zondag 4 december 2016

Liturgia Horarum - ‘Hier ben Ik; ja, Ik kom!’ (Hebr 10, 9)


Uit een preek van de heilige Bernardus, abt van Clairvaux († 1153)

Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden.
Het is goed eens te overwegen op welk tijdstip de Heiland gekomen is. Hij kwam immers, zoals ge ook wel weet, niet bij de aanvang, niet in de loop der tijden, maar bij het einde der tijden. En dit geschiedde niet zonder reden. Integendeel, het was waarlijk een wijze schikking van de wijsheid Gods eerst dan hulp te bieden, als de nood zich het sterkst deed gevoelen. God wist maar al te goed hoezeer de kinderen van Adam geneigd zijn tot ondankbaarheid. Ja, het werd al avond en de dag liep reeds ten einde. De Zon der gerechtigheid was bijna geheel ondergegaan, ternauwernood was er nog een vleugje licht en warmte op aarde. Ook het licht van de kennis omtrent God was aanmerkelijk verzwakt en door het toenemen van de zonde was de gloed van de liefde verkoeld.
Geen engel werd er meer gezien, geen profeet meer gehoord. Zij waren verstomd en wanhopig bij het zien van de verhardheid en de onwil van de mensen. Maar toen sprak de Zoon: ‘Hier ben Ik; ja, Ik kom!’ (Heb. 10, 9). Op dat tijdstip ‘terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht in zijn loop halverwege was gekomen, kwam uw alvermogend Woord van zijn koningstroon in de hemel’ (Wijsh. 18, 14). Hetzelfde geeft ook de Apostel te verstaan als hij zegt: ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden’ (Gal. 4, 4). Want door de rijkdom en de overvloed van de tijdelijke goederen waren de eeuwige in vergetelheid geraakt. Terecht verscheen dan het eeuwige, toen het tijdelijke steeds meer de overhand verkreeg.
De persoon die komt, kent ge reeds, ook de plaats vanwaar Hij komt en waarheen Hij gaat. Ook de reden en het tijdstip van zijn komst zijn u niet onbekend. Rest alleen nog te weten langs welke weg Hij komt. Ook dit moeten wij zorgvuldig nagaan om Hem tegemoet te kunnen gaan, zoals het betaamt. Inderdaad, zoals Hij eenmaal zichtbaar in het vlees op aarde verscheen om het heil te bewerken, zo komt Hij nog dagelijks geestelijk en onzichtbaar om aan ieder redding te brengen, zoals er geschreven staat: ‘De gezalfde van de Heer is onze levensadem’ (Klaagl. 4, 20 - Vulg.). En opdat ge zoudt weten dat deze geestelijke komst verborgen is, zegt de Schrift: ‘In zijn schaduw leven wij onder de volken’ (Klaagl. 4, 20). Daarom, als een zieke zo’n groot geneesheer niet verder tegemoet kan gaan, moet hij trachten tenminste zijn hoofd op te heffen en zich een weinig op te richten wanneer Hij komt.
Gij hoeft niet, o mens, zeeën over te steken; het is niet nodig op te stijgen tot in de wolken, over bergen te klimmen. Geen lange weg wordt u getoond. Ga uw God tegemoet tot bij uzelf. Want ‘het woord is vlakbij, het is in uw mond, het is in uw hart’ (Rom. 10, 8). Ga Hem tegemoet tot in de vermorzeling van uw hart en de belijdenis van uw mond. Dan zult gij tenminste de poel van uw ellendig geweten verlaten, want daar kan de bewerker van de reinheid niet binnengaan. Dit alles heeft betrekking op het komen van God, die het hart van een ieder door zijn onzichtbare tegenwoordigheid verlicht.