zaterdag 5 september 2015

Overweging 23ste zondag "een privézaak tussen Jezus als Heiland en Geneesheer en de doofstomme"

Overweging 23ste zondag door het jaar - B

Jesaja 35, 4-7
Jakobus 2, 1-5
Marcus 7, 31-35

Vorige week hebben we gehoord hoe er gedacht werd over rein en onrein. Het wassen van je handen, het reinigen van potten en pannen, dat zijn zaken die belangrijk zijn en beslist moeten gebeuren, ook om rituele redenen. Maar belangrijkere zaken kunnen onder rituelen en religieuze regels ondersneeuwen, en dus wijst Jezus op iets van groter gewicht: het schoonmaken van je geweten, het reinigen van je ziel, het zuiver houden van je hart. Het zwaartepunt van menselijke oprechtheid en eerlijkheid wordt door Jezus dus van buiten naar binnen verschoven.
En dan begint hij een reis over de grenzen van het heilige Land heen. Als gelovige Jood gaat hij naar een gebied waar de mensen afgoden aanhangen en naar joodse opvattingen heidenen zijn. Als gelovige in de ene en ware God van Israël is Jezus niet bang om zich onder aanhangers van het veelgodendom te begeven, als de reine onder de onreinen. Hij schuwt de omgang met andersdenkenden niet, en aldus geeft hij zijn leerlingen die met hem op deze buitenlandse reis meetrekken, een voorproefje van wat zij later zelfstandig moeten doen wanneer hij hun na de opstanding de opdracht geeft: Ga heen en onderwijs alle volken. Hij gaat naar Tyrus en Sidon, die Syro-Fenicische steden, in het Oude Testament vooral bekend om koningin Izebel, de vrouw van koning Achab. Wie denkt hier niet aan de profeet Elia die in opdracht van God naar de weduwe in Sarefat moest gaan, tussen Tyrus en Sidon gelegen (1 Koningen 17,7-9). Vandaar buigt Jezus weer af naar het zuiden, naar de noord-oostkant van het Meer van Galilea, het zogenoemde Tienstedengebied (de Dekapolis), door de Romeinse bezetters bewust opgezet als een nieuwe landinrichting in hun strijd tegen het Joodse geloof en de Joodse cultuur.
Nog voor hij met de hele ploeg weer in Galilea aankomt, brengen ze hem een man die door zijn handicap niets kan horen van Gods boodschap noch zijn tong kan gebruiken om tot God woorden van lof en dank te spreken. We hebben allemaal vijf zintuigen: ogen om te zien, oren om te horen, de neus om te ruiken, de smaak om te proeven, en onze tastzin, vooral onze vingertoppen, om te voelen. En bezitten we nog ons spraakvermogen om ons te kunnen uiten: praten, spreken, bidden, zingen, lachen en huilen. Hoe gelukkig zijn wij als die zintuigen allemaal hun werk doen! We staan er meestal niet bij stil. Maar hoe gebrekkig voelen we ons niet wanneer er iets mis met ze gaat. De ogen kunnen verzwakken zodat je minder duidelijk gaat zien en zelfs blind raakt. Je gehoororgaan kan zodanig achteruit gaan dat je geen geluid meer opvangt en je doof raakt. Je kunt je spraakvermogen verliezen zodat je geen woord meer kunt uitbrengen en stom genoemd wordt; stom in de betekenis van niet kunnen spreken, en niet in de zin van dom of achterlijk. Heel erg is het dat je blind bent en al tastend door het leven moet gaan, maar even erg of wellicht nog erger is het als je stokdoof wordt. Want meer dan bij blindheid mis je de onderlinge communicatie. Je hoort niet meer waar de gesprekken over gaan, wat er gezegd of gespeeld wordt. En zo raakt een dove vaak geïsoleerder dan een blinde, en gaat hij ook wantrouwend en ontevreden door het leven. De formulering van Marcus is opvallend. Allereerst het onbenoemde persoonlijke voornaamwoord ze. Wie zijn dat, die ze?  Leerlingen van Jezus die met hem meegereisd zijn? Nee, dan had Marcus dat wel gezegd. Zo maar willekeurige mensen? Ook dat niet! Uit andere teksten blijkt dat het steeds gaat om mensen uit de directe omgeving van de patiënt: familieleden, vrienden of kennissen, kortom mensen die met een zieke begaan zijn, en dat niet alleen, maar die ook vertrouwen hebben in Jezus als Heiland en Heelmeester, die hopen dat Hij iets kan uitrichten. Zie Marcus 1, 32; 2, 3 en 4; hier; 8, 22; 9,17-20; 10,13. Mooi om te lezen dat medemensen dus zijn ingeschakeld om anderen tot Jezus te brengen. En dan hun verzoek! Niet: wil hem genezen, maak van hem weer een gezond mens. Maar: wil de hand opleggen. Dat wil zeggen: neem hem onder uw hoede, spreid over hem uw vleugels uit. Even opmerkelijk als wat Marcus zei over de aanbrengers en hun verzoek, is nu wat hij zegt over Jezus’ manier van doen. Jezus reageert niet als een kwakzalver op de markt. Hij maakt er geen show van door de man in het openbaar met magische formules te bestoken. Hij zet de doofstomme niet in voor een publiciteitsstunt, hij misbruikt de man niet voor een demonstratie van zijn eigen kunnen. Hoe kies en ontroerend is het dat Jezus hem weghaalt uit de opdringerige mensenmassa en hem afzonderlijk neemt! Het is nu een privézaak tussen Jezus als Heiland en Geneesheer, en de man als patiënt, als iemand die persoonlijke aandacht en verzorging behoeft. De genezing speelt zich af in de intimiteit tussen Jezus als Mensenzoon en de van gehoor en spraak verstoken man. Hier moeten de nieuwsgierige ogen van brutale toeschouwers wijken. Het is een intimiteit die gaat via de handen van Jezus, handen die bevrijdend werken, via speeksel dat reinigt en geneest als balsem op de wonden. In onze taal zijn er allerlei uitdrukkingen waarin handen een negatieve rol spelen. Handtastelijk zijn, iemand onder handen nemen, in iemands handen vallen, met lege handen wegsturen en nog andere. Maar bij Jezus is de man in veilige handen. Zevenmaal in zijn evangelie vermeldt Marcus hoe helend de handen van Jezus werken. Bij de schoonmoeder van Petrus (1,31); bij de man met een huidziekte (1,41); bij het dochtertje van Jaïrus (5,23 en 41); bij de blinde in Betsaïda (8, 22-25); bij de bezeten jongen (9,27); bij de kinderen (10,16)  en hier natuurlijk. Daarbij slaakt Jezus een diepe zucht; een zucht uit ontsteltenis over het leed dat mensen treft, een zucht ook uit innig medelijden met hun onvermogen om zich daaruit te bevrijden; een zucht als een ademtocht die Gods levensgeest weer vaardig maakt over de adama, de vergankelijke materie waarvan Paulus zegt dat ze steunt en kreunt in barensnood (Romeinen 8,22). Dan spreekt Jezus het korte maar krachtige machtswoord: Effata, dat is: ga open of word geopend. Misschien mag je het wel weergeven met: bloei weer open! De man die zo opgesloten zat in zichzelf, als in een brandkast waarvan de sleutel was zoek geraakt, wordt bevrijd uit de banden die hem omknelden. Zijn gehoorgangen gaan open om de boodschap van het evangelie te verstaan, zijn tong komt weer los om God te loven en te danken. Hij is als een gesloten bloemknop die ontluikt bij de warme stralen van de Zon die hem beschijnt, van Jezus Messias.
Het gaat natuurlijk niet alleen over die doofstomme van 2000 jaar geleden, het gaat hier en nu over ieder van ons. Soms zijn ook wij verdoofd door de geestelijke kou die ons treft, met stomheid geslagen door de tegenslagen die we moeten verduren. Hoe gaaf is het dan wanneer anderen ons naar Jezus brengen met het verzoek: “Heer, leg hem, leg haar de hand op”. Naar aanleiding van de doofstomme man moet ik denken aan twee mooie uitspraken uit de H. Schrift. In de eerste plaats aan Psalm 38: “Ik ben als een dove, ik hoor niet; als een stomme die zijn mond niet opendoet. Ja, ik ben als een man die niet hoort en in wiens mond geen verweer is,” Psalm 38, 14-15. En aan het boek Exodus waarin Mozes tegen God zegt: “Ik ben geen man van het woord; ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.” Waarop de HEER hem antwoordt: “Wie heeft de mens een mond gegeven, wie maakt hem stom of doof, ziende of blind? Ben ik het niet, de HEER? Nu ga heen, ik zal met uw mond zijn en u leren wat u spreken moet,” Exodus 4,10-12. Door Jezus ontsloten, kunnen we de man nazeggen: Alles heeft Hij wel gedaan. Amen.

Alfons Jaakke, pr.