donderdag 5 maart 2020

Overweging Aswoensdag 2020 door dr. Alfons Jaakke, pr. Op weg naar het Paasfeest om de levende en opgestane Heer te ontmoeten.



Zusters en broeders,
Aan het begin van de veertigdagentijd wil ik met u nader ingaan op de volgende drie punten: de symboliek van het getal veertig, de aard en praktijk van het vasten en de betekenis van het askruisje.

Het getal 40
We kunnen in ons leven niet zonder symboliek, noch in woorden noch in tekens of gebaren. We noemen onze levensgezel vaak prins of prinses, we geven bloemen bij verjaardagen, jubilea of begrafenissen, en we dragen een ring om onze vinger of een foto in onze portefeuille om aldus uitdrukking te geven aan onze innige verbondenheid met iemand. Met symbolen en tekens geven we uitdrukking aan gevoelens die niet in dagelijkse woorden of daden te vangen zijn, en verwijzen we naar werkelijkheden in ons leven die het gewone van elke dag overstijgen. In de liturgie en in onze geloofsbeleving is dat niet anders. Zo gebruiken we bij kerkelijke gewaden de kleuren wit, rood, groen en paars (en een enkele keer ook rose) om de gelovige samenkomsten aan te passen aan de blije of droevige, de opgewekte of sobere inhoud van de jaarlijkse feesten. We vouwen onze handen, heffen onze armen, buigen en knielen om zo met lijf en leden uitdrukking te geven aan onze eerbied voor de goddelijke majesteit. En in allerlei liturgische rituelen worden de eenvoudigste elementen gebruikt zoals water, wijn, olie, brood, zout, licht en wierook (en nog andere middelen) om de diepe zin van het sacramentele handelen toe te lichten en te verhelderen. Zo is het ook met het gebruik van getallen in de H. Schrift en in de liturgie. In zeven dagen tijds schiep God hemel en aarde; tienmaal horen wij zeggen: “En God zei”. Zesmaal ziet God dat het goed was, en de zevende keer dat het zeer goed was. Zo ook met het getal 40. Bij de zondvloed lezen we in Genesis 7 dat het 40 dagen en 40 nachten lang stortregende op aarde. In het boek Exodus klimt Mozes de berg op en gaat hij de wolk van de goddelijke aanwezigheid in, 40 dagen en 40 nachten. En in het boek Deuteronomium wordt dat nog nader aangevuld met de mededeling dat Mozes dat deed zonder te eten of te drinken. (Exodus 24,18 en Deuteronomium 34,28). In hetzelfde boek Deuteronomium horen we dat het uitverkoren volk 40 jaar lang in de woestijn rondtrok, levend van water uit de rots en van manna uit de hemel, want zo staat er woordelijk: “Want God de HEER wilde jullie op de proef stellen om te ontdekken wat er in jullie hart omgaat, of jullie wel naar hem willen luisteren” (Deuteronomium 8, 2 en 4). En in het boek Koningen is de profeet Elia ten einde raad en levensmoe. Hij trekt zich terug in de woestijn om er te sterven. Maar een raaf voorziet hem van water en brood, en daardoor gesterkt liep hij in 40 dagen en 40 nachten door de woestijn, naar de berg Horeb om daar God te ontmoeten 1 Koningen 19,8). En de evangelist Matteüs zegt ons dat Jezus door de Geest de woestijn wordt ingedreven, en daar 40 dagen en nachten al biddend en vastend door de satan op de proef werd gesteld. Zes weken van zes dagen (de zondagen tellen nooit mee) +   vandaag, morgen, overmorgen en zaterdag, bij elkaar een tijdpad van 40 dagen, gaan we een weg van inkeer en bezinning.  Op weg naar Pesach, het paasfeest waardoor wij geloven de levende en opgestane Heer te ontmoeten.

Vasten
Vasten is een praktijk die we in alle eeuwen en bij alle volken terugzien. Ook in de H. Schrift treffen we herhaaldelijk personen aan die vasten, en situaties waarin gevast wordt, met alle rituelen die daarbij horen, zoals tranen storten, weeklagen en de kleren scheuren. De profeet Samuel belegt een samenkomst van het volk in Mispa, en roept op tot vasten, het belijden van de zonden en gebed (1 Samuel 7,6). Ezra de priester die als balling in Perzië leefde, hield een vastendag als voorbereiding op zijn terugreis naar Jeruzalem (Ezra 8,21).  En koningin Ester, als Jodin tot deze hoge positie uitverkoren, riep alle Joden in Susa, de toenmalige hoofdstad van het Perzische rijk, op om voor haar te bidden en te vasten, en niet te eten en te drinken, drie dagen lang (Ester 4,16). Koning David bad voor zijn pasgeboren kind, het kind dat hij verwekt had bij Batseba en dat op sterven lag. Hij vastte streng, stortte tranen en lag op de harde grond te slapen (2 Samuël 12,16). Hij hield pas op met vasten toen het kind gestorven was. In het evangelie van Lucas komen we de profetes Hanna tegen die God in de tempel van Jeruzalem diende met bidden en vasten (2,37). Met vasten en bidden willen we ons tegenover de heilige God klein maken in de hoop dat hij onze zonden vergeeft en zich weer tot ons keert. Maar er zijn nog twee andere redenen, de ene een therapeutische en de andere een theologische. In het boek Daniël krijgen de profeet en zijn vrienden een opleiding aan het hof van de koning van Babylon.  Ze moeten eten en drinken van de spijzen en dranken van de koninklijke tafel, kostbare vleeswaren, wijnen en bijzondere lekkernijen. Maar zij verzoeken de hofmeester zich daarvan te mogen onthouden, en tien dagen lang alleen groenten te eten en water te drinken. En dan blijkt dat zij gezonder en beter doorvoed zijn dan de andere jongemannen aan het hof. Vasten als lichamelijke en geestelijke reiniging. Maar dan de  visie van Genesis. Wanneer God gereed is met zijn scheppingswerk, zegt Hij: “Hierbij geef Ik jullie alle planten en vruchtbomen tot voedsel. Ook de wilde dieren en de vogels ja, alle beesten, geef Ik de groene planten tot voedsel” (Genesis 1,29-30). Voor de gewijde schrijver is een vegetarische leefstijl dus het ideaal; het paradijs is een volmaakt bestaan omdat er geen bloed vergoten wordt noch van mens noch van dier. Pas na de zondvloed, nadat Kaïn voor het eerst bloed heeft doen vloeien door zijn broeder Abel dood te slaan, staat God toe dat ook het vlees van dieren de mens tot voedsel zal zijn (Genesis 9,1-3). Wie dus een dag vast (of langer) en zich onthoudt van vlees en vleeswaren, brengt op deze wijze het paradijs een stukje dichterbij. Maar er is nog een derde reden. Door te vasten en ons te onthouden, kunnen we iets wegleggen voor degenen die het in onze wereld minder hebben. Als we iets uit onze mond sparen door af te zien van luxe zaken, lekkere spijzen en dranken, kunnen we wat we overhouden weggeven als steun aan de armen in onze omgeving, bijvoorbeeld het Zuster Corlies Fonds of voor de bouw van onze kerk. Dat is een wijze van vasten zoals God die graag ziet zoals blijkt uit de teksten van de profeet Jesaja 58,6-10 en Zacharia 7,4-10). Vasten niet als een uiterlijk vertoon of als een opgelegde zaak, maar vrijwillig op ons genomen, een vasten dat komt uit het hart tot eer van God die in het verborgene is en in het verborgene ziet (Matteüs 6,16-18).

Het askruisje
Hoe diep zijn de bijbelse schrijvers ervan doordrongen dat de mens een mens is van vlees en bloed. In het boek Genesis lezen we dat God de mens vormde uit stof, uit aarde (2,7). Maar na de verstoring van de relatie tussen God en mens volgt de uitspraak: “Stof ben je en tot stof zul je wederkeren” (3,19). Wanneer Abraham met God in onderhandeling is over het lot van Sodom en Gomorra, stelt hij zich heel bescheiden op met de woorden: “Hoewel ik maar stof en as ben …” (Genesis 18,27).  En koning Salomo heeft ons een filosofisch/ theologisch boekje nagelaten, Prediker, waarin hij zegt: “Alles is uit stof ontstaan, en alles keert terug tot stof” 3,20.  Één man springt er in de bijbelse verhalen heel sterk uit met het besef van vergankelijkheid, namelijk Job die keer op uitspreekt dat hij maar van stof en as is (Job 2,8; 7,6 en 21; 10,9; 30,9; 42,6). In de psalmen, het boek van liederen en gebeden bij uitstek, horen wij over God zeggen: “U bent indachtig dat wij maar stof zijn” (103,14). En: “U doet ons stervelingen terugkeren tot stof”(90,3). In psalm 104, 29 wordt gebeden: “Wanneer U de mensen de adem ontneemt, is het met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof dat zij waren”. En het besef van vergankelijkheid wordt mooi en dichterlijk uitgezegd in psalm 103,15: “’s Mensen dagen zijn als gras, als een bloem die bloeit in het veld. De wind blaast over hem heen en weg is hij; de plaats waar hij stond, kent hem niet meer.” Al deze teksten doen ons beseffen dat we de levensadem van God hebben ontvangen en dat we die ook weer aan God moeten teruggeven. Daarom worden we zo dadelijk getekend met het gewijde as. Maar wel in de vorm van een kruisje, want het kruis waaraan Jezus gestorven is met de woorden: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”, dat kruis is met Pasen ook een levensboom geworden, waarborg en onderpand van eeuwig leven bij God. Het askruisje is als een zegel op ons voorhoofd, gelijk aan de 144.000 die de naam van Jezus en die van zijn Vader op hun voorhoofd droegen (Openbaring 14,1).  Amen.