dinsdag 10 november 2020

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 10 novembris S. Leonis Magni, papæ et Ecclesiæ doctoris


   memoria
Ad Officium lectionis

Lectio altera

Ex Sermónibus sancti Leónis Magni papæ
(Sermo 4, 1-2: PL 54, 148-149)

Tweede lezing

Uit de Preken van de H. Leo de Grote, Paus
(Sermo 4, 1-2: PL 54, 148-149)

De bijzondere dienst van ons ambt

Hoewel de gehele Kerk Gods in verschillende rangen is verdeeld, opdat uit die verschillende leden de gaafheid van dat heilig Lichaam zou worden opgebouwd – allen toch zijn wij één in Christus, zoals de Apostel zegt – is ook niemand in zijn bediening zó van de ander gescheiden, dat de geringheid van welk deel ook niet zou bijdragen tot de gebondenheid met het Hoofd. In de eenheid derhalve van ons geloof en ons Doopsel, zeer geliefden, bestaat er voor ons een niet te scheiden gelijkheid en gemeenschappelijke waarde, volgens dat zo heilige woord van de zalige apostel Petrus: Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilig priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus, en dan daarna: Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk.

Allen toch, die in Christus herboren zijn, worden door het teken van het kruis tot koningen, en de zalving van de Geest wijdt hen tot priesters, zodat buiten die bijzondere dienst van ons ambt alle geestelijke en mystieke begaafde christenen zich ervan bewust moeten zijn, dat zij deel uitmaken van een koninklijk geslacht en aan de plichten van een priester deel moeten nemen. Want wat is er zo koninklijk als een aan God onderworpen geest meester is over zijn lichaam? En wat is er zo priesterlijk als aan God een zuiver geweten wijden en onbesmette offers van godsvrucht opdragen op het altaar van het hart? Nu dit door Gods genade voor allen gemeenschappelijk geldt, is het toch voor u, God welgevallig en lofwaardig, u over de dag van onze verheffing te verheugen als over uw eigen glorie; zodat in heel het Lichaam van de Kerk het éne sacrament wordt gevierd van het opperherderschap, die door de uitstorting van de olie de zegening wel in overvloedige mate over de voornamere ledematen heeft doen vloeien, maar ook niet in geringe mate over de lagere ledematen werd uitgegoten.

Ofschoon wij dus, zeer geliefden, rijkelijk aanleiding hebben ons met elkander te verheugen over het gemeenschappelijke aandeel aan die genade, zo zal toch deze vreugde beter en verhevener gegrond zijn, als gij u niet verder in beslag laat nemen door de nietigheid van mijn persoon. Maar het is veel nuttiger en waardiger zijn aandacht te wijden aan de beschouwing van de glorie van de allerzaligste apostel Petrus, en deze dag vooral, te vieren tot zijn verering, die door de Bron zelf van alle genadegaven zó overvloedig hiermee overgoten werd, zodat, omdat hij alleen zoveel ontving, niemand in een van die genadegaven heeft gedeeld zonder dat ook hij er in deelde. Het vleesgeworden Woord woonde reeds onder ons, en Christus had zich geheel gegeven om het menselijk geslacht te herstellen.