Posts tonen met het label hebdomada XXX per annum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hebdomada XXX per annum. Alle posts tonen

zondag 27 oktober 2024

Overweging bij 30e zondag door het jaar B - Geloven is een krachtbron om van betekenis te zijn voor elkaar.

 



Zien, de dingen zien zoals ze zijn, is méér dan het werk van een paar goede ogen. Wij worden uitgenodigd om niet geestelijk blind en doof te zijn, om te vernemen hoe het Evangelie voor ons allemaal een wegwijzer ten leven kan zijn.

Het is niet vanzelfsprekend om ook met anderen rekening te houden, om zachtmoedig te zijn. Uit eigen kracht kan een mens zo niet leven.

Mooie bedoelingen alléén kunnen de trouw van een mensenleven in ogenblikken van ontmoediging en ontgoocheling niet waarborgen.

Veel mensen hebben geprobeerd, en nog wel zeer oprecht, om christelijk te leven zonder de liefdevolle God. Na enkele jaren moesten ze toegeven dat het niet gelukt is. Alsof er in de mens krachten werken die zó naar zelfzucht en onechtheid trekken en de mens behéksen met macht, bezit en mateloos genot, dat alleen het contact met God er voor kan zorgen dat deze dingen ons niet in de greep krijgen.

Mensen hebben het zelf ervaren : als zij God uit het oog verliezen, dan gaan ze geleidelijk, bijna onmerkbaar, de ene christelijke houding na de andere, prijsgeven. Mensen verliezen op den duur hun geloof, ze hebben geen richting meer in hun leven, geen oriëntatiepunt. 

Het geloof in de goede God is een sterke inspiratie en een stuwende kracht om zich in te zetten voor elkaar. God, die ons welzijn wil, in het vizier houden, geloven dus, is een goed klimaat voor een groter engagement, dan men uit zichzelf zou opbrengen.

Je kunt het vergelijken met een arts. De liefde in zijn gezin heeft invloed op de uitoefening van zijn beroep. 

Door te geloven zie je dat veel dingen betrekkelijk zijn : je weet je verbonden met de medemens want God is de Vader van allen. We bidden dan ook : ónze Vader.

Hoe kan men de anderen echt beminnen wanneer men niet bewust verbonden is met de bron van de liefde ?

Op de markt van de liefde krijgt men goederen van allerlei kwaliteit en soort aangeboden. Maar een mens heeft geen behoefte aan goedkope liefde, maar wel aan liefde van een goede kwaliteit. Daarom is het nodig dat de liefde vrij is van een mentaliteit van ikke, ikke en nog eens ikke. Die liefde kan een mens leiden, zonder hem te verwoesten. Dat is iets heel anders dan de liefde, die men uit eigen kracht tot stand meent te brengen, zonder de liefdevolle God in het oog te houden.

In een leven kan veel tegen zitten, je kunt er echt moe van worden en zelfs verbitterd. De ervaring heeft geleerd dat geloven juist dan de krachtbron is om je niet terug te trekken in je eigen schulp, maar om van betekenis te zijn voor elkaar.


Introitus Domenica XXX per annum Laetetur cor quaerentium dominum Vreugde voor hen die zoeken naar God.


Vreugde voor hen die zoeken naar God.
Zoekt de Heer en neemt toe in kracht;
zoekt Zijn aanschijn zonder ophouden.
Psalm 104, 3-4

vrijdag 29 oktober 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXX per annum sabbato Hoe goed en zacht, Heer, is uw geest in alles.


Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Diálogo sanctæ Catharínæ Senénsis vírginis De divína Providéntia
(Cap. 134, ed. latina, Ingolstadii 1583, ff° 215v-216)

Tweede lezing
Uit de ‘Dialoog over de Goddelijke Voorzienigheid’, van de H. Catharina van Siëna, maagd
(Cap. 134, ed. latina, Ingolstadii 1583, ff° 215v-216)
Hoe goed en zacht, Heer, is uw geest in alles

Met de onuitsprekelijke goedgunstigheid van zijn barmhartigheid heeft de eeuwige Vader zijn ogen gericht op deze ziel, en sprak op deze wijze:
“O allerdierbaarste dochter, Ik ben vast besloten de wereld barmhartigheid te bewijzen en in alle voorkomende gelegenheden voor de mensen te zorgen. Maar de mens gebruikt in zijn onwetendheid tot zijn dood, wat Ik hem schenk tot zijn leven, en zo wordt hij wreed voor zichzelf. Toch zorg Ik steeds voor hem. Daarom wil Ik dat gij dit weet: Al wat Ik de mens schenk, komt voort uit mijn hoogste voorzienigheid.

Vandaar dat Ik, omdat Ik hem in mijn Voorzienigheid heb geschapen, hem in Mijzelf beschouw en geboeid ben door de schoonheid van mijn schepsel: omdat het mij behaagde het met veel zorg te scheppen naar mijn beeld en gelijkenis. Ik schonk hem zelfs een geheugen, om mijn weldaden in zichzelf te bewaren, omdat Ik wilde, dat hij deel zou hebben aan de macht van Mij, de eeuwige Vader.

Ik schonk hem bovendien een verstand, om in de wijsheid van mijn Zoon, mijn wil te leren kennen en begrijpen, van Mij die met een brandende Vaderliefde de bewerker en schenker ben van alle genaden. Ik gaf hem ook een wil om te beminnen, door hem deelgenoot te maken aan de mildheid van de Heilige Geest, om te kunnen beminnen wat zijn verstand leerde kennen en inzag.

Dat bewerkte mijn aangename voorzienigheid, alleen met de bedoeling dat het schepsel in staat zou zijn Mij bij de eeuwige aanschouwing met de hoogste vreugde te begrijpen en te smaken. En zoals Ik u elders heb meegedeeld, was de hemel gesloten door de ongehoorzaamheid van de eerste vader Adam: uit zijn ongehoorzaamheid kwamen daarna alle ellenden voort in de hele wereld.

Om dan van de mens de dood, veroorzaakt door de ongehoorzaamheid, weg te nemen, heb Ik op zeer barmhartige wijze daarin voorzien  door met grote voorzienigheid u mijn eniggeboren Zoon te schenken, om aldus voor uw nood voldoening te schenken. Ik legde Hem een grote gehoorzaamheid op, om zo het menselijk geslacht dat zich door de ongehoorzaamheid van de eerste vader over de wereld had verspreid, van het gif te bevrijden. Daarom, als door liefde geboeid en als de ware gehoorzame, snelde Hij de schandelijke dood tegemoet aan het allerheiligste kruis, en door middel van zijn allerheiligste dood schonk Hij u het leven, niet door de kracht van zijn mensheid, maar door die van zijn godheid.”

dinsdag 26 oktober 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXX per annum feria IV S. Clemens Viam veritatis sequamur. Laten wij de weg der waarheid volgen.


Ad Officium lectionis 


Lectio altera

Ex Epístola sancti Cleméntis papæ Primi ad Corínthios
(Cap. 30, 3-4; 34, 2-35,5: Funk 1, 99.103-105)
Tweede lezing

Uit de Brief van de H. Clemens I, paus aan de Corinthiërs
(Cap. 30, 3-4; 34, 2-35,5: Funk 1, 99.103-105)
Laten wij de weg der waarheid volgen

Bekleden wij ons met eensgezindheid, in nederigheid en zelfbeheersing, terwijl wij ons verre houden van kwaadspreken en kleinering en ons rechtvaardigen door daden, niet met woorden. Want de H. Schrift zegt: Moet hij, die veel spreekt, ook niet luisteren? Of mag een praatzuchtig man menen gelijk te hebben?

Daarom moeten wij vol ijver zijn om het goede te doen, want alles komt van God. Hij zegt ons immers: Zie de Heer komt; zijn vergelding komt met Hem mee, en eenieder schenkt Hij loon naar zijn werken. Daarom maant Hij ons, die met heel ons hart in Hem geloven, dat wij niet traag en nalatig moeten zijn bij elk goed werk. Onze roem en ons vertrouwen moeten op Hem berusten. Onderwerpen wij ons aan zijn wil, en laten wij aandachtig heel de menigte van engelen beschouwen, hoe zij voor zijn Aanschijn staan en zijn Wil volbrengen. De Schrift immers zegt: Tienduizend maal tienduizenden stonden voor Hem en duizend maal duizenden dienden Hem en riepen uit: Heilig, heilig, heilig is de Heer der legerscharen; vol is heel de schepping van zijn glorie.

Laten wij dus in eensgezindheid bijeen, met een rein geweten als uit één mond zonder ophouden tot Hem roepen, dat wij toch deelachtig mogen worden aan zijn grote en roemvolle beloften. Hij zegt immers: Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en het is in geen mensengeest opgekomen, al wat God heeft bereid voor die Hem met verlangen tegemoet zien.

Hoe zalig en wonderbaar, geliefden, zijn de gaven Gods. Een leven in onsterfelijkheid, een glans in gerechtigheid, een waarheid in vrijheid, een geloof in vertrouwen, een onthouding in heiligheid; en dat alles valt nog te begrijpen. Maar wat zal dat dan wel zijn, wat bereid wordt voor die Hem met verlangen tegemoet zien? De Allerheiligste Schepper en Vader der eeuwen kent er de omvang en schoonheid van.

Laten wij er dus met ijver naar streven onder het getal gerekend te worden van hen, die Hem met verlangen tegemoet zien, om deel te krijgen aan de beloofde gaven. Maar hoe zal dat geschieden, geliefden? Dat zal geschieden als door het geloof onze geest in God is verankerd, als wij met ijver zoeken wat Hem aangenaam en welgevallig is, als wij volbrengen wat overeenkomt met zijn heilige Wil, doordat wij elke ongerechtigheid van ons afwerpen en de weg der waarheid volgen.


Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXX per annum feria III Fidelis est Deus in promissionibus. God is getrouw in zijn beloften.


Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Epístola sancti Cleméntis papæ Primi ad Corínthios
(Cap. 24, 1 — 5; 27, 1-29: Funk 1, 93-97)
Tweede lezing

Uit de ‘Brief aan de Corinthiërs’, van de H. Clemens I, paus
(Cap. 24, 1-5; 27, 1 — 29, 1: Funk 1, 93-97)

God is getrouw in zijn beloften

Laten wij, geliefden, nu eens beschouwen, hoe de Heer ons voortdurend de toekomstige verrijzenis voor ogen houdt, waarvan Hij de Heer Jezus Christus de eersteling maakte door Hem uit de doden op te wekken. Geliefden, letten wij op de verrijzenis, die (telkens) op haar tijd gebeurt. De dag en de nacht tonen ons de verrijzenis; de nacht gaat rusten en de dag staat op; dan gaat de dag weer heen en de nacht komt nader en volgt erop. Nemen we eens de vruchten; welk zaad is het en hoe ontstaat het? De zaaier ging uit en wierp alle soorten van zaden op de aarde, en die daar naakt en dor op de aarde gevallen zijn gaan tot ontbinding over. Maar uit die ontbinding laat de verheven majesteit van de goddelijke Voorzienigheid ze weer verrijzen. En uit een enkel zaad komen er meerdere voort, die weer vrucht voortbrengen.

In deze hoop dan moeten onze zielen verbonden zijn met Hem, die getrouw is in zijn beloften en rechtvaardig in zijn oordelen. Hij, die verbood te liegen, zal des te minder zelf liegen; ja, niets is bij God onmogelijk, behalve het liegen. Laat dan het geloof in Hem bij ons verlevendigd worden, en bedenken wij, dat alles voor Hem tegenwoordig is.

Door een woord van zijn Majesteit heeft Hij alles geschapen, en door zijn woord kan Hij alles vernietigen. Wie zal Hem zeggen: Wat hebt Gij gedaan? Of wie zal de kracht van zijn sterkte weerstaan? Wanneer Hij wil en zoals Hij wil zal Hij alles doen en niets zal ongedaan blijven van wat Hij eenmaal besloten heeft. Alles staat voor zijn aanschijn en niets is verborgen voor zijn beraad, als de hemelen de glorie van God verhalen en het firmament het werk van zijn handen verkondigt; de dag roept het toe aan de andere dag en de nacht meldt het weer aan de nacht; en er zijn geen woorden noch klanken, wier geluid niet gehoord wordt.

Daar dus alles open ligt voor zijn ogen en oren, moeten wij Hem vrezen en ons onthouden van onreine begeerten naar slechte daden, om door zijn barmhartigheid beschermd te worden tegen het toekomstig oordeel. Want wie toch van ons zal zijn machtige hand kunnen ontvluchten? En welke wereld zal hem opnemen, die vlucht voor de Heer? Want de Schrift zegt ergens: Waarheen zal ik gaan om uw aanschijn te kunnen ontvluchten? Stijg ik op naar de hemel, Gij zijt er; ga ik heen naar de uiteinden van de aarde: dan is daar uw rechterhand. Bereid ik mij een rustplaats in de afgrond, dan is daar uw geest. Waar zal iemand dan heengaan of waarheen voor Hem vluchten, die alles omvat?

Daarom, laten wij tot Hem naderen in heiligheid van ziel, onze reine en onbesmette handen tot Hem opheffen, en onze goedgunstige en barmhartige Vader beminnen, die ons voor zichzelf tot deelgenoot in de uitverkiezing heeft gemaakt.

maandag 25 oktober 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Hebdomada XXX per annum feria II Non simus transfugæ a voluntate Dei. Laten wij niet afwijken van Gods wil.



  Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Epístola sancti Cleméntis papæ Primi ad Corínthios
(Cap. 21, 1 — 22, 5; 23, 1-2: Funk 1, 89-93)

Tweede lezing

Uit de ‘brief aan de Corinthiërs’, van de H. Clemens I, Paus
(Cap. 21, 1 — 22, 5; 23, 1-2: Funk 1, 89-93)

Laten wij niet afwijken van Gods wil

Zorgt ervoor, mijn geliefden, dat de weldaden van de Heer, die vele in aantal zijn, voor ons allen geen reden tot verwerping worden, als wij namelijk niet waardig voor Hem wandelen en in eensgezindheid voor zijn aanschijn het goede doen en wat Hem welgevallig is. Want Hij zegt ergens: De Geest des Heren is een lamp, die alle schuilhoeken van het lichaam doorzoekt.

Beschouwen we dus, hoe nabij Hij is en dat Hem niets verborgen blijft van onze gedachten en gesprekken. Daarom is het billijk, dat wij niet afwijken van zijn wil. Wij moeten liever dwazen en onverstandigen, die zich verheffen en pochen in grootspraak, ergeren, dan God.

Laten wij de Heer Jezus, wiens bloed voor ons vergoten werd, vereren: onze overheden achten, de ouderen eerbiedigen, de jonge mensen onderrichten in de leer van de vreze Gods, onze vrouwen op het goede richten. Deze laatsten moeten het beminnelijk karakter van de kuisheid tonen en de oprechte gezindheid van haar zachtmoedigheid, door haar zwijgen maken zij duidelijk, dat zij haar tong beheersen; zonder aanzien des persons dragen zij aan allen, die God in heiligheid vrezen, eenzelfde liefde toe.

Mogen uw kinderen deelachtig worden aan de opvoeding in Christus. Zij moeten leren hoeveel de nederigheid bij God vermag en wat zuivere liefde bij God bewerkt, hoe goed en machtig de vreze Gods is, die allen redt, als zij met een reine geest heilig in die vreze leven. Hij immers doorgrondt de innerlijke gedachten en begeerten. Hij, wiens Geest in ons woont, maar die Hij uit ons wegneemt, als Hij wil.

Dit alles wordt bevestigd door ons geloof in Christus. Hijzelf toch spoort ons aldus aan door de Heilige Geest: Komt nu, kinderen, en luistert naar Mij. Ik leer u, hoe men de Heer moet vrezen. En wie is de mens, die het leven verlangt, en gaarne goede dagen ziet? Bewaar uw tong van het kwaad en uw lippen voor leugen. Vlucht het kwaad, doe wat goed is. Zoek de vrede en jaag die na.
De Vader, die in alles barmhartig en welwillend is, bemint hen die Hem vrezen, en goedgunstig en mild schenkt Hij zijn gunsten aan hen, die in eenvoud des harten tot Hem naderen. Laten wij daarom niet twijfelmoedig zijn en laat onze geest zich niet verheffen op zijn uitnemende en volle gaven.

zondag 24 oktober 2021

Lezingen H. Mis 30e zondag door het jaar B


Eerste lezing
(Jer. 31, 7-9)
Uit de profeet Jeremia.
Dit zegt de Heer:
“Jubel van vreugde om Jakob,
juich om de heerser der volken;
bazuin het rond, prijs God en zeg:
de Heer heeft redding gebracht aan zijn volk,
aan de rest van Israël.
Ik haal hen terug uit het noorden,
van het einde der aarde breng ik hen bijeen,
ook de blinden en lammen,
de zwangere en barende vrouwen.
In dichte drommen keren zij terug.
In tranen gingen ze heen;
getroost leid Ik hen terug.
Ik voer hen naar stromende beken
over gebaande wegen waarop ze niet struikelen.
Ik ben toch Israëls vader,
en Efraïm is mijn eerstgeborene.”

Tweede lezing (Hebr. 5, 1-6)
Uit de brief aan de Hebreeën.
Broeders en zusters,
want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen
en aangesteld voor de mensen
om hen te vertegenwoordigen bij God
en om gaven en offers op te dragen voor de zonden.
Hij is in staat onwetenden en dwalenden geduldig te verdragen,
daar hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is;
daarom moet hij als hij offers voor de zonden opdraagt,
even goed aan zijn eigen zonden denken
als aan die van het hele volk.
En niemand kan zich die waardigheid aanmatigen:
men moet evenals Aäron door God geroepen worden.
Ook Christus
heeft zichzelf niet de eer van het hogepriesterschap toegekend;
dat heeft God gedaan die Hem zei:
“Gij zijt mijn zoon,
Ik heb u heden verwekt.”
En elders zegt hij:
“Gij zijt priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisédek.”

Evangelie (Mc. 10, 46-52)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
In die tijd
kwam Jezus vergezeld van zijn leerlingen in Jericho.
Maar toen ze,
vergezeld van een flinke menigte,
weer uit Jericho wegtrokken,
zat een blinde bedelaar langs de weg,
Bartimeüs, de zoon van Timeüs.
Zodra hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luidkeels te roepen:
“Jezus, Zoon van David,
heb medelijden met mij!”
Velen snauwden hem toe te zwijgen,
maar hij riep nog veel harder:
“Zoon van David, heb medelijden met mij!”
Jezus bleef staan en zei:
“Roept hem eens hier.”
Ze riepen de blinde toe:
“Heb goede moed!
Sta op, Hij roept u.”
Hij wierp zijn mantel af,
sprong overeind en kwam naar Jezus toe.
Jezus vroeg hem:
“Wat wilt ge dat Ik voor u doe?”
De blinde antwoordde Hem:
“Rabboeni, maak dat ik zien kan!”
En Jezus sprak tot hem:
“Ga, uw geloof heeft u genezen.”
Terstond kon hij zien
en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

Collectegebed 30e zondag door het jaar "Te mogen ontvangen wat Gij belooft"


I n l e i d i n g
Het collectegebed vraagt van God groei in geloof, hoop en liefde en verbindt deze drie goddelijke deugden niet alleen op een mooie maar ook op een diepzinnige wijze. De liefde moet zich op het object richten dat God Zelf, die wij beminnen, daartoe aanwijst. Want “wie mijn geboden onderhoudt die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft” (Jo 14,21). “Wie mijn geboden heeft ontvangen en ze onderhoudt” zegt de H.Schrift en de oratie drukt het nog pregnanter uit: “wie ze bemint”. In deze formulering is samengevat wat de H. Schrift bedoelt. Wie mijn geboden onderhoudt, bemint Mij. Dat men geboden kan beminnen, leert het Oude Testament, waar de psalmist zingt: “Daarom heb ik uw geboden lief, boven goud en edel metaal” (Ps 119,127) en “Als zangen ruisen uw inzettingen mij tegen in het land van mijn ballingschap” (Ps 119,54). In het collectebed ligt het vertrouwen besloten dat degene die zo bemint ook zeker kan zijn van wat hij hoopt en verkrijgt wat God belooft. Wat Hij belooft? “Wie Mij liefheeft zal door mijn Vader bemind worden en Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen” (Jo 14,21.23). Welk een belofte en welk een waardigheid…
“De beloften van Christus waardig te worden”, is het voortdurende gebed van de Kerk, die middels een heilige en innige band – een bruidsrelatie - met God is verbonden. In overeenstemming met haar roeping op grond van het geloof is dit een gebed om vermeerdering van dit geloof dat tevens hoop en liefde is; een gebed om het echte geloof van Abraham, die in volmaakte overgave uit gehoorzaamheid de wil van de Heer volbrengt en zijn lot onbezorgd in Gods handen legt. “Doe ons beminnen wat Gij beveelt, opdat wij waardig worden te verkrijgen wat Gij belooft”. Dit gold de blinde uit het Evangelie van vandaag die van Jezus te horen kreeg: “Ga, uw geloof heeft u genezen”. Terstond kon hij zien.

Missale Romanum 1970
Omnipotens sempiterne Deus, 
da nobis fidei, spei et caritatis augmentum,
et, ut mereamur assequi quod promittis, 
fac nos amare quod præcipis.

Nederlands Altaarmissaal 1979
Almachtige eeuwige God,
versterk in ons het geloof, de hoop en de liefde,
en laat ons van harte doen wat Gij wilt,
om te mogen ontvangen wat Gij belooft.

Werkvertaling
Almachtige eeuwige God,
geef ons vermeerdering van geloof, hoop en liefde,
en, opdat wij verdienen te verkrijgen wat Gij belooft,
doe ons beminnen wat Gij beveelt.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van de 13e zondag na Pinksteren van het preconciliaire Romeinse Missaal heeft in de Novus Ordo een plaats gekregen in het misformulier van deze zondag. Het is een oude oratie, met vindplaatsen in het Sacramentarium van Verona (Leoninianum), 2e helft 6e eeuw en in het Gelasianum Vetus, f. 1209, 1e helft 8e eeuw.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l

1. Omnipotens sempiterne Deus, 
2. da nobis fidei, spei et caritatis augmentum,
3. et, ut mereamur assequi quod promittis, 
4. fac nos amare quod præcipis.

Ad 1.
Het collectegebed opent met een drievoudige vocativus, dezelfde aanspreekvorm als in de oraties van de 27e en 29e zondag per annum. God wordt door de bidder in zijn soevereiniteit van Majesteit en Albeheerser aangesproken.

Ad 2-4.
De hoofdzin bestaat uit twee delen (regel 2 en 4) gekoppeld door de coniunctie et in regel 3. Beide zinsdelen worden ingeleid door een gebiedende wijs in de vorm van da en fac. De eerste hoofdzin opent met de imperativus da – geef, verleen -, gevolgd door de dativus commodi nobis, geef (aan) ons. Augmentum, - vermeerdering, groei, toename –  staat als object in de accusativus, waaraan drie genitivusvormen zijn gekoppeld fidei, spei et caritatis, - van geloof, hoop en liefde (genitivus explicativus) die de accusativus augmentum nader preciseren.
Het tweede zinsdeel van de opent eveneens met een imperativus, fac – maak, doe, laat, bewerk, gevolgd door een a.c.i.-constructie: facnos amare– maak dat wij beminnen, waarbij quod praecipis een relatieve bijzin is in de indicativus gekoppeld aan de infinitivusvorm amare. Deze relatieve bijzin vervult tevens de functie van  object bij het beminnen.

Ad 3.
De beide zinsdelen worden onderbroken door een finale/doelaanwijzende of consecutieve /gevolgaanduidende bijzin in de coniunctivus: ut mereamur assequi quod promittis waarbij het zinsdeel quod promittis, in de indicativus, een  relatieve bijzin is en tegelijkertijd object is bij de infinitivus assequi. De inhoud van zin 4 vormt de voorwaarde voor het verkrijgen van de inhoud van regel 3.
Voor een duidelijker begrip kan regel 3 na regel 4 worden gelezen zoals in de Nederlandse vertaling van het Altaarmissaal: maak dat wij beminnen wat U beveelt, opdat wij verkrijgen wat U belooft. Het onderhouden en beminnen van de geboden is de voorwaarde om te delen in de beloften.
Mooie stijlfigu(u)r (en) in de woordengroepen quod promittis  en quod præcipis:
Gelijksoortig einde van regel 3 en 4 in de vorm van een relatieve bijzin met aan het einde van de verba klankrijm. Wanneer men regel 3 en 4 hardop leest wordt het ritme in deze regels hoorbaar, bekroond door de eindrijm van promittis en praecipis.

V o c a b u l a r i u m
Het verbum assequor (infinitief: assequi) betekent hoofdzakelijk “iemand volgen om hem in te halen, volgen,”en bij uitbreiding “bereiken, verkrijgen, verwerven”.
In de collectegebeden wordt God nu eens aangesproken met het adiectivum æternus, dan weer met het adiectivum sempiternus. Het Franse woordenboek van Liturgisch Latijn Blaise/Dumas geeft voor beide adiectivi de betekenis “eeuwig”, dat is niet “tijdelijk” of:  “niet iets wat slechts een tijd duurt”.
Maar in de filosofie en theologie - in de late Oudheid niet van elkaar te onderscheiden – van de tijd waarin dit collectegebed werd samengesteld, werd menig denkconcept uitgewerkt in de zin van tijdoverschrijdend, en de relatie met God binnen de tijd.
Als we willen begrijpen wat deze oude oratie werkelijk zegt, moeten we æternitas en sempiternitas als verschillende begrippen opvatten. Ten eerste kan æternitas worden begrepen als volledig onafhankelijk van de tijd, volledig buiten de tijd. Een andere benadering is: zonder begin noch einde. Boethius (+ ca 526) (1) vormde de ideeën van Augustinus over het begrip “tijd” en zag æternitas als het gelijktijdig bezit van het leven zoals God dit bezit. Sempiternitas, een term die in het oude Latijn voorkwam maar alleen als synoniem van æternitas, werd schitterend opnieuw gedefiniëerd door Boethius in de betekenis van het ”eeuwige nu”. Het is “eeuwigdurendheid”.
Misschien noemt iemand van de lezers deze uitweiding muggenzifterij. Deze commentaren proberen echter de mensen te helpen begrijpen dat de taal van het liturgisch gebed diep geworteld is in eeuwenlange overwegingen van de vragen van de mens naar God en de kosmos.
De woorden zelf zijn kostbare parels, zorgvuldig gewogen en fijn gepolijst, gedurende eeuwen van generatie tot generatie met liefde doorgegeven om door ons te worden ontvangen. Elke lettergreep komt tot ons. Iedere verfijnde term wordt ons vanuit een patrimonium van bijna tweeduizend jaar in feite overhandigd.

C o m m e n t a a r
We vragen God de Vader om toename van de theologische deugden van geloof, hoop en liefde, die ons ingestort werden bij het H. Doopsel, met het oog op wat onze verdienste zal zijn na het doen van Zijn wil.
De Duitse schrijver Josef Pieper (+1997) beschrijft ons bovennatuurlijke leven en onderscheidt daarin drie hoofdstromingen.  Ten eerste hebben wij enige kennis van God welke dat, wat wij over Hem natuurlijkerwijze kunnen weten, te boven gaat omdat Hij het aan ons openbaart (geloof).  Ten tweede leven wij met de rustige verwachting dat wat wij leren en geloven  over Gods beloften inderdaad vervuld zal worden (hoop).  Ten derde is er een bevestigend antwoord van liefde van de God die wij hebben leren kennen door het geloof alsook door de liefde voor de naaste (naastenliefde).
Natuurlijke menselijke deugden worden verworven door middel van onderwijs, voortgezette vorming en discipline.  De drie theologische deugden geloof, hoop en liefde zijn ons gegeven door God.  Zij vervolmaken en verheffen al hetgeen iemand op natuurlijke wijze reeds deugdzaam doet.  Beschouwt men de theologische deugden elk afzonderlijk dan is de liefde de grootste van de drie, gevolgd door hoop en geloof.  Maar ze zijn alle drie nauw met elkaar verweven.  De H.Augustinus (+430) zegt, "Er is geen liefde zonder hoop, geen hoop zonder liefde, en noch liefde noch hoop zonder geloof" (Enchiridion 8).  Het doel van het deugdzaam leven, is zoals we kunnen lezen in de Katechismus van de Katholieke Kerk (1803), gelijkvormig te worden aan God. Het concreet beoefenen van de theologische deugden onthult in ons het beeld van God en de genade die Hij geeft aan Zijn aangenomen kinderen. "De beoefening van alle deugden wordt gevoed en geïnspireerd door de liefde. Deze is de ‘band der volmaaktheid’ (Kol 3, 14)" (CKK 1827).  Deugden moeten worden verworven, uiteraard met persoonlijke inzet en bovennatuurlijk met Gods hulp.  Ze kunnen ook te loor gaan. Dat is volledig afhankelijk van ons eigen doen. Vandaag bidden wij voor de vermeerdering van dat wat God ons in het H.Doopsel gaf en waarop wij kunnen voortbouwen  als we in de staat van genade zijn.
Wij bidden deze zondag ook om hetgeen God beveelt lief te hebben.  In het dagelijkse leven is het aanvaarden en uitvoeren van door een ander gegeven opdrachten niet altijd aangenaam.  Onze wil en passies komen in opstand. Wij prefereren bevelen te geven boven bevelen te ontvangen.  Het is gemakkelijk, van werelds oogpunt uit gezien, te denken dat degene die opdrachten geeft vrede kan vinden. Ongetwijfeld verlangt eenieder van ons naar vrede en geluk.  Wij verlangen ernaar de middelen te vinden om deze te bereiken.  Wanneer wij ons geluk aan de door de wereld vervaardigde dingen ophangen, worden we onvermijdelijk teleurgesteld.  Alle gemaakte dingen, met inbegrip van mensen, kan men verliezen. Ze gaan alle voorbij, ze zijn niet blijvend, tijdelijk en niet eeuwig.  Zelfs onze meest geliefde echtgenoten, kinderen of vrienden kunnen niet het fundament zijn voor duurzame vrede.   Zelfs de angst om hen te verliezen vermindert onze vrede in dit leven.  God alleen biedt de duurzame vrede die wij wensen.  Omdat Hij alleen eeuwig is en omdat Hij onveranderlijk en volkomen betrouwbaar is.  We kunnen God niet verliezen, tenzij wijzelf Hem verwerpen. God is het die over ons geluk moet gaan.  Onze vrede moet aan Hem alleen worden toevertrouwd.
In Zang III van het Paradijs van Dante’s Goddelijke Komedie is de dichter in de Maan-hemel. Daar ontmoet hij de ziel van Piccarda.  Dante bevraagt haar over het geluk van de zaligen in de hemel.  Hij wil weten of zielen, zelfs in de hemel, op een of andere manier teleurgesteld kunnen zijn dat ze niet een hogere plaats in het hemelse rijk hebben. Piccarda antwoordt daarop met een van de meest grootse zinnen ooit geschreven en of gereciteerd (l. 85):
Want in zijn Wil alleen is onze vrede;
Hij is de zee, waar alles uit moet monden,
wat God Zelf schiep of wat Natuur ooit werkte.
Wij zijn allen gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, gemaakt om te handelen zoals God handelt.  Hij openbaart iets van Zijn wil aan ons.  Wanneer we Hem gehoorzamen handelen wij in overeenkomstig de manier waarop Hij ons schiep en wat Hij met ons bedoelde.  Alle dingen die leven en bewegen en hun bestaan hebben moeten tot rust komen in God of voor eeuwig in strijd zijn met zichzelf en de kosmos. De H. Augustinus, van wie de onvergetelijke uitspraak "ons hart is rusteloos totdat het rust in U" stamt,  beschreef ons en onze liefde als het werken van de zwaartekracht, die in de gedachte van de antieken een kracht was in een ding dat naar zijn juiste plaats van evenwicht zoekt te gaan met betrekking tot alle andere dingen.  "Amor meus pondus meum" (Confessiones 13, 9, 10) zei Augustinus, "Mijn liefde is mijn gewicht" trekkend de onrustige ziel naar God, de enige Bron van duurzame vrede.

“In Zijn wil ligt onze vrede.  Zijn vrede is Zijn belofte”.
H. Gregorius van Nazianze in Epistula 131 - AD 382

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 30e zondag per annum / door het jaar Geef dat wij door deze viering voor alles Uw majesteit eren.

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie

Geef dat wij door deze viering voor alles Uw majesteit eren.

I n l e i d i n g
In het Gebed over de gaven van deze zondag domineert de blik op de Majesteit van God. Daarom spitst de bede zich slechts op dit ene toe: ‘dat wat door onze dienst wordt voltrokken’, dat is de Heilige Eucharistie die als Offer van het Nieuwe Verbond de eer van God dient. ‘Bij dit zo verheven werk van volmaakte verheerlijking van God en heiliging van de mensen maakt Christus de Kerk, die zijn innig geliefde bruid is, altijd tot zijn gezellin, die haar Heer aanroept en door Hem de eeuwige Vader huldigt’, zegt de Constitutie over de H. Liturgie nr. 7
De term ‘dirigatur’ legt een verband met Ps 14o (141), 2: ‘Dirigatur, Domine, oratio me sicut incensum in conspectu tuo’, moge mijn gebed als wierook opstijgen voor uw aanschijn; de beginwoorden van het gebed (Ps 140[141]2-4) door de celebrant verricht tijdens de bewieroking van het altaar na het bewieroken van de offergaven (Romeins Missaal 1962). Ook al is bovengenoemd gebed en de rite van de bewieroking als zodanig in het MR 1970 niet meer expliciet opgenomen, het Algemeen Statuut van MR 1970 formuleert in ieder geval de mogelijkheid van bewieroking alsook de symbolische betekenis ervan: “Dona in altari collocata, et ipsum altare, incensari possunt, ut oblatio Ecclesiæ eiusque oratio sicut incensum in conspectum Dei ascendere significentur” (nr. 51) – De op het altaar geplaatste gaven en het altaar zelf kunnen worden bewierookt, om te beduiden dat de offergave en het gebed van de Kerk als wierook opstijgen voor het Aangezicht van God.
En in het Gebed over de gaven van vandaag leeft dit oude gebruik in zekere zin ook voort. Wat de oratie van het opstijgen van de gebeden en offergaven verwacht, is dat God in zijn overgrote genade priester en gelovigen zuivert en hen het grote mysterie van de goddelijk liefde waardig maakt. Het grote mysterie van de goddelijke liefde is de H. Eucharistie, het Offer van het Nieuwe Verbond, waarin de gebeden van de Kerk met de gebeden van Christus, en haar gaven met de gaven van de H. Eucharistie, het Lichaam en Bloed van Christus, onder de tekenen van brood en wijn, tot God opstijgen.
In dit bestek kan ook het wierookoffer worden beschouwd in het Boek van de Openbaring van Johannes: “En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden der heiligen uit de hand van de engel omhoog voor het aanschijn van God” (Apoc 8, 4).
Aan de oratio super munera ligt de situatie van het apocalyptische wierookoffer ten grondslag: de Majesteit van God op de troon, het omhoog stijgende wierookoffer, met de geurige wolken die zich bewegen in de richting van Gods Majesteit. De wierook is daarbij het symbol voor het Eucharistisch Offer.
De openingsbede van de oratie ‘Respice!’, zie genadig neer! -, herinnert aan het offer van Kain en Abel.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Respice, quæsumus, Domine, munera quæ tuæ offerimus maiestati,
ut, quod nostro servitio geritur,
ad tuam gloriam potius dirigatur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, zie naar de gaven die wij U aanbieden.
Wij bidden U: geef dat wij door deze viering
vóór alles uw majesteit eren.

Werkvertaling
Zie neer, vragen wij [U], Heer, op de offergaven die wij uw Majesteit aanbieden,
op-/zodat, wat door onze dienstbaarheid wordt voltrokken,
vooral op uw glorie mag worden gericht.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Vóór het Missale Romanum 1970 vinden we van deze oratie geen antecedenten in de voorafgaande edities van het Romeins Missaal. Het Sacramentarium Leonianum (Veronense), Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw, geeft op folio 565, een oratie voor de maand juli onder de titel ‘orationes et preces diurnæ, XXVII alia missa, <secreta>’, waaraan elementen voor het Gebed over de gaven van deze zondag zijn ontleend.  
De betreffende oratie luidt: Respice, quæsumus, Domine, preces nostras et his muneribus præsentiam tuæ maiestati intersere, ut, quod nostro servitio geritur, te potius operante, firmetur.
(E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VIII, R-S, Brepols, Turnhout 1996, nr. 5122, p. 77).

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Respice, quæsumus, Domine, munera quæ tuæ offerimus maiestati,
2a. ut, 3. quod nostro servitio geritur,
2b. ad tuam gloriam potius dirigatur.

Redekundig gezien bestaat de oratie uit één enkele zin, opgebouwd uit
  1. openingszin met imperativus-prædicaat Respice, aangevuld met het klassieke quæsumus in een tussenzin; aansluitend adres en object van de bede (Respice…munera) gevolgd door de relatieve bijzin quæ…maiestati die het antecedent munera nader specificeert en waarvan het prædicaat offerimus vanwege de feitelijke actualiteit (het offeren dat nu gebeurt) in de indicativus staat.
  2. gevolgd door een finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolghebbende bijzin met coniunctief optatief karakter ingeleid door het voegwoord ut […] dirigatur),
  3. onderbroken door een relatieve bijzin in de indicativus waarvan het pronomen relativum quod refereert aan het niet genoemde id in de coniunctivuszin van regel 2a-2b. De relatieve bijzin staat in de indicativus omdat ze een toelichtende mededeling bevat.
Het verzwegen id is een verwijzing naar de zinssnede uit regel 1: munera quae tuae offerimus maiestati. Deze handeling in zijn geheel is subject van geritur in zin 2a. Vanzelfsprekend is dan de aanvulling waarin de dienstbaarheid wordt benadrukt.
Het verzwegen id zou dan vóór de komma moeten worden gedacht, meteen na ut (regel 2a)  zoals dat gebruikelijk is bij antecedenten.
Inhoudelijke omschrijving
In het Gebed over de gaven wordt de goddelijke Majesteit gevraagd goedgunstig neer te willen zien op de gaven Hem op het altaar aangeboden, opdat de liturgische handeling die de celebrant en de verzamelde gelovigen in dienstbaarheid verrichten op de eerste plaats tot glorie van God moge strekken.

Ad 1
Domine, [o] Heer, - anaklese in de vocativusvorm van Dominus.
Respice, zie neer, - prædicaat in de imperativusvorm aan de spits van de oratie, onmiddellijk klassiek gevolgd door de uit één enkele werkwoordsvorm bestaande bijzin quæsumus die het imperatiefkarakter afzwakt en dikwijls een ritmische functie heeft in de cursus van de oratie. Respice komt tweemaal voor in de orationes super munera (op de zondagen XV en XXX per annum) en betekent “zie neer op/om” of “zie genadig/goedgunstig/met welbehagen neer op” (Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp.S., Remarks on the vocabulary of the ancient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p. 89).
Munera, de offergaven, - object van het prædicaat in de accusativusvorm meervoud van munus, -eris n.
Quæ, die, welke -, pronomen reflexivum in de accusativusvorm meervoud neutrum van qui, quæ, quod.
Offerimus, wij offeren, bieden aan – prædicaat in de indicativus præsentis van het verbum offerre, obtuli, oblatum. Voor de betekenissen van dit verbum zie het Vocabularium. De indicativus verwijst naar het feitelijke moment: de offergaven worden hier en nu aangeboden.
Tuæ […] maiestati, [aan] uw Majesteit, - bijwoordelijke bepaling van twee congruerende dativusvormen (dativus commodi, van voordeel), in een hyperbaton uiteengeplaatst.

Ad 2a-2b
Bijzin met coniunctief karakter ingeleid door het voegwoord ut, die het verhoopte effect van de aan God gevraagde welwillendheid formuleert: de werkzaamheid van de liturgische handeling (r. 3) en zijn nooit eindigende vervulling.
Dirigatur, hij/zij/het moge worden gericht tot/naar, - prædicaat in de 3e pers. enkelvoud coninctivus præsentis passivi.
Het subject van het prædicaat id is verzwegen maar is af te leiden uit het pronomen reflexivum quod uit regel 3. Id en quod refereren aan het onzijdige munera van regel 1.
Ad tuam gloriam, tot/naar uw heerlijkheid, - voorzetselvoorwerp in twee congruerende accusativusvormen, voorvloeiend uit het prædicaat dirigatur.
Potius, veeleer, veelmeer, vooral, liever, eerder, - bijwoordelijke bepaling bij het prædicaat dirigatur. Potius is de adverbiale vorm van de comparativus (vergrotende trap) van het adiectivum potis, pote, machtig, vermogend. De superlativusvorm als adverbium potissimum, heeft betekenissen als voornamelijk, hoofdzakelijk. 

Ad 3
Geritur, het wordt voltrokken – prædicaat 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum gerere. Zie onder Vocabularium.
Nostro servitio, door/met onze dienst(baarheid), bijwoordelijke bepaling bij geritur in twee congruerende ablativusvormen, ablativus instrumentalis of causæ, mogelijk ook modi.

Nostro servitio (r. 3) en  tuam gloriam (r. 2b) vormen een antithese..
geritur (r. 3) en dirigatur (r. 2b) vertonen klank-, resp. eindrijm.
Buiten beschouwing blijven de congruerende naamvallen met dezelfde uitgang.

V o c a b u l a r i u m
Maiestas
De oratio super munera van vandaag sluit aan bij het gebed ‘Unde et memores’ na de Consecratie van de Canon Romanus: offerimus præclaræ maiestati tuæ de tuis donis, offeren wij aan uw verheven Majesteit. Maiestas staat voor de persoon van God zelf. En ook verderop in het gebed ‘Supplices te rogamus’ de frase: in conspectu divinæ maiestatis tuæ, vóór uw goddelijke Majesteit.
De term maiestas komt vijf maal voor in de oraties super munera van de zondagen VII, XVI, XXII, XXX en XXXIII door het jaar. In de meeste gevallen is de referentie direct – ‘et maiestatem tuam convenienter hoc munere veneremur’, dat wij uw Majesteit passend met/door dit Offer mogen aanbidden. A. Blaise meent dat het gebruik van abstracte begrippen zoals maiestas een grotere plechtigheid en reverentie toevoegen dan de beperking tot eenvoudige vormen van het persoonlijke voornaamwoord tu (A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revue par Dom A. Dumas O.S.B., Brepols Turnhout 1966, 138).
Maiestas werd gebruikt als vertaling voor een van de twee essentiële elementen van het begrip δóξa του θεou (Glorie van God), in het Hebreeuws Kebod Jahweh. terwijl het begrip claritas meestal het concept van ‘licht’ uitdrukte, was maiestas  de gebruikelijke term voor het element kracht dat er in vervat is. In de oraties is de bijbelse invloed van het woord maiestas evident. Gods machtige bescherming wordt gevraagd door de frase: ad protegendum nos, dexteram tuæ maiestatis extende, strek de rechterhand van uw Majesteit uit om ons te beschermen (Collecta, Dom. III Quadrag. MR 1961). Potentia wordt geïdentificeerd met maiestas in de collecta van het feest van de H. Drieëenheid:
et Unitatem adorare in potentia maiestatis, en uw eenheid te aanbidden in de kracht van uw Majesteit. Voorts ook de typisch Bijbelse tekst: munera … quæ oculis tuæ maiestatis offerimus, de offergaven die wij voor de ogen van uw Majesteit opdragen (Secreta, 2 febr., MR 1962).
In deze voorbeelden is de invloed van de hoofse hofstijl merkbaar. Zoals boven al aangestipt werd de term Maiestas tua gebruikt als eretitel voor de Romeinse keizers zoals  ten tijde van de dichter Horatius [65 vChr-8 vChr.] : neque parvum carmen recipit maiestas tua, geen gering gezang ontvangt uwe Majesteit (Epist. 2, 1, 258). Als aanspreektitel van God werd de term hoogst zelden door christelijke auteurs gebruikt en slechts voor de keizer aangewend. Misschien was een latere connotatie van de term die een bijzondere eigenschap van God alleen opriep, nog sterk in de 6e eeuw, toen het gebruik van de term voor God algemeen werd. Dat voor niemand anders – zelfs niet in de oraties van de martelaren – de term werd gebruikt, maar slechts voor God werd gereserveerd, geeft gewicht aan deze veronderstelling. Concluderend kan worden gezegd dat de Bijbelse invloed te zien is in het gegeven dat de term maiestas wordt gebruikt binnen een context van andere Bijbelse uitdrukkingen, met name die kracht uitdrukken, en ook het feit dat de term exclusief voor God is gereserveerd. De invloed van de hofstijl ziet men in het gebruik van een abstract begrip boven een concreet begrip.

Offerre, obtuli, oblatum
Betekenissen: 1. brengen of dragen vóór, tegemoet dragen 2. tegemoet gaan, zich vertonen 3. aanbieden, aanbrengen 4. offeren, opofferen.
Offerre is het verbum waarvan oblatum en oblatio is afgeleid. Het begrip komt zevenmaal voor in de orationes super munera (zondagen VII, VIII, X, XII, XIX, XX en XXX per annum en heeft betrekking op de offerande van de gaven voor de H. Eucharistie, óf het Eucharistisch Offer zelf (zondagen VII, X en de huidige zondag) en op de gaven door God gegeven (zondagen VIII, XIX, XX: offerente quæ dedisti). De oratie van de XIIe zondag refereert aan een innerlijke offerande: nostræ mentis offeramus affectum.

Servitium, - i, n.
Een cultische dienst, een dienstwerk in de eredienst. In abstracte zin betekent het begrip servitium “de conditie van een slaaf of dienaar, slavendom, slavernij, slaafsheid”, maar ook de innerlijke en uiterlijke attitude van dienstbaarheid. In concreto betekent het “groepering van dienaren, klasse van de slaven”.
Gaius Plinius Secundus (+ 79), genoemd Plinius de Oudere,  gebruikt in zijn ‘Naturalis Historia’ gebruikt het woord servitium voor de “drones” (!) onder het bijenvolkje. De Romeinse theaterschrijver Publius Terentius Afer ( + 59), eenvoudig Terentius genoemd, gebruikt deze term in zijn stuk ‘Andria’ in combinatie met debeo in de frase “hoc tibi pro servitio debeo… “Dit ben ik je als dienaar verschuldigd”.
De kerkvader en –leraar Augustinus (430) gebruikt de term “servitia debita” in de zin van “verschuldigde of noodzakelijke dienst aan de armen in een discussie over het actieve en contemplatieve leven, gesymboliseerd door de figuren van Martha en Maria.
Als we de schil van servitium afpellen met behulp van het onmisbare boek van Christelijk Latijn van Blaise/ Chirat komen we bij de kern van het begrip.
Servitia betekent de dienst die uitgeoefend wordt door de bedienaren van de eredienst, van het liturgisch gebed. Bij het uitspreken van ‘nostro servitio’, spreekt de priester over zijn eigen liturgische handeling aan het altaar.
De heilige gaven (munera), waarvan sprake is, zijn het Lichaam en Bloed van de Heer als offergaven van de Eucharistie. Door ons dienstwerk bewerkt God de Consecratie. De genade dat wij voor Hem staan en Hem mogen dienen, is groot, zo groot dat wij ons verstouten Hem ons dienstwerk aan te bieden. Telkens opnieuw staan wij voor God, aan Wie het toekomt alles te bewerken. Alleen Hij kan ons hart voor onze deelname aan het mysterie voorbereiden.  Servitium is een cultisch begrip, niet een juridische of sociologische term.

Gerere, gessi, gestum
De Lewis & Short Dictionary geeft aan dat het ingewikkelde werkwoord gero, gessi, gestum vele betekenissen heeft zoals: tevoorschijn brengen, tonen, laten zien, doen, verrichten, hoewel het voornamelijk betekent "verdragen, gekleed gaan in, dragen, hebben". In het supplement echter van de grote L&S, Souter's Een verklarende woordenlijst van Later Latijn, vinden we na de derde eeuw de betekenis "een feest vieren, vieren, etc." Dit wordt bevestigd in het werk van A. Blaise over liturgische Latijnse woorden; we vinden opnieuw dat gero betekent "vieren".
In de context van de oratie van deze zondag lijkt mij de vertaling ‘wordt verricht / wordt voltrokken’ eerder aangebracht dan ‘vieren’. Het gaat om de liturgische handeling uitgedrukt in het offerimus in regel 1. De vertaling ‘vieren’ zoals in het Altaarmissaal vlakt deze liturgische ritus af en doet onvoldoende recht aan de gesteltenis nostro servitio.
Se gerere betekent zich gedragen.
Gesta is de middeleeuwse benaming voor een historisch verhaal dat de pretentie had waar te zijn: heldendaden uit het verleden (Lat. res gestæ, Frans: chanson de geste) of de geschiedenis van landen en volken. De bekendste verzameling van deze verhalen is de Gesta Romanorum, een in middeleeuws Latijn vervat geschrift met een 200-tal moraliserende verhalen. De naam betekent Handelingen der Romeinen, omdat vele van de verhalen zich afspelen in de tijd van de Romeinse keizers. In de 16e eeuw en later werden de verhalen in het Engels en het Duits vertaald en op vele exemplaren gedrukt, in plaats van overgeschreven door monniken. In het Engeland van koningin Elizabeth I waren  de Gesta Romanorum  de meest populaire verhalen. Het aantal varianten nam nog toe over heel Europa, alsook de commentaren op de bestaande verhalen.
Een ander bekend begrip is Res gestæ divi Augusti ("De daden van de goddelijke Augustus"), ons bekend uit inscripties (onder andere Monumentum Ancyranum) die werden verspreid in alle provincies van het Romeinse Rijk. Het opschrift was oorspronkelijk geschreven om op bronzen platen op Augustus' mausoleum te plaatsen. Deze zijn echter niet bewaard gebleven. Augustus zou deze tekst eigenhandig opgesteld hebben. De inscriptie omvat een ‘breviarium totius imperii’ (beknopt overzicht van zijn hele bewind), waarin vanuit het perspectief van Augustus zelf een overzicht van zijn verdiensten wordt gegeven, niet alleen politiek en militair, maar ook maatschappelijk. De eerste zin luidt als volgt:

Rerum gestarum divi Augusti, quibus orbem terrarum imperio populi Romani subiecit, et inpensarum quas in
rem publicam populumque Romanum fecit, incisarum in duabus aheneis pilis, quae sunt Romae positae
exemplar subiectum.

Van de daden van de goddelijke Augustus, waarmee hij de gehele wereld aan het Romeinse volk onderwierp, en
van zijn uitgaven voor de staat en het volk van Rome, zoals gegraveerd in twee bronzen pilaren die in Rome zijn
opgericht volgt hier een afschrift.

Dirigere, rexi, rectum, 3. kent de volgende betekenissen: 1. rechtmaken 2. richten 3. opstijgen 4. besturen 5. de rechte weg bewandelen. De van dit verbum afgeleide en gangbare begrippen in het Nederlands zijn legio: direct, directie, directeur, directieven, dirigent, directorium, directory etc. De betekenis ‘de rechte weg bewandelen’ roept de herinnering op aan vers 12 (‘Pes meus stetit in directo’- mijn voet staat op een effen baan) uit psalm 25  waarvan in het Romeins Missaal 1962 de verzen 6-12 (Lavabo in innocentia mea manus meas /in onschuld was ik mijn handen) door de celebrant werden gebeden bij de handwassing.

C o m m e n t a a r
Wat de Eniggeboren Zoon van God van onze natuur aannam, heeft Hij geheel tot ons heil doen dienen. Want zijn Lichaam droeg Hij op het altaar van het kruis op aan God, zijn Vader, als slachtoffer tot onze verzoening. Zijn Bloed vergoot Hij als losprijs en tegelijk als reinigingsbad, opdat wij vrijgekocht van een ellendige slavernij, van al onze zonden zouden gereinigd worden (Cf Thomas van Aquino, Opusc. 57, In festo Corporis Christi, lect. 1).
Door de dood en de verrijzenis van Jezus Christus kan de Kerk de H. Eucharistie als een offer van lofprijzing aan Gods Majesteit opdragen als dank voor al het goede dat God door het werk van de schepping en in de mensheid tot stand heeft gebracht. De H. Eucharistie is een dankoffer aan de Vader waardoor de Kerk haar erkentelijkheid uitdrukt voor al zijn weldaden die Hij heeft bewerkt door de schepping, de verlossing en de heiliging.
Zij is tegelijk een lofoffer waarin de Kerk namens heel de schepping Gods heerlijkheid bezingt, hetgeen slechts mogelijk is door Christus: Hij verenigt de gelovigen met zijn Persoon, zijn lofprijzing en smeekgebed, zodat het offer van lof aan de Vader wordt opgedragen door Hem en met Hem om in Hem aangenomen te worden (vgl KKK 1359-1361).
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft terecht verkondigd dat het Eucharistisch Offer ‘oorsprong en hoogtepunt van het christelijk leven’ is (Lumen Gentium, 11). ‘Want in de heilige Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons Paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de Heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de mensen’ (Presbyterorum Ordinis, Decr. over het ambt en het leven van de priesters, 5). Daarom is de blik van de Kerk voortdurend gericht op haar Heer, aanwezig in het Altaarsacrament, waarin zij de volledige openbaring van zijn eindeloze liefde herkent (Joh.-Paulus II, Enc. Ecclesia de Eucharistia, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk 17 april 2003, Inl.).
In veel orationes super munera wordt aan de Kerk gerefereerd als een van de handelende subjecten (actoren). De Kerk biedt in vrije dienstbaarheid gaven aan, ontvangen van Gods goedheid, als een act van aanbidding en van communicatie met God in eenheid met Christus en zijn volmaakt offer van aanbidding van de Vader. In haar liturgische handelingen ‘voltooit’ de Kerk zichzelf als een Lichaam, geschapen en toegerust door God en voor God, vanaf haar oorsprong tot haar einde; zij realiseert zo haar identiteit en zending op een bijzondere wijze. De super munera gebruiken verschillende beelden en namen voor de Kerk, zowel impliciet als expliciet. We ontmoeten de begrippen: Ecclesiæ tuæ (zondag XIX), Gods eigen Kerk; fidelium (XXVIII), de Kerk als gemeenschap van gelovigen die haar gebeden en offers aanbiedt; supplicantis Ecclesiæ (XV), de nederig smekende Kerk; populum adoptionis tibi (XXI), het door de Heer aangenomen volk; plebis tuæ (XXV), het volk van God.
Dat de Kerk, wanneer zij samen met Christus optreedt als priester en offer, in haar geheel het Misoffer opdraagt en dat zij in dat Offer ook in haar geheel wordt opgedragen, hebben de Vaders van oudsher onderricht (Sint Augustinus, De Civitate Dei, X, 6 in PL 41, 284). Het 2e Vaticaans Concilie heeft dit prachtig geformuleerd in de dogmatische constitutie over de Kerk Lumen gentium: Deelnemend aan het Eucharistisch Offer, dat de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven is, dragen zij [de gelovigen] het goddelijk Offerlam en zichzelf met Hem op aan God. Zowel door de offerdaad als door de heilige Communie hebben zij aldus hun eigen rol in de liturgische handeling.  Met het Lichaam van Christus in de heilige samenkomst gevoed geven zij concrete gestalte aan de eenheid van het volk van God, een eenheid die door dit eerbiedwaardig sacrament duidelijk betekend en op wonderbare wijze verwezenlijkt wordt (Cf Eccl. de Eucharistia, 11).

Door het Offer van het Lam te vieren, worden wij verbonden met de hemelse ‘liturgie’ en maken we deel uit van die grote menigte die uitroept: ‘Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam behoort de overwinning’ (Apoc 7, 10). De Eucharistie is werkelijk een doorbreken van de hemel op aarde – ad maiorem gloriam Dei – een schitterende straal van het hemelse Jeruzalem, die zich door de wolken van onze geschiedenis heen boort en onze reis verlicht (cf Eccl. de Eucharistia, 19).