Posts tonen met het label H. Petrus Chrysologus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Petrus Chrysologus. Alle posts tonen
zaterdag 30 juli 2022
Liturgy of the Hours Office of Readings Saint Peter Chrysologus, bishop Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest
Second Reading (tuesday week 4 Paschae)
From a sermon by Saint Peter Chrysologus, bishop
Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest
I appeal to you by the mercy of God. This appeal is made by Paul, or rather, it is made by God through Paul, because of God’s desire to be loved rather than feared, to be a father rather than a Lord. God appeals to us in his mercy to avoid having to punish us in his severity.
Listen to the Lord’s appeal: In me, I want you to see your own body, your members, your heart, your bones, your blood. You may fear what is divine, but why not love what is human? You may run away from me as the Lord, but why not run to me as your father? Perhaps you are filled with shame for causing my bitter passion. Do not be afraid. This cross inflicts a mortal injury, not on me, but on death. These nails no longer pain me, but only deepen your love for me. I do not cry out because of these wounds, but through them I draw you into my heart. My body was stretched on the cross as a symbol, not of how much I suffered, but of my all-embracing love. I count it no less to shed my blood: it is the price I have paid for your ransom. Come, then, return to me and learn to know me as your father, who repays good for evil, love for injury, and boundless charity for piercing wounds.
Listen now to what the Apostle urges us to do. I appeal to you, he says, to present your bodies as a living sacrifice. By this exhortation of his, Paul has raised all men to priestly status.
How marvellous is the priesthood of the Christian, for he is both the victim that is offered on his own behalf, and the priest who makes the offering. He does not need to go beyond himself to seek what he is to immolate to God: with himself and in himself he brings the sacrifice he is to offer God for himself. The victim remains and the priest remains, always one and the same. Immolated, the victim still lives: the priest who immolates cannot kill. Truly it is an amazing sacrifice in which a body is offered without being slain and blood is offered without being shed.
The Apostle says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a living sacrifice. Brethren, this sacrifice follows the pattern of Christ’s sacrifice by which he gave his body as a living immolation for the life of the world. He really made his body a living sacrifice, because, though slain, he continues to live. In such a victim death receives its ransom, but the victim remains alive. Death itself suffers the punishment. This is why death for the martyrs is actually a birth, and their end a beginning. Their execution is the door to life, and those who were thought to have been blotted out from the earth shine brilliantly in heaven.
Paul says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a sacrifice, living and holy. The prophet said the same thing: Sacrifice and offering you did not desire, but you have prepared a body for me. Each of us is called to be both a sacrifice to God and his priest. Do not forfeit what divine authority confers on you. Put on the garment of holiness, gird yourself with the belt of chastity. Let Christ be your helmet, let the cross on your forehead be your unfailing protection. Your breastplate should be the knowledge of God that he himself has given you. Keep burning continually the sweet smelling incense of prayer. Take up the sword of the Spirit. Let your heart be an altar. Then, with full confidence in God, present your body for sacrifice. God desires not death, but faith; God thirsts not for blood, but for self-surrender; God is appeased not by slaughter, but by the offering of your free will.
Liturgia Horarum H. Petrus Chrysologus Het gebed klopt aan, vasten verkrijgt en barmhartigheid ontvangt
Uit een preek van de heilige Petrus Chrysologus, bisschop van Ravenna († ca. 450)
Het gebed klopt aan, het vasten verkrijgt en de barmhartigheid ontvangt.
Het gebed klopt aan, het vasten verkrijgt en de barmhartigheid ontvangt.
Drie dingen zijn er, broeders en zusters, drie dingen waardoor ons geloof sterk staat, onze toewijding standvastig is en onze deugd blijvend, namelijk gebed, vasten en barmhartigheid. Door te bidden kloppen wij aan, door te vasten verkrijgen wij, door barmhartigheid ontvangen wij. Gebed, vasten en barmhartigheid: deze drie zijn één, zij geven elkaar het leven.
Immers, de ziel van het gebed wordt gevormd door het vasten en het vasten leeft pas echt als wij barmhartigheid betonen. Laat niemand deze drie uit elkaar trekken, want zij willen niet gescheiden worden. Wie er van de drie slechts één bezit of ze niet tegelijk beoefent, bezit niets. Dus, wie bidt, moet vasten en wie vast, moet barmhartig zijn. Wie wil dat zijn gebed verhoord wordt, moet ook zelf luisteren naar een verzoek. Hij vindt gehoor bij God, als hij zijn eigen oor niet sluit voor een smeekbede.
De mens die vast, moet begrijpen wat vasten is. Hij moet voelen wat honger lijden is, als hij wil dat God zijn honger aanvoelt. Hij moet barmhartigheid tonen, als hij op barmhartigheid hoopt.
Wie goedheid wil ervaren, moet goed doen. Wie verlangt dat men geeft, moet zelf geven. Wie voor zichzelf vraagt wat hij een ander ontzegt, vraagt op de verkeerde manier.
Voor ons als mens moet dit de norm van onze barmhartigheid zijn: je ondervindt barmhartigheid zoals je wilt, zoveel als je wilt en zo vlug als je wilt, maar heb dan medelijden met anderen, ook zo, evenveel, even vlug.
Gebed, barmhartigheid en vasten moeten dus onze ene bescherming zijn bij God, onze ene voorspraak, ons ene drievormige gebed.
Wat wij door misprijzen hebben verloren, moeten wij door vasten herwinnen. Ons leven moeten wij offeren door te vasten, want er is niets beters dat wij God kunnen aanbieden. Dit bewijst het woord van de psalmist: ‘Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid; een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af’ (Ps. 51 (50), 19).
Offer dus je leven aan God, bied je vasten aan als een zuiver en heilig offer, een levend offer dat van jou blijft en aan God gegeven wordt. Wie dit niet aan God schenkt, is niet te verontschuldigen, want ieder bezit zichzelf om weg te schenken.
Maar om jouw gaven aanvaardbaar te maken is barmhartigheid onmisbaar. Want vasten brengt geen vrucht, als de akker niet besproeid wordt met barmhartigheid. Het vasten kwijnt weg, als de barmhartigheid opdroogt. Wat de regen is voor het land, dat is de barmhartigheid voor het vasten. Iemand die vast, kan wel zijn gezindheid verzorgen, zijn vlees zuiveren, ondeugden uitroeien en deugden zaaien, maar als hij de barmhartigheid niet laat stromen, oogst hij geen vrucht.
Als jij vast en jouw barmhartigheid vast ook, dan lijdt jouw akker honger. Maar als je vast en uit barmhartigheid rondstrooit, dan vult zich daarmee jouw schuur in overvloed. Lijd daarom geen verlies door te bewaren, maar verzamel door te geven. Geef aan een arme en geef zo aan jezelf. Alleen wat je aan een ander laat, zul je zelf bezitten.
Immers, de ziel van het gebed wordt gevormd door het vasten en het vasten leeft pas echt als wij barmhartigheid betonen. Laat niemand deze drie uit elkaar trekken, want zij willen niet gescheiden worden. Wie er van de drie slechts één bezit of ze niet tegelijk beoefent, bezit niets. Dus, wie bidt, moet vasten en wie vast, moet barmhartig zijn. Wie wil dat zijn gebed verhoord wordt, moet ook zelf luisteren naar een verzoek. Hij vindt gehoor bij God, als hij zijn eigen oor niet sluit voor een smeekbede.
De mens die vast, moet begrijpen wat vasten is. Hij moet voelen wat honger lijden is, als hij wil dat God zijn honger aanvoelt. Hij moet barmhartigheid tonen, als hij op barmhartigheid hoopt.
Wie goedheid wil ervaren, moet goed doen. Wie verlangt dat men geeft, moet zelf geven. Wie voor zichzelf vraagt wat hij een ander ontzegt, vraagt op de verkeerde manier.
Voor ons als mens moet dit de norm van onze barmhartigheid zijn: je ondervindt barmhartigheid zoals je wilt, zoveel als je wilt en zo vlug als je wilt, maar heb dan medelijden met anderen, ook zo, evenveel, even vlug.
Gebed, barmhartigheid en vasten moeten dus onze ene bescherming zijn bij God, onze ene voorspraak, ons ene drievormige gebed.
Wat wij door misprijzen hebben verloren, moeten wij door vasten herwinnen. Ons leven moeten wij offeren door te vasten, want er is niets beters dat wij God kunnen aanbieden. Dit bewijst het woord van de psalmist: ‘Wat ik offer, God, is mijn boetvaardigheid; een vermorzeld en vernederd hart wijst Gij niet af’ (Ps. 51 (50), 19).
Offer dus je leven aan God, bied je vasten aan als een zuiver en heilig offer, een levend offer dat van jou blijft en aan God gegeven wordt. Wie dit niet aan God schenkt, is niet te verontschuldigen, want ieder bezit zichzelf om weg te schenken.
Maar om jouw gaven aanvaardbaar te maken is barmhartigheid onmisbaar. Want vasten brengt geen vrucht, als de akker niet besproeid wordt met barmhartigheid. Het vasten kwijnt weg, als de barmhartigheid opdroogt. Wat de regen is voor het land, dat is de barmhartigheid voor het vasten. Iemand die vast, kan wel zijn gezindheid verzorgen, zijn vlees zuiveren, ondeugden uitroeien en deugden zaaien, maar als hij de barmhartigheid niet laat stromen, oogst hij geen vrucht.
Als jij vast en jouw barmhartigheid vast ook, dan lijdt jouw akker honger. Maar als je vast en uit barmhartigheid rondstrooit, dan vult zich daarmee jouw schuur in overvloed. Lijd daarom geen verlies door te bewaren, maar verzamel door te geven. Geef aan een arme en geef zo aan jezelf. Alleen wat je aan een ander laat, zul je zelf bezitten.
Liturgy of the Hours Saint Peter Chrysologus, bishop Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest
From a sermon by Saint Peter Chrysologus, bishop
Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest
I appeal to you by the mercy of God. This appeal is made by Paul, or rather, it is made by God through Paul, because of God’s desire to be loved rather than feared, to be a father rather than a Lord. God appeals to us in his mercy to avoid having to punish us in his severity.
Listen to the Lord’s appeal: In me, I want you to see your own body, your members, your heart, your bones, your blood. You may fear what is divine, but why not love what is human? You may run away from me as the Lord, but why not run to me as your father? Perhaps you are filled with shame for causing my bitter passion. Do not be afraid. This cross inflicts a mortal injury, not on me, but on death. These nails no longer pain me, but only deepen your love for me. I do not cry out because of these wounds, but through them I draw you into my heart. My body was stretched on the cross as a symbol, not of how much I suffered, but of my all-embracing love. I count it no less to shed my blood: it is the price I have paid for your ransom. Come, then, return to me and learn to know me as your father, who repays good for evil, love for injury, and boundless charity for piercing wounds.
Listen now to what the Apostle urges us to do. I appeal to you, he says, to present your bodies as a living sacrifice. By this exhortation of his, Paul has raised all men to priestly status.
How marvellous is the priesthood of the Christian, for he is both the victim that is offered on his own behalf, and the priest who makes the offering. He does not need to go beyond himself to seek what he is to immolate to God: with himself and in himself he brings the sacrifice he is to offer God for himself. The victim remains and the priest remains, always one and the same. Immolated, the victim still lives: the priest who immolates cannot kill. Truly it is an amazing sacrifice in which a body is offered without being slain and blood is offered without being shed.
The Apostle says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a living sacrifice. Brethren, this sacrifice follows the pattern of Christ’s sacrifice by which he gave his body as a living immolation for the life of the world. He really made his body a living sacrifice, because, though slain, he continues to live. In such a victim death receives its ransom, but the victim remains alive. Death itself suffers the punishment. This is why death for the martyrs is actually a birth, and their end a beginning. Their execution is the door to life, and those who were thought to have been blotted out from the earth shine brilliantly in heaven.
Paul says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a sacrifice, living and holy. The prophet said the same thing: Sacrifice and offering you did not desire, but you have prepared a body for me. Each of us is called to be both a sacrifice to God and his priest. Do not forfeit what divine authority confers on you. Put on the garment of holiness, gird yourself with the belt of chastity. Let Christ be your helmet, let the cross on your forehead be your unfailing protection. Your breastplate should be the knowledge of God that he himself has given you. Keep burning continually the sweet smelling incense of prayer. Take up the sword of the Spirit. Let your heart be an altar. Then, with full confidence in God, present your body for sacrifice. God desires not death, but faith; God thirsts not for blood, but for self-surrender; God is appeased not by slaughter, but by the offering of your free will.
Responsory
Each one of us is called to be both a sacrifice to God and his priest
I appeal to you by the mercy of God. This appeal is made by Paul, or rather, it is made by God through Paul, because of God’s desire to be loved rather than feared, to be a father rather than a Lord. God appeals to us in his mercy to avoid having to punish us in his severity.
Listen to the Lord’s appeal: In me, I want you to see your own body, your members, your heart, your bones, your blood. You may fear what is divine, but why not love what is human? You may run away from me as the Lord, but why not run to me as your father? Perhaps you are filled with shame for causing my bitter passion. Do not be afraid. This cross inflicts a mortal injury, not on me, but on death. These nails no longer pain me, but only deepen your love for me. I do not cry out because of these wounds, but through them I draw you into my heart. My body was stretched on the cross as a symbol, not of how much I suffered, but of my all-embracing love. I count it no less to shed my blood: it is the price I have paid for your ransom. Come, then, return to me and learn to know me as your father, who repays good for evil, love for injury, and boundless charity for piercing wounds.
Listen now to what the Apostle urges us to do. I appeal to you, he says, to present your bodies as a living sacrifice. By this exhortation of his, Paul has raised all men to priestly status.
How marvellous is the priesthood of the Christian, for he is both the victim that is offered on his own behalf, and the priest who makes the offering. He does not need to go beyond himself to seek what he is to immolate to God: with himself and in himself he brings the sacrifice he is to offer God for himself. The victim remains and the priest remains, always one and the same. Immolated, the victim still lives: the priest who immolates cannot kill. Truly it is an amazing sacrifice in which a body is offered without being slain and blood is offered without being shed.
The Apostle says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a living sacrifice. Brethren, this sacrifice follows the pattern of Christ’s sacrifice by which he gave his body as a living immolation for the life of the world. He really made his body a living sacrifice, because, though slain, he continues to live. In such a victim death receives its ransom, but the victim remains alive. Death itself suffers the punishment. This is why death for the martyrs is actually a birth, and their end a beginning. Their execution is the door to life, and those who were thought to have been blotted out from the earth shine brilliantly in heaven.
Paul says: I appeal to you by the mercy of God to present your bodies as a sacrifice, living and holy. The prophet said the same thing: Sacrifice and offering you did not desire, but you have prepared a body for me. Each of us is called to be both a sacrifice to God and his priest. Do not forfeit what divine authority confers on you. Put on the garment of holiness, gird yourself with the belt of chastity. Let Christ be your helmet, let the cross on your forehead be your unfailing protection. Your breastplate should be the knowledge of God that he himself has given you. Keep burning continually the sweet smelling incense of prayer. Take up the sword of the Spirit. Let your heart be an altar. Then, with full confidence in God, present your body for sacrifice. God desires not death, but faith; God thirsts not for blood, but for self-surrender; God is appeased not by slaughter, but by the offering of your free will.
Responsory
zaterdag 23 juli 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XVII per annum Superabundo gaudio in omni tribulatione. Ik vloei over van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden.
Lectio altera
Ex Homilíis
sancti Ioánnis Chrysóstomi epíscopi in Epístolam secúndam ad Corínthios (Hom. 14, 1-2: PG 61, 497-499)
Tweede lezing
Uit de
Homilieën op de Tweede Brief aan de Korintiërs, van de H. Johannes
Chrysostomus, bisschop
(Hom. 14, 1-2: PG 61, 497-499)
Ik vloei over van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden
Wéér begint Paulus over de
liefde te spreken, terwijl hij de hardheid van zijn gegeven berisping tracht te
verzachten. Want als hij ze eerst voor ogen houdt en ze om die reden berispt,
dat zij, door hem bemind, hem niet hun wederliefde hadden geschonken maar zich
hadden losgerukt uit zijn liefde en overgelopen waren naar bedorven mensen,
verzacht hij de bitterheid van zijn berisping, zeggend: Gunt ons een ruime plaats in uw hart, dit is ‘Bemint ons’. Hij vraagt hun om een
weldaad, die allerminst veel kost, en die voor hen, die deze geven, van groter
nut zou kunnen zijn dan voor hen, die hem ontvangen. Ook zegt hij niet ‘Bemint
ons’, maar wat meer leek op een klacht: gunt
ons een ruime plaats in uw hart.
Wie heeft ons toch, zegt
hij, uit uw hart gedreven? wie ons daaruit gebannen; wat is er de oorzaak van,
dat wij minder voor u gaan betekenen? Want omdat hij hierboven gezegd heeft: Zelf zijt gij niet ruimhartig genoeg
verklaart hij dit hier nog eens openlijker met: Gunt ons een ruime plaats is uw
hart, en tracht hij op die grond hen weer tot zich te trekken. Er is immers
niets, wat zo tot beminnen beweegt, als dat hij, die bemind wordt, inziet, dat
zijn minnaar vurig naar wederliefde verlangt.
Want zegt hij, al eerder heb ik u gezegd: u heb ik in mijn hart gesloten, wij horen
bij elkaar in leven en dood. Dat is wel de grootste kracht van de liefde,
dat ze, ook al wordt ze zelf veracht, toch met deze geliefde wil leven en
sterven. Want gij zijt niet zo zonder meer in ons hart, maar zó als ik het u
gezegd heb. Want het kan voorkomen, dat iemand bemint en toch bij gevaren de
vlucht neemt; maar zo is het niet met ons.
Dit
vervult mij met troost.
Met welke? Met die namelijk, die van u uitgaat: omdat gij u weer bezonnen hebt
en mij met uw werken hebt verblijd. Want het is een minnaar eigen, zich ofwel
erover te beklagen, dat hij niet bemind wordt, ofwel te vrezen dat hij bij zijn
verwijten te ver gaat en de andere daardoor bedroeft. Daarom zegt Paulus: Dit vervult mij met troost, en doet mij
overvloeien van vreugde.
Alsof hij wilde zeggen: ‘Ik
was om u zeer bedroefd, maar toch hebt gij mij overvloedig tevreden gesteld en
troost gebracht: want ge hebt niet alleen de oorzaak van mijn droefheid bij mij
weggenomen, maar mij ook doen overvloeien van vreugde’.
En dan toont hij zijn
grootheid, niet hierdoor alleen, omdat hij zei: Ik vloei over van vreugde, maar ook hierdoor, dat hij eraan
toevoegt: Bij al mijn wederwaardigheden.
Hij wilde zeggen: zó groot was de vreugde, die gij mij bezorgd hebt, dat die
zelfs niet door zo’n grote droefheid verduisterd kon worden, maar door haar
uitbundigheid alle moeilijkheden, die ons treffen, te boven kwam, en wij ons
daardoor niet lieten bedroeven.
dinsdag 10 mei 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada IV Temporis Paschalis feria III Esto Dei sacrificium et sacerdos. Wees een offer en priester voor God.
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Petri
Chrysólogi epíscopi
(Sermo 108: PL 52, 499-500)
Tweede lezing
Uit de Preken van de H.
Petrus Chrysologus, bisschop
(Sermo 108: PL 52, 499-500)
Wees een offer en priester voor God
Ik
vermaan u bij de erbarming Gods.
Paulus vraagt hier, ja God zelf vraagt hier door Paulus, opdat Hij liever
bemind dan gevreesd wil worden. God vraagt hier, omdat Hij niet zozeer Heer als
Vader wil zijn. God vraagt hier bij zijn erbarming, om niet te moeten straffen
met gestrengheid.
Hoor de Heer vragen: Ziet, ziet in mij uw
lichaam, uw ledematen, uw binnenste, uw gebeente, uw bloed. En als gij dan
vreest, wat van God is, waarom bemint gij dan niet wat van uzelf is? Als gij
vlucht voor de Heer, waarom snelt gij dan niet naar uw Vader?
Maar misschien beschaamt u de grootheid van
mijn lijden, dat gij veroorzaakt hebt?
Wilt niet vrezen. Dat kruis is niet d angel voor Mij, maar het is de
angel voor de dood. Die spijkers slaan in Mij geen smart, maar dringen uw
liefde dieper in Mij. Die wonden brengen mijn zuchten niet voort, maar brengen
u dieper in mijn binnenste. De uitstrekking van mijn lichaam op het kruis geeft
u meer ruimte in mijn schoot, maar vergroot niet mijn foltering. Mijn Bloed
gaat niet voor Mij verloren, maar wordt als prijs voor u betaald.
Komt dus, keert terug en erkent Hem
tenminste zo als een vader, vanwie gij
ziet dat Hij goed voor kwaad, liefde voor onrecht en zo grote liefde voor
zoveel wonden schenkt.
Maar laten we nu eens horen wat de Apostel
dringend verzoekt: Ik bezweer u, zegt
hij, uw lichamen aan te bieden. Door
zo te spreken verheft de Apostel alle mensen tot de rang van het priesterschap:
dat gij uw lichamen aanbiedt als een
levend offer.
O ongehoorde bediening van het christelijk
priesterschap, wanneer de mens voor zichzelf én offerande én priester is: wanneer de mens niet iets buiten hem aan God
zoekt op te dragen: maar wanneer de mens aanbrengt om aan God op te dragen: wat
hij zelf is, wat in hem is en voor hem is; wanneer zowel de offergave dezelfde
blijft en ook de priester dezelfde blijft; wanneer het offer wordt geslacht en
blijft leven, kan de priester, die offert, niet doden.
Wonderbaar offer, waar het lichaam zonder
het lichaam, het bloed zonder het bloed wordt geofferd. Ik bezweer u, zegt de Apostel, bij
de erbarming Gods, uw lichamen aan te bieden als een levend offer.
Mijn broeders, dit offer van Christus
vloeit voort uit het model, waardoor Hij voor het leven van de wereld zijn
lichaam levend heeft opgeofferd; en zijn lichaam werkelijk tot een levende offerande
maakte, omdat Hij, gedood, toch leeft. Bij zulk een offer wordt de dood
uitbetaald en het slachtoffer blijft. Het slachtoffer leeft, maar de dood wordt
gestraft. Vandaar worden de martelaren door hun dood geboren, beginnen bij hun
einde, leven door doodslag, en in de hemel schitteren zij, van wie men op aarde
meende, dat zij waren vernietigd.
Ik
bezweer u, broeders, zegt hij, bij de erbarming Gods, uw lichamen aan te bieden als een levend en
heilig offer. Dat is het wat de profeet zong: Brand- en slachtoffers hebt Gij niet gewild,
maar een lichaam hebt Gij mij bereid.
Wees, o mens, wees een offer voor God en
wees priester; verlies toch niet wat de goddelijke macht u heeft geschonken en
vergund, doe het kleed aan van de heiligheid, omgord u met de gordel van de
kuisheid; teken Christus op uw hoofdbedekking; het kruis blijve het
beschermende teken op uw voorhoofd; plaats op uw borst het heilig teken van de
goddelijke kennis; brand steeds het reukwerk van uw gebed; grijp naar het
zwaard van de Geest; maak van uw hart een altaar en bied zo zonder vrees uw
lichaam aan tot een slachtoffer voor God.
God verlangt geloof, niet de dood; Hij
dorst naar toewijding, niet naar bloed; Hij wordt verzoend door een goede
gezindheid, niet door een gewelddadige dood.
maandag 21 maart 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomadæ III Quadragesimæ Feria III Quod oratio pulsat, impetrat ieiunium, misericordia accipit.Waar het gebed om smeekt, dat bewerkt het vasten en wordt verkregen door de barmhartigheid.
Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Petri
Chrysólogi epíscopi
(Sermo 43: PL 52, 320. 322)
Tweede lezing
Uit de Preken van de H.
Petrus Chrysologus, bisschop
Waar het gebed om smeekt, dat bewerkt het vasten en wordt
verkregen door de barmhartigheid
Drie dingen zijn er,
broeders, waardoor het geloof stand houdt, waarop de godsvrucht steunt en
waardoor de deugd blijvend is: gebed, vasten en barmhartigheid. Waar het gebed
om smeekt, dat bewerkt het vasten en de barmhartigheid verkrijgt het. Gebed,
barmhartigheid, vasten: deze drie zijn één; zij geven elkaar het leven.
Want de ziel van het gebed
is het vasten, het leven van het vasten is de barmhartigheid. Deze mag niemand
vaneen rukken, want zij kunnen niet gescheiden worden. Wie er van deze drie
slechts één heeft en tegelijk die andere twee niet, heeft niets. Daarom moet
hij, die bidt, ook vasten, en die vast, ook barmhartig zijn. Hij moet naar de
vragende luisteren, die zelf bij zijn vragen gehoord wil worden. Hij opent Gods
gehoor voor zichzelf, die zelf zijn oren niet sluit voor iemand die smeekt.
Hij die vast, moet het
vasten verstaan. Hij die wil, dat God aanvoelt, dat hij honger lijdt, moet de
hongerenden aanvoelen. Hij die hoopt op barmhartigheid, moet barmhartig zijn;
de achting, die hij vraagt, moet hij zelf beoefenen; wie wil, dat iets voor hem
gedaan wordt, moet dat zelf betrachten. Onbeschaamd is de vrager, die voor zichzelf opeist, wat hij aan een
ander weigert.
Mens, wees voor uzelf een
toonbeeld van barmhartigheid. Zoals ge wilt, zoveel ge wilt en zo vlug ge wilt,
dat u barmhartigheid geschiedt, zo gauw ook moet gij zelf op gelijke wijze aan
anderen barmhartigheid bewijzen.
Mogen dus gebed,
barmhartigheid en vasten één grote bescherming zijn voor ons bij God, één grote
voorspraak, één drievormig gebed voor ons.
Wat wij door overtredingen
verloren hebben, laten we dat weer trachten te vinden door het vasten. Laten we
onze harten offeren door het vasten, want we kunnen God niets kostbaarders
schenken, getuige de Profeet, die zegt: Een
berouwvolle geest is een offerande voor God; een vermorzeld en vernederd hart
versmaadt God niet.
Mens, offer God uw ziel en
offer Hem uw vasten, opdat uw offergave zuiver moge zijn, een heilig offer, een
levend slachtoffer, dat zowel voor u mag
voortduren als aan God geschonken zij. Wie dit niet aan God geeft, zal niet
verontschuldigd zijn, want wie zichzelf wil geven, kan niet zonder bezit zijn.
Maar om die gaven te doen
aannemen, moet er barmhartigheid mee gepaard gaan. Vasten is niet vruchtbaar,
als het niet besproeid wordt met barmhartigheid, want door het tekort aan
barmhartigheid verdort het vasten. Wat de regen is voor de velden, dat is de
barmhartigheid voor het vasten. Hoewel het vasten het hart veredelt, het vlees
reinigt, ondeugden uitroeit en deugden aankweekt, verzamelt hij, die vast, deze
vruchten niet als hij geen stromen van barmhartigheid gegeven heeft.
Gij, die vast: uw akker
verschraalt door een tekort aan barmhartigheid; maar wat ge er aan
barmhartigheid in brengt, dat zal in overvloed aanwezig zijn in uw
voorraadschuur. Mens, verlies niet door te willen behouden, want ge zult
datgene niet bezitten, wat ge aan een ander niet gegund hebt.
donderdag 29 juli 2021
Liturgia Horarum 30 juli Gedachtenis van de H. Petrus Chrysologus
Voordat Petrus Chrysologus (Grieks: Άγιος πέτρος ο Χρυσόλόγος, Agios
Petros Chrysologos) (* rond 380)
door paus Suxtus III tot bisschop van Ravenna werd benoemd, was hij diaken van
die stad. Als bisschop onderrichte hij de hem toevertrouwde gelovigen door
woorden en werken. Hij was een vertrouweling van paus Leo de Grote. Aan zijn
welsprekende preken die tot ons zijn gekomen dankt hij de bijnaam Chrysologus
(Grieks voor met het gulden woord).
Hij overleed rond 450.
Uit de Preken van de heilige Petrus Chrysologus
Over
het sacrament van de Menswording
Christus
draagt de mens, opdat de mens niet meer zou vallen.
Wanneer de Maagd ontvangt,
als Maagd baart, en Maagd blijft, is het niet de gewone gang van zaken, maar
een teken; het is niet krachtens de rede, maar een wonder; het is de Schepper,
niet de natuurlijke aanleg; het is niet algemeen, maar enig; het is goddelijk
en niet menselijk. Dat Christus geboren werd, was geen noodzaak, maar een
mogelijkheid; het was een sacrament van goedheid, het herstel van het menselijk
heil. Hij die niet door geboorte de mens maakte uit onaangeroerde leem, Hij
maakte ook een Mens door geboorte uit een onberoerd lichaam; de handen die
genadig de klei namen om ons te vormen, namen ook genadig voor ons heil het
vlees aan. Dus wat de Schepper in zijn schepsel, wat God verwezenlijkt in het
vlees, strekt het schepsel tot eer, (en) is geen belediging van de Schepper.
Mens, waarom zijt gij zo
armzalig, gij die zo kostbaar zijt voor God? Waarom onteert gij uzelf terwijl
gij door God zo geëerd wordt? Waarom zoekt gij hoe gij geschapen zijt en
onderzoekt gij niet waartoe gij geschapen zijt? Is dat alles, wat gij ziet,
niet als een huis van de wereld voor u geschapen? Voor u verdrijft het
binnendringende licht de duisternis, voor u is de nacht ingericht, voor u de
dag afgebakend; voor u wordt het hemelgewelf bestraald met de uiteenlopende
glans van de zon, de maan en de sterren; voor u is de aarde met bloemen, wouden
en weiden en vruchten geschilderd; voor u is de wonderschone menigte van
levende wezens geschapen, die zich ophoudt in de lucht, op de velden en in het
water.
De Schepper bedacht
evenwel nog iets wat bijdroeg tot uw eer: in u legde Hij zijn beeld, opdat een
zichtbaar beeld de onzichtbare Schepper tegenwoordig zou stellen in de wereld,
en aan u gaf Hij de opdracht in de aardse dingen zijn rol te vervullen, opdat
het wijde bezit van de wereld geen nadeel zou zijn voor de plaatsvervanger des
Heren. Wat God door zijn goddelijke almacht in u bewerkt heeft, heeft Hij goedgunstig
in Zichzelf opgenomen, en in de mens heeft Hij Zich werkelijk zichtbaar
gemaakt, in wie Hij vroeger gezien wilde worden bij wijze van voorafbeelding;
en Hij stond toe dat hij nu het Beeld zelf was, hetwelk Hij vroeger als een
gelijkenis had aanvaard.
Christus wordt dus geboren
om door zijn geboorte de verdorven natuur te vernieuwen; het kind zijn nam Hij
op zich, de eerste opvoeding onderging Hij geduldig, Hij doorliep de
(verschillende) leeftijden, om een volmaakte, blijvende leeftijd, die Hijzelf
had vastgesteld, opnieuw in te stellen. Hij draagt de mens, opdat de mens niet
meer zou vallen; Hij bewerkt dat degene, die Hij aards geschapen had, hemels
werd; bezield met een menselijke geest wekt Hij de geest ten leven tot het
goddelijke: en zo heft Hij hem geheel en al op naar God, opdat niets in hem
achterblijft van wat zonde, dood, vermoeienis, pijn en aards is, door de hulp
van Onze Heer Jezus Christus, die met de Vader leeft en heerst in eenheid met
de heilige Geest als God nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
(Sermo 148: PL 52,596-598)
vrijdag 24 juli 2020
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Die 25 iulii S. Iacobi, Apostoli et Martyris. Consortes passionis Christi. Deelgenoten aan het lijden van Christus.
Festum
Ex Homilíis
sancti Ioánnis Chrysóstomi epíscopi in Matthæum
(Hom. 65, 2-4: PG 58, 619-622)
Tweede lezing
Uit een preek van de heilige Johannes
Chrysostomus, bisschop van Constantinopel († 407), over het evangelie van
Matteüs
(Hom. 65, 2-4: PG 58,
619-622)
Deelgenoten aan het
lijden van Christus
De
zonen van Zebedeüs vallen Jezus lastig met de vraag: ‘Geef dat in uw glorie een
van ons aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand mag zitten’ (Mc. 10, 37;
vgl. Mt. 20-21). En zij dringen aan: ‘Zeg het ons!’ Wat antwoordt Hij? Hij
maakt hun duidelijk dat zij niets geestelijks vragen, maar dat zij, als zij
geweten hadden wat zij vroegen, het niet gewaagd zouden hebben iets dergelijks
te vragen. Hij zegt: ‘Ge weet niet wat ge vraagt.’ Immers, hoe groot, hoe
wonderlijk is dat en hoezeer gaat het zelfs de hemelse machten te boven!
Vervolgens zegt Jezus: ‘Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink, en
met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt word?’ Hij wil daarmee zeggen:
‘Gij hebt het met mij over eer en zegekransen, maar Ik heb het over strijd en
lijden. Het is nu niet de tijd voor kransen en evenmin zal mijn roem nu daarin
zichtbaar worden. Het heden is juist een tijd van moord, oorlog en gevaar.’
Zie
eens met welke vragen Hij hen vermaant en nader tot zich brengt. Hij zegt niet:
‘Zijt ge in staat de dood te ondergaan? Zijt ge in staat uw bloed te
vergieten?’ Maar wat zegt Hij? ‘Zijt ge in staat de beker te drinken?’ Dan gaat
Hij verder: ‘Die Ik ga drinken.’ Hij voegt dit toe opdat zij door zich met Hem
te verenigen, des te bereidwilliger zullen zijn dat alles te ondergaan. Dat
noemt Hij dan weer een doopsel om aan te tonen dat de wereld een grote
loutering zal ondergaan door wat er met Hem gebeurt. Zij zeggen tegen Hem: ‘Ja,
dat kunnen wij.’ Bereidwillig beloven zij dit te doorstaan; zij weten echter
niet wat ze zeggen, maar verwachten wel te verkrijgen wat ze vragen.
Wat
zegt Hij nu? ‘De beker die Ik drink, zult gij drinken, en met het doopsel
waarmee Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden.’ Hij voorspelt hun een groot
goed: gij zult het martelaarschap waardig gekeurd worden en gij zult lijden wat
Ik zal lijden. Door een gewelddadige dood zult gij uw leven beëindigen en
daarin zult gij met Mij delen. ‘Het is echter niet aan Mij u te doen zitten aan
mijn rechter- of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn
Vader dit heeft bereid.’ Nadat Hij hun gedachten op een hoger plan gebracht en
hen tegen smart gewapend heeft, verbetert Hij hun vraag.
‘Toen
werden de tien anderen kwaad op de beide broers’ (Mt. 10, 24). Ziet gij nu hoe
onvolmaakt allen nog waren? Zowel degenen die zich boven de tien anderen willen
verheffen, als degenen die de twee benijden. Toon mij echter eens wat er later
met hen gebeurd is en ge zult zien dat zij dan van al dat soort hartstochten
bevrijd zijn. Hoor dan hoe de apostel Johannes, degene dus die Jezus met
bovenstaande vraag benaderde, overal aan Petrus de eerste plaats laat. Hij doet
dat niet alleen wanneer Petrus tot het volk spreekt, maar ook als Petrus
wonderen doet, zoals wij kunnen lezen in de Handelingen van de Apostelen.
Jakobus op zijn beurt leefde niet lang meer na deze gebeurtenissen: hij werd
vanaf het begin door een zo vurige ijver bezield en hij steeg met achterlating
van het menselijke tot een zo grote hoogte dat hij spoedig gedood werd.
maandag 20 juli 2020
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XVI per annum sabbato Cor nostrum dilatatum est. Ons hart staat wijd voor u open.
Lectio altera
Ex Homilíis
sancti Ioánnis Chrysóstomi epíscopi in Epístolam secúndam ad Corínthios (Hom. 13, 1-2: PG 61, 491-492)
Tweede lezing
Uit de Homilieën op de Tweede
Brief aan de Korinthiërs van de H. Johannes Chrysostomus, bisschop
(Hom. 13, 1-2: PG 61, 491-492
Ons hart staat wijd voor u open
Ons
hart heeft zich verruimd. Zoals
toch datgene, wat warmte verwekt, iets doet uitzetten, zo is het ook de
eigenschap van de liefde te verruimen: de liefde is immers warm en vurig. Zij
ook opende de mond van Paulus en verruimde zijn hart. ‘Ik bemin immers niet
alleen met de mond, zegt hij, maar ook het hart klinkt mee in de liefde: daarom
spreek ik vol vertrouwen, met heel mijn tong en heel mijn geest’. Want er
bestond niets wat ruimer was dan het hart van Paulus, omdat hij evenals een
minnaar alle gelovigen met zulk een liefde omvatte, dat hij deze aan niemand
onttrok of ze liet verkoelen, maar ze onverzwakt tegenover eenieder beoefende.
En waarom zou het te verwonderen zijn, dat hij zulk een liefde bezat voor de
vromen, als zijn hart, zelf onder de heidenen verkerend, heel de aarde zou
willen omvatten?
Daarom zegt hij niet: ‘Ik
bemin u’, maar (wat meer klemtoon heeft): Wij
spreken ronduit, ons hart staat wijd voor u open; allen dragen wij in ons,
en dat niet zo goed en kwaad als het gaat, maar met een onmetelijke
ruimhartigheid. Want wie bemind wordt, kan zich zonder enige vrees vrij bewegen
in het binnenste van het hart van de minnaar. Daarom zegt hij: Het is niet onze schuld, dat gij u beklemd
voelt; zelf zijt ge niet ruimhartig genoeg. Zie, hoe zijn berisping met
niet weinig toegevendheid wordt getemperd: wat dan ook juist de eigenschap is
van de minnaars. Hij zegt niet: ‘Gij bemint mij niet’, maar ‘Niet op dezelfde
wijze (als ik)’; want hij wil hen niet al te zeer beschamen.
Ook kan men hier en daar
zien, hoe hij met een ongelofelijke liefde tot de gelovigen brandt, als men
daarvoor bewijzen bijeenhaalt uit zijn verschillende Brieven. Aan de Romeinen
toch schrijft hij: Ik verlang u te leren
kennen; en: Dikwijls heb ik het
voornemen gemaakt u te bezoeken, en: Als
ik eindelijk eens een gunstige gelegenheid krijg om bij u te komen. Tot de
Galaten zegt hij: Mijn kinderkens, welke
ik opnieuw ter wereld breng; tot de Ephesiërs wederom: Daarom buig ik mijn knieën om voor u te bidden; en tot de inwoners van Tessalonika: Want wat is mijn hoop of mijn vreugde of mijn gloriekroon? Zijt gij dat
niet zelf? En dit, omdat hij zei, hen zowel in zijn hart als in zijn boeien
mee te dragen.
Vervolgens schrijft hij aan
de inwoners van Colosse: Gij moet weten,
welke een zware strijd ik te voeren heb voor u en voor zovelen, die mij niet
persoonlijk kennen; opdat uw harten
hierdoor worden getroost. En aan die in Thessalonika: Zoals een moeder haar kinderen voedt en koestert, waren wij u innig
genegen, dat wij u gaarne mét Gods Evangelie ons eigen leven hadden geschonken.
Het is niet onze schuld, dat gij u beklemd voelt. Paulus zegt, dat hij hen
niet alleen bemint, maar ook door hen bemind wordt, en dat hij daardoor vooral
ook hun zielen tot zich trekt. Hierover getuigt hij aldus: Titus kwam ons vertellen van uw vurig verlangen, uw verdriet en uw
ijver voor mij.
Abonneren op:
Posts (Atom)








