vader doet alles door het Woord in de Heilige Geest, en op die wijze wordt de eenheid van de Drieëenheid bewaard. Zo wordt er in de Kerk één God verkondigd, die is boven alles en door alles en in alles. Boven alles namelijk als Vader, als Beginsel en Bron, door alles, namelijk door zijn Woord, en tenslotte in alles, in zijn Heilige Geest.

Als de heilige Paulus aan de Korinthiërs schrijft over geestelijke onderwerpen, brengt hij alles terug tot de ene God en Vader als tot het Hoofd, en zegt dat op deze manier: Er is verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest. Er is verscheidenheid in de uitingen van kracht, maar het is dezelfde God, die alles in allen tot stand brengt.

Want wat de Geest aan elkeen schenkt, komt van de Vader door middel van zijn Woord. Alles toch, wat van de Vader is, is ook van de Zoon. Vandaar, hetgeen door de Zoon in de Geest wordt geschonken, waarlijk gaven zijn van de Vader. En zo ook, als de Geest in ons is, is ook het Woord, van Wie wij die Geest ontvangen, in ons, en in het Woord is ook de Vader, en zo wordt dus gezegd: Wij, Ik en de Vader, zullen komen en ons verblijf bij hem nemen. Want waar het licht is, daar is ook de glans ervan; en waar die glans is, daar is tegelijk zijn uitwerking en de glanzende genade.

Ditzelfde leert Paulus in zijn Tweede Brief aan de Korinthiërs met deze woorden: De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Want de genade en de gave, die in de Drieëenheid wordt gegeven, wordt door de Vader gegeven dóór de Zoon in de Heilige Geest. Want zoals uit de Vader door de Zoon genade wordt gegeven, zo kan er in ons geen mededeling van die gave zijn dan in de Heilige Geest. Als wij dus aan deze Geest deelachtig zijn, bezitten wij ook de liefde van de Vader, de genade van de Zoon en de mededeling van diezelfde Geest.





zondag 12 juni 2022

Zondag na Pinksteren: Feest van de H. Drieëenheid en het “Quicumque”

Zondag na Pinksteren:
Feest van de H. Drieëenheid en het “Quicumque”

Op het Pinksterfeest hebben wij de volledige openbaring van de Allerheiligste  Drieëenheid ontvangen. Terecht vieren wij daarom deze zondag een feest om deze openbaring te eren; niet alsof wij voornamelijk deze dag God in zijn Drieëenheid zouden aanbidden – want de lof van Vader, Zoon en Geest is de eerste taak van ieder christelijk gebed -, maar opdat wij God zouden danken dat Hij ons in zijn goedheid dit meest wezenlijke mysterie van zijn Wezen wilde doen kennen.
Heel het jaar door richt de Kerk haar eredienst tot de Vader, door de Zoon, in de eenheid van de Heilige Geest. Maar vandaag verzoekt zij ons, uitdrukkelijk ons geloof te belijden in de Allerheiligste Drievuldigheid, en Haar onze hulde en aanbidding te brengen, opdat de geestelijke rijkdom van deze verheven waarheid steeds dieper in ons mag doordringen:
Drie Personen in één Godheid; dit is de God die de Heer ons verkondigd heeft. Niet tot de God van de wijsgeren leert Hij ons bidden, tot de onbewogen Albeweger (immotus in se permanens) of de onveroorzaakte Oorzaak of het Wezen dat bestaat uit Zichzelf. Wij buigen de knieën voor de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Want de biddende christen nadert niet tot God in menselijke wijsheid, maar hem is gegeven God te aanbidden in het onpeilbare mysterie van zijn Drieëenheid, een niet door mensen uit te spreken rijkdom en eeuwigheid van almacht, waarheid en liefde. “O altitudo divitiarum et sapientiæ et scientiæ Dei!” (Rom 11,33) – O onpeilbare rijkdom van de wijsheid en wetenschap Gods! roept de apostel Paulus uit.
En de glans van deze Drieëne God, welke zich weerspiegelt in de Kerk van de verloste mensen is de afstraling van juist dit trinitaire, binnengoddelijke leven, dat op mystieke wijze wordt herhaald telkens wanneer een mens herboren wordt in het Heilig Doopsel, ontzagwekkend mysterie van de Vader, de Zoon en de H.Geest dat de Engelen huiverend als uit één mond dag aan dag aanbidden in het Sanctus, Sanctus, Sanctus.
Dwaalleraren hebben de Kerk gedwongen dit onzegbare geheim uit te drukken in mensenwoorden. En dit was goed, omdat juist in dit centrale punt van de heilsprediking het zuivere geloof niet door onzekerheid of twijfel mocht worden aangetast. Maar ook voor deze fundamentele en allesbeheersende waarheid van de christelijke leer geldt dat de theoloog die alle bespiegelingen en conciliebesluiten bestudeert niet wijzer en vromer is dan de niet-geleerde die door de woorden van het kruisteken zijn geloof in de Goddelijke Drieëenheid belijdt. Kunnen de theologen dit geloofsgeheim niet doordringen, wij allen kunnen zoals de H. Hilarius van Poitiers schreef: “door een eenvoudig geloof vinden wat we moeten doen: de Vader te aanbidden en tegelijk met Hem de Zoon eren, en vol te zijn van de H. Geest”.
Het “Quicumque” dat op de zondag van de H. Drieëenheid op diverse plaatsen wordt gebeden, - in het Latijn Symbolum Athanasianum - de  Geloofsbelijdenis van Athanasius, is zo’n voorbeeld van de formulering van de christelijk geloofsleer.
Traditioneel toegeschreven aan de H. Athanasius (295-373), aartsbisschop van Alexandrië, was deze belijdenis bedoeld om het arianisme te bestrijden, zoals ook Athanasius dat deed. Maar de meeste geschiedkundigen zijn het er tegenwoordig over eens dat Athanasius niet de auteur kan zijn, omdat de tekst oorspronkelijk in het Latijn is geschreven en niet in het Grieks. Haar theologie is sterk verwant aan die in de geschriften van westerse theologen, in het bijzonder die van Ambrosius van Milaan. Er worden meerdere auteurs genoemd, er zijn echter sterke aanwijzingen voor de H. Vincentius van Lérins [+ ca. 445]. In de Provence en Noord-Spanje  werd het ”Quicumque” het eerst en het breedst verspreid.
Het “Quicumque” is het beginwoord van een liturgisch recitatief bestaande uit 40 uitspraken over de H. Drieëenheid (1-26) en de Incarnatie (27-40), in de tekst zelf “fides catholica” genoemd. Het origineel, in het Latijn gesteld, is prachtig proza met opmerkelijke cadenzen en clausulae (poëtisch rtime), waardoor het gemakkelijk in het gehoor lag. Het was  niet bedoeld om door het volk te worden gebeden maar om van buiten geleerd te worden door de clerus om de katholieke leer ‘in a nutshell’  bij de hand te hebben tegen onjuiste opvattingen.
In de liturgie van de westerse Kerk werd deze belijdenis vanaf de Middeleeuwen dagelijks of alleen op zondag gereciteerd bij de Priem, in 1955 werd het reciteren op voorstel van Bugnini beperkt tot Drievuldigheidszondag. Met het afschaffen van de Priem verdween ook het “Quicumque” uit het goddelijk officie, terwijl de liturgische commissie het als een element beschouwde dat behouden moest worden. In de postconciliaire edities van Liturgia Horarum is het “Quicumque” niet meer opgenomen, ook niet facultatief voor Drievuldigheidszondag.
Geen enkele vertaling evenaart de grote zeggingskracht van de Latijnse tekst.
Voor de volledige tekst van het Quicumque vult..  (Latijn en  Nederlands) zie deze link op Wikipedia.

(Geput uit Liturgisch Woordenboek, 1968; Romeins Missaal 1961 en Groot Gebedenboek 1950)

Preek van onze Pastoor op Drievuldigheidszondag 2020 "wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is, de redder van de wereld, die zal niet verloren gaan"



Een groot feest – een kort Evangelie. Maar drie zinnetjes, maar wel drie zinnetjes die als het ware het Nieuwe Testament en misschien wel van heel de heilige Schrift samenvatten. Drie zinnetjes die kort maar krachtig vertellen wat Gods bedoeling met ons en onze wereld is. God wil ons en onze wereld redden. Daartoe heeft Hij ons Zijn zoon gezonden, niet om ons veroordelen en ons aan de ondergang prijs te geven, maar om ons te redden. Een beslissende rol daarbij is weggelegd voor het geloof: wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is, de redder van de wereld, die zal niet verloren gaan, maar eeuwig leven hebben. Ook horen we hoe dat eeuwig leven deelachtig worden, namelijk doordat de Vader zijn Zoon geeft en Hem naar de wereld zendt; maar ook doordat de Zoon zich láát zenden; de Zoon die aan de zending niet alleen zijn leven wijdt maar daarvoor ook zijn leven geeft. Vader en Zoon die voor ons mensen en omwille van ons heil het kostbaarste inzetten en op het spel durven zetten: de Vader Zijn Zoon; de Zoon zijn leven. Wat een royaliteit, wat een generositeit, wat een grootmoedigheid, zeker als je afvraagt waaraan we dat eigenlijk te danken hebben. Onzerzijds hebben we nauwelijks of geen verdiensten waarop wij ons kunnen beroepen. Uiteindelijk is het alleen aan een genade, een liefde, een barmhartigheid te danken die zo groot is dat hij ze niet aan één persoon kan worden toegeschreven, maar alleen een persoon kan zijn: de heilige Geest!
Geloven dat God liefde heeft en liefde geeft, dat is op zich genomen niet zo bijzonder. Het bijzondere van ons geloof is niet dat God liefde heeft en liefde geeft, maar dat God liefde ís. Het grootste aan God is niet zozeer zijn macht als wel zijn liefde, een liefde die eerder onmacht dan macht uitstraalt. Een liefde die het toelaat dat de schepping - die uiteindelijk toch aan die liefde ontsproten is - de neiging heeft zichzelf daarvan los te maken. Een liefde die dat niet alleen toelaat maar ook respecteert, als uiterste consequentie van de vrijheid waarmee God ons geschapen en begiftigd heeft. Inderdaad: een liefde die eerder van onmacht dan van macht lijkt te getuigen.
Daarom ook geen machtwoord, maar een aanbod: “zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben”. Alleen geloof kan en zal de wereld redden: zo eenvoudig is het als het aan God ligt. Maar voor ons ligt dat blijkbaar toch wat moeilijker. Wij geven onszelf niet zo gauw gewonnen. Integendeel: wij vertrouwen liever op onszelf dan op anderen. Maar wat had God dan meer kunnen doen om ons voor zich te winnen? Hij heeft het ons zo gemakkelijk gemaakt: Hij stelt geen hoge eisen, geen strenge voorwaarden. Hij geeft ons Zijn zoon. Het enige dat Hij ons vraagt is: geloof, vertrouwen in Hem. Geen blind geloof, geen blind vertrouwen, maar geloof en vertrouwen in Zijn Zoon; Zijn Zoon die toch in alles heeft laten zien hoezeer wij mensen Hem ter harte gaan, zozeer dat Hij zelfs bereid was zijn leven voor ons te geven. Geloven vraagt inderdaad wat van een mens, maar het zegt ook wat van een mens: als hij kan en durft te geloven, te geloven in iets, meer nog te geloven van iemand. Het zegt van een mens dat hij zich weet te overstijgen, openstaat voor een wereld die groter is dan hemzelf, de wereld van God die niet alleen liefde heeft en liefde geeft, maar ook en vooral liefde ís. Je daarin opgenomen weten, dat betekent niet alleen veel, dat is alles, dat is ons leven, het leven van de drie-ene God: Vader, Zoon en heilige Geest.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” Zondag van de H. Drieëenheid

 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Maak ons een blijvende offergave U ter eer

I n l e i d i n g
Het Gebed over de gaven van dit hoogfeest doet sterk aan de  aanroeping van de H. Geest in de H. Mis (epliclese) (1), als onderdeel van het misformulier, denken, die immers bedoeld is door het aanroepen van de goddelijke Naam de gaven te heiligen. In de Eucharistische Gebeden van de H. Mis wordt inderdaad niet alleen de Naam van de Vader aangeroepen, ofschoon alle gebeden zich tot Hem richten. Alle drie goddelijke Personen worden betrokken bij dit H.Offer. De formuleringen van de Romeinse Canon (Te igitur en Hanc igitur oblationem servitutis nostræ) bij uitstek en de andere Eucharistische Gebeden tonen ons dit evident: “Gij zijt heilig, onze Heer, de bron van alle heiligheid. Heilig dan deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest, dat zij voor ons worden tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus onze Heer” (Euch. Gebed II). “Door Hem [Jezus Christus] en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de Heilige Geest, hier en nu en tot in eeuwigheid” (ibid.).Wij hebben deze gaven dan ook hier gebracht om ze aan U toe te wijden. In alle ootmoed vragen wij U, ze te heiligen door uw Geest, en ze Lichaam en Bloed te doen zijn van Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer, op wiens woord wij deze geheimen vieren” (Euch. Gebed III). “Vervul [Vader] ons van zijn Heilige Geest opdat men ons in Christus zal zien worden tot één lichaam en één geest. Moge Hij ons maken tot een blijvende offergave voor U: dan zullen wij het erfdeel verkrijgen dat gij ons beloofd hebt… - Ipse nos tibi perficiat munus æternum ut cum electis tuis hereditatem consequi valeamus..- (Ibid.). “Daarom smeken wij U, heer, dat uw Heilige Geest deze offergaven wil bezielen…Quæsumus igitur, Domine, ut idem Spiritus Sanctus hæc munera sanctificare dignetur” (Euch. Gebed IV).
De werking van de drie Goddelijke Personen kan worden teruggebracht tot de oude korte geloofsformule: De Vader werkt door de Zoon in de Heilige Geest.
De gaven die geconsacreerd zullen worden zijn “munera nostræ servitutis” – gaven van onze dienstbaarheid. Wij – priester en gelovigen - leggen deze, als gaven van God uit zijn schepping afkomstig, op het altaar voor het heilige Offer. Wij bieden God aan wat wij uit het zijne hebben ontvangen. Door God worden zij tot de Gave die Christus is, zijn Lichaam en Bloed. Maar Christus neemt ons op mysterievolle wijze zo op in zijn dienen, dat wij in Hem, door Hem en met Hem de heilige en vlekkeloze offergave mogen aanbieden. En dit mysterie bewerkt ook dat wij in Hem, door Hem en met Hem ook zelf offergave worden zoals Hij, waarbij verondersteld mag worden dat ons hele wezen, onze gesteltenis, onze wil, hart en gemoed er op gericht is God te dienen. Onze eigen persoon moet als een offergave aan de allerheiligste Drieëenheid zijn. Daarom gaat het in feite in dit Gebed over de gaven.
(1) aanroeping van de H. Geest of Logos als werkdadige kracht over personen en zaken.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Sanctifica, quæsumus, Domine Deus noster,
per tui nominis invocationem,
hæc munera nostræ servitutis,
et per ea nosmetipsos perfice munus æternum.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, onze God, heilig onze gaven
waarover wij uw Naam aanroepen
en maak onszelf door deze Eucharistie
een blijvende offergave U ter eer.

Werkvertaling 
Heilig, [zo] smeken wij [U], Heer, onze God,
door het aanroepen van uw Naam
deze gaven van onze toegewijde dienst,
en maak ons zelf door deze offergaven tot een eeuwige offergave voor U.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van het Gebed over de gaven van dit hoogfeest (zondag na Pinksteren) is vervat in de Codex Rossianus lat., 127, Rome, midden 11e eeuw en in Codex Theol. 231, 1010, Univers. Bibl. Göttingen, 10e eeuw. Niettemin is de tekst ook reeds te vinden in het Sacramentaire de Saint-Martin de Tours (laatste kwart 9e eeuw) [Alcuinus] en in een veertigtal contemporaine of latere codices verspreid over het Europees continent en het Britse schiereiland, in gebruik als oratio super oblata in de Missa votiva de sancta Trinitate seu secreta.
 (Zie: E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols, Turnhout 1996, p. 200-201, nr. 5377 (Br 1039)
De versie Missale Romanum 1970 [MR] is op enkele tekstvarianten (cursief) na, en zeker inhoudelijk, identiek aan die van MR 1962:
Sanctifica, quæsumus, Domine Deus noster,
per tui sancti nominis invocationem,
hujus oblationen hostiam,
et per eam nosmetipsos tibi perfice munus æternum.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Sanctifica, quæsumus, Domine Deus noster,
2. per tui nominis invocationem,
3. hæc munera nostræ servitutis,
4. et per ea nosmetipsos perfice munus æternum.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit een openingsregel met prædicaat sanctifica in de imperativusvorm gericht tot God, welke modus ook hier is afgezwakt door de losse werkwoordsvorm quæsumus, inmiddels klassiek in de oraties (regel 1). Onderbroken door een tussenzin (r. 2) die informatie geeft over de wijze waarop het prædicaat sanctifica werkzaam is (hoe worden de offergaven geheiligd), volgt in r. 3 het object van sanctifica waarna middels de coniunctie et in een nevengeschikte halfzin een volgende bede wordt uitgedrukt in de imperativusvorm perfice (r. 4).

Ad 1
Prædicaat sanctifica gevolgd door de losse werkwoordsvorm quæsumus werden hierboven reeds genoemd. Van de anaklese, Domine Deus noster, in drie congruerende vocativusvormen, is Domine, Heer of Meester, de meest basale, directe en gebruikelijke naam waarmee de Kerk zich rechtstreeks richt tot God in de super munera. De toegevoegde titel Deus noster onderstreept enerzijds de aan Hem alleen toe te schrijven heiligende daad (Quoniam tu solus Sanctus, tu solus Dominus, tu solus Altissimus, want Gij alleen zijt de Heilige, Gij alleen de Heer, Gij alleen de Allerhoogste; Gloria), anderzijds trekt het bezittelijk voornaamwoord Hem in de intieme relatie met de biddende (uit individuele personen bestaande gemeenschap). De vocativusvormen Domine Deus vertonen alliteratie.
Ad 2
Bijwoordelijke bijzin die een voorzetselbepaling bevat bestaande uit de accusativusvorm invocationem, geregeerd door de præpositie per, nader verklaard door de congruerende genitivusvormen tui nominis (genitivus explicativus).
Blaise’s “Le vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques” (Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas o.s.b., Turnhout 1966) zegt op p. 283 dat in het Hebreeuwse denken, een naam niet alleen een persoon aanduidt, maar uitdrukking is van geheel de persoon. In Johannes 3, 18 lezen we over de reddende macht van de Naam van God: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God”. Per tui nominis invocationem betekent dus in de oratie van deze zondag dat door het aanroepen van de Naam van God direct geappelleerd wordt aan de almacht, de kracht, de heiligheid en barmhartigheid van God en dat deze Naam de titel van beroep is tot verhoring van de bede.
Ad 3
Hæc munera nostræ servitutis, deze gaven van onze dienstbaarheid/ van ons, uw dienaren – object bij het prædicaat sanctifica, op te splitsen in de congruerende accusatiuvusvormen  hæc munera, meervoud van het neutrum hoc munus, en in de congruerende genitivusvormen nostræ servitutis, genitivus explicativus.
Ad 4
Nevengeschikte halfzin met prædicaat perfice in de imperativusvorm, maak […] tot, voltooi, bewerk, dat een dubbel object in de accusativusvormen: nosmetipsos, onszelf (direct object) en munus æternum  (een accusativus die hier dienst doet als praedicatieve bepaling bij de eerdere accusativus nosmetipsos) bij zich heeft. Per ea, voorzetselbepaling gevormd door de præpositie per gevolgd door de accusativus ea (meervoud van de neutrumvorm id, het/dit, waarbij in gedachte aan te vullen is munera van regel 3: door middel van deze offergaven. De hæc munera van regel 3 die wij in de offerdienst aanbieden als gaven van God afkomstig en werk van onze handen staan in mooie tegenstelling tot het munus æternum dat alleen God kan bewerken. De regels 2 en 4 laten een repetitio zien in præpositie (2x) en præfix per.

V o c a b u l a r i u m
Perficio, -feci, -fectum, 3, betekent 1. ten einde brengen, voltooien, afwerken, afmaken 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden 4. doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen. Perficio heeft dus de impact van voltooien en verwezenlijken. Vgl. perfect, perfectie, perfectionisme, etc.
Servitus, -utis, vr. dienstbaarheid, knechtschap, slavernij verwant aan servitium, - i, n., 1. slavernij, dienstbaarheid 2. dienst 3. godsdienst, of varianten van deze vormen vindt men in zeven Gebeden over de gaven, respectievelijk op de zondagen IV, VII, VIII, X, XIII, XXVII en XXX door het jaar en eenmaal het verbum servire op de XXIXe zondag. Alle begrippen verwijzen naar de cultische dienst, de eredienst aan God. Als we kijken in Blaise’s “Le vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgique” (Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas o.s.b., Turnhout 1966) verwijst servitium (nederige onderwerping aan God) juist naar de liturgie zelf en ook naar het liturgisch dienstwerk jegens God door de priesters. Dat geldt zeker in de context van het “Hanc igitur” van de Canon Romanus (Romeinse Canon) waar servitium de uitoefening van het priesterlijk dienstwerk betekent,  maar frases in de Super munera zoals “munera nostræ servitutis inferimus” (zoals gezien bij zondag IV), “oblata devotioni nostræ servitutis ascribis” (van de later nog te bespreken zondag VIII) en “quæ debitæ servitutis celebramus officio” (zondag XXVII) verwijzen hoe dan ook naar de liturgische dienst van heel de verzamelde gemeenschap van de Kerk, waaraan ook de gebruikte 1e persoon meervoud beantwoordt.
C o m m e n t a a r
In de vroege Kerk was er geen special dag gereserveerd voor de viering van het feest van de Allerheiligste Drieëenheid, mar de katholieken ontwikkelden ter bestrijding van de Ariaanse ketterijen geloofsbelijdenissen, een officie voor de zondagen, met cantica, prefatie en hymnen die in het oude Sacramentarium Gregorianum te vinden zijn. Paus Johannes XXII (+1334) verordonneerde een feest voor heel de Kerk op de eerste zondag na Pinksteren. Deze dag werd door de H. Pius X, paus, tot de rang van 1e klas verheven. Op de kalender van de Novus Ordo kreeg het feest de rang van sol(l)emnitas. De plaats van dit feest op deze dag van de liturgische kalender is logisch. Uitgaande van de Hemelvaart van de Zoon naar de Vader, vieren wij de komst van de Heilige Geest met Pinksteren en vervolgens de Trinitaire God op de zondag erna. In de teksten van Mis- en Getijdenliturgie belijden wij trouw ons standvastig de leer over de H. Drieëenheid, de meest fundamentele waarheid van de christelijke doctrine, een dogma dat een slechts met geloof te aanvaarden mysterie omvat. God de Vader heeft ons door de Zoon geschapen. God de Zoon heeft ons verlost en openbaarde ons meer aan onszelf (vgl. Gaudium et Spes 22), God de Heilige Geest heiligt ons in onze Heilige Kerk.
De inhoud van de oratie toont aan dat wij door onze eenheid met de Drieëne God, de triniteit van de Goddelijke Personen, de bestemming bereiken waarvoor wij geschapen zijn. Wij komen tot onze voltooiing  in eenheid met God – in de eenheid van God. Wij kunnen het waarnemen in ons eigen leven. Zolang als wij verwijderd of zelfs afkerig zijn van God of Zijn plan,, ontbreekt er iets in ons. De grote bisschop van Hippo, de H. Augustinus (+430) riep aan het begin van zijn ‘Belijdenissen’ uit: “Gij wekt ons op er vreugde in te vinden U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig totdat het rust vindt in U” (Boek I, 1).
Sommigen van ons zullen zich de basisvragen herinneren van de Catechismus: Waartoe zijn wij op aarde? Wij zijn op aarde om God te kennen, te beminnen en Hem te dienen en om hier en in het hiernamaals met Hem voor altijd gelukkig te zijn. Wij zijn geschapen om te delen in het leven van de H. Drieëenheid.
Wat geloven wij voor wat betreft de H. Drieëenheid.? Niets is beter dan de grote geloofsbelijdenissen te citeren, zoals de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel bekend uit de H. Mis. Maak ook kennis met het Credo van Athanasius (of het Symbolum Quicumque), een Latijnse versie, afkomstig uit Gallië, 5e eeuw, die werd toegeschreven aan de Grieks sprekende H. Athanasius van Alexandrië. Lees en bid deze hardop en geniet van de zuivere formuleringen en de afwezigheid van elke  dubbelzinnigheid! Bedenk daarbij ook dat een symbolum geen discussiestuk is, maar een theologisch document dat naar zijn aard bestemd is om geloofsinhoud duidelijk af te bakenen en daarmee een grens te stellen op wat daartoe wel en niet behoort en daarmee dus ook de bokken van de schapen te scheiden (Matt. 25, 32-33)
 “Alwie zalig wil worden, moet vóór alles het katholieke geloof aanhangen. Zo iemand dit niet geheel en ongeschonden bewaard heeft, zal hij ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan. 
Dit nu is het katholieke geloof: dat wij één God in de Drie-eenheid en de Drie-eenheid in de Eenheid aanbidden.
Weliswaar de Personen onderscheidend, maar de zelfstandigheid niet scheidend.
Een ander toch is de Persoon van de Vader, een ander die van de Zoon, een ander die van de Heilige Geest.
Maar van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is één de Godheid, gelijk de glorie en gelijkelijk eeuwig de majesteit.
Zoals de Vader is, zo is de Zoon, zo is ook de Heilige Geest.
Ongeschapen is de Vader, ongeschapen is de Zoon, ongeschapen is de Heilige Geest.
Onmetelijk is de Vader, onmetelijk is de Zoon, onmetelijk is de Heilige Geest.
Eeuwig is de Vader, eeuwig is de Zoon, eeuwig is de Heilige Geest.
Toch zijn er niet drie eeuwigen, maar één Eeuwige.
Eveneens zijn er niet drie ongeschapenen, noch drie onmetelijken, maar één Ongeschapene en één Onmetelijke.
Op dezelfde wijze is almachtig de Vader, de Zoon, almachtig de Heilige Geest.
En toch zijn er niet drie almachtigen, maar één Almachtige.
Zo is de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God;
en toch zijn er niet drie goden, maar is er slechts één God.
Zo is de Vader Heer, de Zoon Heer en de Heilige Geest Heer.
En toch zijn er niet drie heren, maar is er slechts één Heer.
Want zoals wij krachtens de christelijke leer iedere Persoon als God en Heer moeten belijden, zo verbiedt ons de katholieke godsdienst drie goden of heren te erkennen.
De Vader is door niemand gemaakt, geschapen noch voortgebracht.
De Zoon is alleen van de Vader, niet gemaakt of geschapen, maar voortgebracht.
De Heilige Geest is uit de Vader en de Zoon, niet gemaakt of geschapen of voortgebracht, maar voortkomend.
Eén Vader dus, niet drie Vaders, één Zoon, geen drie Zonen, één Heilige Geest, geen drie Heilige Geesten.
En in deze Drie-eenheid is geen vroeger of later, geen meer of minder, maar alle drie Personen zijn met elkander even eeuwig en even gelijk.
Zodat in alles, gelijk boven reeds gezegd is, de Eenheid in de Drie-eenheid en de Drie-eenheid in de Eenheid moet worden aanbeden.
Wie derhalve zalig wil worden, denke aldus over de Drie-eenheid.
Doch noodzakelijk is voor het eeuwig heil, dat men ook de Menswording van onze Heer Jezus Christus oprecht gelooft.
Dit dan is het ware geloof, dat wij geloven en belijden, dat onze Heer Jezus Christus, de Zoon is van God, God en mens.
God uit de zelfstandigheid des Vaders, vóór eeuwigheid voortgekomen; en mens uit de zelfstandigheid  van de Moeder, geboren in de tijd.
Volkomen  God en volkomen mens, bestaande uit een redelijke ziel en een menselijk lichaam.
Gelijk aan de Vader naar zijn Godheid, minder dan de Vader naar zijn mensheid.
Die, hoewel God en mens, toch niet twee is, maar één Christus.
Eén evenwel, niet door omzetting van de Godheid in het vlees, maar door opneming van de mensheid in God.
Volstrekt één, niet door vermenging van de naturen, maar door eenheid van Persoon.
Want zoals de redelijke ziel en het lichaam één mens is, zo is God en mens één Christus.
Die geleden heeft voor ons heil, neergedaald is ter helle, op de derde dag verrezen uit de doden.
Hij is opgevaren naar de hemel, zit aan de rechterhand van de God, de almachtige Vader; vanwaar Hij zal komen om te oordelen over levenden en de doden.
Bij zijn komst zullen alle mensen met hun lichaam moeten verrijzen en rekenschap afleggen van hun eigen daden.
En wie het goede hebben gedaan zullen het eeuwige leven binnengaan, maar wie kwaad hebben bedreven het eeuwige vuur”.
De echo van dezer geloofsbelijdenis klinkt na vijftien eeuwen nog na in het wondermooie Credo van het Volk van God van paus Paulus VI  (Sollemni hac Liturgia – 1968):
“Wij geloven, dat deze enige God ook in zich volstrekt één is, zowel in zijn oneindig heilig Wezen als in elk van zijn volmaakte attributen: almacht, onbegrensde kennis, voorzienigheid, wil en liefde. Hij is Die is, zoals Hijzelf aan Mozes heeft geopenbaard, (vgl. Ex 3, 14) en Hij is Liefde, zoals de apostel Johannes ons voorhoudt (vgl. 1 Jo 4, 8). In deze beide namen, Zijn en Liefde, ligt dus op onnaspeurlijke wijze de goddelijke werkelijkheid zelf vervat van Hem die zich kenbaar heeft willen maken aan ons. Toch 'woont Hij in ongenaakbaar licht' (vgl. 1 Tim 6, 16) en staat Hij in Wezen boven alle namen, alle dingen en alle geschapen geesten. Alleen God zelf kan ons een juist en volledig denkbeeld geven van zijn Zijn, door de openbaring dat Hij Vader, Zoon en Heilige Geest is.
Bij zijn gratie zijn wij geroepen tot deelgenootschap aan zijn eeuwig leven: hier op aarde in het duister van het geloof en hiernamaals in het onvergankelijke licht, het eeuwige leven. De drie Personen - elk voor zich één en hetzelfde goddelijk Wezen - bestaan van eeuwigheid af uit banden van wederkerigheid, die het diepste zaligend leven uitmaken van God, de driewerf heilige, oneindig ver verheven boven al wat wij naar mensenmaat kunnen bedenken. Intussen danken wij de goddelijke Goedheid voor het feit, dat talloze gelovigen, ten overstaan van alle mensen, met ons Gods eenheid kunnen betuigen, ook al kennen zij het mysterie van de heilige Drievuldigheid niet.
Wij geloven dus in de Vader, die van eeuwigheid af de Zoon voortbrengt; in de Zoon, het Woord van God, die van eeuwigheid af wordt voortgebracht; in de Heilige Geest, ongeschapen Persoon, die van eeuwigheid af voortkomt uit de Vader en de Zoon als beider Liefde. Tussen de drie goddelijke Personen, coaeternae sibi et coaequales, (onder elkaar gelijk eeuwig en gelijke wezens) voltrekt zich in eindeloze weelde, met de opperste luister die het ongeschapen Wezen kenmerkt, Gods zelfzaligende leven binnen diens volkomen eenheid. En immer “moet men in de Drievuldigheid de Eenheid eren en in de Eenheid de Drievuldigheid' (semper unitas in Trinitate et Trinitas in unitate veneranda est)”.
Geloofsbelijdenissen en oraties van de H. Mis kunnen niet tegelijk alle geloofswaarheden omvatten, maar zij reflecteren die wel en dat in hoge mate. De woorden die wij gebruiken bij ons gebed en bij het belijden van ons katholiek geloof zijn cruciaal: lex orandi, lex credendi , de geloofsregel is gebedsregel en omgekeerd. Verandert men de woorden, dan veranderen de geloofswaarheden en begrippen. Het debiteren van vaagheden in kerkelijke teksten en gezangen schept een risico van verwatering en vervaging van de waarheid en de Waarheid die Christus is.
Laten wij bidden dat zij die tot taak hebben vertalingen voor te bereiden, met Gods hulp daarbij trouw vast willen houden aan het onvervalste katholieke geloof zonder hun oor te luisteren te leggen bij de waan van de dag.