Uit het leven van de maagd Lidwina door Thomas van Kempen († 1471)
Tijdens haar langdurig lijden ontving zij in rijke mate goddelijke vertroosting.
‘Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op’ (Ps. 94 (93), 19). Deze uitspraak van de heilige Schrift is op ondubbelzinnige wijze letterlijk door God vervuld in deze heilige maagd, in Lidewiges (Lidwina), die Hij eerst met allerlei lichamelijk en geestelijk lijden overstelpte om haar te louteren, maar die Hij later te midden van haar vele pijnen en kwalen bezocht om haar telkens weer te vertroosten en te verblijden.
Toen er ongeveer drie of vier jaren voorbij waren sinds het begin van haar ziekte, was zij nog ongeduldig onder Gods kastijding en nog niet uit eigen beweging onderworpen aan God, door wie toch niets op aarde zonder reden geschiedt. Wanneer zij haar vriendinnen die haar kwamen bezoeken, gezond en vrolijk zag, terwijl zij zelf zwaar ziek was, verlangde zij er meer naar samen met de anderen gezond te zijn van lijf en leden, dan innerlijk gelukkig te zijn door de deugd van geduld. En omdat zij nog geen smaak had in het geestelijke en niet wist wat God het meest behaagde, klaagde zij soms en treurde zij vaak over haar lijden. Dan weende zij zulke bittere tranen dat zij door niemand getroost wilde worden.
Toen nu haar biechtvader, de heer Johannes Pot, die gewoon was haar tweemaal per jaar de heilige communie te brengen, haar kwam bezoeken, trachtte hij met zijn troostende woorden haar te bewegen voortaan haar tranen te bedwingen en haar droefheid te matigen. Daarom gaf hij haar de goede raad zich welbewust aan Gods wil over te geven en zich toe te leggen op de overweging van het lijden des Heren, en hij verzekerde haar dat zij hierdoor gemakkelijk goede troost zou ontvangen. Zij vroeg de priester dus hoe zij deze vrome oefening moest verrichten en leerde van hem een methode voor deze heilzame overweging. Maar toen zij er niet onmiddellijk baat bij vond - want zij proefde niet terstond honing uit de rots of wonderbaar brood - voelde zij tegenzin opkomen en wierp zij als bittere alsem weg, wat zij in haar hart had opgenomen maar wat nog niet diep was geworteld.
Toen evenwel deze priester er sterker op aandrong en haar krachtiger aanspoorde zich geweld aan te doen om door te gaan met wat zij begonnen was en haar tegenzin te overwinnen, liet zij zich door die goede raadgevingen leiden en gaf zij gewillig gehoor aan hetgeen haar biechtvader haar zei. Nadat zij zich tenslotte met grote inspanning de goede gewoonte had eigen gemaakt over God te mediteren, schonk dit haar na verloop van tijd zoveel troost dat zij gaarne verklaarde zich volmaakt te willen verloochenen. Want als zij door het bidden van één Weesgegroet haar algehele genezing zou kunnen verkrijgen, zou zij dit toch niet doen of wensen.
Ongetwijfeld was deze verandering te danken aan de Allerhoogste zelf die zijn hand naar de behoeftige uitstak en haar, tijdens haar langdurig lijden, ’s nachts vertroostte op haar ziekbed. Want aangetrokken en verlokt door de verborgen zoetheid van ’s Heren lijden, overwoog zij dag en nacht op gezette tijden het lijdensverhaal in zeven gedeelten, overeenkomstig het getal van de kerkelijke getijden. Hierin vond zij het verborgen manna, en zij werd met vreugde over zoveel zoetheid vervuld. En het was alsof niet zijzelf, maar Christus - wiens lijden zij overwoog - verdroeg wat zij tot dan toe zelf had geleden. Toen kon zij, door de Geest onderwezen, uit eigen ervaring met de profeet Jesaja zeggen: ‘Waarlijk, Gij zijt een verborgen God’ (Jes. 45, 15) en luide zijn woorden herhalen: ‘Iedere nacht verlang ik naar U; ik hunker naar U met heel mijn ziel. Voor U waak ik vanaf de vroege morgen’ (Jes. 26, 9).
Posts tonen met het label Thomas a Kempis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Thomas a Kempis. Alle posts tonen
zaterdag 14 juni 2025
donderdag 31 oktober 2024
Thomas a Kempis November: Allerheiligen- en Allerzielenmaand "Heimwee naar de hemel"
Thomas a Kempis
Heimwee naar de hemel
Het enige diep in hun hart levende verlangen van
de heiligen tijdens hun leven op aarde was zich niet te conformeren aan deze
wereld, maar door verachting van het tijdelijke steeds naar de tegenwoordigheid
van Christus en de gemeenschap van de engelen te streven. Daarom beschouwde de
heilige apostel Paulus, die Christus vurig beminde, al het aardse als niets en
zei uit verlangen naar de hemelse dingen: “Ik verlang heen te gaan om met
Christus te zijn” (Fil 1,23).
Niet alle mensen
zullen dit wensen, maar alleen degenen die naar de volmaaktheid streven en
kunnen zeggen: “Ons vaderland is in de hemel” (Fil 3,20). Weinigen worden er gevonden die zich zo hebben
losgemaakt van de wereld dat zij met heel hun wezen naar de eeuwige dingen
haken en niet naar tijdelijke rijkdom en naar eer vragen. Die in liefde voor
Christus zijn ontvlamd, zich in armoede en zelfverachting verheugen en in
deemoed hun gemoed verootmoedigen en zichzelf nauwkeurig onderzoeken vanwege
kleine nalatigheden, die de nooddruft van het leven matig en dankbaar genieten
en zich hier met weinig tevreden stellen, verachten op rechtschapen wijze de
wereld en zijn vrienden van Christus. Zij ijlen naar het vaderland, zijn bereid
te sterven om haastig tot bij Christus te komen, omdat er niets meer in deze
wereld te vinden is dat hun waarachtig gelukkig zou kunnen maken.
Gelukkig is de
ziel die zo’n verlangen in zich draagt en dagelijks in geloof en vertrouwen het
ene verlangen bij het andere voegt en
Christus blijft bidden en aanroepen dat voor haar de hemelpoort wordt geopend
en zij het Rijk van God mag binnengaan dat allen die geloven is beloofd.
O gelukzalig
vaderland, waar eeuwige vreugde woont, bestendige vrede, klare kennis van God,
volmaakte liefde en eeuwige zaligheid! Eén dag daar is beter dan duizendmaal
duizend hier; want daar is geen gebrek, hier echter groot leed, zelden vrede en
onvolmaakte kennis. Wat kunnen wij, armen, weten van de eeuwige gelukzaligheid?
Wat vermogen sterfelijke mensen te begrijpen van de ware eeuwigheid en het
eeuwige leven, zolang het, zoals de H. Schrift zegt, met een donkere wolk
bedekt, voor ons verborgen is? Daarom past het dat een naar God verlangende,
maar nog door de duisternis van deze wereld omhulde ziel, naar de vreugde van
het eeuwige leven verzucht. Richt dus zonder onderbreken de ogen van uw geest
op de gemeenschap van het hemelse vaderland, waar Christus heerst in de
heerlijkheid van de Vader in alle eeuwigheid. Amen.
maandag 25 juli 2022
25 juli 1471 - Sint Jacobsdag: Sterfdag Thomas van Kempen
25 juli 1471 - Sint Jacobsdag: Sterfdag Thomas van Kempen
* Geboren tussen eind 1379 en midden 1380 in Kempen am Niederrhein in Noordrijn-Westfalen
† 25 juli in het klooster Sint Agnietenberg, Zwolle
† 25 juli in het klooster Sint Agnietenberg, Zwolle
“Eodem anno in
festo sancti Iacobi maioris post completorium obiit prædilectus frater noster
Thomas Hemerken de Kempis natus, civitatis diœcesis Coloniensis, anno ætatis
suæ xcii et investitionis suæ lxiii, anno autem sacerdotii sui lviii”.
In ditzelfde jaar [1471]
stierf op het feest van de heilige Jacobus de Meerdere na de Completen onze
zeer geliefde broeder Thomas Hemerken, geboortig uit Kempen, een stadje in het
bisdom Keulen, in zijn 91e levensjaar, het 63e jaar van
zijn inkleding, in het 58e jaar van zijn priesterschap.
Zo begint het bericht van het overlijden
van Thomas van Kempen, opgetekend in het “Chronicon Montis S. Agnetis”, de
Kroniek van de Sint Agnietenberg, een werk waarmee hij enkele weken voor zijn
dood nog bezig was. Zijn naam werd het meest bekend door zijn meesterwerk De Imitatione Christi – (Over) de Navolging van Christus, (1420). Aan
de kroniek van zijn klooster heeft hij heel zijn leven als kloosterling gewerkt.
Een andere hand zou zijn overlijden boekstaven.
Thomas Hemerken kwam in 1392 naar
Deventer om daar te worden opgenomen in het convict (1) van de Broeders van het
Gemene Leven dat geleid werd door Heer Florens Radewijns. Hier stond hij mede aan
de wieg van de Moderne Devotie, een laat middeleeuwse spirituele
vernieuwingsbeweging, gedragen door de Broeders en Zusters van het Gemene
(Gemeenschappelijk] leven binnen de Rooms-Katholieke Kerk met als inspirator
Meester Geert Grote (1340-1384) uit Deventer.
De Moderne Devotie beoogde een grotere
verinnerlijking op kerkelijk en maatschappelijk gebied waarbij het beleven van het kloosterlijke
ideaal samen moest gaan met het verrichten van werken van barmhartigheid.
In 1399 trad hij in het een jaar eerder
gestichte klooster van de Augustijner kanunniken op de Sint Agnietenberg bij
Zwolle in; zijn oudere broer Johannes was hem daarheen voorgegaan. Hij ontving de kloosternaam Donatus en in
1407 legde hij de kloostergeloften af, waarna in 1414 de priesterwijding volgde.
Thomas bekleedde meerdere malen het ambt
van prior en tegelijkertijd dat van novicenmeester. Hij geldt als
vertegenwoordiger bij uitstek van de Moderne Devotie en stelde uitstekende
geschriften samen, waaronder de thans nog altijd bekende reeds genoemde
“Navolging van Christus”, een werk dat uit vier Boeken bestaat met als
thematiek middels verzaking aan de wereld en toekering tot God te leven naar
het voorbeeld van Christus. Talrijke teksten wijzen hierop zoals het volgende
citaat uit Boek II, hfdst 1, nrs. 1,3-4,7,9-10: “Het koninkrijk Gods is in u (Lc 17,20,21), zegt de Heer. Keer terug
met heel uw hart tot God, en laat deze
armzalige wereld voor wat ze is en uw ziel zal rust vinden. Want het Rijk Gods
is vrede en vreugde in de heilige Geest (Rom 14,17), dat niet gegeven wordt aan
goddelozen. Christus zal tot u komen en u zijn vertroosting laten ervaren, als
gij Hem tenminste binnen in u een waardige woonplaats hebt bereid. Daarom
trouwe Christusvriend, maak voor deze Bruidegom uw hart gereed, zodat hij zich
gewaardigt tot u te komen en in u te wonen. Maak dus plaats voor Christus. Als
ge Christus bezit, zijt ge rijk en is u dat voldoende. Hijzelf zal voor u
zorgen en u getrouw in alles bijstaan, zodat het voor u niet nodig is op mensen
te vertrouwen”. (Vertaling B. Naaykens).
Hij stelde verder bijna 40 ascetisch en
spirituele geschriften samen die als vormende literatuur grote verbreiding vonden in kloosters en wereld.
Al zijn werken werden – dankzij de nieuwe
techniek van de boekdrukkunst - nog in de 15e eeuw wijd verspreid; tussen 1601
en 1759 werden zijn volledige werken negen keer gedrukt.
Spoedig na Thomas’ dood werd zijn
biografie geschreven, in 1672 werd zijn gebeente naar Zwolle overgebracht en
rustte daar in de Sint Michaëlskerk tot 1965, het jaar waarin deze kerk werd
gesloopt en ook het specifieke Thomas a Kempis-grafmonument (1895) van F.W.
Mengelberg verloren ging. Zijn relieken gingen vervolgens naar de nieuwe Sint-Michaëlkerk
en na sluiting van deze kerk naar de Basiliek van
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopnemening.
Meerdere malen werd de zaligverklaring
ingeleid, maar niet voltooid.
De nieuwe
kroniekschrijver vervolgt:
“Hic in
iuvenili ætate fuit auditor domini Florentii in Daventria, et ab eo directus
est ad fratrem suum germanum, tunc temporis priorem montis sanctæ Agnetis, anno
ætatis suæ xx, a quo post sex annos probationis suæ investitutus est“.
Hij [Thomas] was in zijn jeugd toehoorder (leerling) van
Heer Florens in Deventer en werd door hem op twintigjarige leeftijd naar zijn broer
gestuurd, die toen prior was op de Sint Agnietenberg. Door hem werd hij na zes
proefjaren ingekleed.
Thomas kreeg
dus ruimschoots de tijd om zich te oefenen in het canonieke kloosterleven
alvorens hij tot het noviciaat werd toegelaten.
“Et sustinuit
ab exordio monasterii magnam penuriam, temptationes et labores.
Scripsit autem
Bibliam nostram totaliter et alios multos libros pro domo et pro pretio.
Insuper composuit varios tractatulos ad ædificationem iuvenum in plano et
simplici stilo, sed prægrandes in sententia et operis efficacia“.
Vanaf het begin van het klooster verdroeg hij grote
ontberingen, beproevingen en de lasten van zware arbeid. Hij kopieerde echter
ook onze Bijbel volledig en schreef veel andere boeken ten behoeve van het huis
en voor de verkoop. Bovendien stelde hij verschillende tractaatjes samen tot
stichting van de jongeren in een klare en eenvoudige stijl, groots echter qua
strekking en effect.
![]() | |||||
| Reliekschrijn in de basiliek van O.L.Vrouw-ten-Hemelopneming, Zwolle |
“Fuit
etiam multum amorosus in passione Domini et mire consolativus temptatis et
tribulatis. Tandem circa senium suum vexatus hydropisi in cruribus obdormivit
in Domino, sepultus est in ambitu oriental ad latus fratris Petri Herbort”.
Voor
het lijden van de Heer koesterde hij een zeer innige liefde en wist hen die
bekoord en gekweld werden op een bewonderenswaardige wijze te troosten. In zijn
ouderdom leed hij aan waterzucht in zijn botten en overleed tenslotte in de
Heer. Hij werd begraven in de oostelijke kruisgang, naast broeder Petrus
Herbort.
1) Convict: (uit het Latijn: samenleving) huis waar priesterstudenten en priesters samenwonen zonder aan een kloosterregel te zijn gebonden.
zondag 2 januari 2022
Thomas a Kempis - Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest
THOMAS A KEMPIS OVER HET GEVEN VAN DE HEILBRENGENDE NAAM JEZUS
Ik zegen U en zeg U dank, Heer Jezus Christus, omdat U een nieuwe, heilbrengende en aanbiddelijke Naam gegeven werd, die Jezus luidde. Deze werd het eerst door de engel toevertrouwd aan de oren van de zalige Maagd Maria. Later werd hij aan Josef in de slaap geopenbaard. Maar op deze dag is hij U gegeven door uw ouders.
O zoete Naam, boven elke naam in de hemel en op aarde gezegend. Uw lof, o Jezus, reikt als uw Naam tot aan de grenzen der aarde. Van de opgang tot de ondergang van de zon zij uw Naam geprezen en van nu af tot in eeuwigheid verheerlijkt naar zijn volle grootheid. Van eeuwigheid werd deze allerheiligste en eerbiedwaardige Naam voor U door de Vader bestemd, maar in de tijd aan de mensen bekend gemaakt. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. Daarom buige zich terecht voor U iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong belijde, dat Gij zijt Jezus Christus, ons heil en onze verlossing. O allerdierbaarste Jezus, hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde. Want verheerlijkt is uw Naam boven de naam van Salomon en boven alle koningen, die vóór hem geweest zijn en die na hem zullen heersen. Daarom zullen alle vorsten der aarde U huldigen. En alle volken en tongen zullen U dienen, omdat Gij zijt de Heer onze God, Koning en Heiland van alle christenen.
O verrukkelijke heilbrengende Naam Jezus, die alle kwaal geneest, de geest verlicht en de harten ontvlamt; die droefheid verdrijft, toorn stilt, vrede en eendracht schenkt, de liefde voedt en in kwelling vreugde schenkt.
Deze hoogst beminnenswaardige Naam werd van de hemel uit door een engel op aarde gebracht, door de apostelen als een blijde boodschap verkondigd over heel de wereld. Voor deze Naam hebben martelaren geleden. Die Naam hebben belijders met luide stem geleraard, die Naam hebben heilige maagden vurig liefgehad. Die Naam prijzen en bezingen grijsaards en kinderen en duizenden en nog eens duizenden gelovigen verkozen de dood boven de verloochening van de honingzoete Naam Jezus.
Deze heilbrengende Naam wordt thans door koningen en vorsten aanbeden, door priesters en leraren verkondigd. Die Naam wordt bijzonder vereerd en bemind door allen, die in Christus geloven, die met verzaking aan de wereld en duivel in Jezus’ Naam op verlossing hopen. Want Jezus is het heil en de schutse van al de zijnen, in wier ziel geloof en liefde wonen.
O allerdierbaarste Jezus. Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest. Laat die Naam daar gegrift staan en eeuwig blijven ingeprent zó diep, dat voor-, noch tegenspoed mij ooit van uw liefde kunnen vervreemden. Wees Gij mij een sterke Toren tegen de vijand, een Trooster in droefheid en een Raadsman bij twijfels. Wees mij een Redder in benauwdheid, een helpende hand, zo ik vallen mocht, een Leermeester in alles, wat eerbaar is en een Gids, die mij van dwaalwegen terugroept. Wees mij door zoveel gevaren van bekoringen een trouwe Leidsman naar het hemels vaderland.
Ik zegen U en zeg U dank, Heer Jezus Christus, omdat U een nieuwe, heilbrengende en aanbiddelijke Naam gegeven werd, die Jezus luidde. Deze werd het eerst door de engel toevertrouwd aan de oren van de zalige Maagd Maria. Later werd hij aan Josef in de slaap geopenbaard. Maar op deze dag is hij U gegeven door uw ouders.
O zoete Naam, boven elke naam in de hemel en op aarde gezegend. Uw lof, o Jezus, reikt als uw Naam tot aan de grenzen der aarde. Van de opgang tot de ondergang van de zon zij uw Naam geprezen en van nu af tot in eeuwigheid verheerlijkt naar zijn volle grootheid. Van eeuwigheid werd deze allerheiligste en eerbiedwaardige Naam voor U door de Vader bestemd, maar in de tijd aan de mensen bekend gemaakt. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. Daarom buige zich terecht voor U iedere knie in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong belijde, dat Gij zijt Jezus Christus, ons heil en onze verlossing. O allerdierbaarste Jezus, hoe heerlijk is uw Naam over heel de aarde. Want verheerlijkt is uw Naam boven de naam van Salomon en boven alle koningen, die vóór hem geweest zijn en die na hem zullen heersen. Daarom zullen alle vorsten der aarde U huldigen. En alle volken en tongen zullen U dienen, omdat Gij zijt de Heer onze God, Koning en Heiland van alle christenen.
O verrukkelijke heilbrengende Naam Jezus, die alle kwaal geneest, de geest verlicht en de harten ontvlamt; die droefheid verdrijft, toorn stilt, vrede en eendracht schenkt, de liefde voedt en in kwelling vreugde schenkt.
Deze hoogst beminnenswaardige Naam werd van de hemel uit door een engel op aarde gebracht, door de apostelen als een blijde boodschap verkondigd over heel de wereld. Voor deze Naam hebben martelaren geleden. Die Naam hebben belijders met luide stem geleraard, die Naam hebben heilige maagden vurig liefgehad. Die Naam prijzen en bezingen grijsaards en kinderen en duizenden en nog eens duizenden gelovigen verkozen de dood boven de verloochening van de honingzoete Naam Jezus.
Deze heilbrengende Naam wordt thans door koningen en vorsten aanbeden, door priesters en leraren verkondigd. Die Naam wordt bijzonder vereerd en bemind door allen, die in Christus geloven, die met verzaking aan de wereld en duivel in Jezus’ Naam op verlossing hopen. Want Jezus is het heil en de schutse van al de zijnen, in wier ziel geloof en liefde wonen.
O allerdierbaarste Jezus. Mijn enig heil, niet naar de letter, maar naar de geest. Laat die Naam daar gegrift staan en eeuwig blijven ingeprent zó diep, dat voor-, noch tegenspoed mij ooit van uw liefde kunnen vervreemden. Wees Gij mij een sterke Toren tegen de vijand, een Trooster in droefheid en een Raadsman bij twijfels. Wees mij een Redder in benauwdheid, een helpende hand, zo ik vallen mocht, een Leermeester in alles, wat eerbaar is en een Gids, die mij van dwaalwegen terugroept. Wees mij door zoveel gevaren van bekoringen een trouwe Leidsman naar het hemels vaderland.
vrijdag 24 december 2021
Kerstmeditatie Thomas a Kempis: "in het zalige vertrouwen dat de mens door Uw genade opnieuw is geboren".
THOMAS A KEMPIS
MEDITATIE OVER DE GEBOORTE EN DE ARMOEDE VAN DE HEER JEZUS
Ik aanbid en breng U dank, Heer Jezus Christus, Enige Zoon van de Vader, vóór alle tijden geboren. Door onuitsprekelijk medelijden bewogen hebt Gij U verwaardigd geboren te worden in een vuile stal, en uit liefde voor de heilige armoede te worden neergelegd in een nauwe voederbak.
Ik prijs U, allerbeminnelijkste Jezus, voor uw luisterrijke oorsprong, voor uw glorierijke geboorte uit de zuivere Maagd Maria; voor uw armoede en voor uw nederigheid te willen liggen in zo'n arme en gemene kribbe. Wie zou kunnen mediteren over de gedachte van de allerhoogste God, die zich omwille van ons zo vernederde? O, welke dank is het menselijke geslacht Hem verschuldigd die om het te verlossen verkoos te liggen in een nauwe voederbak!
O oneindige tederheid, o beminnelijkheid bovenmate, o zoetste liefde God geboren als een hulpeloos kind, gewikkeld in lelijke windsels, liggend in een nauwe voederbak, met rauwe beesten om Hem heen!
O nederigheid die de menselijke gedachten te boven gaat, dat de Heer van alle heren Zich niet te goed acht om dienaar te worden van zijn eigen dienaren!
Maar, o mijn Heer en mijn God, het scheen U te gering toe mijn Schepper en ook mijn Vader te zijn: Gij achtte het zelfs niet beneden Uw waardigheid mijn Broeder te worden, en Vlees geworden van mijn vlees, in volle waarheid mijn natuur aan te nemen, behalve de zondigheid.
O Geboorte, buiten de loop van de natuur, triomferend over de natuurlijke orde van onze geboorten en uit goddelijke kracht de tranen verzachtend welke wij storten opdat door uw geboorte onze natuur mag worden hersteld!
O hoe aanbiddelijk en hoe lieflijk was uw Geboorte, o zoetste Jezus, Kind van de roemrijke Maagd, die door uw Geboorte uit de schoot van uw hoogverheven Moeder Maria, de geboorte van alle mensen herstelt, onze menselijke staat vernieuwt, onze veroordeling opheft en de handtekening van de tegen ons gerichte schuldbrief uitwist; en wel zó als iemand die klaagt geboren te zijn uit de stam van Adam, zich mag verheugen in uw zuivere Geboorte en in het zalige vertrouwen dat hij door Uw genade opnieuw is geboren.
Dank breng ik aan uw onverdiende en roemrijke Geboorte, Jezus Christus, enige Zoon van God. Door U immers hebben wij toegang gekregen tot de genade, waarin wij bevestigd zijn en waardoor wij vertrouwen op de heerlijke hoop van de kinderen Gods, ons vanuit de hemel beloofd. Gij die het onderpand van onze verlossing en de eeuwige hoop van alle mensen zijt, tot U, die ons tevoren al gezocht hebt toen wij U nog niet kenden, tot U nemen wij, nietswaardige zondaars, onze toevlucht.
MEDITATIE OVER DE GEBOORTE EN DE ARMOEDE VAN DE HEER JEZUS
Ik aanbid en breng U dank, Heer Jezus Christus, Enige Zoon van de Vader, vóór alle tijden geboren. Door onuitsprekelijk medelijden bewogen hebt Gij U verwaardigd geboren te worden in een vuile stal, en uit liefde voor de heilige armoede te worden neergelegd in een nauwe voederbak.
Ik prijs U, allerbeminnelijkste Jezus, voor uw luisterrijke oorsprong, voor uw glorierijke geboorte uit de zuivere Maagd Maria; voor uw armoede en voor uw nederigheid te willen liggen in zo'n arme en gemene kribbe. Wie zou kunnen mediteren over de gedachte van de allerhoogste God, die zich omwille van ons zo vernederde? O, welke dank is het menselijke geslacht Hem verschuldigd die om het te verlossen verkoos te liggen in een nauwe voederbak!
O oneindige tederheid, o beminnelijkheid bovenmate, o zoetste liefde God geboren als een hulpeloos kind, gewikkeld in lelijke windsels, liggend in een nauwe voederbak, met rauwe beesten om Hem heen!
O nederigheid die de menselijke gedachten te boven gaat, dat de Heer van alle heren Zich niet te goed acht om dienaar te worden van zijn eigen dienaren!
Maar, o mijn Heer en mijn God, het scheen U te gering toe mijn Schepper en ook mijn Vader te zijn: Gij achtte het zelfs niet beneden Uw waardigheid mijn Broeder te worden, en Vlees geworden van mijn vlees, in volle waarheid mijn natuur aan te nemen, behalve de zondigheid.
O Geboorte, buiten de loop van de natuur, triomferend over de natuurlijke orde van onze geboorten en uit goddelijke kracht de tranen verzachtend welke wij storten opdat door uw geboorte onze natuur mag worden hersteld!
O hoe aanbiddelijk en hoe lieflijk was uw Geboorte, o zoetste Jezus, Kind van de roemrijke Maagd, die door uw Geboorte uit de schoot van uw hoogverheven Moeder Maria, de geboorte van alle mensen herstelt, onze menselijke staat vernieuwt, onze veroordeling opheft en de handtekening van de tegen ons gerichte schuldbrief uitwist; en wel zó als iemand die klaagt geboren te zijn uit de stam van Adam, zich mag verheugen in uw zuivere Geboorte en in het zalige vertrouwen dat hij door Uw genade opnieuw is geboren.
Dank breng ik aan uw onverdiende en roemrijke Geboorte, Jezus Christus, enige Zoon van God. Door U immers hebben wij toegang gekregen tot de genade, waarin wij bevestigd zijn en waardoor wij vertrouwen op de heerlijke hoop van de kinderen Gods, ons vanuit de hemel beloofd. Gij die het onderpand van onze verlossing en de eeuwige hoop van alle mensen zijt, tot U, die ons tevoren al gezocht hebt toen wij U nog niet kenden, tot U nemen wij, nietswaardige zondaars, onze toevlucht.
donderdag 2 december 2021
2 december - sterfdag Jan van Ruusbroec
Thomas a Kempis over de dood van
Johannes Ruusbroec, de eerste prior van Groenendaal, klooster van reguliere
kanunniken van Sint Augustinus in het zoniënwoud bij Brussel.
Johannes
Ruusbroec [1293-1381] is
een van de grootste mystici van de zuidelijke Nederlanden. Hij ervoer op een
uitzonderlijke manier Gods tegenwoordigheid. En hij was in staat om zijn kennis
van het goddelijk mysterie aan anderen mee te delen. Deze uitzonderlijk
mystieke roeping werd door zijn directe omgeving algemeen erkend en
gerespecteerd. Zijn
invloed verspreidde zich snel over Europa, talrijke machtige en edele personen
kwamen hem in Groenendaal opzoeken, klerken zowel als meesters en doctors in de
theologie. Kort na zijn dood kreegt hij de bijnaam 'admirabilis' ("de
wonderbare").
Ruusbroec was ook de inspirator
van Meester Geert Grote [1340-1384], de initiatiefnemer voor de grote 15e
eeuwse geestelijke vernieuwingsbeweging van de Moderne Devotie - voor de oprichting en organisatie van het
klooster Windesheim voor reguliere kanunniken.
De hervormer van de H.Graforde
in de Nederlanden Jan van Abroek [Bree ca 1440- Hoogcruts 1510] groeide op in
de vernieuwingssfeer van de Moderne Devotie en gaf ons Kanunnikessen van het H.
Graf de idealen van deze geestelijke beweging door.
Uit de
Kroniek van Thomas van Kempen
(hoofdstuk II dat geen
betrekking heeft op het klooster Sint Agnietenberg, het klooster waar Thomas
praktisch zijn hele leven verbleef, maar dat hij wel wilde boekstaven)
In het jaar 1381 stierf op
2 december, de octaafdag van Sint-Catharina, in Brabant [1] de eerbiedwaardige
en hoogst devote pater Johannes Ruusbroec. Hij was de eerste prior van het
klooster Groenendaal bij Brussel, dat behoorde tot de orde van de reguliere
kanunniken. Hij was 87 jaar oud en werd begraven, naar het noorden gekeerd, in
het koor voor het hoogaltaar. [2] Als 60-jarige nam hij in voornoemde plaats
samen met de allereersten het kloosterkleed aan. Met Gods hulp vervulde hij 64
jaar lang het priesterambt. De gewijde en uitmuntende leer die hij verkondigde,
lichtte overal op in het Duitse land, waar zij wijd en zijd verspreid raakte.
Hem zocht meester Geert Grote persoonlijk op, in gezelschap van de rector van
de Zwolse school, meester Johannes. [3] Zijn werken beschouwde hij als
vergelijkbaar met die van de grootste kerkleraren. Tal van zeer devote en van
diep inzicht getuigende boeken in de volkstaal [4] deed Ruusbroec met
scherpzinnigheid het licht zien. En de gave van hemelse liefelijkheid die hij
van God ontvangen had, strooide hij met grote vrijgevigheid uit over allen in
de Kerk die hem nabij waren en die na hem zouden komen. Elf boeken zijn het,
die hij, zowel in het klooster als vóór zijn intrede, tot groot voordeel heeft
geschreven; en opdat dit aantal niet een onvolkomen getal zou zijn, wordt het
door een boek met brieven tot twaalf aangevuld.
[1]
Met Brabant wordt in het algemeen het hele Zuid-Nederlandse Bourgondische
gebied aangeduid, het voormalige hertogdom Brabant.
[2]
Dat wil zeggen: met het hoofd naar de linkerzijmuur van de kerk.
[3]
Johannes Cele namelijk.
[4]
Het zogenaamde Middelnederlands, vroeger ook wel Diets genoemd.
Thomas
van Kempen [1380-1471], het jaar vóór het sterfjaar van Ruusbroec geboren,
heeft Ruusbroec noch Geert Grote gekend. De bewondering en de genegenheid voor
Ruusbroec van Geert Grote en de kringen van zijn volgelingen heeft de jonge
broeder Thomas al vroeg meegekregen in het Agnietenbergklooster zodat hij
Ruusbroec “de gave van hemelse lieflijkheid” kon toeschrijven. Die hemelse gave
dichter bij de mensen brengen verstond Ruusbroec; Titus Brandsma [1881-1942], hoogleraar
in de Middelnederlandse mystiek en zelf mysticus heeft dit concept in zijn
colleges verder uitgewerkt.
De
passage uit de Kroniek van Thomas a Kempis werd met vriendelijke toestemming
overgenomen uit: U.de Kruijf+, H.Kummer en F.Pereboom+ (red.), Een klooster ontsloten. De kroniek van
Sint-Agnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen in vertaling en met commentaar.
Stichting IJsselacademie, Kampen, 2000, blz. 129.
maandag 1 november 2021
De heiligen, onze voorsprekers (Thomas a Kempis) Sluit vriendschap met heiligen
1. Sluit vriendschap met de heiligen
Verzuim niet de voorspraak van de heiligen, die met Christus in de hemel heersen, voortdurend aan te houden; want zoals je ziet, leef je in het dal der tranen en verkeer je dagelijks tussen vreemden en vijanden en ben je nog ver verwijderd van God in een vreemd land. Beijver je dus zolang je als pelgrim onderweg bent vriendschap te onderhouden met de heiligen en de vrienden van God alsook je bijzondere aan hen te binden, terwijl je de omgang en het spreken met mensen die je geen geestelijk voordeel brengen beter kunt vermijden. De voorspraak van een heilige is beter voor je dan een bezoek van op de wereld georiënteerde vrienden. Christus zal je meer in de stilte vertroosten dan lange gesprekken van vrienden met veel gelach dat bij de maaltijd kunnen doen. Hij die rechtvaardig wil leven bezit een innerlijke vreugde die een zinnelijk ingesteld mens die op het aardse uit is, niet begrijpt. Als je armoede en eenvoud bemint, zal Jezus dikwijls bij je zijn met de heilige Engelen en zal je onzichtbaar en innerlijk met een woord vreugde brengen. Zalig, die zijn genoegen niet bij de mensen zoekt, maar in godgewijde lezing/ lectio divina en aandachtig gebed. Zo kan hij vroom leven en vreugde vinden in hemelse dingen zoals ook de heiligen hebben gedaan, voor wie de zichtbare dingen niets betekenden.
2. Organiseer je leven naar hun voorbeeld
Iedereen is gesteld op zijns gelijken: een consciëntieus ingestelde persoonlijkheid zoekt een ander consciëntieuze persoonlijkheid, een bescheiden mens een bescheiden mens, een heilige een heilige, een ongedurige een ongedurige, een uitgelaten persoon een andere uitgelaten persoon. Verlang je te heersen met de heiligen in de hemel, zo zul je om Godswil veel lijden en je op aarde met de heiligen verootmoedigen; want het is van weinig nut dat je de heiligen met de mond eert, maar hen in je doen weerstreeft. Wil je God en de heiligen aangenaam zijn, beheers dan je zintuigen, breek je eigen wil, trek ten strijde tegen lasterpraat, span je in deugdzaam te leven, overweeg de levens van de heiligen, verdiep je in hun onderrichtingen, opdat je met de heiligen heilig kunt worden, en van hen hulp ontvangt, door hen onderricht, verhoord en gekroond wordt. IJverig naar de hemel verlangen is hen aangenaam, ook het berouwen van je zonden, de beheersing van de tong, het vaste voornemen je te beteren, het verlangen naar vooruitgang, geduld bij droefheid en dankzegging voor ontvangen weldaden.
Welluidend gezang is de heiligen aangenaam, opgewektheid bij het waken, lof- en psalmgezang, belijdenis van zonden/je zonden biechten en gebed om vergeving, het meevieren van de heilige Mis, het vergieten van godsvruchtige tranen bij het gebed en het volmaakt onderhouden van de kloosterregel. Wie lui is en nalaat goede werken te doen, verliest de genade van aandachtige toeleg, is God niet aangenaam, noch bij de Engelen geliefd, maar staat God en alle heiligen tegen. Want wie uit God is, hoort God woord, leest en schrijft graag Gods woord, waakt, bidt en werkt graag, doorstaat graag kritiek, zwijgt en dient God in vreugde. Hij vertoeft graag in de kerk of in zijn cel om spoedig deze of gene heilige aan te roepen en op de knieën om genade te smeken teneinde zijn fantasieën te overwinnen, te weerstaan aan aanvechtingen waardoor hij wordt belaagd, opdat hij door de voorspraak van de heiligen in vrome en goede gesteltenis mag blijven alsmede na de doorstane strijd in dit leven de woning van de eeuwige rust mag bereiken waar alle heiligen met Christus gelukzalig heersen.
3. Vertrouw op hun voorspraak
Het gebed tot de heiligen dat tot hun eer vanuit een goede mening geschiedt zal immers niet tevergeefs zijn. Zij, die zo ijverig voor hun vijanden hebben gebeden toen zij door hun tegenstanders werden gekweld, hoe meer ijverig zullen zij nu voor hun vereerders ten beste spreken opdat deze zich bij hen mogen voegen in de hemelse vreugde. Zij weten immers van hen dat zij zich dagelijks beijveren om God te dienen en onder zuchten en tranen moeite doen het eeuwige leven te verwerven. Heb dus een groot vertrouwen! Roep de heiligen aan! Net als wij waren zij sterfelijke en zondige mensen die zich met vele fouten zagen behept en in aanvechtingen verstrikt. Maar door de genade van God daarvan bevrijd en gerechtvaardigd, danken zij nu Christus, die hen uit zoveel kwaad heeft gered.
Uit Thomas a Kempis "De disciplina claustralium"
Verzuim niet de voorspraak van de heiligen, die met Christus in de hemel heersen, voortdurend aan te houden; want zoals je ziet, leef je in het dal der tranen en verkeer je dagelijks tussen vreemden en vijanden en ben je nog ver verwijderd van God in een vreemd land. Beijver je dus zolang je als pelgrim onderweg bent vriendschap te onderhouden met de heiligen en de vrienden van God alsook je bijzondere aan hen te binden, terwijl je de omgang en het spreken met mensen die je geen geestelijk voordeel brengen beter kunt vermijden. De voorspraak van een heilige is beter voor je dan een bezoek van op de wereld georiënteerde vrienden. Christus zal je meer in de stilte vertroosten dan lange gesprekken van vrienden met veel gelach dat bij de maaltijd kunnen doen. Hij die rechtvaardig wil leven bezit een innerlijke vreugde die een zinnelijk ingesteld mens die op het aardse uit is, niet begrijpt. Als je armoede en eenvoud bemint, zal Jezus dikwijls bij je zijn met de heilige Engelen en zal je onzichtbaar en innerlijk met een woord vreugde brengen. Zalig, die zijn genoegen niet bij de mensen zoekt, maar in godgewijde lezing/ lectio divina en aandachtig gebed. Zo kan hij vroom leven en vreugde vinden in hemelse dingen zoals ook de heiligen hebben gedaan, voor wie de zichtbare dingen niets betekenden.
2. Organiseer je leven naar hun voorbeeld
Iedereen is gesteld op zijns gelijken: een consciëntieus ingestelde persoonlijkheid zoekt een ander consciëntieuze persoonlijkheid, een bescheiden mens een bescheiden mens, een heilige een heilige, een ongedurige een ongedurige, een uitgelaten persoon een andere uitgelaten persoon. Verlang je te heersen met de heiligen in de hemel, zo zul je om Godswil veel lijden en je op aarde met de heiligen verootmoedigen; want het is van weinig nut dat je de heiligen met de mond eert, maar hen in je doen weerstreeft. Wil je God en de heiligen aangenaam zijn, beheers dan je zintuigen, breek je eigen wil, trek ten strijde tegen lasterpraat, span je in deugdzaam te leven, overweeg de levens van de heiligen, verdiep je in hun onderrichtingen, opdat je met de heiligen heilig kunt worden, en van hen hulp ontvangt, door hen onderricht, verhoord en gekroond wordt. IJverig naar de hemel verlangen is hen aangenaam, ook het berouwen van je zonden, de beheersing van de tong, het vaste voornemen je te beteren, het verlangen naar vooruitgang, geduld bij droefheid en dankzegging voor ontvangen weldaden.
Welluidend gezang is de heiligen aangenaam, opgewektheid bij het waken, lof- en psalmgezang, belijdenis van zonden/je zonden biechten en gebed om vergeving, het meevieren van de heilige Mis, het vergieten van godsvruchtige tranen bij het gebed en het volmaakt onderhouden van de kloosterregel. Wie lui is en nalaat goede werken te doen, verliest de genade van aandachtige toeleg, is God niet aangenaam, noch bij de Engelen geliefd, maar staat God en alle heiligen tegen. Want wie uit God is, hoort God woord, leest en schrijft graag Gods woord, waakt, bidt en werkt graag, doorstaat graag kritiek, zwijgt en dient God in vreugde. Hij vertoeft graag in de kerk of in zijn cel om spoedig deze of gene heilige aan te roepen en op de knieën om genade te smeken teneinde zijn fantasieën te overwinnen, te weerstaan aan aanvechtingen waardoor hij wordt belaagd, opdat hij door de voorspraak van de heiligen in vrome en goede gesteltenis mag blijven alsmede na de doorstane strijd in dit leven de woning van de eeuwige rust mag bereiken waar alle heiligen met Christus gelukzalig heersen.
3. Vertrouw op hun voorspraak
Het gebed tot de heiligen dat tot hun eer vanuit een goede mening geschiedt zal immers niet tevergeefs zijn. Zij, die zo ijverig voor hun vijanden hebben gebeden toen zij door hun tegenstanders werden gekweld, hoe meer ijverig zullen zij nu voor hun vereerders ten beste spreken opdat deze zich bij hen mogen voegen in de hemelse vreugde. Zij weten immers van hen dat zij zich dagelijks beijveren om God te dienen en onder zuchten en tranen moeite doen het eeuwige leven te verwerven. Heb dus een groot vertrouwen! Roep de heiligen aan! Net als wij waren zij sterfelijke en zondige mensen die zich met vele fouten zagen behept en in aanvechtingen verstrikt. Maar door de genade van God daarvan bevrijd en gerechtvaardigd, danken zij nu Christus, die hen uit zoveel kwaad heeft gered.
Uit Thomas a Kempis "De disciplina claustralium"
zondag 29 augustus 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XXII per annum feria II Thomas a Kempis. Ego docui prophetas meos. Ik heb mijn profeten onderwezen.
E Libro De
imitatióne Christi
(Lib. 3, 3)
Audi, fili, verba
mea, verba suavíssima, omnem philosophórum et sapiéntium huius mundi sciéntiam
excedéntia. Verba mea spíritus
et vita sunt, nec humáno sensu pensánda.
Tweede lezing
Uit ‘De Navolging van
Christus’ van Thomas a Kempis
(Lib. 3, 3)
Ik heb mijn profeten onderwezen
Luister, mijn zoon, naar
mijn woorden, alleraangenaamste woorden, die alle wetenschap en filosofen en
wijzen van deze wereld overtreffen. Mijn
woorden zijn geest en leven, en kunnen niet beoordeeld worden naar
menselijke maatstaf.
Ze mogen niet neergehaald
worden tot een ijdel genoegen, maar moeten in stilte worden aanhoord en met
alle nederigheid en grote liefde worden opgenomen.
En ik zei: Gelukkig de man, Heer, die Gij onderricht en
die Gij leert uw wet: hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, en
niet verlaten wordt op aarde.
Ik, zegt de Heer, heb van
den beginne af de profeten onderwezen en Ik houd niet op tot allen te spreken,
maar velen zijn doof voor mijn stem en verhard.
Velen luisteren liever naar
de wereld dan naar God; zij volgen gemakkelijker de begeerten van het vlees dan
Gods welbehagen.
De wereld belooft het
tijdelijk en geringe en ze wordt met grote begerigheid gediend. Ik beloof het
hoogste en het eeuwige, en toch verkoelen de harten van de stervelingen.
Wie dient en gehoorzaamt Mij
met zoveel zorg in alles, als men de wereld dient met haar meesters?
Schaam u daarom, luie en
klaagzieke knecht, omdat die anderen meer bereid worden bevonden tot hun
verderf dan gij tot het leven.
Zij verheugen zich meer in
de ijdelheid dan gij in de waarheid.
Toch worden zij niet zelden
in hun verwachtingen bedrogen, maar mijn belofte bedriegt niemand en zendt hem
niet ledig heen, die op Mij vertrouwt.
Wat Ik beloofd heb, zal Ik
geven; wat Ik gezegd heb, zal Ik vervullen, als men maar ten einde toe trouw
blijft in mijn liefde.
Ik ben de beloner van al het
goede en de krachtige beproever van alle vromen.
Schrijf mijn woorden in uw
hart en overdenk ze zorgvuldig; want ten tijde van de beproeving hebt gij ze
zeer nodig.
Wat gij niet begrijpt,
wanneer ge het leest, zult ge begrijpen op de dag der bezoeking.
Ik ben gewoon mijn
uitverkorenen op twee manieren te bezoeken, namelijk met beproeving en met
troost.
En twee lessen geef Ik hun
iedere dag: en waarbij Ik hun gebreken berisp, een andere waarbij Ik hen
aanspoor hun deugden te doen toenemen.
Wie
mijn woorden heeft en deze veracht, heeft reeds iemand, die hem veroordeelt op
de laatste dag.
donderdag 1 juli 2021
Thomas a Kempis en vrouwelijke religieuzen
Thomas van Kempen (*Kempen 1379/1380 - +Zwolle 25 juli 1471), Augustijner kanunnik van Windesheim, is voor vrouwelijke religieuzen geen onbekende naam. Als men over hem hoort spreken of lezen wordt men onmiddellijk aan zijn diepe innerlijk herinnerd. Alsof hij de binnenkant van de mensen kon doorschouwen, zo schetst hij in zijn geschriften het beeld van de naar Gods Beeld geschapen mens en tegelijk van de mens getekend door het menselijk tekort.
Thomas van Kempen is jarenlang novicenmeester geweest en heeft zijn lessen en instructies opgeschreven. We weten uit de “Navolging” dat hij met een grote zekerheid slechts over wezenlijke zaken spreekt waarop het bij iedereen aankomt, wil men gelukkig worden.
Zijn taal is eenvoudig, nuchter, pakkend en transparant. Tot op de dag van vandaag zijn zijn woorden van algemeen geldende betekenis.
Thomas van Kempis behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de laatmiddeleeuwse vernieuwings-beweging, de Moderne Devotie. Deze werd in gang gezet door Geert Grote (1340-1384).
woensdag 2 december 2020
Thomas a Kempis over de dood van Johannes Ruusbroec
2 december
In de bisdommen Antwerpen, Brugge en Mechelen-Brussel
Johannes Ruusbroec [1293-1381], regulier kanunnik en mysticus
Thomas a Kempis over de dood van
Johannes Ruusbroec, de eerste prior van Groenendaal, klooster van reguliere
kanunniken van Sint Augustinus bij Brussel.
Inleiding
Johannes
Ruusbroec werd geboren te Ruisbroek bij Brussel in 1293. Hij was kapelaan van
de Sint-Goeclele te Brussel en stichtte op 50-jarige leeftijd een klooster van
reguliere kanunniken van de heilige Augustinus te Groenendaal. Op deze plaats,
in de ongerepte stilte van het Zoniënwoud, schreef hij zijn beroemde mystieke werken. is
een van de grootste mystici van de zuidelijke Nederlanden. Hij ervoer op een
uitzonderlijke manier Gods tegenwoordigheid. En hij was in staat om zijn kennis
van het goddelijk mysterie aan anderen mee te delen. Deze uitzonderlijk
mystieke roeping werd door zijn directe omgeving algemeen erkend en
gerespecteerd. Zijn invloed verspreidde zich snel over Europa, talrijke machtige
en edele personen kwamen hem in Groenendaal opzoeken, klerken zowel als
meesters en doctors in de theologie. Hij stierf er op 2 december 1381. Kort na
zijn dood kreeg hij de bijnaam 'admirabilis' ("de Wonderbare").
Ruusbroec
was ook de inspirator van Meester Geert Grote [1340-1384], de
initiatiefnemer voor de grote 15e eeuwse geestelijke
vernieuwingsbeweging van de Moderne Devotie - voor de oprichting en organisatie van het
klooster Windesheim voor reguliere kanunniken. Bij zijn herhaalde, soms maandenlange
bezoeken aan Groenendaal was Geert Grote onder de charme van Ruusbroec’s
rustige levensopvatting gekomen. Op zijn sterfbed gaf Geert Grote dan de
volgende aanwijzingen:
“Ik
bid en smeek u allen, dat gij na mijn dood een klooster zoudt oprichten, waarin
de oudste en stichtendste broeders tot het priesterschap verheven worden… waar
het gemene leven blijft onderhouden… Dit nieuwe klooster moet niet zijn als een
kartuize, want hoe heilig en Gode toegewijd de kartuizers ook leven, toch zijn
zij te radicaal van de wereld gescheiden om de vromen van buiten vrije toegang
te verlenen. Zelfs moet gij niet de regel van de Cisterciënsers aannemen:want
die is zeer streng en, voor onze tijd en de menselijke zwakheid van velen,
zwaar om te onderhouden. Maar gij moet de Orde van de Reguliere Kanunniken van
het klooster te Groenendaal, van mijn allerliefste en zeer eerwaarde vader,
aannemen : die dienen onder een meer menselijke regel die haast voor allen, die
in het klooster krijgsdienst voor God willen verrichten, uiterst geschikt is en
die trouwens niet veel verschilt van de levensregel, die gij tot nog toe hebt
onderhouden”. Diegenen die Geert Grote
“zijn
allerliefste vaders” noemt, de stichters van Groenendaal hebben met hun
geestelijke bezieler, Ruusbroec, die eenvoud en goedheid, die gematigdheid en
mildheid uitstraalt, waarnaar Grote bij zijn levenseinde, zo’n heimwee had. Het
blijft Ruusbroec’s grootste aantrekkelijkheid, dat door zijn door zijn diepste
leringen de eenvoud van de goede prior en zijn menselijkheid blijft bekoren.
De
hervormer van de H.Graforde in de Nederlanden Jan van Abroek [Bree ca 1440-
Hoogcruts 1510] groeide op in de vernieuwingssfeer van de Moderne Devotie en
gaf ons Kanunnikessen van het H. Graf de idealen van deze geestelijke beweging
door.
Uit de Kroniek
van Thomas van Kempen
(hoofdstuk II dat geen
betrekking heeft op het klooster Sint Agnietenberg, het klooster waar Thomas
praktisch zijn hele leven verbleef, maar dat hij wel wilde boekstaven)
In het jaar 1381 stierf op 2
december, de octaafdag van Sint-Catharina, in Brabant [1] de eerbiedwaardige en
hoogst devote pater Johannes Ruusbroec. Hij was de eerste prior van het
klooster Groenendaal bij Brussel, dat behoorde tot de orde van de reguliere
kanunniken. Hij was 87 jaar oud en werd begraven, naar het noorden gekeerd, in
het koor voor het hoogaltaar. [2] Als 60-jarige nam hij in voornoemde plaats
samen met de allereersten het kloosterkleed aan. Met Gods hulp vervulde hij 64
jaar lang het priesterambt. De gewijde en uitmuntende leer die hij verkondigde,
lichtte overal op in het Duitse land, waar zij wijd en zijd verspreid raakte.
Hem zocht meester Geert Grote persoonlijk op, in gezelschap van de rector van
de Zwolse school, meester Johannes. [3] Zijn werken beschouwde hij als
vergelijkbaar met die van de grootste kerkleraren. Tal van zeer devote en van
diep inzicht getuigende boeken in de volkstaal [4] deed Ruusbroec met
scherpzinnigheid het licht zien. En de gave van hemelse liefelijkheid die hij
van God ontvangen had, strooide hij met grote vrijgevigheid uit over allen in
de Kerk die hem nabij waren en die na hem zouden komen. Elf boeken zijn het,
die hij, zowel in het klooster als vóór zijn intrede, tot groot voordeel heeft
geschreven; en opdat dit aantal niet een onvolkomen getal zou zijn, wordt het
door een boek met brieven tot twaalf aangevuld.
[1]
Met Brabant wordt in het algemeen het hele Zuid-Nederlandse Bourgondische
gebied aangeduid, het voormalige hertogdom Brabant.
[2]
Dat wil zeggen: met het hoofd naar de linkerzijmuur van de kerk.
[3]
Johannes Cele namelijk.
[4]
Het zogenaamde Middelnederlands, vroeger ook wel Diets genoemd.
Thomas
van Kempen [1380-1471], het jaar vóór het sterfjaar van Ruusbroec geboren,
heeft Ruusbroec noch Geert Grote gekend. De bewondering en de genegenheid voor
Ruusbroec van Geert Grote en de kringen van zijn volgelingen heeft de jonge
broeder Thomas al vroeg meegekregen in het Agnietenbergklooster zodat hij Ruusbroec
“de gave van hemelse lieflijkheid” kon toeschrijven. Die hemelse gave dichter
bij de mensen brengen verstond Ruusbroec; Titus Brandsma [1881-1942], hoogleraar
in de Middelnederlandse mystiek en zelf mysticus heeft dit concept in zijn
colleges uitgewerkt.
Onder
dank met toestemming overgenomen uit: U. de Kruijf +, J. Kummer en F. Pereoom
+, Een klooster ontsloten. De kroniek van Sint-Agnietenberg bij Zwolle door
Thomas van Kempen. In vertaling en met commentaar. Uitgave van Stichting
Ijsselacademie, Kampen, 2000, p. 129
Abonneren op:
Posts (Atom)









