zondag 13 september 2015

Liturgia Horarum - Preek over ‘De Herders’, van de H. Augustinus 3

Liturgia Horarum
 Preek over ‘De Herders’, van de H. Augustinus, bisschop 3
(op Ezechiël 34)

Het voorbeeld van Paulus

Toen Paulus eens in grote behoeftige omstandigheden verkeerde, geboeid als hij was door zijn prediking van de waarheid, werden er door de broeders enkelen gezonden om hem te helpen in zijn nood en gebrek. Hen dankend antwoordde hij en zei: Gij hebt er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden. Ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn. Ik weet, wat overvloed is en ik weet, wat armoede is. Alles vermag ik in Hem, die mij kracht geeft. Toch hebt gij er goed aan gedaan hulp te zenden in mijn nood.

Maar om te tonen, wat hij zelf eigenlijk zocht bij hun weldoen aan hem – om niet onder hen te behoren, die zichzelf weiden in plaats van hun schapen – verheugt hij zich, niet zozeer over hun hulp in zijn nood, maar meer over hun vruchtbaar geloof. Want wat zocht hij hier? Niet dat het mij om uw giften te doen is, zegt hij; wat ik zoek is de vrucht (van uw geloof). Niet om zelf verzadigd te worden, maar om te voorkomen, dat gij zonder vrucht blijft.

Wie dus niet in staat zijn te doen, wat Paulus deed, namelijk door eigen arbeid in leven blijven, laten zij de melk van hun schapen aannemen en zo in hun behoeften voorzien, maar daarbij de zwakheid van de schapen niet verwaarlozen. Zij moeten dit ook niet zoeken als eigen gerief, zodat zij de schijn op zich laden uit nooddwang het Evangelie te verkondigen, maar laten zij het licht van het Woord der Waarheid verspreiden, om de mensen ermee te verlichten. Zij zijn immers als lampen, zoals gezegd is: Houdt uw lenden omgord en uw lampen brandend; en Men steekt toch ook niet een lamp aan, om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen, die in huis zijn. Zo moet ook uw licht stralen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken, die in de hemel is.

Als dus een lamp in uw huis zou worden aangestoken, zoudt gij er dan geen olie bijgieten, om ze niet te laten uitgaan? Maar als dan uw lamp, na er olie te hebben ingegoten, niet zou branden, verdiende ze zeker niet op de kandelaar gezet te worden, maar zou ze terstond stuk geslagen worden. Waar dus ergens van geleefd wordt, is het een kwestie van noodzaak om dit aan te nemen, en het is de taak van de liefde om te geven. Laat men het Evangelie toch niet als een soort koopwaar beschouwen, zodat de prijs ervoor dat is, wat zij ervoor aannemen, die zeggen, dat zij ervan moeten leven. Want als zij zo’n koop sluiten, verkopen zij toch wel iets groots voor een lage prijs. Laten ze gerust het nodige levensonderhoud aannemen van het volk, maar het loon voor hun ambt van de Heer. De mensen toch zijn niet in staat het loon te geven aan hen, die hen in evangelische liefde dienen. Zij verwachten hun loon alleen van die zijde vanwaar ook de gelovigen hun heil verwachten.


Wat wordt hun dan verweten? Waarom worden zij beschuldigd? Omdat zij, toen zij de melk opdronken en zich met de wol kleedden, de schapen zelf verwaarloosden. Zij zochten hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus.