zondag 19 juni 2016

Johannes Ruusbroec, Kanunnik van sint augustinus en mysticus *1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal


De kloosterling draagt Christus’ kleed 6

4. Het bloedig kleed van ’s Heren passie II

“Bij de aanvang van het ordesleven waren de mensen vol karitate, innig en devoot, eendrachtig ootmoedig, trouw, barmhartig, genadig, wijs en vroed, in deugden en alle goede werken ver gevorderd. Nu is de liefde zeer afgekoeld vooral tot God en de evenmens. Vroeger was elk bezit gemeenzaam en men gaf eenieder van het gemeenschappelijk bezit zoveel als hij behoefde, en ze hadden dan ook allen voldoende. Nu heeft menigeen zijn eigen inkomsten, zoveel als hij maar verkrijgen kan. In kloosters en communiteiten zijn er rijken en armen, juist gelijk in de wereld. De rijken eten en drinken naar het hun lust; zij zijn wel gekleed en vergaderen geld en goed; ze gunnen de armen weinig, of niets. Al lijden dezen bittere honger en dorst en groot gebrek, zij trekken het zich niet aan. Er zijn prelaten, die van het gemeenschappelijk goed van hun abdij aan hun onderdanen onttrekken, om er hun eigen hoge stand mee op te houden, alsof het hun eigendom gold, dat zij van hun voorouders geërfd hadden. Dit zijn geen ware herders maar verscheurende wolven, die niemand ontzien en het gemeenzaam bezit van God in boosheid verteren. Allen, die de wereld en het vlees dienen, en Gods dienst versmaden, in welke staat of stand zij ook leven, welk ordeskleed zij ook dragen, kunnen Gode niet behagen. Waardigheid, kloosterstaat, priesterschap of orde zijn uit zichzelf niet heilig noch zalig: want zowel kwaden als goeden ontvangen die. Maar die ze ontvangen en er niet naar leven, die zullen des te erger verdoemd worden. Wie een behaaglijk kleed, wereldse opsmuk en eer begeren, zij horen thuis in de hel, of, als ze berouw hebben, in een flink vagevuur.”

Wordt vervolgd