vrijdag 24 juni 2016

Johannes Ruusbroec, Kanunnik van sint augustinus en mysticus *1293 Ruisbroek - + 1381 Klooster Groenendaal


De kloosterling draagt Christus’ kleed 6

4. Het bloedig kleed van ’s Heren passie IV

Hiermede schijnt Ruusbroec de aangekondigde trits van ondeugden, traagheid, gulzigheid, onkuisheid, als afgehandeld te beschouwen, hoewel de laatste maar even vernoemd werd als gevolg van de tweede. Daarentegen brengt de gedachte aan de in de kloosters heersende wantoestanden hem, zoals we reeds opmerkten, tot het signaleren en doodverven van een in zijn ogen zeer veel voorkomende en als de pest verfoeide ondeugd, die hij een ‘duivelse zonde’ noemt, n.l. het particularisme, de egoïstische versmading van het gemeenschapsleven, de bevoordeling van enkelen boven anderen. Om zijn heftige uitval tegen deze kwaal te begrijpen, moet men zich in herinnering brengen, hoe hij het ideaal van alle geestelijk leven in het ‘ghemeyne leven’ plaatst, en de ideale beleving van Christus’ volmaaktheids regel in de totale zelfverloochening, die Christus in zijn ‘gemeenzaamheid’ navolgt. Een voorkeur in zijn hart en liefde, een ongelijke behandeling der onderdanen, het profiteren van zijn positie als overste om zich tijdelijke voordelen van gemakkelijk leven, apart goed eten en geldelijke veiligheid te verzekeren, is niet alleen tegen de gelofte van armoede, maar tegen de eerste voorwaarde van elk innig en godschouwend leven: de onthechting, in navolging van God en van Christus, die gemeenzaam, mededeelzaam, zelfvergeten, alles voor allen zijn.

“Nog vindt men in de orden en kloosters, waar men in gemeenschap leeft, een duivelse zonde: n.l. de ongemeenzaamheid van hart, van ziel en van aards bezit. Er zijn daar, hoewel alle bezit gemeen is, armen en rijken, heren en knechten. De heren, de prelaten, slapen langer; ze houden hun gemak; zij blijven in hun kamer apart met hun sympathizanten; men zet hun uitgelezen spijzen voor en de beste wijn die men kan vinden. Die ’s nachts koorzang houden en gezamenlijk naar de refter gaan, zij krijgen groenten en brood en een ei of twee: dat is genoeg, menen de heren. Hoe ze ook reklameren over die ongelijkheid, de prelaten trekken het zich niet aan. Die over veel van hun eigen of van de gemeenschap beschikken, zij kunnen veel verteren of ter zijde leggen en oppotten. De rijken in de wereld zijn ten minste noch getrouw en genadig voor de zieken en de armen. Maar de rijken in het klooster, die rechtens geen eigen goed mogen bezitten, die laten hun zusters en broeders bij hen ziek, hongerig en dorstig liggen en van armoede vergaan. Hovaardij, trouweloosheid, gierigheid, hooghartigheid, toorn, wrevel, haat en nijd: daar zijn de orden en kloosters vol van. Niet alleen de abdijen, die van het gemeenschappelijk bezit bestaan, maar ook de bedelorden, die van dagelijkse aalmoezen leven. Thans is Christus onbekend: zijn leven, zijn leer, zijn werken zijn onbemind bij allen, die de zonde dienen en hun eigen wil plegen”.

(XII B., IV 146-147)

Wordt vervolgd