Posts tonen met het label Jan van Abroek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan van Abroek. Alle posts tonen

dinsdag 8 oktober 2024

GETUIGEN VAN DE VERRIJZENIS = Vandaag bijzondere dank voor de eerste geloften van onze zusters op de Berg in 1480


Vandaag lees ik u een beschouwing voor van M. Matthea + die ze hield op 2 oktober 1964, 60 jaar geleden. Omdat deze de kern van ons leven raakt, heeft deze niets aan actualiteit ingeboet.

Eén van de wezensbestanddelen van het beleven van het apostolisch leven is het getuigen van de Verrijzenis van Jezus. Toen Matthias gekozen werd, was het ”om te getuigen van de Verrijzenis” (Hand 1, 22). In zijn eerste preek zegt Petrus “Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn  wij allen getuigen” (Hand 2, 32).

Dat “getuigen van de Verrijzenis” moet voor ons werkelijk iets bezielends zijn dat ons leven voortdurend draagt. Morgen, 8 oktober, zullen we de Verrijzenis-mis zingen, als dank voor de eerste geloften van onze zusters, hier in de kerk, als dank voor de instandhouding van de Orde, ook in de toekomst, als dank voor onze eigen roeping.

We zullen de gezangen van de H. Mis meezingen met de koster. Alleen het Haec dies zingen we alleen. Laten we dan heel de bezieling van ons hart en onze geest in de zang leggen, zodat de aanwezigen, hoe weinig misschien ook, aanvoelen dat het écht is, dat er écht iets omgaat in ons gemoed als we zeggen te geloven in de Verrijzenis.

Die bezieling zullen we er slechts in kunnen leggen als ze uit de volheid van ons dagelijks bestaan openbloeit. Dit wil zeggen, als we altijd in alle omstandigheden geloven dat uit onze inspanning, ook uit onze mislukking een positieve waarde voor de Kerk, voor het Rijk van God kan groeien.

Toen Christus gestorven en begraven was, leek het of alles uit en gedaan was. Denken we aan de leerlingen van Emmaűs: “En wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn, die Israël ging verlossen. Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds deze dingen gebeurd zijn” (Lc 24, 21).

Wanneer we de huidige crisistoestand van de Kerk ervaren – denk aan de enorme en openbare ergernis van priesters en kloosterlingen die niet volharden – als we ook in de eigen Orde weten hoe zwaar het is, hoe onontwarbaar het  schijnt, dan moeten we geloven dat God de omstandigheden leidt naar Zijn doel. Geen enkel probleem is groter dan dat van de dood. Als dát overwonnen is, is alles in orde.

Wanneer de problemen in het licht van de Verrijzenis bekeken worden, is het leven aanvaardbaar voor iedereen, zelfs voor de armsten die sterven van honger, want ze weten dat hierna eeuwige vreugde hun deel zal zijn. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat niet met álle middelen moet gestreefd worden naar verbetering van die toestanden, dat is weer iets anders.

Wanneer wij, in de kleine details van ons kleine leven geloven in de Verrijzenis, dan wil dit zeggen dat er nog zeer weinig de moeite waard zijn om bij te blijven stilstaan.

Het kleine, dat ons leven van ons vraagt, wat kan het zijn: een nervositeit in het verdragen van elkanders gebreken, niet te vermijden in de samenleving -; de eentonigheid van ons leven misschien; misschien een bekommernis om het voortbestaan van ons klooster… als we die dingen zetten in het licht van de Verrijzenis, is het haast niet meer de moeite er aan te denken. Immers, indien de Liefde van God zo groot is en Zijn macht zo wonderbaar, dat Christus opstond uit de dood, dan zal Hij ook al het andere in het leven mogelijk maken. Het is niet denkbaar dat het ánders zou zijn.

En zo komen we ertoe blije mensen te zijn. Onze blijdschap moet steeds in ons stralen en na elke kleine onweerswolk, die bijna onvermijdelijk overdrijft – dat is een stukje erfzonde – na iedere wolk moet de vreugde terug tevoorschijn komen, rustig en onverwoestbaar. 

Zo beleven we dan ook ons apostolisch leven zoals het in de Handelingen is uitgedrukt: “Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of andere huis, genoten samen hun voedsel in eenvoud van hart” (Hand 2, 46).

En zo zullen we dan, één van hart en één van ziel, de geheimvolle eenheid in Christus beleven, dit is dat wij zó eendrachtig leven dat wij slechts één mens vormen, dat wij werkelijk slechts één hart en één ziel hebben, vele lichamen maar niet vele zielen, vele lichamen maar niet vele harten (H. Augustinus over Psalm 132, 6). Het verheven oerbeeld van elke christelijke en kloosterlijke gemeenschap ziet Augustinus in de ondoorgrondelijke eenheid en gemeenschap van de Drieëne God volgens het woord van Jezus in zijn hogepriesterlijke gebed: “Dat allen één zijn, zoals ook Wij één zijn” (Jo 17, 22). Moge het de christelijke zusterlijke liefde zijn die ons zal brengen tot deelname aan deze onbegrijpelijke gemeenschap. Immers, zo luidt Augustinus’ motivering, “tot deze eenheid worden wij slechts geleid wanneer wij – de velen – één enkel hart bezitten” (Preek 103, 3-40). 

8 OKTOBER VANDAAG BRENGEN WIJ HULDE AAN JAN VAN ABROEK (1440-1510), ONZE STICHTER


De nu nog bestaande priorijen van Kanunnikessen van het
Heilig Graf -Zaragoza uitgezonderd - "erkennen Jan van
Abroek áls hun stichter en geestelijke vader. Hij, die
heel zijn leven ootmoedig en zeer heilig werkte voor de
uitbreiding van de kloosters der Orde, aan zijn volgelin-
gen een voorbeeld van verduldigheid en ootmoed nalatend,
overleed in de Priorij van Hoogcruts op de octaafdag van
Pasen, in het jaar 1510." (Z.M.Hereswitha, Jan v.Abroek en
zijn 450e. verjaardag, blz. 15)

Tijdens de opgravingen in de Basiliek, na de verwoesting
in 1945, vond men in de crypte 2 priestergraven. Hoogst
waarschijnlijk was één hiervan het graf van Jan van Ahroek.
Daarom werd een been van de voorarm aan het klooster in
bewaring gegeven. (het bevindt zich in het schrijn in het slot van ons klooster en wordt bij bijzondere gelegenheden soms geëxposeerd)

Wie meer wil weten over Jan van Abroek, zie deze link

Ter nagedachtenis en als dankzegging bidden we vanaf Paas- maandag tot en met het Feest van het Heilig Graf (maandag 2e week van Pasen) het JUBILEUMGEBED:

ALMACHTIGE, EEUWIGE GOD
God van liefde en barmhartigheid,
we danken U voor al UW weldaden.
We loven en danken U in het bijzonder
voor de Menswording van Uw Eniggeboren
Zoon, onze Heer Jezus Christus.
We loven en danken U voor Zijn leven,
Zijn liefde, Zijn lijden en dood,
en voor Zijn glorievolle Verrijzenis.
We loven en danken U voor het geluk,
ons leven te mogen wijden aan dank
en jubel om Uw wonderwerken.
We loven en danken U voor al onze
Broeders en zusters, die ons voorgingen,
en voor allen, die vanaf deze Heilige Berg
inspiratie ontvingen.
We loven en danken U voor alle wonderen
die Uw liefde nog wil "bewerken
voor de voltooiing van Uw Rijk
Door Christus onze Heer. Amen.


donderdag 7 oktober 2021

Melodie Jan van Abroek -lied: L'Ange et l'Ame Ook vandaag zullen wij met vreugde het Jan van Abroek lied meerstemmig (!) zingen

Op veler verzoek: Jan van Abroek-lied


Wij zullen nooit het daverend applaus vergeten, dat in 2019 klonk toen wij het meerstemmig hadden gezongen voor onze Ordezusters en de vrienden van het klooster van het H. Graf van Bilzen-Herkenrode bij gelegenheid van hun bezoek aan de Kerkberg op de dag dat op deze plaats 539 jaar geleden de vrouwelijke tak van de Orde van het H. Graf in West-Europa werd gesticht door Jan van Abroek!

Jan van Abroek - onze stichter. Over de Orde en de kloosters van het H. Graf 1

Een opstel uit 1931 van zuster M. Henrica Fieten CRSS (Turnhout)

Jan van Abroek en zijn werk

Jan van Abroek, is de stichter van de kanunnikessen-kloosters van het H. Graf; we noemen hem zelfs eerbiedwaardig en beschouwen hem, omwille van zijn werk, als een grote persoonlijkheid.
Zijn naam ‘van Abroek’ wijst op de geboorteplaats en zegt ons meer dan het dorpje Beek, bij Bree in de Limburgse Kempen, dat gewoonlijk als zijn geboorteplaats wordt opgegeven in de historische documenten over de Orde.
Jan van Abroek werd geboren rond 1440, ontving het lager onderwijs in de school van Bree deed zijn humaniora in het beroemde Fratershuis te ’s Hertogenbosch en volgde de leergangen van filosofie en theologie aan de universiteit van Keulen. In de 15e eeuw bestonden er immers nog geen seminaries en moesten degenen die zich voorbereidden op het priesterschap bovengenoemde studies volgen aan de hogescholen van Leuven of elders. Volgens een overlevering in de Orde bewaard, studeerde Jan van Abroek te Keulen.
Op zekere dag van het jaar 1465, na zijn studies te hebben voltooid en zijn zuster Clementia in het klooster te Roermond bezocht te hebben, bracht hij ook een bezoek aan St. Odiliënberg, en zag daar de prachtige kerk, met kloosterpanden, vervallen en verlaten. In een oude kronijk lezen we hoe de vrome student zeer getroffen was toen hij het Huis Gods “ijdel en ledig” vond. Deuren en vensters waren weggedragen of gesloten. Het vee zocht een schuilplaats in de kloosterpanden; vogels van allerlei soort nestelden in de hoeken en spleten, zodat het “ser te jammeren was ofte beklagen”.
Onder aandrang van de genade besloot Jan van Abroek een einde te maken aan deze toestand, de gebouwen tot Gods eer te herstellen en er zo mogelijk kloosterlingen te doen komen, die opnieuw de eredienst zouden waarnemen, de parochie bedienen, en verder de gehele streek in de geest der eerste missionarissen, nl. de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus opleiden tot een hogere beschaving en verdieping van het christelijk leven.
Om zijn plan, of liever Gods plan, te kunnen uitwerken, moest Jan van Abroek op verdere inlichtingen uit. Hij vernam van het Kapittel van Roermond dat volgens een oude schikking, de kerk en het klooster van St. Odiliënberg behoorden aan het klooster van het H. Graf te Denckendorf, in het bidsom Constanz, daar gesticht  door kanunniken van het H. Graf te Jeruzalem rond de jaren 1130-1140. Volgens de schikking moest het verlaten klooster dienen voor de stichting van een klooster van het H. Graf.
Na zijn bezoek in Roermond besloot Jan van Abroek tot intrede in de Orde van het H. Graf. Zijn opleiding zocht hij in het klooster “Henegouw” onder Wimmertingen bij Hasselt, dat eveneens onder Denckendorf stond. Na zijn noviciaat en priesterwijding keerde hij, vergezeld van een medebroeder, naar St. Odiliënberg terug, en begon moedig  en vertrouwvol met het herstel der gebouwen en de inrichting van het klooster. Zij leefden er “in duchtden enden in goeden discipline”. Nieuwe leden boden zich aan, ook kregen zij giften en hulp voor de herstelling van de kerk en klooster, en zo ontstond in het jaar 1467 te St. Odiliënberg die merkwaardige priorij welke nieuw leven zou brengen in de oude Orde, en wier geest vooral zou opbloeien in een nieuwe twijg: de vrouwelijk tak der Sepulcrienen.
Jan van Abroek als hersteller van het oude, vervallen klooster was de eerste prior te St. Odiliënberg. “De godsdienst werd er eerlich gedaan”. De getijden dag en nacht gezongen of gelezen volgens de regels der orde. Een eerste bloei was er te bespeuren in het geestelijke en het tijdelijke. De jonge prior zorgde ervoor dat de leken die hij aannam tot het priesterschap werden verheven.


 J.A. van der Drift, Kerk van Sint Odiliënberg, 1858.
Bij de restauratie onder pastoor Willem van Basel 1680-1686 kon slechts één van
 de twee torens heropgebouwd worden.
De ijver van de vurige prior bepaalde zich echter niet tot het klooster van St. Odiliënberg alleen. Met de goedkeuring van paus Innocentius VIII en na de verheffing tot vicaris-generaal en later tot aartsprior en algemeen overste van de Orde van het H. Graf in de Nederlanden, zou hij als hervormer optreden, en nieuw leven brengen in de volgende stichtingen vanuit Jeruzalem:
Henegouw bij Hasselt, Culemborg (Utrecht) 1492, Bierbeek bij Leuven, Oetsloven bij Looz (België) en Aken. Aangespoord door de pauselijke volmacht sticht hij de kanunnikenkloosters van Kinrooi (B) in 1474, La Xhavée bij Luik in 1486, Udhem bij Kleef (Dld) 1501, Hoogcruts onder Slenaken in 1495, Venlo (Trancedron) in 1497, Kirchain (Dld) 1502 en Arnemuiden (Zuid-Beveland) 1509.


 Handtekening: Frater Jo Aabrock humilis prior monte Sancte Odilie
Over het algemeen hadden deze kanunnikenkloosters weinig voorspoed. De 16e, q7e en 18e eeuw waren tijden van strooptochten en oorlogen. De kloosters  in Zuid-Holland en Zeeland gingen verloren in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Hoogcruts werd door de hertog van Parma in brand gestoken, het klooster van Sint Odiliënberg werd geplunderd en half in de as gelegd, de laatste prior gevangen genomen. Zodat het op het einde der 18e eeuw jammerlijk genoeg, voorgoed gedaan was met de mannelijke tak van de Orde.
Niettegenstaande verdrukking en vervolging werkten sommige der nieuwe stichtingen, en vooral het klooster van Hoogcruts allerprachtigst. Dit klooster kon bogen op een [Latijnse] kostschool van eerste rang; en van de kanunniken zelf werden er sommigen naar de Hogeschool van Leuven gezonden om academische graden te verwerven. Ongelukkig werd het door de Franse overheersing afgeschaft en verkocht in het jaar 1797.
(Bovenstaand artikel enigszins aangepast)
Het voormalige kanunnikenklooster Hoogruts is recent gerestaureerd door de inspanningen van restauratie-architect Karl Pesch-Konopka (Stadsherstel  en Stichting Het Limburgse Landschap. Zie de link Hoogcruts en klik op de foto’s. Of kijk onder Karl Pesch, Ruine Hoogcruts enz. Wordt vriend of ambassadeur van Hoogcruts!


Hulde aan Jan van Abroek! Op 8 oktober ... 540 jaar geleden .... werden op de Kerkberg drie novicen geprofest en drie postulanten ingekleed

Vandaag…
540 jaar geleden,
op zondag 8 oktober 1480,
werden in de kerk van Sint Odiliënberg
drie novicen geprofest en drie postulanten ingekleed
door prior Jan van Abroek, kanunnik van het Heilig Graf,
hervormer van de Orde van het Heilig Graf (Ordinis Sancti Sepulcri)
en stichter van de Sepulcrinessen in de Nedergermaanse ordesprovincie.

Jan van Abroek, geboren in Beek onder Bree (B)
ontving zijn kloosterlijke vorming
in de O.L.Vrouwepriorij van de Heilig-Graforde (1312-1731)
te Henegouw onder Hasselt.

Zijn filosofische en theologische vorming
als voorbereiding op het priesterschap
voltooide hij aan de universiteit in Keulen
en onderweg van Keulen naar Bree via Roermond,
waar zijn zus Clementia (Meijntz) als faliezuster
in het klooster Ten Bongaert leefde
onder de Regel van Sint Augustinus,
bracht hij een bezoek aan het munster
op de Sint Petrusberg (nu Sint Odiliënberg).
Getroffen door het verval van het verlaten munster,
voelde hij zich als het ware geroepen
dáár zijn priesterideaal te gaan beleven
en kerk en klooster te herstellen.

Na zijn professie kreeg hij verlof om naar Sint Odiliënberg te gaan,
herstelde daar de vervallen kerk en kloostergebouwen,
werd in 1469 priester gewijd 
en was in 1471 de eerste prior van de door hem opgerichte
nieuwe stichting van reguliere kanunniken van het H.Graf.

De Sint Petersberg was met bijbehorende goederen in 1437
door het H.Geestkapittel van Roermond
aan de Orde van het Heilig Graf geschonken
welke schenking in 1442 door Frederik III,
koning van het Rooms-Duitse Rijk (1440-1452)
werd bekrachtigd.
In deze schenking was bepaald dat op de Sint Petersberg
een vrouwenklooster van het H.Graf
moest worden opgericht.
Uit een akte van 1471 blijkt dat de kerk was gerestaureerd
en een vrouwenklooster voor Sepulcrinessen was geopend.
De communiteit bleek te weinig levensvatbaar,
het klooster ging te niet.

Met Jan van Abroek kwam er nieuw leven
en ook klonken weer vrouwenstemmen op de berg.
Met de zus van prior Jan van Abroek, Clementia,
begonnen Catharina van Bruggen en Catharina van Wert
aan hun opleiding en namen hun intrek
in het gastenhuis voor vrouwen op de kerkberg,
dat hun zou dienen als noviciaatshuis.
Bij deze eerste drie kandidaten voegden zich
nog drie andere postulanten.
Ze hadden een dagregeling analoog
aan die van de kanunniken.

Op zondag 8 oktober 1480 legden
de drie eerstgenoemden hun kloostergeloften af
voor prior Jan van Abroek
als vertegenwoordiger van de Orde
en werden de drie anderen ingekleed.

Op maandag 9 oktober reisde het zestal
per huifkar naar Kinrooi en ging wonen
in het voormalige kanunnikenklooster
“Onze Lieve Vrouw van Jeruzalem”.
Daarmee was de oprichting
van het eerste Heilig-Grafs vrouwenklooster
 in de Nederlanden voltrokken.

De opvolgsters van deze eerste communiteit
zouden de volgende eeuwen
via de Sepulcrinessenkloosters
van Nieuwstadt, van Maaseik, Luik, Visé,
Maastricht, Hasselt en Bilzen in 1888
de weg naar Sint Odiliënberg  terugvinden
waar zij nu leven, bidden en werken
in de Thaborpriorij,  IN LUMINE TUO.

Dit is het devies van de priorij:
In Uw Licht, zien wij het licht,
(vers 10 van psalm 35).

De afbeelding geeft de ceremonie weer
van de eerste en feestelijke professie.
Dit tafereel was geschilderd op een
van de muren van het priesterkoor
van de door pastoor Michael Willemsen
gerestaureerde kerk (1880-1886).
Toen in januari 1945 de beide torens
werden opgeblazen door de terugtrekkende Duitsers
werden priesterkoor, beide koorkapellen en middenschip
volledig verwoest.
Gelukkig had een zuster van het H.Graf te Turnhout
de schildering tijdens de oorlog nageschilderd
en van deze kopie is bijgaande foto een afdruk.
         

Update Kleine reportage en enkele reacties van bezoekers op 8 oktober 2019 - Hulde aan Jan van Abroek!










Veel dank voor de warme en hartelijke ontvangst tijdens ons bezoek vorige dinsdag.
Wij hebben er volop van genoten en er is nadien nog lang over nagepraat.

Vooral het lied van Jan van Abroek, zo prachtig tweestemmig gezongen door de zusters, heeft indruk gemaakt.
Sommigen vonden het zelfs de meest onvergetelijke uitstap die wij tot nu toe gemaakt hebben.
Dank om dit stukje hemel met ons te delen.

We hebben genoten van ons bezoek en de mooie gezangen! Mooie herinneringen waarvoor oprechte dank

Dat daverend applaus was meer dan verdiend! Wat een prachtig lied maar vooral wat een hemelse zang. Heel veel dank om dit met ons te delen.

Ik heb genoten van het bezoek vandaag de herinneringen van vroeger kwamen allemaal terug bedankt

dinsdag 25 mei 2021

Uit het Nederlands getijdengebed Florens Radewijns Verdieping van Innerlijk leven Zuiverheid van hart en liefde tot God


Uit de kleine verhandeling over de moderne devotie van de priester Florens Radewijns († 1400)

Verdieping van innerlijk leven.

Er bestaat een korte methode om werkelijk het innerlijk leven te verdiepen: een mens moet voortdurend erop bedacht zijn en zich moeite geven om - door soberheid, overdenking, goede lectuur en overweging van de heilige Schrift - twee zaken na te streven. Hij moet door deze genoemde middelen zijn innerlijk zuiveren van verkeerde neigingen en schadelijke hartstochten, en daarna goede eigenschappen ontwikkelen, vooral de liefde tot God en tot de medemens, en in gemeenschap leven met God en de medemens.
Deze twee, de zuiverheid van hart en de liefde tot God, zijn de twee doeleinden in het leven van een mens die - naargelang hij er dichterbij komt - zijn volmaaktheid bevorderen.
Echte liefde bestaat alleen in een mensenhart dat zuiver is van slechte neigingen en karaktertrekken, en dat goede eigenschappen en trekken bezit. ‘Liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in, zij zoekt zichzelf niet,’ zoals Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de christenen van Korinte (13, 4-5).
Op deze twee zaken moet een mens voortdurend georiënteerd zijn bij zijn doen en laten, als op het hem gestelde doel. Een boogschutter let goed op de schietschijf, en hoe dichter hij het middelpunt van de schijf benadert, des te betere schutter is hij.
Hoe meer een mens zijn hart zuivert van slechte neigingen en ongeordende verlangens, des te meer wordt hij een mens met goede eigenschappen en vooral met liefde. Daarom zegt Augustinus in het derde boek van zijn Christelijke Leer: ‘Hoe meer de wanorde verbannen wordt, des te meer liefde is er.’
Om echter goed te weten wat het betekent zijn hart te zuiveren en zich deugden eigen te maken, moet een mens overdenken dat aan alle mensen mogelijkheden en capaciteiten en geesteseigenschappen gegeven zijn die aansporen tot het goede. Dat zijn: verstand, affectiviteit, geheugen en gevoelens als liefde, vrees, haat, hoop, blijdschap, droefheid. Met zijn verstand kan een mens God kennen, met zijn hart en zijn wil Hem beminnen, met zijn geheugen zich geborgen weten. Vrees brengt hem ertoe God niet te beledigen en niet van Hem gescheiden te raken; hoop doet hem vertrouwen op Gods goedheid; liefde doet hem God beminnen boven alles, en zichzelf en zijn medemensen omwille van God. Het genoegen dat hij in de schepping beleeft, dankt hij aan God; vreugde doet hem blij zijn en zich verheugen in God.
Maar de erfzonde heeft al dit goede aangetast en scheef doen groeien, waardoor er een neiging ontstaat naar minder goede zaken. We kunnen waarheid vaak niet onderscheiden van onwaarheid; we kiezen iets verkeerds in plaats van iets goeds; ons geheugen is onstandvastig en denkt wisselend aan van alles, zodat we onrustig worden; we zijn soms alleen huiverig voor materiële tegenslag, lichamelijk ongemak en voor miskenning door anderen. Onze hoop is scheefgegroeid omdat we minder verwachten dan noodzakelijk, of meer dan juist is.
Een mens kan standvastig blijven als hij deze eigenschappen tot ontwikkeling brengt, en zo zuivert hij zijn hart en ordent hij zijn innerlijk.
Daarom zegt Bernardus in een preek over de hemelvaart van de Heer: ‘Twee zaken moeten gezuiverd worden: ons verstand en ons gemoed; het verstand om tot juiste kennis te komen, en het gemoed om een mens van goede wil te zijn.’ En in diezelfde preek zegt hij nog: ‘Alleen daarin bestaat de volmaakte godsdienstigheid en de godsdienstige volmaaktheid.’

dinsdag 6 april 2021

Vanaf Feria II week 1 van Pasen tot Feria II week 2 van Pasen GEDACHTENIS VAN JAN VAN ABROEK, ONZE STICHTER We zingen iedere dag meerstemmig het Jan van Abroeklied!



GEDACHTENIS VAN JAN VAN ABROEK, ONZE STICHTER

De nu nog bestaande priorijen van Kanunnikessen van het
Heilig Graf -Zaragoza uitgezonderd - "erkennen Jan van
Abroek áls hun stichter en geestelijke vader. Hij, die
heel zijn leven ootmoedig en zeer heilig werkte voor de
uitbreiding van de kloosters der Orde, aan zijn volgelin-
gen een voorbeeld van verduldigheid en ootmoed nalatend,
overleed in de Priorij van Hoogcruts op de octaafdag van
Pasen, in het jaar 1510." (Z.M.Hereswitha, Jan v.Abr. en
zijn 450e. verjaardag, blz. 15) (7 of 8 april ?)
Tijdens de opgravingen in de Basiliek, na de verwoesting
in 1945, vond men in de crypte 2 priestergraven. Hoogst
waarschijnlijk was één hiervan het graf van Jan van Ahroek.
Daarom werd een been van de voorarm aan het klooster in
bewaring gegeven. (het bevindt zich in het schrijn in het slot van ons klooster en wordt bij bijzondere gelegenheden soms geëxposeerd)

Wie meer wil weten over Jan van Abroek, zie deze link

en we zingen iedere dag het lied van Jan van Abroek

Ter nagedachtenis en als dankzegging bidden we vanaf Paas- maandag tot en met het Feest van het Heilig Graf (maandag 2e week van Pasen) het JUBILEUMGEBED:

ALMACHTIGE, EEUWIGE GOD
God van liefde en barmhartigheid,
we danken U voor al UW weldaden.
We loven en danken U in het bijzonder
voor de Menswording van Uw Eniggeboren
Zoon, onze Heer Jezus Christus.
We loven en danken U voor Zijn leven,
Zijn liefde, Zijn lijden en dood,
en voor Zijn glorievolle Verrijzenis.
We loven en danken U voor het geluk,
ons leven te mogen wijden aan dank
en jubel om Uw wonderwerken.
We loven en danken U voor al onze
Broeders en zusters, die ons voorgingen,
en voor allen, die vanaf deze Heilige Berg
inspiratie ontvingen.
We loven en danken U voor alle wonderen
die Uw liefde nog wil "bewerken
voor de voltooiing van Uw Rijk
Door Christus onze Heer. Amen.