vrijdag 6 mei 2016

Collectegebed zevende zondag van Pasen Hij blijft bij ons tot de voleinding van de wereld





Zoals Hij heeft beloofd, blijft hij bij ons tot de voleinding van de wereld

I n l e i d i n g
In het collectegebed van deze zondag is de echo te horen van bepaalde thema’s uitgedrukt in het eigen collectegebed van het feest van ’s-Heren Hemelvaart zoals de bede dat Christus met ons moge blijven tot aan de voleinding van de wereld. Deze zondag staat immers nog in het teken van Hemelvaart, dat vroeger een octaaf had. De Kerk verheugt zich over de verheffing en de verheerlijking van haar Heer: “Alleluia! De Heer is Koning over alle volkeren; God zetelt op zijn heilige troon, alleluia!“ (Alleluiavers, Ps 46,98) en ”God steeg op onder gejubel, de Heer onder bazuingeschal” (Offertoriumgezang, Ps 46,6). Het zien van de hemelse heerlijkheid van de verrezen Heer roept het verlangen op naar het zien van aangezicht tot aangezicht in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zoals de Introitusantifoon van deze zondag het uitdrukt: “Heer, luister naar mijn bidden en smeken, alleluia. Naar U gaat mijn hart uit. U wil ik zien, uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen. Verberg mij uw aanschijn niet” (Ps 26, 7-9). Wie verlangt naar de aan Gods rechterhand verheven Heer,  vindt Hem in de Kerk die de wereld het gelaat van de verheerlijkte Christus toont: haar Hoofd is de Heer, die in haar leeft. De glorie van dit Hoofd is weliswaar nog versluierd: alleen de gelovigen, alleen de ledematen van het Lichaam kennen met de ogen van hun ziel het verborgen gelaat van het Hoofd. En terwijl zij het “zoeken” en vinden door zich te keren naar het dichtbije en aanwezige, verwachten zij zijn toekomstige ontsluiering voor de hele wereld. Dit “zoeken van Christus’ gelaat” is dus bezit en verwachting tegelijk. Niet een blik in het onzekere en naar wat ver weg is, niet een gevoelsmatig en onvruchtbaar verlangen, maar een bestendig en vol ijver gezochte levenseenheid met Hem, die tegenwoordig is, en een zekere, even levenskrachtige verwachting van Hem, die komt. Déze geloofsovertuiging – met de H. Eucharistie als onderpand – drukt de Kerk uit in de oratio post communionem: “God, onze Redder, verhoor ons: sterk ons door deze Eucharistie (de Latijnse tekst geeft “per hæc sacrosancta mysteria”) in het vertrouwen dat aan heel het lichaam van de Kerk de heerlijkheid te beurt zal vallen die al gegeven is aan haar Hoofd, Jezus Christus, onze Heer”. 

T e k s t
Missale Romanum 1970
Supplicationibus nostris, Domine, adesto propitius,
ut, sicut humani generis Salvatorem tecum in tua credimus maiestate,
ita eum usque ad consummationem saeculi manere nobiscum, sicut ipse promisit, sentiamus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wees ons nabij en luister naar ons gebed;
wij geloven dat de Verlosser van alle mensen met U is in de heerlijkheid;
mogen wij ondervinden dat Hij ook met ons is tot aan de voleinding der wereld, zoals Hij zelf heeft beloofd.
Werkvertaling
Verhoor, Heer, in uw goedheid onze gebeden,
opdat, zoals wij geloven dat de Verlosser van het menselijk geslacht met U in uw heerlijkheid is, wij ook mogen ondervinden dat Hij, zoals Hij zelf heeft beloofd,
bij ons blijft tot aan de voleinding van de wereld.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De oorspronkelijke versie van het collectegebed in het Gelasianum Vetus, 580  (Vat. Reg. Lat. 316) eerste helft 8e eeuw, en in het Sacramentarium Gregorianum 108,6, 9e eeuw, luidt als volgt:
Adesto, Domine, supplicationibus nostris, ut, sicut humani generis salvatorem consedere tecum in tua maiestate confidimus, ita usque ad consummationem saeculi manere nobiscum, quemadmodum est pollicitus sentiamus.
Bij de herziening van het collectegebed voor de laatste editie van het Romeins Missaal hebben de redacteurs zich beperkt tot het invoegen van synoniemen en een herschikken: de wezenlijke betekenis van de oratie is niet veranderd. Niettemin is het herziene collectegebed  zwakker qua zeggingskracht en poezie. In de oorspronkelijke versie is Christus gezeten, of heeft zijn plaats ingenomen, consedere, met de Vader in majesteit, hetgeen een sterkere uitdrukking is dan het ingevoegde “is”. Ook de oorspronkelijke alliteratie consedere/confidimus in dezelfde bijzin, werd opgeofferd.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l v o r m e n
1.Supplicationibus nostris, Domine, adesto propitius,
2.ut, sicut humani generis Salvatorem tecum in tua credimus maiestate,
ita eum usque ad consummationem saeculi manere nobiscum, sicut ipse promisit,
sentiamus.
Ad 1
Adesto: imperativusvorm van het futurum van het verbum adesse. Met het prædicaat adesto is supplicationibus nostris in twee congruerende dativusvormen verbonden welke gelezen kan worden als een object. Domine:  anaklese in de vocativusvorm, waarmee God de Vader hier wordt aangesproken. Propitius: prædicatieve bepaling bij het verbum adesto.
Ad 2
utsentiamus: finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin klassiek ingeleid door het voegwoord ut gevolgd door de coniunctivusvorm (1e pers. meervoud activi præsentis) van het verbum sentire, sensi, sensum-, waarnemen, (ge)voelen, gewaarworden, begrijpen, denken, oordelen, gezind zijn, met verwante betekenissen in het Nederlands: sentiment, sensatie enz.
Deze volgorde kan de structuur van deze complexe zin met twee vergelijkingen wellicht verduidelijken:
Ut sentiamus, ita eum usque ad consummationem saeculi manere nobiscum, sicut ipse promisit,
sicut (eum)humani generis Salvatorem tecum in tua credimus maiestate (esse).

De twee bijzinnen ita…nobiscum en sicut…maiestate vormen de “hoofd” vergelijking, terwijl de derde bijzin ‘sicut ipse promisit’ kan worden beschouwd als een vergelijkende bijzin ter ondersteunende aanvulling bij de zin ita….nobiscum (Hij heeft beloofd bij ons te blijven tot de voleinding der tijden.  Promisit staat eveneens in de indicativus vanwege een vastgestelde werkelijkheid. De eigenlijke bede vraagt een ondervinden, een ervaren (sentiamus) van Zijn aanwezigheid bij ons tot het einde der tijden, zoals Hij beloofd heeft. Het geloof (credimus) dat Hij in de majesteit van de Vader leeft wordt als overtuiging ter vergelijking aangevoerd. Zoals het ene vast wordt geloofd, moge in die mate ook het andere gegeven worden.
 
Beide zinnen bevatten een A.C.I. –constructie, welke hieronder onderstreept zijn;
1. ita eum usque ad consummationem saeculi manere nobiscum
De A.C.I. is afhankelijk van (ut) sentiamus.
2. sicut humani generis Salvatorem tecum in tua credimus maiestate (esse).
De A.C.I is afhankelijk van credimus. Esse is verzwegen (ellips).
De genitivi humani generis staan als bijvoeglijke bepaling bij Salvatorem.
In tua…maiestate: bijwoordelijke bepaling met ablativusvormen, geregeerd door het voorzetsel in; in deze woordgroep is een hyperbaton opgesloten [de congruerende naamvallen tua …maiestate worden uiteen geplaatst door het prædicaat credimus.
Tecum: Nobiscum:  bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm
vanwege de prepositie cum (tecum=cum te, nobiscum=cum nobis).

Ad consummationem sæculi: bijwoordelijke bepaling, te splitsen in de accusativusvorm consummationem, geregeerd door het voorzetsel ad, nader bepaald door de genitivusvorm sæculi (genitivus explicativus).
Er is een aardig parallellisme tussen sicuttecum en itanobiscum - zoals…met U, ook zo…met ons.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m
Adsum is het werkwoord waartoe de werkwoordsvorm adesto behoort, welke een imperativusvorm van het “futurum” is (omdat een imperativusvorm, een gebiedende wijs altijd betrekking heeft op een handeling in de toekomst). Het werkwoord adsum/adesse betekent “er zijn, aanwezig zijn, tegenwoordig zijn, voorhanden zijn,” zowel in fysieke als in morele zin. Dus het heeft ook betekenissen als “iemand ten dienste staan, helpen, assisteren, bijstaan, iemands zaak op zich nemen, beschermen, verdedigen, ondersteunen”. En ook “met de geest of met de gedachten tegenwoordig zijn, aandacht geven, aandachtig luisteren” en verder “aan iets meewerken,  deelnemen aan, met ons zijn”.
In de wijdingsritus voor het priesterschap en in het ritueel voor de religieuze professie worden de candidaten met hun naam opgeroepen en dit is het formele moment van een “roeping” – vocatio: Adsum! – antwoorden dezen. Welke een belangrijk persoonlijk, ontroerend en plechtig moment is dit telkens! Bij de religieuze professie gaat daar de uitnodiging aan vooraf: Magister vocat te – De Meester roept u, waarmee wordt benadrukt dat geroepen worden en roeping zich afspelen op een bovennatuurlijk plan.  
Supplicatio betekent “smeekbede, deemoedig gebed” maar ook “plechtig smeekgebed”. De vorm supplex (adiectief), “smekend, deemoedig” is dezelfde als het substantief, te vertalen met “smekeling”. Het werkwoord supplicare, samengesteld uit het voorzetsel sup/sub- en -plicare wijst plastisch op de houding van een smekeling: in gebogen houding, geknield en onderdanig, met een,  als het ware “gevouwen” of  “geplooid” lichaam.
Voor het zinsdeel waarmee het collectegebed opent: supplicationibus nostrisadesto geeft het woordenboek : “verhoor onze gebeden”.
Van maiestas is de grondbetekenis “grootheid, verhevenheid, waardigheid, majesteit”. In verbinding met andere woorden betekent het iets meer: “maiestas” verwijst in het klassieke Latijn naar de “soevereiniteit van het Romeinse volk”. De uitdrukking “lædere maiestatem”, “het schenden of kwetsen van de majesteit van het Romeinse volk” is de term voor majesteitsschennis, hoogverraad. In het Engels wordt hetzelfde begrip gebruikt: “lese majesty” en ook het Franse equivalent luidt: “lèse majesté”. Het is iets van alle tijden en welke consequenties dit vergrijp kan hebben leren we genoegzaam uit de actualiteit.
Consummatio is technisch gezien een “optelling, bijeentelling, opsomming, berekening, overzicht” evenals “voltooiing, voleinding, vervulling, verbruik”. Denk aan het laatste woord van Jezus aan het kruis: Consummatum est, Het is volbracht (Jo 19,30) en aan de connotaties van “consumeren”.
C o m m e n t a a r
Tot de oerchristelijke geloofsbelijdenis behoren niet alleen de elementen van Dood, Verrijzenis en Hemelvaart van Christus, maar ook zijn zetelen aan de rechterhand van de Vader: ”sedet ad dexteram Patris”, een geloofspunt dat in het Credo en ook in de verkorte vorm “de Twaalf Artikelen” onmiddellijk volgt op de uitspraak: “et ascendit in cælum”.
In de Persoon van de Verrezen Heer, de Godmens, is onze mensheid aanwezig aan de rechterhand van God de Vader. De verheffing tot de rechterhand van God is immers ook in het paasmysterie vervat. De originele oratie in het Oude Gelasianum spreekt dan ook van het tronen van Christus –“consedere tecum”- met de Vader in diens Majesteit, terwijl het postconciliaire Missale Romanum zegt: “zoals wij geloven dat de Verlosser van het menselijk geslacht met U in uw heerlijkheid is”. Hoe zeer de christenen ook over de verheffing van de Heer jubelen, deze verheffing schijnt hen toch zwaar omdat de Heer van hen is weggenomen.
Tegenover het gevoel van verlatenheid staan de woorden van de belofte: “Et ecce ego vobiscum sum omnibus diebus, usque ad consummationem sæculi” - Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld (Mt 28,20), waaraan het collectegebed God herinnert. De oratie wantrouwt uiteraard de belofte niet, maar zij vraagt de genade te mogen ondervinden, dat de Heer bij ons is (“sentiamus”). Slechts om die reden ontstaat de indruk van een tegenstrijdigheid tussen “het zitten ter rechterzijde van Gods majesteit in de hoge” (Hebr 1,3)  en de belofte van de scheidende Heer bij Matheus, terwijl in de Hebreeënbrief onbevangen ruimtelijke categorieën worden gebezigd voor een toedracht die geen feitelijke ruimte kent. Dit misverstand wilde het postconciliaire Romeins Missaal kennelijk voorkomen door het beeld van het “tronen” te vermijden. Maar dat ging niet zonder verlies aan expressieve kracht.
Met de belijdenis in het Credo: “Hij zit aan de rechterhand van God“ zijn twee wezenlijke dingen gezegd. Het begrip “aan de rechterhand“ is een beeld voor de ereplaats. Wie aan de rechterzij zit, heeft een ererang, een eervolle voor-rang. En Jezus, die in de hemel is opgenomen, heeft de eervolle voorrang op alle hemelse wezens. Hij is verheven, niet alleen boven alle hemelen, maar ook boven alle schepsels. De Hebreeënbrief benadrukt dat zelfs de Engelen, die toch onlichamelijke geesten zijn, zelfs beneden Jezus staan. “Hij is de afglans van [Gods]  heerlijkheid en het evenbeeld van zijn Wezen en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. Hij heeft zich neergezet ter rechterzijde van Gods majesteit in den hoge, zoveel groter dan de engelen als Hij hen overtreft in de waardigheid die zijn deel is geworden“ (Hebr 1, 3-4). Hij is boven de engelen verheven, want Hij heeft de naam van Zoon. Tot geen engel heeft God ooit gezegd: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt. En tot geen engel heeft Hij gezegd; Ik zal een Vader voor Hem zijn en Hij Mij een Zoon. Alle engelen moeten Hem veeleer hulde brengen. Hij is de Eerste in de heerlijkheid van de hemel, ook boven zijn Moeder ook boven alle heiligen, ook boven de engelen. Maar dat niet alleen. Hij “zit“ aan de rechterzijde van God. Ook zitten is natuurlijk een beeld, want God heeft noch een rechter-  noch een linkerzijde, God zit of staat ook niet, want God is een Geest. Maar wanneer wordt gezegd dat Christus zit, wordt daarmee iets uitgedrukt. Wie zit of zetelt? In de taal van de Bijbel zit nu eenmaal de koning wanneer zijn onderdanen hem huldigen. Wanneer dus van Jezus wordt beleden dat Hij “zit“ aan de rechterhand van God, worden Hem koninklijke macht en waardigheid toegeschreven. Wie zit verder? Ook de rechter zit. De rechter zit op zijn rechterstoel en spreekt recht. Wanneer Jezus nu het zitten wordt toegekend, wordt daarmee ook uitgedrukt dat Hij de rechterlijke macht bezit, dat Hij de Rechter is, de Rechter van levenden en doden.
De ten hemel opgestegen Mensenzoon bezit koninklijke macht en Hij bezit de macht van Rechter. Hem komt de hoogste macht in de hemel en op aarde toe. Zo schrijft de H. Paulus in de Brief aan de Efesiërs: “De oppermachtige werking van zijn kracht heeft Hij [de Vader] ontplooid in Christus zelf, toen Hij Hem opwekte uit de doden en zette aan zijn rechterhand in de hemelen, hoog boven alle Heerschappijen, Machten, Krachten en Hoogheden en boven elke naam die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw. En alles heeft Hij onder zijn voeten gelegd, en Hemzelf, verheven boven alles, heeft Hij als Hoofd gegeven aan de Kerk, de Volheid van Hem die het al in alles vervult (cf Ef 1,19-23). Dit is het glorierijke gevolg van Christus’ Hemelvaart.
Als het zo is dat Christus de hoogste macht in hemel en op aarde toekomt dan kan hieruit alleen maar volgen dat iedereen zich aan Hem moet onderwerpen en zijn onderdaan moet zijn. Hij die de gestalte van een knecht had aangenomen, werd door God verheven en heeft van Hem een Naam ontvangen die boven alle namen is, opdat in de Naam van Jezus iedere knie zich buigt, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en ieder tong belijdt tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer!
Is onze mensheid reeds met Jezus opgestegen en zijn wij reeds daar, toch zijn we nog niet daar. We moeten wachten tot de voltooiing van de wereld en de eindafrekening om ons bij Hem te mogen voegen in onze definitieve staat van eindeloze aanbidding en comtemplatie van de Drieëne God.
Christus heeft zijn beloften vervuld, Hij vervult zijn beloften en Hij zal zijn beloften vervullen: Hij is met ons in de H. Eucharistie, in de woorden van de H. Schrift, in de persoon van de Priester, in de gemeenschap van de gedoopten.
Christus is bij ons, terwijl Hij ons nog altijd onderricht, leidt en heiligt in zijn H.Kerk waarvan Hij het Hoofd is. Door en in Hem vormen wij het Lichaam, de ledematen, de Kerk.
Wanneer de wereld, ieder ding en iedereen in balans is gebracht en alles door Christus aan de Vader is onderworpen, zodat God alles in allen is, zal Christus, het Hoofd en Christus het Lichaam, zoals Sint Augustinus het stelde, Christus Totus zijn: Christus geheel en al, de volledige Christus.

(Bewerking van de commentaren en homilie van en onder dank aan J. Passcher +, G. May en J. Zuhlsdorf)