zondag 4 december 2016

H. Augustinus Gods beloften worden ons aangeboden door zijn Zoon.


Uit het commentaar van de heilige Augustinus, bisschop van Hippo († 430), op psalm 110 (109)

Gods beloften worden ons aangeboden door zijn Zoon.

God heeft een tijd vastgesteld om zijn beloften te doen, en een tijd om die beloften in vervulling te doen gaan.
De tijd van de beloften gaat van de profeten tot Johannes de Doper; de tijd van de vervulling, van Johannes de Doper tot het einde der eeuwen.
Getrouw is God die zichzelf tot onze schuldenaar maakte, niet door wat dan ook van ons te ontvangen, maar door zulke grote goederen te beloven. Beloven was nog niet genoeg. Hij heeft zichzelf schriftelijk willen verplichten door als het ware een schuldbekentenis te tekenen ter bekrachtiging van zijn beloften, zodat wij in het boek der beloften het verloop van de vervulling kunnen volgen. De tijd van de profetieën was de voorspelling van de beloften, zoals we al dikwijls gezegd hebben.

Hij heeft ons het eeuwig heil beloofd, een gelukkig leven met de engelen dat geen einde kent, een onvervreemdbare erfenis, de eeuwige heerlijkheid, het genot van de aanschouwing van zijn gelaat, de woning van zijn heiligheid in de hemel, de afwezigheid van alle vrees voor de dood vanwege de verrijzenis uit de doden. Dit is als het slotakkoord van zijn beloften waarop al onze hoop gevestigd is. Want eenmaal dit verworven, zullen wij niets meer missen, niets meer te verlangen hebben. Maar God heeft bij zijn beloften en voorspellingen niet verzwegen hoe wij kunnen komen tot dat wat er aan het einde zal zijn.
Hij beloofde immers aan mensen goddelijk leven, aan stervelingen onsterfelijkheid, aan zondaars vergiffenis, aan verworpenen verheerlijking.

Ja werkelijk, broeders en zusters, omdat het de mensen onmogelijk toescheen wat God beloofde, hen namelijk uit dit sterfelijk leven, uit het verderf, uit de verwerping, uit hun zwakheid, uit stof en as, op te halen om hen aan engelen van God gelijk te maken, daarom heeft God niet alleen zijn verbond ondertekend in de Schrift, maar heeft Hij ook de mensen een middelaar gegeven van zijn trouw, opdat zij zijn woord zouden geloven. En die middelaar is niet zo maar een hemelse vorst, een engel of aartsengel, maar zijn enige Zoon, om door die Zoon ons de weg te tonen en te geven waarlangs wij het doel zullen bereiken dat Hij ons beloofd heeft.
Want voor God was het niet genoeg dat zijn Zoon ons de weg zou wijzen, God heeft gewild dat zijn Zoon zelf de weg zou zijn, zodat gij zoudt kunnen gaan langs Hem, terwijl Hij u leidt en gij voortgang maakt door Hem.
De enige Zoon van God moest tot de mensen komen, mens worden en als mens sterven, verrijzen, opstijgen naar de hemel, aan de rechterhand zitten van God de Vader en al het beloofde onder de mensen volbrengen. En na de vervulling van zijn beloften onder de mensen zal Hij ook dit nog in vervulling doen gaan: Hij zal komen om de ongelovigen te vergelden met datgene waarmee Hij had gedreigd, en de gelovigen te belonen met datgene wat Hij had beloofd.

Dit alles moest nauwkeurig voorspeld worden, opdat niemand zou schrikken als bij iets onverwachts. Integendeel, nu kan iedereen reikhalzend uitzien naar datgene waaraan hij geloof geschonken heeft.