Posts tonen met het label Nachtmis Kerstmis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nachtmis Kerstmis. Alle posts tonen

dinsdag 24 december 2024

Lezingen H. Mis Kerstfeest Nachtmis - Heden is u een Redder geboren!

Kerstmis - nachtmis
Eerste lezing (Jes. 9, 1-3.5-6)
Uit het boek van de profeet Jesaja.
Het volk dat wandelt in de duisternis
ziet een helder licht;
een glans straalt over hen,
die wonen in het land van de dood.
Gij hebt hun blijdschap vermeerderd,
hun vreugde vergroot.
Voor uw aanschijn zijn zij vrolijk als mensen,
die opgewekt zijn bij de oogst,
of jubelen bij het verdelen van de buit.
Want het juk dat zwaar op hem drukt,
het blok dat ligt op zijn nek,
en de stok van zijn drijver,
hebt gij stuk gebroken als in de dagen van Midjan.
Want een Kind is ons geboren,
een Zoon werd ons geschonken;
Hem wordt de macht op de schouders gelegd
en men noemt Hem:
Wonderbare Raadsman,
Goddelijke Held,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
Een grote macht en een onbeperkte welvaart
zullen toevallen aan Davids troon
en aan zijn koninkrijk,
zodat het gegrondvest zal zijn
en stevig gebouwd op recht en gerechtigheid
van nu af tot in eeuwigheid.
De ijver van de Heer der hemelse machten brengt het tot stand.

Tweede lezing (Titus 2, 11-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus.
Dierbare,
De genade van God,
bron van heil voor alle mensen,
is op aarde verschenen.
Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken
en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd,
terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop,
de openbaring van de heerlijkheid
van onze grote God en Heiland Christus Jezus.
Hij heeft zichzelf voor ons gegeven,
om ons van alle ongerechtigheid te verlossen
en ons te maken tot zijn eigen volk,
gereinigd van zonde,
vol ijver voor alle goeds.

Evangelie (Lucas 2, 1-14)
In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus,
dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk.
Deze volkstelling vond plaats
eer Quirinius landvoogd van Syrië was.
Allen gingen op reis,
ieder naar zijn eigen stad, om zich te laten inschrijven.
Ook Jozef trok op
en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David,
ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret,
naar Judea, naar de stad van David, Betlehem geheten,
om zich te laten inschrijven,
samen met Maria zijn verloofde, die zwanger was.
Terwijl zij daar verbleven,
brak het uur aan waarop zij moeder zou worden;
zij bracht een Zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
In de omgeving bevonden zich herders,
die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten.
Plotseling stond een engel des Heren voor hen
en zij werden omstraald door de glorie des Heren,
zodat zij door grote vrees werden bevangen.
Maar de engel sprak tot hen:
“Vreest niet, want zie,
ik verkondig u een vreugdevolle boodschap,
die bestemd is voor heel het volk.
Heden is u een Redder geboren,
Christus de Heer,
in de stad van David.
En dit zal voor u een teken zijn:
gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.”
Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare;
zij verheerlijkten God met de woorden:
“Eer aan God in den hoge
en op aarde vrede onder de mensen
in wie Hij welbehagen heeft.”

Dominus Dixit Ad Me (Christmas, Midnight Mass, Introit)

Solemn Proclamation of Christmas

vrijdag 24 december 2021

Liber generationis Jesu Christi


Geslachtslijst van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham
Mt. 1,1-16

Liber generationis Jesu Christi filii David filii Abraham.
Abraham genuit Isaac, Isaac autem genuit Iacob,
Iacob autem genuit Iudam, et fratres ejus.
Iudas autem genuit Phares, et Zaram de Thamar.
Phares autem genuit Esrom,
Esrom autem genuit Aram, Aram autem genuit Aminadab,
Aminadab autem genuit Naasson, Naasson autem genuit Salmon.
Salmon autem genuit Booz de Rahab,
Booz autem genuit Obed ex Ruth, Obed autem genuit Jesse,
Jesse autem genuit David regem.
David autem rex genuit Salomonem ex ea quae fuit Uriae.

Salomon autem genuit Roboam. Roboam autem genuit Abiam.
Abias autem genuit Asa. Asa autem genuit Iosophat.
Iosophat autem genuit Ioram. Ioram autem genuit Oziam.
Ozias autem genuit Ioatham. Ioatham autem genuit Achaz.
Achaz autem genuit Ezechiam. Ezechias autem genuit Manassen.
Manasses autem genuit Amon. Amon autem genuit Iosiam.
Iosias autem genuit Iechoniam,
et fratres ejus in transmigratione Babylonis.

Et post transmigrationem Babylonis Iechonias genuit Salathiel.
Salathiel autem genuit Zorobabel. Zorobabel autem genuit Abiud.
Abiud autem genuit Eliacim. Eliacim autem genuit Azor.
Azor autem genuit Sadoc. Sadoc autem genuit Achim.
Achim autem genuit Eliud. Eliud autem genuit Eleazar.
Eleazar autem genuit Mathan. Mathan autem genuit Iacob.
Iacob autem genuit Ioseph virum Mariae,
de qua natus est Iesus qui vocatur Christus.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 25 decembris In nativitate Domini Ad Officium lectionis Agnosce, o christiane, dignitatem tuam!



Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Leónis Magni papæ
(Sermo 1 in Nativitate Domini, 1-3: PL 54, 190-193)

Tweede lezing
Uit de Preken van paus Leo de Grote († 461)
(Sermo  1 in Nativitate Domini: PL 54, 190-193)
Erken, christen, uw waardigheid!
Geliefden, heden is onze Verlosser geboren: laten wij ons verheugen. Droefheid mag geen ruimte meer vinden waar de geboortedag van het leven wordt gevierd. Dit leven dat de angst voor de dood heeft vernietigd, vervult ons hart met vreugde om de beloofde eeuwigheid.
Geen mens wordt uitgesloten van deelname aan deze vreugde. Allen hebben wij dezelfde reden tot vreugde, want onze Heer die zonde en dood heeft vernietigd, trof niemand aan die vrij was van schuld en kwam daarom allen daarvan bevrijden. Vreugde voor de heilige: hij komt de overwinning nabij. Blijdschap voor de zondaar: hij wordt uitgenodigd tot vergeving. Bemoediging voor de heiden: hij wordt geroepen tot het leven.
Immers, toen de volheid van de tijd gekomen was die God in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit had vastgesteld, heeft de Zoon van God de menselijke natuur aangenomen om de mens te verzoenen met zijn Schepper, en om de duivel, de uitvinder van de dood, door dezelfde natuur te overwinnen die eens door de duivel overwonnen was.
Bij de geboorte van de Heer zingen juichende engelen: ‘Eer aan God in den hoge’, en verkondigen zij ‘vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft’ (Lc. 2, 14). Want wij zien hoe het hemelse Jeruzalem uit alle volken van de wereld wordt opgebouwd. Als reeds de verheven engelen van vreugde juichen over dit werk van Gods onuitsprekelijke goedheid, hoezeer moet dan ook de kleine mens zich daarover verheugen?
Brengen wij daarom dank aan God de Vader door zijn Zoon in de heilige Geest. ‘Wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad’ heeft Hij zich over ons ontfermd, en ‘toen wij dood waren door onze zonden, heeft Hij ons met Christus ten leven gewekt’ (Ef. 2, 4-5), opdat wij in Hem een nieuwe schepping zouden zijn, een nieuw werk van zijn handen.
Leggen wij dan de oude mens met zijn levenswijze af en verzaken wij aan de werken van het vlees, nu wij deel gekregen hebben aan de geboorte van Christus.
Erken, christen, uw waardigheid. Val door een slechte levenswijze niet terug in uw vroegere armzaligheid. Gij zijt immers deelachtig geworden aan de goddelijke natuur. Gedenk tot wiens Hoofd en Lichaam gij behoort. Herinner u dat gij ontrukt zijt aan de macht van de duisternis en overgebracht naar het licht van het rijk Gods.
Door het sacrament van het Doopsel zijt gij tempel van de heilige Geest geworden. Wil deze hoge gast niet van u wegjagen door verkeerde daden. Onderwerp u niet opnieuw aan de slavernij van de duivel, want met het bloed van Christus zijt gij vrijgekocht.


Reeks "Oratio super munera - Gebed over de gaven"

Missa in nocte in Nativitate Domini – Nachtmis van Kerstmis


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Doe ons gelijken op uw Zoon, in wie onze mensheid reeds met U verenigd is.
I n l e i d i n g
De “sacrosanctum commercium” – de hoogheilige uitwisseling- staat in deze oratie centraal. Dit begrip komt vaker voor in de liturgie. Het is een veelomvattend om niet te zeggen beladen begrip en betekent letterlijk “uitwisseling”, “ruil”. Zo ziet de liturgie in het bijzonder een uitwisseling bij de bereiding van de offergaven tijdens de H. Mis: gelovigen brengen brood en wijn naar het altaar, door God uit al zijn gaven uitgekozen. God geeft hen het Lichaam en Bloed van zijn Zoon als tegengave. Voor alles is de Menswording een uitwisseling: de mensheid schenkt haar menselijke natuur en God geeft haar bij wijze van uitwisseling/ruil het delen in zijn goddelijke natuur. Dit delen ontvangt de mensheid in de hoogste zin in Jezus Christus. Geldt deze uitwisseling in iedere H. Mis, met het Kerstfeest vieren wij bijzonder hoe door de komst van Gods Zoon onder de mensen een zeer bijzondere uitwisseling heeft plaatsgevonden, waarbij God de Zoon de Goddelijke natuur volledig heeft bewaard maar tegelijkertijd tevens de menselijke natuur heeft aangenomen: God en mens!
Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Virgine, et homo factus est. Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest uit de Maagd Maria, en is mens geworden! Daarom knielen we anders dan gebruikelijk vandaag bij deze passage uit het Credo.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Grata tibi sit, Domine, quaesumus, hodiernae festivitatis oblatio:
ut, tua gratia largiente,
per haec sacrosancta commercia,
in illius inveniamur forma, in quo tecum est nostra substantia.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, laat de gaven die wij op dit feest aanbieden, U aangenaam zijn
en schenk ons in deze heilige viering ook uw gaven:
Doe ons gelijken op uw Zoon, in wie onze mensheid reeds met U verenigd is.

Werkvertaling
Moge de offergave, bidden wij [U], Heer,  van het feest van heden U aangenaam zijn:
opdat wij, met de rijke hulp van Uw genade,
door middel van deze hoogheilige uitwisseling,
in de wezenheid van Hem worden bevonden, in Wie onze natuur reeds met U is verenigd (bij U aanwezig is).

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n               
De oratie is afkomstig uit het Sacramentarium Leonianum, 1249, 2e helft zesde eeuw, berustend in de Kapittelbibliotheek van Verona, en werd met enkele kleine  tekstvarianten opgenomen in het Romeins Missaal 1970.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n  
1. Grata tibi sit, Domine, quaesumus, hodiernæ festivitatis oblatio:
2. ut, tua gratia largiente,
3. per haec sacrosancta commercia,
4. in illius inveniamur forma, in quo tecum est nostra substantia.
De oratio bestaat uit één enkele zin, gevormd door de hoofdzin die de bede bevat, gevolgd door een finale/doelaanwijzende respectieve consecutieve / gevolghebbende bijzin die de verhoopte uitwerking van de bede uitdrukt.
Ad 1
De openingszin wordt onderbroken door de anaklese Domine, [o] Heer, aanspreekvorm in de vocativusvorm en door  het verbum quæsumus in een korte tussenzin. De werkwoordsvorm quæsumus behoort tot de verba defectiva (onvolledige werkwoorden waarvan slechts enkele vormen voorkomen. Zie ook de uitleg bij het Gebed over de gaven van de 1e zondag van de Advent. De hoofdzin staat in de coniunctivusvorm:  grata tibi sit – moge [aan] U welgevallig zijn, waarmee een wens tot verhoring wordt uitgesproken. De aanvullende vorm quæsumus versterkt de ootmoedige opstelling van de bidder. Grata sit, gezegde, bestaande uit het werkwoordelijke deel sit en het praedicaatsnomen grata dat congrueert met het subject oblatio, offer(gave) in de nominativusvorm. De uiteenplaatsing van grata…oblatio wordt hyperbaton genoemd. Tibi is ee bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm (dativus commodi, van voordeel). Het subject oblatio wordt nader toegelicht door de twee congruerende genitivusvormen hodiernæ festivitatis, van het huidige feest, van het feest van vandaag: genitivus explicativus.
Ad 2
De finale/consecutieve bijzin opent met het voegwoord ut, opdat, zodat en heeft de werkwoordsvorm inveniamur, opdat/zodat wij bevonden worden (r. 4) bij zich, 1e persoon meervoud præsentis passivi van het werkwoord invenire, vinden, aantreffen, bevinden, uitvinden, bereiken. De bijzin bevat de tussenzin tua gratia largiente (r. 2) en een afhankelijke zin: in quo (r. 4). Het zinsdeel tua gratia largiente is een bijwoordelijke bepaling in de ablativus absolutusvorm met drie congruerende uitgangen. Inhoudelijk sluit dit zinsdeel aan bij de bede van regel 1: het gevraagde effect van de offergave die de priester namens ons aanbiedt is afhankelijk van de genade die God verstrekken wil. De oratie spreekt over een rijkelijk/overvloedig verstrekken, in de wetenschap dat God altijd meer schenkt dan het gevraagde.
Ad 3
Per haec sacrosancta commercia - door middel van deze heilige uitwisseling, bijwoordelijke bepaling in drie congruerende accusativusvormen van het onzijdig meervoud bepaald door het præpositum per + accusativus. Het woordenboek geeft bij het substantivum commercium, - i, n. 1. handel 2. ruil  3. commercia – orum n. pl.: uitwisseling. In mijn geboorteplaats stond vlak bij het station een “Hotel du Commerce” waar niet alleen veehandelaars maar ook bankiers te vinden waren; op deze “marktplaats” vonden besprekingen plaats voor uitruil van waarden en goederen.
Ad 4a
[ut] in illius inveniamur forma – opdat/zodat wij bevonden worden …in forma illius, in de (letterlijk:) vorm, gestalte, wezenheid, geschapenheid;  bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm, gedicteerd door het præpositum in, gevolgd door de genitivusvorm illius, van Hem - van het pronomen demonstrativum  ille, -a, -ud die het substantivum forma nader bepaalt.
Ad 4b
In quo tecum est nostra substantia Het pronomen illius vormt het antecedent voor de afhankelijke zin die met de bijwoordelijke bepaling in quo begint; in quo - in Wie, relativum in de ablativusvorm, door het præpositum in bepaald.
Nostra substantia – onze wezenheid, subject in twee congruerende nominativusvormen.
Est- 3e pers. enkelvoud van het verbum esse, zijn, voorhanden/aanwezig zijn, zich bevinden, leven. De indicativusvorm est wijst op een realiteit zoals de Kerk deze gelooft en in de loop van de eerste eeuwen heeft moeten verdedigen en verklaren tegenover ketterijen (zie KKK 464-469, 480-482 . De vertaling van het Nederlandse Altaarmissaal zegt: In Wie onze mensheid (reeds) met U verenigd is, waarmee sterker het mysterie van Jezus, waarlijk God en waarlijk mens, wordt uitgedrukt.
Zijn Menswording betekent niet dat Hij gedeeltelijk God en gedeeltelijk mens is, en ook niet dat er sprake is van een vage vermenging van het goddelijke en het menselijke. Nee, de Kerk gelooft zoals zij bidt en zingt in de antifoon van 1 januari (octaafdag van Kerstmis en hoogfeest van Maria, Moeder van God) bij het Benedictus (Lofzang van Zacharias in Luc 1, 68-79): “…id quod fuit permansit, et quod non erat assumpsit….””  – “…wat Hij was is Hij gebleven, en wat Hij niet was heeft Hij aangenomen…”(cf Leo Magnus, Sermo 21, 2-3): God en mens!

V o c a b u l a r i u m
Oblatio, onis f., betekent zowel 1. het aanbieden, het opofferen als offerande 2. offergave en 3. pars pro toto: H. Misoffer.
Hodiernus, - a, -um, van heden, van vandaag, adiectivum. Hodie, heden, - adverbium, is samengesteld uit hoc + die, op deze dag, vandaag.
Sacrosanctus, -a, -um (sacer + sanctus) hoogheilig, onschendbaar.  Dit epitheton of adiectivum komt voor in verbindingen met substantiva als
1. Mysterium;
2. Commercium, zoals in de oratie van vandaag;
3. Altare: “in sacrosancto altari” – op het hoogheilig altaar (Caesarius van Arles, Preek 228) 4. Ecclesia: “sacrosanctæ Romanæ ecclesiæ..pontificem” (oratie in de Votiefmis voor de verkiezing van een paus;
5.  Dies: “post illum sacrosanctum Domini natalis diem”- na de hoogheilige dag van de Geboorte van de Heer (Pseudo-Augustinus, Lectio 4, 24 jun.);
6. Concilium: “Sacrosanctum Concilium” –  het heilig Concilie, de naam en tevens de beginwoorden van de Constitutie over de heilige Liturgie, die als eerste conciliedocument  op 4 december 1963 door het IIe Vaticaanse Concilie werd gepromulgeerd (=plechtig  bekend gemaakt); enz.                                             
Forma, æ, f. 1. Gedaante, vorm 2. Voorbeeld. In de context van de oratie wil het zeggen dat God Zijn beeld met ons wil delen, Zijn eigen glorie, welke ons zal vormen en hervormen voor het eeuwige leven door ons steeds meer in schoonheid te doen groeien naar Zijn beeld en gelijkenis, volgens Zijn eigen “vorm”. Bij de Menswording nam God onze mensheid, ons menselijk lichaam aan, ons wezen, onze wezenheid, in onze natuur, (substantia), verenigde Hij Zijn Godheid met ons mens-zijn in een onverwoestbare verbintenis. We kunnen dus naar waarheid zeggen dat onze mensheid op dit moment zetelt aan de rechterhand van de Vader.
In dit Gebed over de gaven is zowel de erkenning vervat dat wij ons nog niet in de staat bevinden waartoe God ons schiep (de hemel), maar toch reeds bij Hem zijn in de Persoon van de Verrezen Christus, tegelijk met een diep besef van daarmee verweven dankbaarheid voor deze realiteit met het verlangen naar hetgeen zal komen. Dit alles is exact belichaamd op dit moment in de eenvoudige hosties en de kelk met de wijn en de nietige druppel water: onze mensheid wordt in haar veelheid aan personen opgenomen in Christus en getransformeerd in de hoogheilige uitwisseling in God.

C o m m e n t a a r
De “sacrosanctum commercium” – de hoogheilige uitwisseling- heeft hier niet de betekenis van zakelijke ruilhandel en ook niet alleen een zuiver theologische duiding, maar het is een ruimer concept dat voor velerlei uitleg vatbaar is, stoffelijk en onstoffelijk. De uitdrukking is daarmee ook gewaagd als men bedenkt dat deze teruggaat op de ruilhandel, de uitwisseling van goederen tussen mensen. In het Nederlandse Altaarmissaal is gekozen voor een ietwat afgezwakte formulering:  “Doe ons gelijken op uw Zoon, in wie onze mensheid reeds met U verenigd is”.  Ook zuiver geestelijke goederen kunnen worden uitgewisseld en ook tekens van liefde tussen de mensen onderling die niet zoals handelsgoederen “pretio æstimabilia” – op hun geldwaarde te schatten zijn.

Wanneer de liturgie spreekt van een heilige uitwisseling, is dat bedoeld als een lofprijzing op de goedheid van God, op zijn edelmoedigheid, die een dergelijke uitwisseling mogelijk maakt. Het fundament is dat God de Gever van al het goede is. Hij is het die de mensen het eerst heeft liefgehad en het eerst zijn barmhartigheid heeft geschonken. En God schenkt zó, dat degenen aan wie wordt geschonken deze gaven ook werkelijk bezitten en er als eigenaar over kunnen beschikken. Om die reden is het dan ook een reëel schenken en – tegenover God – een werkelijk offeren. Deze toedracht is de grondslag van elke uitwisseling, en het komt uit Zijn unieke liefde voort dat Hij het aldus heeft geschikt.

De vereniging in genade met de mensgeworden Zoon geldt ieder die in Hem gelooft.
 “Hierdoor [de goddelijke kracht] heeft Hij ons begiftigd met kostbare, verheven beloften, opdat gij, ontkomen aan het bederf en de zelfzucht van de wereld, deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur”(2 Petr 1, 4). In Christus,  zo zegt de oratie, is onze natuur bij God. De bede verlangt naar een heilige uitwisseling, opdat wij “in de gestalte, de wezenheid (forma, “vgl. Phil 2, 6 Vulgaat) van Christus worden bevonden”. De mensheid geeft Christus wat zij bezit: het mens-zijn. God, zo bidt de Kerk, moge de mensheid geven, wat Hij bezit: het delen in de goddelijke natuur.

In de gehoorzaamheid van Maria “Uw wil geschiede” - fiat voluntas tua -  heeft de mensheid voor zover dit haar gegeven was haar deel gegeven heeft. Na het “fiat” van Maria heeft God zich met de mensheid bekleed.



“Het Woord is vlees geworden en heeft ons gewoond”, “opdat bij het noemen van zijn Naam  zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde en iedere tong zou belijden tot eer van God de Vader:  Jezus Christus is de Heer”! Venita adoremus – komt laten wij Hem aanbidden. En daarbij mogen vandaag op het Kerstfeest zeker uitroeptekens worden geplaatst!

25 DECEMBER Collectagebed NACHTMIS VAN KERSTMIS Ad Missam in nocte Nativitatis Domini - Laat ons op aarde het mysterie leren kennen en dat in de hemel genieten.


Laat ons de vreugde van het mysterie dat wij op aarde hebben leren kennen, genieten in de hemel.

I n l e i d i n g

God, tot wie dit collectagebed zich richt, is Degene, die in het begin sprak: “Er moet licht zijn!” (Gen 1, 3). Hij is het ook, die in deze hoogheilige nacht “het ware Licht” (Jo 1, 9) in de wereld heeft gezonden, waarvan de glans deze nacht doet stralen. Op de achtergrond van dit gebed staat de blijde boodschap aan de herders: “Plotseling stond een Engel des Heren voor hen en zij werden omstraald door de glorie des Heren, zodat zij door grote vrees werden bevangen.  Maar de Engel sprak tot hem: vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David” (Lc 2, 9-11).

Telkens wanneer in de loop van het liturgisch jaar ‘deze hoogheilige nacht’ terugkeert, schittert zij in dit Licht, dat de heerlijkheid van God is, en de gelovige christenen bidden tot God, de Schepper van dit Licht.

De Nederlandse versie van deze oratie (Altaarmissaal, 191) heeft het karakter van de relatieve bijzin “qui hanc…clarescere” opgegeven en enigszins vereenvoudigd. De relatie tot het herdersevangelie (Lc 2) is echter duidelijk en daarmee is ook de levendigheid van de boodschap aan de herders behouden.

In de oratie gaat het om “het ware Licht” en daarom richt het gebed zich tot de Schepper van het Licht (Gen 1, 3). De relatieve bijzin die een heilsdaad van God de Vader vermeldt, is onmiskenbaar een toespeling op de Zoon van God, de Logos: het door de Vader gesproken Woord, Jezus Christus, van het Johannesevangelie: “Het ware Licht dat iedere mens verlicht kwam in de wereld” (Jo 1, 9.). Hierin ligt het eigenlijke komen: God heeft zich in zijn Woord

bekend gemaakt  als Vader van de Zoon: “Et Verbum caro factum est, et habitavit in nobis  (Jo 1, 14) – en het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.

Dat zijn de ‘lichtmysteries’ van deze nacht, het ‘verum lumen’ (collectegebed), en het ‘nova lux’ (prefatie I van Kerstmis), het ware en nieuwe licht, dat op aarde in een sterfelijk lichaam en in het geloof zichtbaar kon worden. De schittering van Gods klaarheid ontvouwt zich voor onze ogen (pref. I Kerstmis) en terwijl wij God op zichtbare wijze kennen, worden wij meegetrokken tot en in liefde voor het onzichtbare.

Het Licht, de glorie van God, is het mysterie van het ware Licht, het genade verkondigende én genade bewerkende teken van de Verlossing en van de Verlosser.

De Heer is geboren. De Zoon van God is mens geworden. Venite, adoremus!

Door Hem, met Hem en in Hem leren wij de Vader kennen.

Bij de kribbe van onze Verlosser gaan wij met veel vertrouwen op Zijn Licht verder een nieuw jaar tegemoet. De dagen zijn donker, de tijden somber... maar Hij leidt ons, trouw en veilig!

 

T e k s t

Missale Romanum – 1970/2002

Deus, qui hanc sacratissimam noctem veri luminis fecisti illustratione clarescere,

da, quæsumus,

ut, cuius in terra mysteria lucis agnovimus,

eius quoque gaudiis perfruamur in cælo.


 Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979

God, Gij hebt deze heilige nacht hebt doen stralen door de luister van het ware licht.

Wij bidden U:

laat ons, die op aarde het mysterie hebben leren kennen van dit licht,

ook de vreugde ervan genieten in de hemel.

 

Werkvertaling

God, die deze allerheiligste nacht door de luister van het ware licht heeft doen stralen,

geef, vragen wij [U],

dat wij, van het licht waarvan (cuius) wij de mysteries op aarde hebben leren kennen,

(letterlijk: van welk licht wij de mysteries op aarde hebben leren kennen)

ook volop mogen genieten van de vreugden ervan (eius) in de hemel.


L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n

Als meest opvallende bijzonderheid heeft de Romeinse kerstliturgie de viering van drie HH. Missen: de Nachtmis, de Dageraads- en de Dagmis. Dit gebruik stamt uit de pauselijke liturgie van de 4e – 6 e  eeuw en werd vanaf de 8e eeuw door de Gallisch-Frankische liturgie overgenomen. Sinds het Concilie van Trente werd deze gewoonte voorgeschreven voor de gehele Kerk  (1570) en is ook in het nieuwe Missaal (MR 1970) na de liturgiehervorming van Vaticanum II, bewaard. Het eigen karakter van de Romeinse liturgie wordt vooral bepaald door de oraties. Vanuit het onderzoek van de Sacramentaria (de oudste verzamelingen van de misformulieren en voorlopers van de missaals) staat vast dat bijna volledige delen van de vier oratiereeksen van de Vigiliemis en van de drie Kerstmissen aan deze Sacramentaria zijn ontleend.

De brontekst van het collectegebed van de Nachtmis vinden we in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316, 5; 1e helft van de 8e eeuw.

Sinds de 8e eeuw werd de oratie, zoals gezegd, vanuit de Romeinse liturgie in meer dan 55 handschriften verspreid over het vaste land van Europa en het Britse schiereiland en was in gebruik in de bisschops- en kloosterkerken.

De collectetekst van de Nachtmis is ten opzichte van het Missale Romanum [MR] 1962, 347 slechts op één punt herzien: MR 1970/2002 heeft agnovimus tegenover cognovimus in de voorafgaande missaaledities.

(E. Moeller +, J.M. Clément + en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, II, D pars prima, Brepols, Turnhout 1993, nr. 1653, p. 346).

“De enkele verschuiving van cognovimus naar agnovimus springt in het oog om vier redenen. Ten eerste, in de traditie van de handschriften is geen manuscript bekend dat hier het woord agnovimus heeft.

Ten tweede, agnosco betekent kennen, onderkennen, aanvaarden; cognosco betekent weten, begrijpen, er ten diepste bekend mee zijn, aanvaarden, evenals begrijpen, (h)erkennen en de identiteit vaststellen. Dat wil zeggen: cognosco omsluit alles wat is aangeduid door agnosco en nog veel meer daaroverheen. Het meerdere waar het om gaat is dat cognosco verwijst naar een dieper niveau van persoonlijke ontmoeting, dat niet besloten ligt in agnosco. De verschuiving van cognovimus naar agnovimus leidt tot een collectegebed dat minder aanspraak maakt op ons begrip van het mysterie van Christus’ Licht, en het lijkt minder vertrouwen te hebben in het openbarende effect van het Licht dat de Vader laat schijnen bij de Geboorte van Christus.

Ten derde, de Proloog van het Johannesevangelie behelst het verbum cognosco en niet agnosco. Zo wordt in het collectegebed de toespeling op het Evangelie verzwakt.

Ten vierde, andere collectes die het begrip cognovimus behelzen, zijn niet op deze manier gewijzigd.

De tweede en derde redenen, hierboven aangehaald, maken duidelijk dat belangrijke karakteristieken van het geheel verloren zijn gegaan door de verandering van slechts een woord. De eerste en laatste redenen tonen aan dat deze specifieke wijziging niet wordt geborgd in de traditie van de handschriften, en evenmin, zo lijkt het, consistent is toegepast in de herziening. Het is moeilijk te begrijpen wat de editeurs (lees: Vaticanum II) hebben bedoeld met het aanbrengen van deze verandering bij deze oratie”.

Zie: Lauren Pristas, The Collects of the Roman Missals. A Comparative Study of the Sundays in Proper Seasons before and after the Second Vatican Council. Bloomsbury, London etc, p. 73-74.

Ook wij vinden het jammer dat met deze kleine wijziging (twee letters) de verkondigende  waarheid van het hoogfeest (zonder toelichting voorzover ons bekend) is afgezwakt.

 S t r u c t u u r a n a l y s e

1. Deus, qui hanc sacratissimam noctem veri luminis fecisti illustratione clarescere,

2. da, quæsumus,

3a. ut, 4. cuius in terra mysteria lucis agnovimus,

3b. eius quoque gaudiis perfruamur in cælo.

 

De oratie wordt gevormd door één doorlopende zin, opgebouwd door een openingszin met de anaklese Deus aan de spits, gevolgd door een relatieve bijzin beginnend met qui die een heilsdaad van God memoreert en die tevens de titel is waarop de bede zich in r.  2-3 ter verhoring beroept. Regel 2 met de twee prædicaatsvormen da, quæsumus is de eigenlijke hoofdzin met da in de imperativus, afgezwakt door de tussenzin quæsumus.

De oratie gaat verder met een finale (doelaanwijzende) resp. consecutieve (gevolgaanduidende) bijzin r. 31-3b), ingeleid door het voegwoord ut, met de prædicaatsvorm perfruamus bijgevolg in de coniunctivus.  Regel 4 bevat een relatieve bijzin waarvan cuius het antecedent vindt in eius van r. 3b. Vermoedelijk is dat in verband met het metrum van de oratie gekozen voor deze constructie. Een klassiekere versie zou zijn: lux,  cuius mysteria in terra agnovimus. Het antecedent is hier dan, lux waarop cuius en eius vervolgens beiden naar verwijzen.in regel 3b. Deze bijzin staat in de indicativusvorm omdat zij voor de gelovigen een werkelijkheid verwoordt.

De eigenlijke bede bestaat zoals dikwijls bij de Romeinse oraties, uit twee geledingen: de ene spreekt over hetgeen op aarde is, de andere over hetgeen in de hemel is. Hier is de eerste geleding: Wij hebben het Mysterie van het Licht op aarde herkend/ leren kennen. De tweede geleding vraagt om de vreugde van dit Licht in de hemel. De eerste geleding spreekt over een reeds gerealiseerde genade: Wij hebben het mysterie erkend. De tweede, en dat is de eigenlijke bede, richt zich op de voltooiing in de hemel.

Ad 1

Deus, [o] God, - anaklese van Deus in de vocativusvorm van Deus

Fecisti clarescere, - [die] heeft doen stralen, prædicaatsgroep van de relatieve bijzin qui in de 2e pers. enkelvoud indicativi perfecti activi van facere, feci, factum, gevolgd door de infinitivusvorm clarescere

Hanc sacratissimam noctem, deze allerheiligste nacht, - object van de prædicaatsgroep in drie congruerende accusativusvormen, vrouwelijk, enkelvoud. Men zou hier ook een a.c.i. constructie in kunnen zien, waarbij fecisti in de betekenis van ‘bewerkstelligen’ kan worden gelezen. Hanc sanctissimam noctem is dan vervolgens de accusativus van de constructie en clarescere de infinitivus.

De vertaling in AM 1979 reduceert de superlativusvorm sacratissimam tot ‘heilige nacht’.

De Kerstnacht is een nacht die straalt en schittert van overvloedig goddelijk Licht. Een parallel van uitdrukking en context zien we bij de aanvang van de Paaswake wanneer de gelovigen als volgt worden uitgenodigd: “Fratres carissimi, hac sacratisssima nocte, in qua Dominus noster Jesus Christus…Zeer geliefde broeders, in de allerheiligste nacht waarin onze Heer Jezus Christus..

Veri luminis […] illustratione, door de luister van het ware licht, bijwoordelijke bepaling, samengesteld door de ablativusvorm illustratione, ablativus causæ, verbonden met de bijvoeglijke bepaling veri luminis in twee congruerende genitivusvormen, resp. van het adiectivum verum en het substantivum lumen: genitivus explicativus, die illustratione nader bepaalt. 

 Ad 2

Da, geef – prædicaat in de imperativusvorm enkelvoud van dare.

Quæsumus, bidden wij [U] – prædicaat van de tussenzin, 1e pers. pluralis præsentis activi van quæso, verbum defectivum. Dit frequent voorkomend tussenwerpsel heeft als functie de imperativusvorm waarmee God wordt aangesproken af te zwakken óf dient het ritme van de loop van de oratie.

 Ad 3a-3b

Finale resp. consecutieve bijzin, ut-zin, in de coniunctivusvorm vanwege de bede, onderbroken door een relatieve bijzin in de indicativus (r. 4).

Perfruamur, dat wij genieten – prædicaat in de 1e pers. pluralis coniunctivi activi van het deponens perfrui, perfructus sum, genieten.

Gaudiis, bijwoordelijke bepaling in de dativusvorm pluralis opgeroepen door het verbum perfrui en te lezen als object bij perfrui.

Eius, zijn/haar, - bijvoeglijke bepaling bij gaudiis in de 2e persoon singularis van het pronomen personale (is) ea (id) dat zijn antecedent vindt in cuius van r. 3a maar verwijst naar lucis/lux, zie de toelichting hierboven.

In cælo, in de hemel – bijwoordelijke bepaling van plaats / toestand.

 Ad 4

Agnovimus, wij hebben leren kennen, wij (h)erkennen, - prædicaat van de relatieve bijzin in de 1e pers. pluralis indicativi perfecti activi van agnoscere (3).

Mysteria lucis, de mysteries van het licht, - object bij agnoscere, samengesteld door de accusativusvorm mysteria en de bijvoeglijke bepaling lucis in de genitivusvorm van lux, lucis vr., genitivus explicativus.

Cuius, wiens – bijwoordelijke bepaling in de genitivusvorm van het pronomen reflexivum (qui) quæ (quod) dat verwijst naar Christus, zijnde het Licht. Deze optie zou ook nog mogelijk zijn geweest maar dan hadden cuius en eius met een hoofdletter geschreven moeten zijn, dat is echter niet gebruikelijk. Misschien is dat wel zo in het oorspronkelijke gebed, dat weet ik niet. De vertaling zou dan zijn: ‘Geef, wij smeken u, dat wij van Wie wij de mysteries van het Licht op aarde hebben leren kennen, van Hem ook de vreugden mogen genieten in de hemel.’

In terra, op aarde – bijwoordelijke bepaling van plaats.

 

S t i j l f i g u r e n

Antithese: in terra (r. 4) en in cælo (r. 3b)

 

V o c a b u l a r i u m

Het grote aantal synoniemen maakt dat de oratie moeilijk te vertalen is. In de eerste zin van de oratie vinden we na het begrip “sacratissimam noctem”  luminis, illustratione en clarescere – alle begrippen hebben te maken met licht, luister, helderheid en maken iets duidelijk.

Lumen, - inis (onz.)

betekent “licht” in de betekenis van lichtbron, lamp, toorts, fakkel en daarmee “licht van het oog, het oog”. Het kan ook de opening zijn waardoor het licht doordringt zoals de pupil van het oog en ook “schoonheid” en “sieraad”.

In het Credo belijden wij Lumen de lumine – Licht uit Licht, aanduiding voor de innerlijke goddelijke verhouding van de Zoon tot de Vader.

Lux, - cis (vr.)

is het “licht” van de zon, maan en sterren, maar ook “het oog” dat licht ontvangt, en bij uitbreiding “bemoediging, stimulans, hulp, steun”, maar ook “sieraad”, “ornament”.

We bidden om het lux perpetua voor hen die sterven of gestorven zijn.

Illustratio, - onis (vr.)

Betekent ‘verlichting, glans, levendige schildering”. Het is een technische term uit de rhetorica, een “levendige representatie of voorstelling”, bedoeld om een concept in de geest van de luisteraar te completeren. Een illustratie is een ondersteunende afbeelding bij een tekst, uitleg of bewering. Het tijdschrift de ‘Katholieke Illustratie’ was decennialang bij de katholieken een begrip. De artistieke versiering van bladzijden wordt ook illustratie genoemd of ‘verluchting’.

Illustratio komt van illustrare dat betekent “verlichten, aan de dag brengen” en ook “ophelderen, verklaren, uitleggen” en ook “versieren, verheerlijken” en zelfs “beroemd maken”.

Een bredere overdrachtelijke betekenis vinden we in de oratie tot de H. Geest na de antifoon: Veni, Sancte Spiritus: “Deus, qui corda fidelium Sancti Spiritus illustratione docuisti”…God, die de harten van de gelovigen door de onderrichting van de H. Geest hebt onderwezen…En ook in de collecta van de vigiliemis van Pinksteren: “(…) et lux tuæ lucis corda eorumSancti Spiritus illustratione docuisti”, (…) en moge Christus, die is licht uit licht [allen die door uw genade herboren zijn bevestigen door de verlichting van de H. Geest. (MR 1970, 311)

Christus Zelf is de volmaakte illustratio in Wie wij (nu) het volkomen zichtbaar Beeld zien van de onzichtbare Vader.

Claresco

Betekent “helder, duidelijk worden”; de lettercombinatie  -sc – voegt een beginnend en progressief (voortgaand) element toe (verbum inchoativum); clarescere staat ook voor “beroemd, bekend worden”.  

Herinner u dat de volgende Mis van Kerstmis, de Dageraadsmis, begint met het Introitus “Lux fulgebit… “ en ook door de oraties flikkert het lichtmotief. Er is een climax te zien: in de Nachtmis, in het duister van de nacht, wordt geanticipeerd op het licht als een belofte. In de Dageraadsmis schittert en flonkert het als een nieuw licht. In de Dagmis wordt de belofte geopenbaard als het Kind dat is geboren: Puer natus est nobis.  De evangelielezing van de Dagmis is de Proloog van Sint Jan. een samenvatting van het verlossingsmysterie.

 

In het tweede deel van de oratie wordt het begrip “licht” nog eens genoemd en hier wordt de tekst de tekst “de mysteries van wiens Licht” zo verbreed dat deze de aarde (in terra) omhult.

Er is bovendien een paradox in de tekst “mysteria lucis”: het mysterie van Christus’ Licht is geen duisternis zoals andere mysteries.

 

C o m m e n t a a r

Niet op het pasgeboren Kind in de kribbe maar op het bijzondere licht van deze nacht richt de eerste oratie van de Kerstliturgie na de inleidende gezangen haar aandacht. De lichtglans van de schitterend verlichte kerken tijdens deze nacht – dit jaar overschaduwd door de donkere wolk van de pandemie – is slechts een liturgische reflex van het mysterie waardoor God deze nacht – deze allerheiligste nacht – heeft geheiligd en verlicht. Een machtige uitwerking heeft de symboliek van het licht in deze nacht.

Daarbij denkt men in eerste instantie aan de “glorie des Heren” die de herders die waken bij hun kudden bij het verschijnen van de Engel omstraalt. De boodschap van de Geboorte van de Verlosser komt vanuit een bliksemende theofanie (Godsopenbaring) “en zij werden door grote vrees bevangen” (Lk 2, 9).

De Geboorte van Jezus vond plaats in de nacht. Dat merken we ook als we lezen dat de eerste bezoekers aan het Kind in de kribbe herders zijn, die de nachtelijke wacht houden bij hun kudden om deze te beschermen tegen rovers of wilde dieren. Aan deze herders verschijnt plotseling een Engel. De zichtbare haast verblindende schittering van licht waarin de heerlijkheid van de Heer zich manifesteert openbaart en waarbij tegelijkertijd de Engel de herders omstraalde, is de verschijningsvorm van God; dezelfde zoals op de berg Thabor. Eerst met dit ingrijpen van God treedt de pasgeboren Messias en Verlosser uit de verborgenheid te voorschijn, die Hem op het moment van zijn nederdalen op deze aarde omhulde. “Zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer” (Lk 2, 10b-11).  

De lichtende boog die het collectagebed direct aan het begin van de H. Mis met het Evangelie verbindt sluit ook de lezing uit het Oude Testament in (Jes 9, 1-3. 5-6): “Het volk dat in het donker wandelt, ziet een groot licht; een licht straalt over hen die wonen in het land van doodse duisternis” (Jes 9, 2). Het is het licht dat in de uitzichtloze duisternis van politieke overheersing verrassende bevrijding belooft. Het betekent eindelijk vrede, recht en gerechtigheid. Het doorbreken van het licht is verbonden met de Geboorte van een Kind aan wie God de Heer de troon van zijn vader David zal schenken (Lk 1, 32): “Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons geschonken. Op zijn schouders rust de heerschappij” (Jes 9, 6).

Het Licht waarvan het collectagebed na de duisternis van de nacht spreekt, is het verum lumen waarover de Proloog van het Johannesevangelie spreekt (Jo 1, 9), de Logos, de komst van het Woord dat als het ware Licht in de wereld kwam, maar niet door de wereld werd aanvaard – non comprehenderunt volgens de Vulgaattekst.

De gelovigen die aan de Nachtmis deelnemen, daadwerkelijk of online, – maar ook zij die door de beperkende maatregelen op grond van de actuele pandemie daarvan worden weerhouden, behoren niet tot hen die niet ontvankelijk zijn voor dit Licht (in terra msyteria agnovimus).

Zij hebben de Zoon aanvaard en hebben de genade ontvangen kinderen van God te worden, zij die hebben geloofd in zijn Naam  en uit God zijn geboren (Cf Jo 1, 9-14).

Zij hebben op aarde het mysterie van het licht in zijn wezen herkend, erkend en aanvaard, maar – en hier ligt de grens – het is slechts het mysterie van het Licht van deze nacht, Licht dat voor de gelovigen wordt omsloten door Woord en Sacrament, maar nog niet het licht van een volledig door het Licht vervuld leven. Eius quoque gaudiis perfruamus in cælo, dat is eerst de werkelijke inlossing van de belofte van het ware Licht (veri luminis).

 

Om de Menswording van Christus waardig te vieren en het Kerstmysterie ten diepste te genieten (perfruor) past een adequate voorbereiding middels vasten, boete en werken van barmhartigheid) alsook een juiste gesteltenis (staat van genade), niet één keer per jaar maar een leven lang, waarbij het Kerstfeest ons iedere keer opnieuw een doorkijk geeft.

 

De terminologie van licht en luister doet ons helder beseffen in welke donkere en miserabele wereld we zouden leven als we niet de gave hadden ontvangen van Christus’ eerste verschijning bij zijn Geboorte in Bethlehem. Christus, het Licht Zelf, kwam in een door zonden bezoedelde wereld. Hij is ook Degene door Wie licht en genade onze ziel binnenstroomden: sinds ons Doopsel kwam Christus, met de Vader en de H. Geest in ons wonen; Vader, Zoon en H. Geest doen ons delen in hun Trinitaire leven middels genade en inwendige verlichting. Genade op genade worden ons geschonken om onze ziel te sieren, haar in schoonheid te doen stralen en haar en tot een schitterende spiegel te maken, beeld van de Gods glorie.

 

Jezus Christus is het volmaakte mens geworden zichtbare Beeld van de onzichtbare Vader, de Verlosser van de mensen.

De jubelende hymne aan het begin van de Metten van Kerstmis vat dit concept in gelovige aanbidding magistraal samen; hier volgen de eerste twee strofen:

 

Candor æternæ Deitatis alme,

Christe, tu lumen, venia atque vita

Advenis, morbis luminum medela,

Porta salutis.

 

Milde afglans van d’eeuwige Godheid,

Christus, U komt als Licht en Leven,

als genezing voor de ziekten van de mensen,

Deur van ons heil.

 

Intonat terræ chorus angelorum

cælicum carmen, nova sæcla dicens,

gloriam Patri, generique nostro

gaudia pacis.

 

Een engelenkoor doet over d’aarde een hemels lied

Weerklinken en meldt een nieuwe tijd,

heerlijkheid voor de Vader en voor ons, kind’ren,

de vreugden van de vrede.