donderdag 19 juli 2018

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Hebdomada XV per annum feria VI De Eucharistia ad neophytos. Over de Eucharistie tot de pas-gedoopten.



Lectio altera
Ex Tractátu sancti Ambrósii epíscopi De mystériis
(Nn. 43. 47-49: SCh 25 bis, 178-180. 182)
Tweede lezing

Uit het tractaat over ‘De Mysteriën’, van de H. Ambrosius, bisschop
(Nn. 43. 47-49: SCh 25 bis, 178-180. 182)
Over de Eucharistie tot de pas-gedoopten

Aldus gereinigd begeeft zich de schare, rijk aan kentekenen, naar het altaar van Christus zeggend: En ik zal gaan naar het altaar Gods, tot de God, die mijn jeugd verblijdt. Want na het kleed van de oude dwaling te hebben afgelegd, en als een adelaar zijn jeugd verjongd te hebben, ijlt hij naar dat hemels gastmaal. Hij komt dan en ziet, dat het hoogheilig altaar in gereedheid is gebracht, en hij roept uit: Gij hebt voor mijn aangezicht een maaltijd bereid. Deze schare liet David spreken toen hij zei: De Heer is mijn Herder en mij zal niets ontbreken; Hij heeft mij geplaatst in de groene beemden. Hij heeft mij geleid naar verkwikkende wateren. En verder: Al wandel ik midden in de schaduw van de dood Ik zal voor geen onheil bevreesd zijn: Want Gij staat mij bij; uw staf en stok zijn mijn troost geworden. Gij hebt voor mij bereid een dis voor het oog van mijn vijanden. Met olie hebt Gij mijn hoofd gezalfd en uw kelk, die mij dronken maakt, hoe voortreffelijk is die.

Wonderbaar is het, dat God voor onze vaderen het manna liet regenen en zij zich dagelijks voedden met brood uit de hemel. Vandaar dat er gezegd is: De mens voedde zich met het brood der engelen; Maar toch, die dat brood hebben gegeten, zijn in de woestijn gestorven. Maar, het voedsel, dat gij ontvangt, is het levende brood, dat uit de hemel is neerdaalde; het schenkt het onderpand voor het eeuwig leven, en alwie dat brood eet zal niet sterven in eeuwigheid; het is immers het Lichaam van Christus.

Overdenk nu wat voortreffelijker is: het brood der engelen of het Vlees van Christus, dat toch het Lichaam des Levens is. Het manna kwam uit de hemel, dit brood staat boven de hemel; het eerste was van de hemel, maar dit van de Heer der hemelen. Het manna was bederfelijk als het ook maar één dag lang bewaard bleef, maar dit Brood kent geen bederf, want alwie dit godvruchtig nuttigt, kan het bederf niet zien. Voor de Joden vloeide er water uit de rots, voor u vloeit het Bloed uit Christus; de eersten werden voor een tijd met water gelest, maar het Bloed lest u voor eeuwig. De Jood drinkt en krijgt weer dorst; want het eerste stond in de voorafschaduwing, het laatste in de Waarheid.

Als dat brood, wat gij bewondert, meer een schaduw is, wat moet dat dan wel zijn, waarvan gij de schaduw bewondert? Luistert naar de Schrift, waar blijkt, dat wat er bij de vaders gebeurde maar schaduw was: Zij dronken uit een (geestelijke) rots, die met hun mee ging, en die rots was Christus. Maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers zij werden neergeveld in de woestijn. Deze gebeurtenissen zijn een voorafbeelding van ons. Gij nu hebt grotere dingen leren kennen: het licht toch staat hoger in waarde dan de schaduw, de waarheid hoger dan de voorafbeelding, het Lichaam van de Schepper hoger dan het manna uit de hemel.