vrijdag 27 mei 2016

H. Petrus Canisius [1521-1597]: Vijftien voorrechten der H. Maagd


 Haar derde voorrecht is hierin gelegen: dat zij steeds zuiver was van alle zonde, zowel van de erfzonde als van persoonlijke zonden, tot zelfs de geringste. En dit verheven voorrecht van ongeëvenaarde zuiverheid heeft zij van God ontvangen, toen Hij haar vrijwaarde voor de smet der erfzonde, en haar ziel heeft geheiligd.
Aan geen enkel ander Adamskind is dit grote voorrecht geschonken! Want onzuiver, droevig, ellendig, aan Gods toorn onderhevig, vervloekt en vergiftigd, is onze ontvangenis; maar de ontvangenis van Maria was onbevlekt, heilig, vreugdevol, gelukkig, vol van genade; en nimmer is Maria een kind van Gods toorn geweest, maar zij was altijd heilig.
Zonder dit waarachtige feit zou zij niet met recht genoemd kunnen worden “gezegend onder de vrouwen”: want méér gezegend en rein boven háár zou dan Eva geweest, van wie immers vaststaat dat zij zonder smet is geschapen.
Heel haar leven ten slotte heeft zij nimmer gezondigd, ook niet een dagelijkse zonde bedreven: noch door gedachte, noch door woorden, noch door werken. Geheel schoon is zij altijd gebleven: zij was immers vol van genade, en dus was er niets zondigs in haar.


Haar vierde voorrecht was: haar geboorte. Heilig was deze: omdat zij uit heilige ouders en vrij van zonde ontvangen en geboren is. Daarom was háár geboorte verhevener, en de wereld méér tot heil dan de geboorte van welke heilige ook. En zo zingt de Kerk dan ook: “Uw geboorte, o heilige Maagd en Moeder Gods, heeft aan heel de wereld vreugde geboodschapt.”