zaterdag 18 juni 2016

Collectegebed 12e zondag door het jaar “Geef ons blijvende eerbied en liefde voor uw Naam”


I n l e i d i n g
Zowel in het Oude Testament, het Nieuwe Testament als in de liturgie is de uitdrukking “In de Naam des Heren” een oproepen van Gods aanwezigheid. Wanneer David brand- en vredeoffers voor Jahweh opdroeg, zegende hij nadien het volk in de Naam van Jahweh (2 Sam 6,18). In Handelingen 22,16 lezen we: “Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van Zijn Naam”, wat inhoudt dat het hier Christus Zelf is die de zonden vergeeft. En in de liturgie van de Paaswake wordt de paaskaars “gewijd tot eer van Gods Naam” wat haar maakt tot een sacramentele verwijzing naar de Verrezen Heer.
De Naam van God uitspreken houdt ook steeds een geloofsbelijdenis in en brengt tot aanbidding. Zo in psalm 8: “Heer, onze Heer, hoe ontzagwekkend is Uw Naam op aarde, hoger dan de hemel reikt uw majesteit” (8,2).  Dit leidt ons tot “vreze Gods”, wat niet te verwarren is met angst. Het is wel de nederigheid tegenover God, waar men toe komt bij het aanroepen van Zijn Naam, “door het onderhouden van de geboden, door werken van een onschuldig leven en door kennis van de waarheid”. De heilige Hilarius trekt dit door tot in de liefde van God die bestaat uit “gehoorzamen aan Zijn uitspraken en voorschriften en vertrouwen op Zijn beloften. Om te vinden die ene goede weg van het eeuwig leven” (Tractaat over de Psalmen).
Hier sluit de bede uit het Onze Vader: “Uw Naam worde geheiligd” bij aan. De heilige Cyprianus schrijft “daarmee wensen wij God niet toe, dat Hij wordt geheiligd door onze gebeden, maar wij vragen van de Heer, dat Zijn Naam in ons worde geheiligd. Immers, door wie zou God geheiligd moeten worden, die Zelf heiligt? Maar omdat Hij zegt: Weest heilig, omdat ook Ik heilig ben, daarom bidden en smeken wij, dat wij, die in het Doopsel geheiligd werden mogen volharden in wat wij zijn begonnen” (Over het Onze Vader).
Door de liefde van Gods Naam te beklemtonen sluit dit collectegebed rechtstreeks aan bij het evangelie van deze zondag. Jezus van Nazareth wordt door Zijn apostel Petrus herkend in wie Hij is: “Gezalfde van God”, of in het grieks “Christus” (Luc 9,20). Jezus, Christus, noemen is Zijn Naam verheerlijken en is tevens leven in de liefde tot God. Want in Joh 17,26 zegt Jezus tot Zijn Vader: “Ik heb aan de wereld Uw naam bekend gemaakt, en zal dat blijven doen, opdat de liefde, waarmee Gij Mij hebt bemind in hen moge zijn en Ik in hen”.
En nu is het aan ons om Hun Namen verder uit te dragen.

T e k s t

Missale Romanum – 1970
Sancti nominis tui, Domine, timorem pariter et amorem fac nos habere perpetuum,
quia numquam tua gubernatione destituis,
quos in soliditate tuæ dilectionis instituis.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, geef ons blijvende eerbied en liefde voor uw Naam,
want nooit onttrekt Gij uw leiding aan hen,
die Gij in uw liefde hebt gegrondvest.

Werkvertaling
Geef, Heer, dat wij uw heilige Naam altijd vrezen en tegelijk beminnen,
want nooit verwijdert Gij van uw leiding hen,
die Gij in de bestendigheid van uw liefde doet wortelen.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed is afkomstig uit het “Gelasianum Vetus” (Vat. Reg. Lat. 316, f. 586), een Sacramentarium uit de 1e helft van de 8e eeuw, en was bestemd voor de zondag na Hemelvaart. In de preconciliaire editie van het Missale Romanum stond deze oratie vermeld op de 2e zondag na Pinksteren (p. 1033) en werd ook gebeden na de Litanie van de H. Naam van Jezus.  
Het is een wondermooi gebed om te zingen: sterk, zorgvuldig uitgebalanceerd en typisch Romeins.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l v o r m e n 

1.Sancti nominis tui, Domine, timorem pariter et amorem fac nos habere perpetuum,
2.quia numquam tua gubernatione destituis,
quos in soliditate tuæ dilectionis instituis.
Ad 1
De openingszin van het collectegebed is de hoofdzin van de oratie met de strikte, dubbele bede. De Naam van God domineert deze eerste zin, ook gezien de prominente positie (initium).
Fac nos habere, prædicaat in een a.c.i-constructie (accusativusvorm nos met de infinitivus habere). Het prædicaat heeft een dubbel object bij zich in de accusativusvorm: timorem et amorem […] perpetuum waarbij de congruerende adiectivumvorm perpetuum te lezen is als zowel geldend voor timorem als amorem. Het zinsdeel bevat voorts de stijlfiguur  hyperbaton (twee congruerende woorden worden door andere zinsdelen uiteen geplaatst). Het adverbium pariter is een bijwoordelijke bepaling. Het dubbele object wordt nader gepreciseerd door de bijvoeglijke bepaling sancti nominis tui van drie congruerende genitivusvormen: genitivus objectivus. Domine, anaklese in de vocativusvorm, waarmee hier God de Vader wordt aangesproken.
De begrippen timorem en amorem hebben assonantie (klinkerrijm) en alliteratie (letterrijm). 
Ad 2
Het voegwoord quia leidt een causale (redengevende) bijzin in, gevolgd door een relatieve bijzin met in beide zinnen het gezegde in de indicativus, omdat het daarin gestelde op  een werkelijkheid is gebaseerd. De causale bijzin bevat het argument dat de bidder God voor ogen houdt om op grond daarvan verhoring te verkrijgen.  Destituis: prædicaat; tua gubernatione: bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen: ablativus instrumentalis,
Destituere betekent in de steek laten, teleurstellen. Hier kan men het verzwegen antecedent eos bij het relativum quos aanvullen); numquam: bijwoordelijke bepaling van tijd. Instituis: prædicaat; in soliditate tuæ dilectionis: bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit een ablativusvorm (soliditate) geregeerd door het voorzetsel in en twee congruerende genitivusvormen (genitivus explicativus). Het zinsdeel tuæ dilectionis is op zijn beurt een bijvoeglijke bepaling.
In deze  fraai gevormde redengevende slotzin ingeleid met “quia” een dubbele assonantie en alliteratie: “destituis”en “instituis”. Merk bovendien het evenwicht in de oratie en het contrast in betekenis op tussen genoemde begrippenparen.

V o c a b u l a r i u m  m e t  c o m m e n t a a r

In institutio beluistert men “instellen”, “plaatsen in/op”, “vestigen”, “inrichten”, “onderrichten”, “maken”, “fabriceren” in  de zin van hoe God ons heeft gemaakt en daardoor ons op Zich neemt. Aan Hem is het voor ons te zorgen en ons te leiden. God plaatst ons in zijn nabijheid, onder zijn waakzaam oog, zodat wij niet van de weg geraken. Het werkwoord destituo betekent in wezen “neerzetten”, voorts “aan de kant zetten”, “wegzetten”, “van zich verwijderen” en afgeleid “verlaten”, “loslaten”, “alleen laten”, “geen interesse meer hebben”.

Amor en dilectio in hetzelfde collectegebed, is er een verschil?
In een passage over de liefde in De stad van God (XIV,7;  vert. G. Wijdeveld, 1983) toont Sint Augustinus dat hem het onderscheid tussen “eros” en “agapè” bekend is, maar deze begrippen zelf toch niet strikt wil scheiden. Hij zegt dat de gangbare Latijnse naam voor liefde “caritas” is, maar merkt dan op: ‘Ook de benaming “amor” komt in dezelfde heilige boeken voor.’ Als voorbeeld geeft hij de tekst waarin de Heer aan Petrus vraagt: ‘Heb je mij lief?’ (Jo 21,15 e.v.). Daar worden in vraag en antwoord “diligere” en “amare”, die beide ‘liefhebben’ betekenen, door elkaar gebruikt. Augustinus vervolgt dan: ‘Ik meende hierop te moeten wijzen omdat er nog wel eens verondersteld wordt, dat er een verschil bestaat tussen dilectio en caritas enerzijds als aanduiding van liefde, en amor anderzijds. Dilectio, zegt men dan, dient in gunstige zin verstaan te worden, amor in ongunstige zin. Het staat echter vast dat ook de grote schrijvers van de wereldse literatuur die woorden niet zo gebruikt hebben. ‘En dan voegt hij er beslissend aan toe ‘ik moest echter laten zien dat de Schriften van onze godsdienst, wier gezag wij boven andere geschriften stellen, geen verschil maken tussen “amor” enerzijds en “dilectio” of “caritas” anderzijds’. Volgens Augustinus wordt ook “amor” in gunstige zin gebruikt in dezelfde betekenis als “dilectio” en “caritas”.
(Geput uit Bert Blans, De ambiguïteit van het verlangen bij Augustinus)
Vergelijk ook de aanhef van de hymne bij de Voetwassing op Witte Donderdag: “Ubi caritas et amor ibi Deus est” welke – gezien het dubbel voorkomend begrip “liefde” - noodgedwongen wordt vertaald met: “Waar liefde en goedheid is, daar is God”.

Timor betekent “vrees, schrik, bezorgdheid, angst”, en in positieve zin “ontzag, eerbied, verering”. Bijna onmiddellijk herinnert men zich de vele citaten uit de H. Schrift zoals die goede oude Psalm 110 “Confitebor tibi, in toto corde meo” die iedere zondag bij de Vespers werd gezongen met het vers: “Sanctum et terribile nomen eius * initium sapientiæ timor Domini”- De vreze des Heren is het begin van de wijsheid! Of kijk eens naar het eerste hoofdstuk van het Boek Jezus Sirach met overwegingen over de timor Domini – de vrees voor de Heer.
In de H. Schrift komen woordvormen voor “vrees” honderden en honderden keren voor. Het gaat dan over een gezonde, liefdevolle vrees. De volgende passage uit het Boek van de Openbaring kan ons bijvoorbeeld over deze “timor” onderrichten: “Toen zag ik de hemel open, en zie, een wit paard, en zijn Berijder heet “Getrouw en Waarachtig”, en Hij oordeelt en voert oorlog met gerechtigheid. Zijn ogen zijn vlammend vuur; op zijn hoofd draagt Hij vele diademen, daarop een naam gegrift die niemand kent dan Hij alleen. Hij is gehuld in een mantel gedoopt in bloed. En zijn naam luidt: “Het Woord Gods” (Openb 19,11-12). Maar in het Boek Maleachi lezen we waar wordt gesproken over de Naam van God: “Maar voor u, die mijn Naam vreest, gaat dan de zon van gerechtigheid op, die met haar vleugels genezing brengt. Dan zult ge dansend naar buiten komen, als kalveren die op stal hebben gestaan” (3,20).
Sceptici van het geloof grijpen dikwijls het begrip timor, vrees voor de Heer, aan om uit te leggen hoe een hardvochtige God de mens terecht doet vrezen en zelfs angst oproept. Deze sceptici  worden beperkt door de associatie die zij bij het woord vrees, angst hebben en weten niet dat het woord timor, phobos in het Grieks, ook een ontzag of eerbiedige houding uitdrukt. Met die kennis is God niet zo wreed als ze ons willen doen inzien. Onwetendheid leidt niet zelden tot vreemde conclusies.
Gods Heilige Naam is heilig. Zij die “God vrezen” hoeven geen schrik voor de Heer te hebben, maar het spreken over en het horen noemen van zijn Heilige Naam zal hen verwarmen met zijn Liefde.
In bijbelse en liturgische zin verwijst een naam – zoals boven al aangegeven - naar het wezen van degene die de naam draagt. De Goddelijke Naam deed Mozes zijn schoenen uitdoen. Mozes vernam Gods Naam om aan de Joden die in gevangenschap waren mee te delen dat Degene die Zichzelf Is – “IK BEN” – hen zou bevrijden (verg. Exodus 2). Ooit zieltogend en verlaten (destituti) waren zij nu aangesteld als Zijn Volk. Zo heilig was de schrikwekkende Naam van God voor de Joden dat zij de vier Hebreeuwse letters, die in de Schrift werden gebruikt om de Naam aan te geven, niet uitspraken en vervingen door “Adonai”, “ Heer”.
Wat zegt de Heer zelf over zijn eigen Naam? In Jo 16,23 openbaart Jezus - Hebreeuws/Armeens Yeshua van Yehoshua, “Jahwe redt” - zijn eenheid met de Vader en de kracht van zijn Naam met de woorden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg: Wat ge de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in mijn Naam”. In Markus 9,38-39 is er een gesprek tussen de geliefde leerling en de Heer: “Johannes  zei Hem: “Meester, we hebben iemand die ons niet volgt, in uw Naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten”. “Maar Jezus zei: Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam, zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken”. Het Evangelie van Johannes zegt dat: “deze [tekens] zijn opgetekend, opdat jullie mogen geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat jullie door te geloven leven mogen bezitten in zijn Naam” (20,31). Zijn Naam – zijn Persoon – is onze weg naar het eeuwige leven. Tekenen en wonderen zijn verbonden met Jezus’ Heilige Naam. De apostelen en leerlingen bewerkten vele wonderen door de Naam van  Jezus (vgl. Hand 2,38; 3,6; 3,16; 4,7-10; 4,29-31; 19,13-17). De apostel Paulus schreef aan zijn kudde over de Naam van Jezus. Zijn onderricht openbaart een fundamenteel aspect van God over de wijze waarop met zijn Naam moet worden omgegaan.
God maakt duidelijk in het Derde van de Tien Geboden wat we mogen zeggen (Exodus  20,7: “Gij zult de Naam van de HEER uw God niet lichtvaardig gebruiken; want de HEER laat degenen die zijn Naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft”.
Sint Paulus schreef: “Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam gegeven die is boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hemelingen, aardbewoners en hellegeesten, en alle tong belijden tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer” (Filippenzen 2, 9-11).
De Naam van God, van God de Vader, God de Zoon Jezus Christus en God de Heilige Geest, verdient onze vrees en onze liefde. Heden ten dage willen velen alleen de liefde van de Naam van Jezus benadrukken zonder de heilige vrees die Hem toekomt. Die heilige vrees voor God echter is even wezenlijk als onze ware liefde voor Hem.
Perpetuus, –a, -um, een adjectief en betekent: voortdurend, onafgebroken, altijd voortgaand, constant, bestendig, ononderbroken, enz.
Gubernatio  betekent het op koers houden, het loodsen van een schip“ of “leiding, bestuur, management”, in het Nederlands bewaard in de woorden “gouvernement”, “gouverneur”, “gouvernante” enz. Een  gubernator is de stuurman, roerganger, loods van een schip.
In gubernatio is God onze stuurman, onze loods, houdt Hij het roer van ons leven vast. Wij zijn veilig omdat zijn liefhebbende hand sterk is. Als Hij ons alleen zou laten, zouden we schipbreuk lijden en berooid achterblijven. Te midden van de wisselvalligheden van deze wereld zijn wij in vrees en liefde zijn Heilige Naam toegedaan. Wij staan op onze eigen plaats voor Gods vreeswekkend Aanschijn én onder zijn liefdevolle Hand die ons helpt op de juiste weg te blijven door vrees en liefde van onze kant voor zijn Heilige Naam die verwijst naar Zijn Persoon en Wezen.
De betekenis van het bijwoord pariter vindt men onder het lemma “par, paris”: “gelijkelijk”, “op gelijke wijze”, “op dezelfde manier”, “evenzo”, en ook “tegelijkertijd”, “samen”, “eensgezind”, “eenstemmig”. 
Het substantief soliditas, - atis heeft als betekenissen 1. stevigheid, vastheid 2. dichtheid en 3. rots, en hoort bij het werkwoord ”solidare”: stevigmaken, bevestigen, grondvesten. (…) “quos in soliditate tuae dilectionis instituis” is letterlijk: “die Gij plaatst in de soliditeit van uw liefde”.
Het overwegen van de Naam van Jezus bewerkt vrede en vreugde in de ziel.
Bewaar in hart en geheugen niet alleen de liefde voor de Naam van Jezus  maar ook de vrees welke Hem verschuldigd is. Sluit de vrees, die werkelijk eerbiedig ontzag is, niet uit.