Posts tonen met het label overwegingen van A. Jaakke pr.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overwegingen van A. Jaakke pr.. Alle posts tonen

zaterdag 16 april 2022

Overweging voor de Paasnacht - De Heer is waarlijk opgestaan, alleluja! 2016

In de heilige kerstnacht wordt in het nachtofficie de volgende tekst uit het boek Wijsheid gezongen: “Toen de nacht de helft van zijn weg had afgelegd en alles in diepe rust verzonken was, sprong uw almachtig Woord op van zijn troon in de hemel om neer te dalen naar de aarde die in de greep was van het kwaad.
Ook vandaag heerst de stilte, de rust van het graf. U kent allemaal wel de Matteüspassion van Johan Sebastian Bach die sluit met de onvergetelijke tekst op die even onvergetelijke melodie: Ruhe sanfte, sanfte Ruhe! Jezus rust in het graf waarin hij is neergelegd. En ook Jeruzalem en het heilige Land zijn in rust, want het is sabbat, de rustdag, de dag waarop God ophield met zijn scheppingswerk. Lezen we niet in het boek Exodus: “Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.” Jezus rust, de mensen rusten en ook God rust.
Maar de zon is nu ondergegaan, de sabbat, de zevende dag, is voorbij. Er begint een nieuwe week, met een nieuwe eerste dag. In de H. Schrift begint een nieuwe dag altijd eerst met het donkere deel, vanaf het tijdstip dat de zon is ondergegaan, en dan met het lichte deel, vanaf het tijdstip dat de zon aan het opkomen is. Het werd avond en het werd morgen, hoorden we zojuist, één dag; het werd avond en het werd morgen, de tweede dag enzovoorts. Nu de zevende dag is geëindigd en de eerste dag begonnen, is het weer tijd voor actie, mogen de mensen en ook God weer aan het werk. Alle vier evangelisten zeggen met wat andere woorden ongeveer hetzelfde: al na zonsondergang, toen de rustdag voorbij was, op de eerste dag van de week, kwamen de vrouwen in actie: Maria uit Magdala, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome. Zij gingen naar de markt om geurige oliën te kopen om volgens Joodse rituelen het lichaam van Jezus te balsemen. Maar zij wachten nog tot de eerste zonnestralen de duisternis zou verdrijven om dan hun werk bij het eerste daglicht te verrichten. Maar als zij op de avond van de eerste dag al aan het werk gaan om oliën te kopen, zou God dan werkloos blijven toekijken? Zou ook hij niet in actie komen? Begon hij niet op de eerste dag duisternis en licht van elkander te scheiden, en luidden zijn machtswoord niet: Het worde licht. Deze eerste dag waarop God opnieuw aan de slag gaat, is het begin van een nieuwe schepping. Nog voor de vrouwen in afwachting van het daglicht naar het graf gaan, is God al aan het werk gegaan om zijn beminde Zoon uit de doden op te wekken.
Was het Jezus niet die de doodzieke schoonmoeder van Petrus vanaf haar ziekbed deed opstaan? Was het Jezus niet die het overleden dochtertje van Jaïrus  uit de dood deed verrijzen? Hoe zou Jezus, de Zoon van God, die doden deed verrijzen, dan zelf in de greep van de dood kunnen blijven? Daarom: zoals God op de eerste dag van de schepping licht uit duisternis deed ontstaan, zo wekte hij op de eerste dag van de herschepping zijn geliefde zoon Jezus levend op uit de greep van de dood.
In de heilige Kerstnacht daalde Gods almachtig Woord af van zijn troon naar de aarde om het vergankelijke leven van ons mensen te delen. Nu, in de heilige nacht van Pasen, op de eerste dag van de week, keert hij terug naar zijn troon in de hemel, als overwinnaar van de dood.

De vrouwen troffen bij de eerste zonnestralen van de eerste dag slechts een leeg graf aan. Tot op de dag van vandaag getuigen zij tegenover ons dat de dood geen eindpunt is, maar een doorgang naar de verheerlijking bij God. En de geurige oliën die zij gekocht hadden? Die zijn niet weggegooid! Tot op heden dienen zij als balsem op de wonden van onze zielen, zo vaak aan twijfel ten prooi. Daarom roepen wij vol overtuiging: De Heer is waarlijk opgestaan, alleluja!                                                                                Dr. Alfons Jaakke pr.

zaterdag 23 oktober 2021

Overweging voor 30e zondag door het jaar (B) II - Hij zal ons licht geven in de duisternis


                                                             
Jeremia 31,7-9
Hebreeën 5,1-6
Marcus 10,46-52

Wie van ons heeft als kind geen blindemannetje gespeeld? Wanneer broertjes en zusjes in huis bijeen waren, soms ook met schoolvriendjes erbij, bepaalde de groep jongens en meisjes eerst door middel van een aftelrijmpje wie hem moest zijn, zoals dat in kinderspelletjes heet. Dan kreeg het slachtoffer een blinddoek voor, waarbij wel tienmaal gevraagd werd of ie echt niets zag. Geen lichtstraaltje mocht door een kiertje nog tot zijn ogen doordringen. Wanneer de kinderen zich verstopt hadden, moest hij op de tast naar ze op zoek gaan, en zijn oren goed de kost geven, want elk geluidje kon de schuilplaats van een kind dat zich achter een bank of onder tafel verstopt had, verraden. Struikelend over drempels en kleedjes en zich stotend aan tafels en deurstijlen moest de blindeman zich een weg zien te vinden door het woud van meubilair.
Deze namaak-blindheid is natuurlijk maar kinderspel vergeleken met iemand die echt blind is. Wanneer die zich een weg moet banen over straat, wordt hij gehinderd door links en rechts neergegooide fietsen, fout geparkeerde auto’s, straatmeubilair, kuilen en hobbels in de bestrating. De meeste blinden kunnen tegenwoordig wel beschikken over een geleidehond en een rood-witte stok, maar u kunt zich voorstellen hoe dat 2000 jaar geleden ging. Toen deed een blinde er het beste aan om zich maar niet te verplaatsen. Hij nestelde zich bij de stadspoort of bij een kruispunt van wegen, en was voor zijn levensonderhoud afhankelijk van het genadebrood dat voorbijgangers hem toegooiden, een stuk korst of een schamel muntstukje. Toch waren mensen met een handicap in het oude Israël niet helemaal zonder wettelijke bescherming. In het boek Leviticus lezen we dat het verboden is voor de voeten van een blinde een obstakel te leggen (19,14), en in het boek Deuteronomium wordt een vloek uitgesproken over hem die een blinde de verkeerde richting wijst (27,18). En ook sociaal gedrag ten opzichte van de gebrekkige mens ontbrak bepaald niet, want Job getuigt van zichzelf dat hij als wetsgetrouw man “ogen was voor de blinde, en voeten voor de lamme” (29,15).
Vandaag horen we dat Jezus en zijn leerlingen in Jericho zijn aangekomen. Jericho, de stad gelegen aan de rivier de Jordaan vlak voor de uitmonding in de Zoutzee, ook wel de Dode Zee geheten. Waar Mozes kort voor zijn dood een blik gegund werd op het Beloofde Land alvorens hij het stokje van de verantwoordelijkheid overgaf aan Jozua (Deuteronomium 32, 48-50). Waar Jozua aleer ze de Jordaan overstaken, met de Israëlieten het Paasmaal, Pesach, bereidden (Jozua 5, 10-11). Waar de Israëlieten onder aanvoering van Jozua zevenmaal om Jericho heen trokken, terwijl zeven priesters op de zeven ramshoorns bliezen. Jericho, de stad die door Herodes de Grote was verfraaid met paleizen, amfitheaters, een paardenrenbaan, villa’s en badhuizen, de stad vanwaar de Paaspelgrims hun laatste etappe begonnen, de steile klim van een kilometer omhoog, op naar Jeruzalem. En daar, op dat stuk weg is die blinde gezeten. Het is de zoon  van Timeüs, Bar Timeüs dus. Kennelijk is het een vertrouwde figuur langs die weg, want Marcus kent hem bij name. Misschien zat hij daar altijd wel te bedelen, bij elke pelgrimage, zoals nu muzikanten, dansers en mimespelers de Dam uitkiezen voor de beste plekjes dicht bij de duizenden toeristen die daar langs stromen. Hoe blind Bar Timeüs ook is, des te scherper hoort hij dat Jezus de Nazarener voorbijkomt. Hij roept die Jezus toe als ”Zoon van David”. Jezus , een man uit Galilea die zijn wortels heeft in Betlehem, een vorstenzoon op weg naar de koningsstad Jeruzalem om daar zijn intocht te houden. Als Jezus hem straks prijst om zijn geloof, dan is dit zijn geloof: dat hij Jezus aanspreekt als een koningszoon uit de profetie van Jesaja 9,5-6. Is dat ook niet wat de menigte bij de intocht van Jezus in Jeruzalem zal roepen: Hosanna, de Zoon van David! De man laat zich niet stoppen door de leerlingen die hem het zwijgen willen opleggen. Die voelen zich als de lijfwachten van Jezus, als zijn paladijnen die de beste plaatsen voor zichzelf hebben uitgekozen, en willen dat anderen op een afstand blijven en hun mondje houden. Zoals ze ook de moeders met hun kinderen bij Jezus wilden weghouden. Een cordon om Jezus leggen, bang om de kring te verwijden en zelf een stapje terug te moeten doen.
Nogmaals roept de blinde Jezus aan, en wat hij van een koning vraagt is geen plaats aan zijn rechter- of linkerhand, maar dat die zich over hem zal ontfermen. Dat is toch geheel andere taal dan we vorige week hoorden van Jakobus en Johannes met hun: wij willen en wij eisen. Dit is een waar gebed, hij vraagt alleen maar om ontferming. Hij zoekt Jezus, hij zoekt niets voor zichzelf. Hij zoekt een koning die medelijden met hem heeft, hij wil bij die koning zijn. Prachtig is hoe Jezus stil blijft staan, zoals Hij ook stil bleef staan toen Hij voorbij de boom kwam waarin Zacheüs zich verstopt had. Jezus zegt de leerlingen dat ze de blinde bij Hem moeten roepen. Dat is hun enige taak; geen ereplaatsen maar de dienende functie om mensen bij Jezus te brengen. Op die roepstem komt de zoon van Timeüs overeind en werpt zijn mantel af, zijn enige bezit, in tegenstelling tot de man van vorige week die met al zijn bezittingen zelfs geen afstand kon doen van iets kleins. Al tastend, met het geluid als zijn enige gids, gaat de blinde op Jezus af. Verrassend is dat we Jezus voor de tweede maal horen zeggen: “Wat wil je dat Ik voor je doen zal?” Precies dezelfde vraag als vorige week toen Jakobus en Johannes met een eisenpakket bij Jezus aankwamen, en Jezus ook aan hen vroeg: “Wat willen jullie dat Ik voor je doen zal”. Nu geen bede om een hoge positie, maar eenvoudigweg: dat ik zien mag, weg met die eeuwige nacht. Zijn geloof heeft hem gered, zegt Jezus, zoals Hij dat ook zei tegen de zieke weduwe (Matteüs 9,22), tegen de publieke vrouw (Lucas 7,50) en tegen de melaatse (Lucas 17,19). Een simpel geloof, niet meer dan: Ik ben de zoon van Timeüs, maar U bent de zoon van David, de koningszoon die weet wat medelijden is, die mij kan helpen. Bij U moet ik zijn! Het Griekse werkwoord draagt ook nog de notie in zich van opkijken, omhoog zien. Wie denkt hier niet aan de tekst uit de profeet Zacharia: ze zullen opzien naar Hem die zij doorstoken hebben (12,10), een tekst die ook de evangelist Johannes gebruikt wanneer de soldaten de zijde van Jezus doorsteken wanneer Hij aan het kruis hangt. En tenslotte horen we: Terstond zag hij, zag hij Jezus, zag hij op naar Jezus, en volgde Jezus op zijn weg. Dat is het enige wat Marcus ons meedeelt over het verdere leven van deze Bar-Timeüs. Marcus heeft dit alles opgetekend uit de mond van Petrus die getuige en ooggetuige geweest is van deze gebeurtenis. Tot zijn schaamte heeft Petrus moeten erkennen dat hij, de Twaalf en de leerlingen maar blinden waren op de weg die Jezus hun voorging, blinden die niet zagen en die niet begrepen. Zoals ook wij trouwens. Maar Petrus weet ook van die andere blinde die aan het begin van de weg, in Betsaïda, in drie vier stappen, door Jezus tot zien gebracht werd (8,22-26). Op onze levensweg waarop we Jezus volgen, zien we niet steeds even helder. Geloven is een groeiproces, het gaat met horten en stoten, met vallen en opstaan. We tasten vaak als blinden in het duister, maar we kunnen allemaal bidden en roepen: “Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!”. En Hij zal ons licht geven in de duisternis en tot ons zeggen: je geloof, je vertrouwen heeft je gered. Amen.
Dr. Alfons Jaakke, pr.

donderdag 30 september 2021

1 oktober H. Teresia van het kind Jezus. "Een moderne Hieronymus, dochter van Abraham, een en al oor voor Gods Woord".


Vandaag de gedachtenis van de H. Teresia van het kind Jezus. Uit het Missaal lezen we het volgende: Thérèse Martin werd in 1873 te Alencon in Frankrijk geboren. Op zeer jonge leeftijd trad zij in het klooster van de Karmelitessen te Lisieux. Evangelische eenvoud en godsvertrouwen kenmerkten haar persoon. Zij bood God haar leven aan voor het geestelijk welzijn van de mensheid en voor de uitbreiding van de Kerk. Zij stierf op 30 september 1897.
Wat een gelukkig samenvallen deze week van zondagse evangelieteksten en gedachtenissen van heiligen. In dit C-jaar hoorden we zondag in de evangelielezing Abraham tegen de rijke man zonder naam zeggen: “Ze hebben Abraham en de Profeten, laten ze naar hen luisteren!” (Lucas 16 vers 29). Gisteren herdachten we de H. Hieronymus, bij uitstek een bijbelman, wiens drank en voedsel het was om van dag tot dag te denken, te voelen en te leven vanuit de H. Schrift. Welnu, Teresia mogen we met recht en reden een bijbelvrouw noemen. Als we haar ontdoen van alle negentiende-eeuwse vernis waardoor zij een lieftallig meisje is geworden met een onvolwassen vroomheidsideaal, ontdekken we een jonge meid die zich heel bewust was van haar roeping tot God, en zich met hart en ziel, met huid en haar overleverde aan de goddelijke Liefde. Vanaf haar zestiende tot aan haar dood toen ze slechts 24 jaar oud was, heeft zij op haar weg – die zij zelf haar kleine weg noemde  - een grote spirituele diepgang bereikt, maar tegelijk de donkere nacht van de God-verlatenheid moeten ervaren. Groeiend van klein kind dat nog melk nodig heeft ging zij over naar het vaste voedsel van de volwassenen: de H. Schrift (Hebreeën 5, 13-14). In haar “L’Histoire d’une Ame” laat zij zien hoe de woorden van de bijbel haar leidraad waren geworden. Worstelend met God, zoals eens Jakob met de Onbekende in het boek Genesis (32, 25-33), putte zij troost uit psalm 144 vers 1: “Geprezen zij de HEER, mijn rots, die mijn handen oefent voor de strijd, die mijn vingers schoolt voor het gevecht”. God , zo ervoer zij, gaf haar zelf de vaardigheid om weliswaar met pijn maar toch ongeschonden uit het geloofsgevecht te voorschijn te komen. En toen haar lichamelijke krachten afnamen en moedeloosheid en aanvechtingen van ongeloof haar bedreigden, putte zij kracht uit het lied van Mozes (Genesis 32, 11-12): “Zoals een arend over haar jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt, zo heeft de HEER zijn volk geleid”. Hoe door en door bijbels heeft zij zich deze uitspraak eigen gemaakt! We schuilen niet alleen onder Gods vleugels als we bang zijn; we worden ook op zijn wieken gedragen als we dreigen te vallen.   Wanneer ravijnen en diepe kuilen zich voor ons openen, is HIJ er om ons erover heen te dragen.                                                                                                                                                                                                                          Teresia heeft haar geloofsleven nooit willen los zien van de kerk. Zij besefte heel diep, lidmaat te zijn van het lichaam van Christus zoals de apostel Paulus ons dat uiteenzet (1 Korintiërs hoofdstuk 12). Behalve het hoofd moet er ook een brandend hart zijn, legt zij uit, en dat is een hart dat brandt van liefde (1 Korintiërs hoofdstuk 13). Door van liefde verteerd te worden wil zij alles voor allen zijn: profeet, leraar, verkondiger, apostel, martelaar, oog en oor, hand en voet. Haar kleine weg heeft niets pietepeuterigs, maar is zo groots en zo ruim als Wet, Profeten en Geschriften maar kunnen zijn. “Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde, maar uw gebod is grenzeloos ruim” (psalm 119,96).
Een moderne Hieronymus, dochter van Abraham, een en al oor voor Gods Woord.
Alfons Jaakke pr. 

woensdag 29 september 2021

30 september Gedachtenis van de H. Hiëronymus "Een voorbeeld van “amor Verbi Dei” = de liefde voor het Woord van God".


De inleiding van het missaal vertelt ons dat hij omstreeks het jaar 340 werd geboren in  Dalmatië, het tegenwoordige Kroatië. Hij ging in Rome studeren en werd er ook gedoopt. Hij ging terug naar het Midden-Oosten om er als kluizenaar te leven. Eenmaal priester gewijd ging hij terug naar Rome en werd secretaris van paus Damasus die hem verzocht de heilige Schrift in het Latijn te vertalen, en reeds bestaande Latijnse weergave te verbeteren en te stroomlijnen. Deze vertaling staat bekend als de Vulgata – dat betekent: de onder het volk verspreide – en wordt tot op de dag van vandaag nog steeds, zij het in gecorrigeerde vorm, in onze Kerk uitgegeven, gelezen en voorgelezen in de liturgie. Hierna bracht hij de rest van zijn leven door in Bethlehem. Daar  maakte hij zich op nog andere wijze voor de Kerk bijzonder verdienstelijk, namelijk door zijn vele theologische werken en bijbelcommentaren. Hij stierf in het jaar 420.
Voor mij als jonge theologant en monnik was hij een voorbeeld van “amor Verbi Dei” = de liefde voor het Woord van God. In de hymne van de lauden vielen mij de woorden op “scrutanda studuit”, in navolging van Jezus’woorden: “Scrutamini Scripturas” Johannes 5,39. Al onderzoekend, al navorsend bestudeerde hij de heilige teksten. Je zou kunnen zeggen: hij pluisde ze na, hij kroop erdoor heen om zo de verborgen schatten van de bijbel bloot te leggen. Je zou hem kunnen vergelijken met een mijnwerker, met een grondonderzoeker die schachten graaft om kostbare ertsen en metalen naar boven te halen. Ik legde dan ook meteen verband met de lectio brevis van deze ochtend, genomen uit Jeremia 15 vers 16: “Telkens als ik uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde”. Het symbolische opeten en verwerken van Gods woorden komen nog plastischer terug in die andere grote profeet van de ballingschap, namelijk Ezechiël die getuigt: “De stem zei tegen mij: Mensenkind, eet op wat je wordt voorgehouden, eet deze rol op en ga naar de Israëlieten om te profeteren. Ik opende mijn mond en kreeg de boekrol te eten, en de stem zei: Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol die ik je geef. Ik at de rol op, hij was zo zoet als honing” Ezechiël 3, 1-3.  En via Jeremia en Ezechiël kom ik tot het boek Openbaring waar Johannes ons vertelt: “Toen hoorde ik opnieuw die stem uit de hemel. Hij zei tegen mij: Haal de geopende boekrol die de engel  in zijn hand heeft. Ik ging naar de engel toe en vroeg om het boekje. Hij reikte mij het aan en zei: Eet het op. Het zal branden in je maag, maar in je mond zo zoet zijn als honing. Ik pakte het boekje aan en at het op. Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag” Openbaring 10, 8-10.
Wanneer we van tijd tot tijd psalm 19 bidden en ook psalm 119, dan horen we de volgende teksten in onze oren klinken: “Uw woorden zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat (19,11). En ook: “Goed voor mij is de wet uit uw mond, beter dan een schat aan goud en zilver”.  En nog: “Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte, zoeter dan honing voor mijn mond” psalm 119 vers 72 en 103. De woorden van de Schrift moeten gekauwd, vermalen en doorgeslikt worden. Ze moeten door heel ons lijf gaan om verwerkt te worden en  om de sensaties op te doen van zoet en zuur, van versterkend en troostend ,van heerlijk en soms ook bitter. Omstanders zeiden van Jezus’ uitspraken:  “Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?” Maar Simon Petrus zei:  “U spreekt woorden die eeuwig leven geven” Johannes 6 vers 60 en 68. Daarom wil ik besluiten met die lapidaire uitspraak van Hiëronymus uit de lectio altera van hedenochtend: “Ignoratio Scripturarum ignoratio Christi est”, wat betekent: het niet kennen van de Schriften staat gelijk met het niet kennen van Christus”.  Voor ons nu een aansporing om de woorden van de Schrift dagelijks in te drinken, ze te maken tot ons “voedsel uit de hemel”. Amen.
Alfons Jaakke pr. 

zaterdag 29 mei 2021

Overweging Hoogfeest van de H. Drie-eenheid - Tegen alle twijfels in belijden de psalmzingers hun geloof en vertrouwen in God.

Hoogfeest van de H. Drie-eenheid
Spreuken 8,22-31
Romeinen 5,1-5
Johannes 16,12-15
Overweging
Zusters en broeders,
Je kunt de radio niet aanzetten voor een verslag, of de T.V. voor het journaal of een familieserie, of je hoort mensen roepen: ‘Mijn God’ of op zijn Engels: ‘My God’. Voor elk wissewasje, voor elke onverwachte ontmoeting of gebeurtenis wordt God aangeroepen als een soort magische kracht, zelfs door mensen die helemaal niet godsdienstig zijn of het bestaan van God gewoonweg ontkennen. Nu is God ook geen vanzelfsprekende grootheid, ook in de heilige Schrift, de bijbel niet. In het boek Psalmen komen nogal wat teksten voor waarin aan het bestaan van God getwijfeld wordt of zelfs ontkend. In psalm 53 laat de psalmist iemand aan het woord komen die uitroept: “Er is geen God”. Weliswaar wordt hij een dwaas genoemd, maar toch …  En in psalm 10 verschijnt een man op het toneel die bulkt van het geld en die bij zichzelf denkt: “God -  die bestaat niet. Niemand vraagt mij rekenschap, niemand die mij iets maakt, het kwaad kan mij niet deren”. En even verderop: “Als er al een god is, dan ziet ie toch niets; hij wendt zijn blik van ons af en vergeet het”. Zo lijken de boosdoeners en de slechteriken in deze wereld  onaantastbaar, onkwetsbaar, en kunnen ze doen en laten wat ze willen. Daarom roept de gelovige bidder vertwijfeld uit: “HEER, God, waarom bent U zo ver weg, waarom verbergt U zich in tijden van nood?” (psalm 10,1). Het is dan ook met recht en reden dat de profeet Jesaja tot God zegt: “U, God van Israël, U bent een God die zich verborgen houdt” (Jesaja 45,15).  Maar tegelijk uitroept: “U bent een God die redding brengt, er is geen andere god, niet één!” (45, 14 en 17). Tegen alle twijfels in belijden de psalmzingers hun geloof en vertrouwen in God: “HEER, nog voor de bergen waren geboren, nog voor U de aarde had gebaard, bent U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid (psalm 90,1-2). En elders: “Vóór alle tijden hebt U de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van uw handen. Zij zullen vergaan, maar U blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde” (psalm 102, 26-27). Deze verborgen God, die zoals de apostel zegt, woont in een ontoegankelijk licht (1 Timoteüs 6,16), is niet te begrijpen door ons verstand en gaat elke voorstelling te boven. U kent allemaal wel het verhaal over de heilige Augustinus die zulke schitterende boeken geschreven heeft als De Stad van God (Civitas Dei) en De Bekentenissen/ Belijdenissen (Confessiones). Eens liep hij langs het strand van de Middellandse Zee, nadenkend over God en diens schepping. Toen zag hij een jongen die bezig was in een emmertje uit de zee water te putten en dat leeg te gieten in een kuil die hij gegraven had. In al zijn geleerdheid zei Augustinus tegen het jongentje: “Je denkt toch niet dat je al het water van de zee in dat kuiltje kunt gieten!” Toen antwoordde de jongen: “En u denkt toch niet dat u de oneindige God kunt vangen in menselijke gedachten en begrippen?” [Het jongetje zou misschien wel Jezus zelf kunnen zijn zoals bij Christoffel die het Jezuskind een rivier moest overdragen]. Eens kwam er na de synagogale eredienst een gelovige Jood bij de rebbe, en vroeg hem: “Laat mij God toch eens zien!” De rabbi nam hem mee naar buiten en zei tegen hem: “Kijk eens naar omhoog, recht in het hart van de zon”. Dat kon de man natuurlijk niet, waarop de rebbe zei: “En jij wil met je sterfelijke ogen de glorievolle God zien terwijl je niet eens naar de zon kunt kijken!” Daarom wordt er van oudsher in de Wet van Mozes geboden: “U zult van God geen afbeelding maken, niet van iets in de hemel, niet van iets op de aarde of onder de aarde” (Exodus 20,4). Steeds worden we gewaarschuwd om  de onmetelijke God niet klein te maken – te kleineren – tot iets wat aan onze maten voldoet en behapbaar is voor ons verstand. In het boek Deuteronomium 6,4 horen wij: ”Luister Israël, de HEER, onze God, is de Enige GOD”. Daarmee is niet alleen bedoeld dat er maar één God is, maar ook dat God uniek is en in zichzelf onverdeeld; onstoffelijk dus, niet materieel. En dat is ook wat wij tot op de dag van vandaag elke zondag in onze geloofsbelijdenis uitzeggen: “Ik geloof in één God, schepper van hemel en aarde”. Maar deze God van Abraham, Isaak en Jakob, is geen starre eenheid, geen doodse monoliet. Hij heeft zich in de heilsgeschiedenis geopenbaard als de vader van Israël, en door de Menswording zich getoond als Vader en Zoon in de persoon van Jezus van Nazareth. Niemand van ons heeft ooit God gezien maar de Zoon die van eeuwigheid rust in de schoot van de Vader heeft ons getoond wie en wat God is, namelijk Vader en Zoon die in een eeuwige liefdesband met elkaar verbonden zijn, de heilige Geest (Johannes 1, 18). In de persoon van Jezus, het mens-geworden Woord, heeft God voor ons een gezicht gekregen. Daardoor is Hij voor ons niet langer een vreemde meer maar een vriend die ons heel nabij is. Hoe vurig hebben de aartsvaders en de profeten gewenst een glimp van de heilige God op te vangen (zie 1 Petrus 1, 10-12). Mozes en Elia hebben bij hun ontmoeting met God op de berg Horeb, de Sinai, iets van Gods glorie mogen bespeuren. Maar zoals de gewijde schrijvers het zo fijnzinnig onder woorden brengen: alleen van achteren (Exodus 33,23) of alleen in het voorbijgaan (1 Koningen 19,11).  En Jakob, de vader van de 12 stammen van Israël, verkeerde na zijn verblijf bij Laban en vóór zijn ontmoeting met zijn broer Esau, in een grote crisis bij het oversteken van de rivier de Jabbok. In een nachtelijk visioen worstelde hij met een onbekende, en wanneer hij naar diens naam vraagt, blijkt Hij de Onbekende God te zijn (de Deus ignotus) naar wie Paulus verwijst in zijn toespraak op de Areopagus (Handelingen 17,23). Ja, we worstelen allemaal zo nu en dan met God, vaak blijft Hij voor ons een Onbekende, en houden we aan de ontmoeting met God vaak zielepijn over net zoals Jakob aan zijn heup verwond werd (Genesis 32,30-33).
Hoe bevoorrecht zijn wij dan dat in de persoon van Jezus, het Mens-geworden Woord, deze onbekende God voor ons een Naam en een gezicht heeft gekregen. Dankzij onze verbondenheid met Jezus in de doop en in de eucharistie zijn we opgenomen in deze Vader-Zoon verhouding en mogen we, geïnspireerd door de Heilige Geest, de Vader van Jezus ook onze Vader noemen, en zijn we allemaal broers en zusters van elkaar geworden, in die nieuwe mensen-gemeenschap die we de Kerk noemen. God is onder ons komen wonen, zo lezen we in de proloog van het evangelie van Johannes. En het evangelie van Matteüs leert ons dat God een God-met-ons is geworden: Immanuël. Maar het mysterie van Gods mens-wording in Jezus gaat nog veel dieper.  Want God is niet alleen onder ons komen wonen,  maar Hij heeft zijn tent ook in ons opgeslagen. Het is het ideaal, het visioen van de profeten, met name van Ezechiël: Gods inwoning in het volk van Israël (de Sjechiena), een inwoning die werkelijkheid is geworden in Jezus-Messias. Want met zijn leerlingen bijeen tijdens het pesachmaal zegt Hij: “Wanneer iemand mij liefheeft, zal mijn Vader hem ook liefhebben, en mijn Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen”  (Johannes 14,23). En in het boek Openbaring horen we Jezus als de betrouwbare Getuige, als de Eerste en de Laatste zeggen: “Ik sta voor de deur en klop aan. En als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en wij zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij (Openbaring 3,20). Aldus is ieder van ons een tempel, een heiligdom van de Drie-ene God.
Met de apostel Paulus kunnen en mogen we bidden: “Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen, hoe onbegrijpelijk zijn wegen! Alles is uit hem ontstaan, alles is door Hem geschapen, alles heeft in Hem zijn doel, Hem komt de eer toe in eeuwigheid.” Ik wil besluiten met de tekst uit de hymne die op dit feest in de Vespers gezongen wordt:


O Zalig Licht, Drievuldigheid
Die één in hart en wezen zijt,
De grote zon verzinkt in nacht,
O, Licht, houd in ons hart de wacht.
U loven wij in de dageraad,
U smeken wij des avonds laat,
Geef dat ons lied uw lof verspreidt
Van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Amen (J.W. Schulte Nordholt).

Dr. Alfons Jaakke pr. 

donderdag 6 augustus 2020

Overweging: De Thabor, berg op, berg af (Matteüs 17, 1-13) Pater Alphons Jaakke

De Thabor, berg op, berg af  (Matteüs 17, 1-13)                     
Wie van ons zou geen berg willen beklimmen ook al kost hem dat soms heel wat moeite? Maar eenmaal boven vergeet men de pijn die geleden is om de top te bereiken. De wereld ligt aan je voeten en er ontvouwt zich een weids panorama waar hemel en aarde samenkomen in een groots verband. Je lijkt aan de aarde ontstegen, en even waant men zich opgenomen in hemelse sferen.  In de H. Schrift is de berg een belangrijk literair motief en een geladen theologisch symbool.  In opdracht van God leidt Abraham zijn zoon Isaak op de berg Moria omhoog om hem ten offer te brengen (Genesis 22.1). Op de berg Horeb gaat God de HEER in volle luister voor Mozes langs (Exodus 33,4-6),  en tegen het einde van zijn leven moet Mozes de berg Nebo in Moab beklimmen om vanaf de top uit te kijken over het Beloofde Land, dat God het volk van Israël in het vooruitzicht heeft gesteld (Deuteronomium 32,48). Ook Matteüs  heeft bij de compositie van zijn evangelie een grote rol aan de berg toegekend. De evangelist situeert Jezus zeven maal op een berg en hij geeft ons, lezers of hoorders, de gelegenheid deelnemers te worden in de gebeurtenissen die zich daar voltrekken. De eerste maal gaat het om de berg van de machtsafwijzing en de zevende maal om de berg van de machtsaanvaarding. De Satan leidt Jezus op een hoge berg en biedt hem de macht over de wereld aan in ruil voor een knieval  wat Jezus weigert (4,8), maar na zijn opstanding leidt Jezus zijn leerlingen naar de berg waar zíj voor hém op de knieën vallen en waar hij alle macht in hemel en op aarde ontvangt uit handen van zijn Vader (28,16-18). De tweede en de zesde keer bestijgt Jezus een berg die men met recht en reden de berg van het onderricht mag noemen. Beide malen neemt Jezus op de berg plaats (5,1 en 24,3) en al zittend onderwijst hij, met het gezag van een leraar, zijn leerlingen en het verzamelde volk. Eerst legt hij uit hoe te leven in recht en gerechtigheid (5 – 7), en vervolgens geeft hij een uiteenzetting over de voleinding der tijden en zijn wederkomst (24 – 25). Op een bijzondere wijze hangen ook de derde en vijfde keer dat Jezus een berg bestijgt, met elkaar samen (14,23 en 17,1) en de overeenkomsten zijn vooral zijn gesprek met God (het bidden) en zijn gesprek met Mozes en Elia, en het alleen-zijn (2x in 14,23 en 2x in 17,1en 8). Tenslotte is de vierde keer dat Jezus een berg bestijgt de middelste van de reeks van zeven,  en als zodanig zonder tegenhanger (15,29). Jezus is er samen met zijn leerlingen en een grote menigte, en dat hij hen heelt en voedt, draagt bij aan de glorie van God, en  is een voorafbeelding van het eschatologische feestmaal op de berg  (Jesaja 25,6-9).
Zowel in de liturgie van het Oosten als in die van het Westen is er een feestdag gewijd aan de Transfiguratie van Jezus op de berg. In de oosterse kerken behoort het feest tot de twaalf grote kerkfeesten en heeft het een diepgaande invloed uitgeoefend op de spiritualiteit, de mystiek en de ikoonkunst. De kerkvaders Origenes en Cyrillus van Jeruzalem wijzen de Thabor aan als de berg waar de gedaanteverandering heeft  plaats gevonden, en de heilige Helena liet er als gedenkteken een kerk bouwen.  In de kerk van het Westen heeft de Gedaanteverandering op 6 augustus een eigen feestdag gekregen, en het mozaïek in de apsis van de San Apollinare in Ravenna is een hoogtepunt van artistieke en godvruchtige uitbeelding van dit gebeuren op de berg. In vers 1 leidt Jezus zijn leerlingen Petrus, Jakobus en Johannes een hoge berg op, zoals de Satan het met Jezus deed in 4,8; zij zijn de drie intimi uit de apostelkring die ook getuige zullen zijn van Jezus’ doodsangst in de Hof van Olijven, op de helling van de Olijfberg. Van Godswege mogen zij een glimp opvangen van de komende heerlijkheid van de verrezen Heer, zoals blijkt uit zijn stralend gelaat en zijn witte kleed. De aanwezigheid van Mozes en Elia representeren hier de hemelse glorie, Mozes als de man van wie het graf op aarde niet gekend is (Deuteronomium 34, 6), en Elia als degene die in een wagen van vuur ten hemel werd opgenomen (2 Koningen 2,11-12).  De drie leerlingen moeten zich in de hemel gewaand hebben en uit hun voorstel om drie tenten te bouwen blijkt hun verlangen om dit moment van gelukzaligheid vast te houden. Hoe hardnekkig was Petrus als woordvoerder van de leerlingen om lijden en dood ver van Jezus te willen weghouden (16,22), hoe vurig is nu zijn wens om de gelukservaring van deze hemelse glorie te continueren. Maar dan spreekt vanuit de lichtende wolk God zelf en proclameert Hij Jezus als zijn geliefde Zoon. Dit in herhaling van zijn stem bij de intronisatie van zijn Zoon (Psalm 2,6) en bij de doop van Jezus in de Jordaan (3,17). Gods hemelse stem bekrachtigt zodoende tweemaal de belijdende uitroep van de leerlingen in de boot: “Werkelijk, u bent de Zoon van God!” (14,33), en die van Petrus: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God.”  Maar hier is meer aan de orde dan een loutere herhaling. Centraal in deze perikoop staat de toevoeging: “LUISTER NAAR HEM!”  Op de knieën gedwongen door de stem Gods die rolt als de donder (Psalm 29) overvalt hen een diepe vrees, zoals in de boot op het meer (14,26) en bij het lege graf (28,8). Hoe ontroerend mooi is nu het verslag van de evangelist: Jezus trad op hen toe, raakte hen aan en sprak: “Sta op en vrees niet”, en toen zij opkeken, waren zij met Jezus alleen. Het visioen van zijn hemelse heerlijkheid is voorbij, afwezig zijn thans de figuren van Mozes en Elia. Nu zij met Jezus alleen zijn, geeft zijn aanraking hun de kracht om op te staan uit hun doodsangst (vers 7) als teken van zijn eigen opstanding (vers 9);  nu zij met hem alleen zijn, moeten zij met hem de berg afdalen, en luisteren naar hun meester die in plaats van met Mozes en Elia nu met hèn een gesprek begint en hen inwijdt in zijn eigen lijden en dood, een weg die hij moet gaan in navolging van Johannes de Doper, door hem aangewezen als de Elia die komen moest.  
Wie met Jezus de berg op wil – Quis ascendet in montem Domini ? = Wie mag des Heren berg bestijgen? (Psalm 24,3) – moet ervan doordrongen zijn, dat hij met Jezus ook bergafwaarts  moet. Met Jezus als gids mogen wij de berg van het licht beklimmen om even de glorierijke gedaante van Jezus te aanschouwen, een genadevolle glimp te ontwaren van zijn lichtend gelaat, als voorproef van de heerlijkheid die ons te wachten staat. Maar dit bovenaardse visioen op de top van de berg is maar van korte duur en bedoeld om ieder van ons de moed te geven weer met Jezus alleen af te dalen en ons dagelijkse bestaan door te brengen met een levenslang luisteren naar zijn woorden. Voor een leerling van Jezus is niet het zien het belangrijkst; van grotere waarde dan het schouwen is voor Christus’ volgelingen op aarde het gelovig aanhoren van wat hij als Zoon van God te zeggen heeft, namelijk dat de Mensenzoon door lijden en kruis moet komen tot de heerlijkheid van de verrijzenis. Men kan met recht en reden spreken van een Thabor-spiritualiteit, die in navolging van de kerkvaders ons leert  dat het pas dan tot een ontmoeting met God komt wanneer ‘Jezus alleen’, dat wil zeggen zonder hemelse glorie en  ontdaan van lichtwitte kleren, ons aanspreekt en inwijdt in het geheim van zijn leven. Bisschop Augustinus vermaant Petrus als volgt: ”Petrus, vergeet de andere negen niet die nog aan de voet van de berg staan. Het is niet jouw taak om hutten op te zetten op de berg, maar om de kerk te bouwen op aarde. Zoek niet wat in jouw belang is, maar daal met Jezus af, om te dienen en de lijdensweg te gaan naar het kruis.” (Sermo 78). In zijn tweede brief geeft petrus een hooggestemd verslag van wat hem op de berg ten deel gevallen is: “Wij hebben met eigen ogen zijn grootheid gezien. Want hij ontving van God, de Vader, eer en luister, toen de stem van de majesteitelijke luister tegen hem zei: Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Die stem hebben wij zelf  uit de hemel horen klinken toen wij met hem op de heilige berg waren” (2 Petrus 1,16-18). Maar in dezelfde brief getuigt hij ook: ”Ik weet dat mijn tent binnenkort zal worden afgebroken – dat heeft onze Heer Jezus mij te kennen gegeven” (1,14). Zo heeft Petrus zelf moeten ervaren wat het is om met Jezus de berg op te gaan maar ook om die weer met hem af te dalen.

Alfons Jaakke, pr.  

donderdag 5 maart 2020

Overweging Aswoensdag 2020 door dr. Alfons Jaakke, pr. Op weg naar het Paasfeest om de levende en opgestane Heer te ontmoeten.



Zusters en broeders,
Aan het begin van de veertigdagentijd wil ik met u nader ingaan op de volgende drie punten: de symboliek van het getal veertig, de aard en praktijk van het vasten en de betekenis van het askruisje.

Het getal 40
We kunnen in ons leven niet zonder symboliek, noch in woorden noch in tekens of gebaren. We noemen onze levensgezel vaak prins of prinses, we geven bloemen bij verjaardagen, jubilea of begrafenissen, en we dragen een ring om onze vinger of een foto in onze portefeuille om aldus uitdrukking te geven aan onze innige verbondenheid met iemand. Met symbolen en tekens geven we uitdrukking aan gevoelens die niet in dagelijkse woorden of daden te vangen zijn, en verwijzen we naar werkelijkheden in ons leven die het gewone van elke dag overstijgen. In de liturgie en in onze geloofsbeleving is dat niet anders. Zo gebruiken we bij kerkelijke gewaden de kleuren wit, rood, groen en paars (en een enkele keer ook rose) om de gelovige samenkomsten aan te passen aan de blije of droevige, de opgewekte of sobere inhoud van de jaarlijkse feesten. We vouwen onze handen, heffen onze armen, buigen en knielen om zo met lijf en leden uitdrukking te geven aan onze eerbied voor de goddelijke majesteit. En in allerlei liturgische rituelen worden de eenvoudigste elementen gebruikt zoals water, wijn, olie, brood, zout, licht en wierook (en nog andere middelen) om de diepe zin van het sacramentele handelen toe te lichten en te verhelderen. Zo is het ook met het gebruik van getallen in de H. Schrift en in de liturgie. In zeven dagen tijds schiep God hemel en aarde; tienmaal horen wij zeggen: “En God zei”. Zesmaal ziet God dat het goed was, en de zevende keer dat het zeer goed was. Zo ook met het getal 40. Bij de zondvloed lezen we in Genesis 7 dat het 40 dagen en 40 nachten lang stortregende op aarde. In het boek Exodus klimt Mozes de berg op en gaat hij de wolk van de goddelijke aanwezigheid in, 40 dagen en 40 nachten. En in het boek Deuteronomium wordt dat nog nader aangevuld met de mededeling dat Mozes dat deed zonder te eten of te drinken. (Exodus 24,18 en Deuteronomium 34,28). In hetzelfde boek Deuteronomium horen we dat het uitverkoren volk 40 jaar lang in de woestijn rondtrok, levend van water uit de rots en van manna uit de hemel, want zo staat er woordelijk: “Want God de HEER wilde jullie op de proef stellen om te ontdekken wat er in jullie hart omgaat, of jullie wel naar hem willen luisteren” (Deuteronomium 8, 2 en 4). En in het boek Koningen is de profeet Elia ten einde raad en levensmoe. Hij trekt zich terug in de woestijn om er te sterven. Maar een raaf voorziet hem van water en brood, en daardoor gesterkt liep hij in 40 dagen en 40 nachten door de woestijn, naar de berg Horeb om daar God te ontmoeten 1 Koningen 19,8). En de evangelist Matteüs zegt ons dat Jezus door de Geest de woestijn wordt ingedreven, en daar 40 dagen en nachten al biddend en vastend door de satan op de proef werd gesteld. Zes weken van zes dagen (de zondagen tellen nooit mee) +   vandaag, morgen, overmorgen en zaterdag, bij elkaar een tijdpad van 40 dagen, gaan we een weg van inkeer en bezinning.  Op weg naar Pesach, het paasfeest waardoor wij geloven de levende en opgestane Heer te ontmoeten.

Vasten
Vasten is een praktijk die we in alle eeuwen en bij alle volken terugzien. Ook in de H. Schrift treffen we herhaaldelijk personen aan die vasten, en situaties waarin gevast wordt, met alle rituelen die daarbij horen, zoals tranen storten, weeklagen en de kleren scheuren. De profeet Samuel belegt een samenkomst van het volk in Mispa, en roept op tot vasten, het belijden van de zonden en gebed (1 Samuel 7,6). Ezra de priester die als balling in Perzië leefde, hield een vastendag als voorbereiding op zijn terugreis naar Jeruzalem (Ezra 8,21).  En koningin Ester, als Jodin tot deze hoge positie uitverkoren, riep alle Joden in Susa, de toenmalige hoofdstad van het Perzische rijk, op om voor haar te bidden en te vasten, en niet te eten en te drinken, drie dagen lang (Ester 4,16). Koning David bad voor zijn pasgeboren kind, het kind dat hij verwekt had bij Batseba en dat op sterven lag. Hij vastte streng, stortte tranen en lag op de harde grond te slapen (2 Samuël 12,16). Hij hield pas op met vasten toen het kind gestorven was. In het evangelie van Lucas komen we de profetes Hanna tegen die God in de tempel van Jeruzalem diende met bidden en vasten (2,37). Met vasten en bidden willen we ons tegenover de heilige God klein maken in de hoop dat hij onze zonden vergeeft en zich weer tot ons keert. Maar er zijn nog twee andere redenen, de ene een therapeutische en de andere een theologische. In het boek Daniël krijgen de profeet en zijn vrienden een opleiding aan het hof van de koning van Babylon.  Ze moeten eten en drinken van de spijzen en dranken van de koninklijke tafel, kostbare vleeswaren, wijnen en bijzondere lekkernijen. Maar zij verzoeken de hofmeester zich daarvan te mogen onthouden, en tien dagen lang alleen groenten te eten en water te drinken. En dan blijkt dat zij gezonder en beter doorvoed zijn dan de andere jongemannen aan het hof. Vasten als lichamelijke en geestelijke reiniging. Maar dan de  visie van Genesis. Wanneer God gereed is met zijn scheppingswerk, zegt Hij: “Hierbij geef Ik jullie alle planten en vruchtbomen tot voedsel. Ook de wilde dieren en de vogels ja, alle beesten, geef Ik de groene planten tot voedsel” (Genesis 1,29-30). Voor de gewijde schrijver is een vegetarische leefstijl dus het ideaal; het paradijs is een volmaakt bestaan omdat er geen bloed vergoten wordt noch van mens noch van dier. Pas na de zondvloed, nadat Kaïn voor het eerst bloed heeft doen vloeien door zijn broeder Abel dood te slaan, staat God toe dat ook het vlees van dieren de mens tot voedsel zal zijn (Genesis 9,1-3). Wie dus een dag vast (of langer) en zich onthoudt van vlees en vleeswaren, brengt op deze wijze het paradijs een stukje dichterbij. Maar er is nog een derde reden. Door te vasten en ons te onthouden, kunnen we iets wegleggen voor degenen die het in onze wereld minder hebben. Als we iets uit onze mond sparen door af te zien van luxe zaken, lekkere spijzen en dranken, kunnen we wat we overhouden weggeven als steun aan de armen in onze omgeving, bijvoorbeeld het Zuster Corlies Fonds of voor de bouw van onze kerk. Dat is een wijze van vasten zoals God die graag ziet zoals blijkt uit de teksten van de profeet Jesaja 58,6-10 en Zacharia 7,4-10). Vasten niet als een uiterlijk vertoon of als een opgelegde zaak, maar vrijwillig op ons genomen, een vasten dat komt uit het hart tot eer van God die in het verborgene is en in het verborgene ziet (Matteüs 6,16-18).

Het askruisje
Hoe diep zijn de bijbelse schrijvers ervan doordrongen dat de mens een mens is van vlees en bloed. In het boek Genesis lezen we dat God de mens vormde uit stof, uit aarde (2,7). Maar na de verstoring van de relatie tussen God en mens volgt de uitspraak: “Stof ben je en tot stof zul je wederkeren” (3,19). Wanneer Abraham met God in onderhandeling is over het lot van Sodom en Gomorra, stelt hij zich heel bescheiden op met de woorden: “Hoewel ik maar stof en as ben …” (Genesis 18,27).  En koning Salomo heeft ons een filosofisch/ theologisch boekje nagelaten, Prediker, waarin hij zegt: “Alles is uit stof ontstaan, en alles keert terug tot stof” 3,20.  Één man springt er in de bijbelse verhalen heel sterk uit met het besef van vergankelijkheid, namelijk Job die keer op uitspreekt dat hij maar van stof en as is (Job 2,8; 7,6 en 21; 10,9; 30,9; 42,6). In de psalmen, het boek van liederen en gebeden bij uitstek, horen wij over God zeggen: “U bent indachtig dat wij maar stof zijn” (103,14). En: “U doet ons stervelingen terugkeren tot stof”(90,3). In psalm 104, 29 wordt gebeden: “Wanneer U de mensen de adem ontneemt, is het met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof dat zij waren”. En het besef van vergankelijkheid wordt mooi en dichterlijk uitgezegd in psalm 103,15: “’s Mensen dagen zijn als gras, als een bloem die bloeit in het veld. De wind blaast over hem heen en weg is hij; de plaats waar hij stond, kent hem niet meer.” Al deze teksten doen ons beseffen dat we de levensadem van God hebben ontvangen en dat we die ook weer aan God moeten teruggeven. Daarom worden we zo dadelijk getekend met het gewijde as. Maar wel in de vorm van een kruisje, want het kruis waaraan Jezus gestorven is met de woorden: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”, dat kruis is met Pasen ook een levensboom geworden, waarborg en onderpand van eeuwig leven bij God. Het askruisje is als een zegel op ons voorhoofd, gelijk aan de 144.000 die de naam van Jezus en die van zijn Vader op hun voorhoofd droegen (Openbaring 14,1).  Amen.


donderdag 26 december 2019

Overweging Dr. Alphons Jaakke in de Nachtmis 2019 Laat ons hart een veilige plek zijn, waaraan Jozef en Maria, hun Kind, het Licht van de wereld, kunnen toevertrouwen.


 
Hedenmiddag mocht ik uit het Evangelie van Matteüs de geboorteaankondiging van Jezus voorzingen: het liber generationis van Jezus, de Gezalfde (Messias = Christus), de zoon van David, de zoon van Abraham. In een repeterend staccato volgen de 3 x 14 generaties elkaar op: A verwekte B, B verwekte C, enz. om heel verrassend te eindigen met ”Maria uit wie Jezus verwekt werd die de Christus wordt genoemd”. Matteüs verhaalkt ons dit helemaal vanuit het perspectief van Jozef, die borg stond voor de Davidische afkomst van Jezus. Maar de oude kerkvaders leerden het al: ‘aliter docet Matteüs, aliter docet Lucas’. Matteüs onthult ons het geheim van Jezus’ afkomst, en ook Lucas, maar op een geheel andere manier. Hij laat ons meekijken vanuit het perspectief van de twee vrouwen die nichten van elkaar zijn: Elisabeth namelijk en Maria, die beiden op onverwachte wijze nieuw leven ter wereld brengen: Elisabeth, omdat ze vanwege haar hoge ouderdom niet meet vruchtbaar is, Maria, omdat ze geen man bekent, zoals de Schrift dat zo mooi weet te zeggen.
De geboorte van Jezus wordt door Lucas geplaatst in het kader van een volkstelling, op touw gezet door de Romeinse gezaghebber, casu quo bezetter, om zo de schatkist van de keizer in Rome te kunnen spekken.  Daartoe moeten Jozef en de zwangere Maria op weg gaan van het onooglijke Nazareth in Galilea naar het even onbekende gehucht Bethlehem ten zuiden van Jeruzalem. Aan een schijnbaar volstrekt onbetekenende geboorte wordt hier een wereldwijde dimensie gegeven, de grootsheid van het Romeinse Rijk, ja, de hele wereld, wordt het toneel waarop zich het Nieuwe Leven gaat ontvouwen. Zo wijst als de grote geschiedenis van de machthebbers met hun wereldrijken is, zo bescheidener is de manier waarop het Kind ter wereld komt. Zelfs in de karavanserai, een overnachtingsplek voor reizigers en hun rijdieren, is er voor hen geen plek en moeten Jozef en Maria zich behelpen met een voederbak, waar herders hun schapen bijvoeren.
De opmerking dat het om Maria’s eerstgeboren Zoon gaat heeft verschillende perspectieven: het verwijst terug naar de bevrijding uit Egypte , het machtsgebied van de Farao, tegen wie God zei: “Laat Israël, mijn eerstgeborene gaan”; het verwijst ook vooruit naar de opdracht van Jezus in de tempel. Want als eerstgeborene behoort Hij op een bijzondere wijze aan God toe. De band tussen Jezus en God is geheel uniek. Alleen wie dit op aarde weet te schatten, kan deze ‘glorie van God’ aanvoelen. Niet de machthebbers van deze wereld, maar herder aan de rand van de samenleving , ‘de armen’, over wie Maria in haar Magnificat zong. Een engel als boodschapper spoort hen aan op weg te gaan met woorden als “goed nieuws”, “Redder” en “heil” (vers 10-11), bewoordingen die in berichtgeving over de Romeinse keizer zwaar politiek beladen waren. Was de Romeinse keizer niet een verlosser voor zijn onderdanen, een vrede-brenger? Maar in het geval van Jezus gaat het om een ander soort kiezer. Want de schare engelen die bij de engelbode aansluit, fungeert als een soort slotkoor met een vredewens voor alle mensen in wie God welgevallen heeft. Vrede niet als resultaat van onderdrukking, van machtsuitoefening, of van polderen, maar vrede volgens het Hebreeuwse ‘sjaloom’, namelijk de vriendschapsband met God, persoonlijk en collectief, op grond van overgave en vertrouwen, en de vriendschap met de medemensen op basis van recht en gerechtigheid.
Net als de engelen sluiten de herders hun taak als boodschappers af met een lofzang. Wanneer het om Gods grote daden gaat, is dat het passende antwoord van navolging van Maria’s Magnificat en Zacharias’ Benedictus.
In de Vespers hebben wij gezongen: ‘Mane videbitis gloriam Domini’. Vandaag, vroeg in de morgen zul je de glorie van de Heer zien.
Geef ons geloof, Heer, om te kunnen zien wat de herders zagen. De grote God klein geworden als Kind in de kribbe.
In de liturgie zien en horen we niet alleen als iets heel lang geleden gebeurd is, nee, we herbeleven hier en nu Jezus’ geboorte, maar dan zijn geboorte in de kribbe van ons hart.
Laat ons hart een veilige plek zijn, waaraan Jozef en Maria, hun Kind, het Licht van de wereld, kunnen toevertrouwen. Amen.

woensdag 3 mei 2017

Preken Pater A. Jaakke Triduum Sacrum Paaswake

Paaswake Priorij Thabor Sint-Odiliënberg zaterdag 15 april 2017

Zusters en broeders,

In de H. Schrift gaat het over de ontmoeting van God en mens. De mens is op zoek naar God, maar door de verstoorde verhouding sinds de zondeval is het de mens niet gegeven uit eigen kracht God te vinden. De profeet Jesaja zegt: “God, u bent een God die zich verborgen houdt” (45,15). En Paulus heeft het over God die woont in een ondoordringbaar licht (1 Timoteüs 6,16). Nee, God is voor ons niet zo maar toegankelijk. In het vierde evangelie lezen we in de proloog: “Niemand heeft ooit God gezien” (1,18). Ja, God is voor ons ongrijpbaar, en daarom ook onbegrijpelijk, niet te begrijpen. In de scheppingsverhalen en in de heilsgeschiedenis van het volk van Israël gaat het initiatief dan ook van God uit. Hij is het die zich laat horen, hij is het die zich laat zien. We worden dan ook voortdurend opgeroepen om onze oren te openen voor wat God de HEER ons te zeggen heeft middels zijn profeten. “Luister vandaag toch naar zijn stem” horen we in psalm 96 zeggen!. Maar ook worden we aangespoord te kijken naar de grootsheid van zijn schepping en naar zijn heilsdaden in het verleden. “Hoe machtig bent u, God, als ik de hemel zie, het werk van uw vingers” roept de psalmist uit (8,2-4). En elders: “De einden der aarde hebben het gezien: het heil van onze God” (Psalm 98,3). Welnu, juist in de paasverhalen is het opmerkelijk hoe vaak het begrip zien gebezigd wordt als het gaat om de ervaring van de verrezen Heer. De vrouwen krijgen van de engel te horen: “Zie, dit is de plaats waar hij gelegen heeft”, en: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien. En met die opdracht moeten ze ook naar de andere leerlingen: “Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan; daar zullen ze mij zien” (Matteüs 28, vers 6,7 en 10). Nog veel opvallender is dit in het vierde evangelie! De eerste leerling die ziet, is Maria van Magdala. Wanneer zij – het is nog heel vroeg in de morgen, de sabbat is maar net voorbij – naar het graf gaat waar Jezus is neergelegd, ziet zij dat de steen voor het graf is weggerold. In haar verdriet reageert zij zoals we allemaal zouden doen: grafroof, denkt ze. Zij gaat dit melden aan Petrus en aan de leerling van wie Jezus veel hield. Heel opmerkelijk zegt ze nu: wij weten niet waar ze hem hebben neergelegd. Ze spreekt nu in het meervoud. Mijns inziens niet met een pluralis majestatis, – waarom zou ze? – maar omdat zij de woordvoerster is van een groepje vrouwen dat met haar naar het graf is gegaan. De evangelist richt alle aandacht op háár, met voorbijgaan van de andere vrouwen.

Dan komen Petrus en de andere leerling in beweging. De laatste, nog jong en jeugdig. loopt sneller en wanneer hij het graf bereikt, kijkt hij de donkere grafkamer in. Hij ziet de lijkdoeken liggen maar gaat het graf niet binnen. Dan komt ook Petrus er aan, buiten adem wellicht, gezien zijn ouderdom. Hij gaat wel naar binnen. Ook hij ziet in het graf de doeken liggen. En ook ziet hij dat de doek die het gelaat van Jezus bedekte, netjes ligt opgerold. Van grafroof is dus geen sprake. Rovers die op buit uit zijn, zouden de zaak niet zo ordelijk hebben achtergelaten. Alleen, en dat is de zaak waar alles om draait: hij ziet wel, maar ziet nog niet in. Daarna gaat ook de geliefde leerling de grafkamer binnen, en we krijgen nu het hoogtepunt in het opstandingsverhaal te horen, de mededeling waar het allemaal om draait: de geliefde leerling ziet én gelooft dat Jezus uit de doden is opgestaan. Na dit ware zien, het inzien, het doorzien van wat er gebeurd is, gaan ze terug naar hun verblijf in Jeruzalem. Merk op dat er met geen woord gerept wordt over het geloof van Petrus; de evangelist laat onvermeld of zijn zien uitgegroeid is tot inzien. Dat komt pas later.

Intussen is Maria naar het graf teruggegaan. In tranen buigt ze zich weer het graf in, en ziet ze twee engelen die haar naar de reden van haar tranen vragen. Maar haar droefenis is te groot om door de engelen tot inzicht te komen. Ze draait zich zonder antwoord te geven naar buiten om en ziet iemand staan. Aan ons wordt verteld dat het Jezus is, Maria echter herkent hem niet, zelfs niet wanneer hij haar twee vragen stelt: Waarom ween je? En: Wie zoek je? Ze wendt zich van die persoon af naar het graf. Pas als hij haar naam noemt, haar aanspreekt met Maria, draait ze zich voor een tweede maal om, en antwoordt ze met het Aramese Rabboeni: “Meester”.



De tekst lijkt nu te suggereren dat Maria hem vastgrijpt, zich aan hem vastklampt, in de idee misschien dat alles weer wordt zoals het geweest is. Maar Jezus weert haar af: Wil mij niet vastgrijpen. Hij is nog niet bij de Vader terug. Hij kwam bij de Vader vandaan en moet nu naar Hem terug. Pas als hij is teruggekeerd in de schoot van de Vader, is hij de Heer van alle mensen. Met die boodschap mag Maria naar de andere leerlingen gaan, en dan …, dan spreekt ze haar volle geloofsgetuigenis uit: “Ik heb de Heer gezien”.

Wij kunnen onszelf de vraag stellen: Hoeveel moeten wíj zien om te geloven? Wat hebben wij nodig om ons zien te laten groeien tot inzien? Hoe vaak zal de Verrezen Jezus ons aanspreken zonder dat wij door hebben wie het is die ons bij de naam noemt? Hoe dikwijls zullen we hem ontmoeten zonder te begrijpen dat hij het is die voor ons staat? Maria moest zich tweemaal omdraaien voor ze kon uitroepen: “Meester”. Hoe vaak zullen wij niet een ommekeer in ons leven moeten maken alvorens haar dat te kunnen nazeggen? Het is stapje voor stapje dat ons zien rijpt tot inzien, bij de een sneller dan bij de andere. In de groei van ons geloof lijken wij op Maria Magdalena. Eerst zien wij allerlei dingen maar herkennen wij hem nog niet, pas later door velerlei onzekerheden en twijfels heen kunnen we met haar zeggen: “Meester”, en als ons zien is volgroeid tot inzien, mogen we met haar uitroepen: Jezus, onze Heer!” Wij kunnen Jezus in zijn verrezen dimensie niet vastgrijpen, maar wel kan ons geloof zich ontwikkelen tot geloofsinzicht, en kunnen wij met Maria en de leerlingen uitroepen: Wij hebben de Heer gezien! De verrezen Heer die bij de Vader terug is, en toch als de Levende onder aanwezig! Surrexit Dominus vere, alleluja; de Heer is verrezen, alleluja!

Zalig Pasen.

Alfons Jaakke, pr.

Preken Pater A. Jaakke Triduum Sacrum Goede Vrijdag



Priorij Thabor Sint-Odiliënberg                                                    Goede Vrijdag, 14 april 2017

Zusters en broeders,
Op deze dag waarop wij het lijden en sterven van onze Heer Jezus gedenken, worden we overstelpt door een vloed van bijbelse teksten, hymnen, antifonen en gezangen die allemaal direct of indirect van toepassing zijn op de profeet uit Nazaret en op zijn doodstrijd. Daar is natuurlijk Psalm 22 die inzet met de smartelijke noodkreet: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit. ‘Mijn God’, roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.” En nauw daarbij aansluitend de teksten aangaande de Lijdende Dienstknecht des HEEREN uit de profeet Jesaja: “Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht (53,3). Maar ons klinken ook de zeven kruiswoorden in de oren die uit de vier evangelies tot een snoer van dramatische uitroepen aaneengeregen zijn. Een uit Matteüs en Marcus: “Eloi, Eloi, lama sabachtani”, dat is: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten”. Drie uit Lucas: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. “Heden zul je met mij zijn in het paradijs”. “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”. En drie stuks uit het vierde evangelie: “Vrouw, zie uw Zoon, en zoon, zie uw Moeder”. 

 “Ik heb dorst” en “Het is volbracht”. [Matteüs 27,16 en Marcus 15,34; Lucas 23,34 + 43 en 46; Johannes 19,26-27;19, 28 en 30.]
Het biedt allemaal stof die overweging en uitleg verdient, maar vandaag wil ik u iets anders onder ogen brengen en u opmerkzaam maken op een mijns inziens niet zo bekend tweeluik uit het evangelie van Matteüs. Al eerder en ook elders heb ik erop gewezen dat zijn evangelie niet zo maar een aardige verzameling van losse verhaaltjes is, integendeel, zijn evangelie is een bewust gecomponeerd geloofsgetuigenis, met een inleidende ouverture, een groot middenstuk over Jezus’ woorden en daden, eerst in Galilea en dan in Judea en Jeruzalem, en tot slot  de apotheose van dood en opstanding met een afsluiting waarin alle draden uit het voorgaande samenkomen. Het eerder genoemde tweeluik bestaat uit twee panelen. De eerste waarmee we trouwens de Veertigdagentijd zijn begonnen, is de Gedaanteverandering van Jezus uit hoofdstuk 17. 2

Het tweede paneel, de tegenhanger, is het tafereel van de kruisiging uit hoofdstuk 27. Een grotere tegenstelling is niet mogelijk. In hoofdstuk 17 gaat Jezus zelf de berg op, in hoofdstuk 27 wórdt hij de kruisberg op geleid, Golgota, de executieplaats buiten Jeruzalem. In het eerste paneel neemt hij drie leerlingen mee, Petrus, Jakobus en Johannes; in het tweede is van hen geen sprake; zij hebben de benen genomen, maar nu zijn het drie vrouwen die vermeld worden: Maria van Magdala, Maria, de moeder van Jakobus, en Maria, de moeder van de zonen van Zebedeüs. Is het niet wrang dat Jakobus en Johannes laf wegbleven, maar dat hun moeder de moed en de trouw opbracht om met de twee andere vrouwen Jezus tot bij het kruis te volgen? Bij de gedaanteverandering wordt Jezus’ gelaat vermeld, stralend als de zon, bij de kruisiging valt er duisternis over heel het land, drie uur lang. En waar de evangelist het eerst had over zijn blinkend witte kleren, heeft hij het daarna over de man die van al zijn kleren ontdaan is. Nog schrijnender is de tegenstelling van de stem. Uit de lichtende wolk klinkt Gods stem: “Dit is mijn geliefde zoon”, maar hier is God totaal afwezig, en horen we alleen Jezus’ luide stem, een schreeuw: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Waar Mozes en Elia op de berg van het licht aanwezig waren, zijn ze nu uit het zicht verdwenen, en interpreteren de omstanders de noodkreet Eli, Eli, abusievelijk als een hulproep tot de profeet Elia. En waar Petrus het heeft over het opslaan van drie tenten, horen we nu over het oprichten van drie kruisen, die van Jezus in het midden en die van de twee misdadigers rechts en links van hem. Het was na zes dagen dat Jezus de berg der verheerlijking opging, het was op het zesde uur dat de aarde zich in duisternis hulde. Heilige vrees beving de drie leerlingen toen zij in een kort ogenblik het verheerlijkte gelaat van Jezus mochten aanschouwen waarna zij zich plat ter aarde wierpen; vandaag zijn het de hogepriesters en de schriftgeleerden die hoog opgericht de spot met hem drijven, vandaag is het dat de aarde beeft. Uit angst verborgen de drie leerlingen hun gezicht en konden ze geen woord uitbrengen. Geen gelovig belijden van wat zij gezien en gehoord hadden. Hoe anders nu. De centurio en zijn manschappen, door angst overvallen, voelden zich niet verhinderd om te spreken en zeiden volmondig: “Hij was werkelijk Gods Zoon!” 

Aldus wil de evangelist ons deelgenoot maken van het mysterie van Jezus de Mensenzoon. Enerzijds mogen we ons door Jezus laten omhoog brengen om op de berg van het licht een glimp op te vangen van de heerlijkheid Gods die hem als de eniggeboren Zoon omstraalde, anderzijds zijn we met de vrouwen aanwezig op de berg der duisternis, met de ervaring van Gods volledige afwezigheid en met de verguizing en de vernietiging van de mens Jezus. Maar wel met de geloofsuitspraak, in navolging van de honderdman: “Dit is waarlijk Gods Zoon”. Ik wil besluiten met de woorden van lof die Tobit uitsprak na allerlei tegenslagen en weer genezen van zijn blindheid: “Geprezen zij de levende God in eeuwigheid. Hij werpt ons neer in het diepste duister van de aarde, maar Hij tilt ons ook weer uit de afgrond van de dood omhoog” (Tobit 13, 1-2)”. Hoe waar is dit vandaag in Jezus die door lijden en kruis is gegaan naar Gods heerlijkheid, een heerlijkheid die hij bezat voor alle tijden bij God, zijn Vader. Nu wij het kruis gaan vereren – wat een dwaasheid – doen wij dat omdat wij er de levensboom in zien die ons heil brengt en die waarborg en onderpand is van de heerlijkheid die ook ons als Gods kinderen te wachten staat. Amen.

Alfons Jaakke, pr.